Evangelie van de zondag (Mattheüs 20, 1–16)
In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor: Het rijk der hemelen gelijkt op een huisvader, die vroeg in de morgen erop uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
En hij kwam met de arbeiders overeen voor één tienling per dag, en zond hen naar zijn wijngaard. Tegen het derde uur ging hij nogmaals uit en zag weer anderen op de markt werkeloos staan; en hij zei hun: Gaat ook gij naar mijn wijngaard, en wat billijk is, zal ik u geven. En zij gingen erheen. Opnieuw ging hij uit tegen het zesde en negende uur, en handelde op dezelfde wijze.
Toen hij echter tegen het elfde uur uitging, vond hij daar nog anderen staan, en hij zei hun: Waarom staat gij hier de hele dag zonder iets te doen? Zij gaven hem ten antwoord: Omdat niemand ons gehuurd heeft. En hij zei tot hen: Gaat ook gij naar mijn wijngaard.
Toen het nu avond was geworden, sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn opzichter: Roep de arbeiders, en betaal hun het loon uit, te beginnen bij de laatsten en zo vervolgens tot de eersten. Zij die tegen het elfde uur gekomen waren, traden dan naar voren en ontvingen ieder een tienling. En toen de eersten kwamen, dachten zij meer te ontvangen; maar ook zij kregen ieder één tienling.
En terwijl zij die aannamen, morden zij tegen de huisvader en zeiden: Die laatsten hebben slechts één uur gewerkt, en gij hebt ze gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de hitte hebben gedragen! Maar hij antwoordde aan een van hen: Vriend, ik doe u toch geen onrecht; zijt gij niet met mij overeengekomen voor één tienling? Neem dus wat u toekomt, en ga heen. Ik wil echter ook aan die laatsten evenveel geven als aan u. Staat het mij soms niet vrij te doen wat ik verkies? Of zijt gij kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
SEPTUAGESIMA
De tijd van Septuagesima omvat de drie weken die onmiddellijk aan de heilige Vastentijd voorafgaan. Zij vormt een wezenlijk onderdeel van het liturgisch jaar en bestaat uit drie zondagen: Septuagesima, Sexagesima en Quinquagesima. Hun namen drukken de symbolische verhouding uit tot de Vastentijd, die Quadragesima wordt genoemd — veertig dagen — waarin de Kerk zich voorbereidt op het Paasfeest door boete en ingetogenheid.
Door deze weken nodigt de Kerk haar gelovigen uit zich geleidelijk los te maken van de verstrooiingen van de wereld en zich innerlijk voor te bereiden op de ernstige oproep van Aswoensdag. Reeds vóór het begin van de Vastentijd krijgt de liturgie daarom een ingetogen karakter: het Alleluia en het Gloria in excelsis worden weggelaten en maken plaats voor een toon van stille weemoed.
Zo werd Septuagesima, na eeuwen van ontwikkeling, definitief opgenomen in de kringloop van de Kerk, waarin zij reeds meer dan duizend jaar haar plaats inneemt. Haar naam verwijst niet naar een exacte telling van dagen, maar naar de nadering van de heilige veertigdagentijd. De zondag van Septuagesima kan vallen tussen 18 januari en 22 februari, die daarom de sleuteldagen van Septuagesima worden genoemd.
Preek van de heilige Augustinus
Bij het Evangelie van zondag Septuagesima (Sermo 87)
De Heer Jezus Christus heeft ons in het evangelie een gelijkenis voorgehouden, waarin Hij zegt dat het Koninkrijk der hemelen gelijk is aan een huisvader, die bij het aanbreken van de dag uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard. Hij kwam overeen met hen voor een penning per dag en zond hen naar zijn wijngaard.
Hij ging opnieuw uit rond het derde uur en zag anderen werkeloos op de markt staan. Tot hen sprak hij: Gaat ook gij naar mijn wijngaard, en wat billijk is zal ik u geven, en zij gingen. Evenzo ging hij uit rond het zesde en het negende uur en handelde op gelijke wijze. Maar toen hij rond het elfde uur uitging, vond hij nog anderen staan, en hij zei tot hen: Waarom staat gij hier de hele dag werkeloos? Zij antwoordden: Omdat niemand ons heeft gehuurd. En hij zei tot hen: Gaat ook gij naar mijn wijngaard.
Toen het avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders en geef hun het loon, beginnend bij de laatsten tot aan de eersten. Zij die rond het elfde uur gekomen waren, ontvingen elk een penning. Toen nu de eersten kwamen, meenden zij meer te zullen ontvangen, maar ook zij ontvingen ieder een penning.
En toen zij die ontvangen hadden, begonnen zij tegen de huisvader te murmureren en te zeggen: Deze laatsten hebben slechts één uur gewerkt, en gij hebt hen gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de hitte hebben gedragen. Maar hij antwoordde één van hen en zei: Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij het niet met mij eens geworden voor een penning? Neem het uwe en ga. Ik wil deze laatsten geven wat ook u gegeven is. Of is het mij niet geoorloofd te doen wat ik wil met het mijne? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
Ziet, broeders, hoe hier niet de rechtvaardigheid van de heer wordt betwijfeld, maar de afgunst van de arbeiders wordt ontmaskerd. Want zij ontvingen wat hun beloofd was en verloren niets van wat hun recht was, maar zij konden niet verdragen dat ook anderen ontvingen wat hun niet was beloofd, doch uit goedheid werd geschonken. De huisvader bleef rechtvaardig; de arbeiders werden afgunstig. En wat is afgunst anders dan verdriet om het geluk van een ander?
Let erop, broeders, dat de laatsten geen aanspraak maakten, maar ontvingen wat hun gegeven werd, terwijl de eersten aanspraak maakten en daardoor hun rust verloren. Want wat is murmureren anders dan het verlies van innerlijke vrede? Zij droegen wel het loon in hun handen, maar zij droegen geen vrede in hun hart.
Wie zijn deze eersten en wie zijn deze laatsten? De eersten zijn zij die vanaf het begin geroepen werden: het volk Israël, dat de wet ontving, dat de profeten hoorde en lang heeft gearbeid. De laatsten zijn zij die pas later geroepen werden: de heidenen, die op het einde van de tijden tot het geloof zijn gekomen.
Maar laat niemand onder u zeggen: Ik behoor tot de eersten, want ook gij zijt laat geroepen, vergeleken bij de heiligen van vroeger tijden. Of misschien zijn de eersten zij die vanaf hun jeugd God hebben gediend, en de laatsten zij die pas in hun ouderdom tot bekering zijn gekomen.
Maar ook hier geldt: niemand ontvangt het Koninkrijk als loon voor verdienste, maar allen ontvangen het als gave van barmhartigheid. Want indien God zou rekenen naar werken, wie zou dan staande blijven?
Ziet dus toe, broeders, dat gij niet vertrouwt op de duur van uw arbeid, noch op de zwaarte van uw last, noch op de hitte van de dag. Want al deze dingen maken geen aanspraak, maar ontvangen slechts waarde door de goedheid van Hem die het loon schenkt.
Daarom zegt de Apostel: Niet uit werken, opdat niemand zou roemen, en elders: Wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt?
Wie roemt, roeme niet in zichzelf, maar in de Heer. Laat dan de laatsten hopen zonder vrees en de eersten vrezen zonder wanhoop, want God verwerpt niemand die tot Hem komt en Hij ontnemt niemand wat Hij beloofd heeft.
Maar Hij wil dat allen leven uit dankbaarheid en niet uit aanspraak. Dit is dus de betekenis van de gelijkenis, broeders: dat het Koninkrijk der hemelen niet wordt gegeven naar de maat van menselijke berekening, maar naar de overvloed van goddelijke barmhartigheid.
Moge Hij, die ons geroepen heeft tot zijn wijngaard, ons bewaren in nederigheid, ons zuiveren van afgunst en ons voeren tot dat loon waar geen avond meer is, maar eeuwig licht. Amen.
Gregoriaanse Mis van Septuagesima (Solesmes, 1960)
Uitvoering door de monniken van de Abdij van Solesmes, o.l.v. Dom Joseph Gajard.
Zijde 1
Zijde 2