Evangelie van de zondag (Marcus 16, 1–7)
In die tijd kochten Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige oliën om Jezus te gaan balsemen. Heel vroeg in de morgen, op de eerste dag van de week, gingen zij naar het graf, toen de zon al was opgegaan. Zij zeiden tegen elkaar: Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen? Maar toen zij opkeken, zagen zij dat de steen al was weggerold; hij was zeer groot. Toen zij het graf binnengingen, zagen zij aan de rechterkant een jongeman zitten, gekleed in een wit gewaad, en zij schrokken hevig. Maar hij zei hun: Wees niet bang. U zoekt Jezus van Nazaret, de gekruisigde. Hij is verrezen, Hij is hier niet. Kijk, dit is de plaats waar men Hem had neergelegd. Maar ga heen en zeg aan zijn leerlingen en aan Petrus: Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.

Uit een homilie van de heilige paus Gregorius de Grote
Maria Magdalena kwam vroeg, toen het nog donker was, bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggenomen. Zij liep dus en kwam bij Simon Petrus en bij de andere leerling die Jezus liefhad, en zei tot hen: Zij hebben de Heer uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.
Wat betekent het, broeders, dat Maria Magdalena, die de Heer zocht, kwam toen het nog donker was, anders dan dat zij Hem zocht terwijl haar geest nog in de duisternis van twijfel verkeerde? Zij zocht Hem immers, en vond Hem niet; zij zocht Hem, en weende. Want zij had gezien dat Hij gestorven was, en zij zocht Hem in het graf, alsof Hij nog dood was. Daarom zocht zij Hem wel, maar begreep nog niet dat Hij was verrezen.
Maar de kracht van de liefde bracht teweeg dat zij bleef zoeken. Want terwijl de leerlingen, die met haar gekomen waren, weer heengingen, bleef zij bij het graf staan. En omdat zij bleef zoeken, verdiende zij te vinden. Want het verlangen groeit door het zoeken; en wanneer het verlangen groeit, wordt de ziel geschikt om te ontvangen wat zij verlangt.
Daarom geschiedt het dat de Heer zich eerst toont aan haar die Hem het meest liefhad. Want zoals zij Hem meer dan de anderen zocht, zo zag zij Hem ook eerder dan de anderen. Want de waarheid wordt aan de ziel geopenbaard naar de maat van haar liefde.
En let erop, broeders, wat er geschreven staat: De andere leerling liep sneller dan Petrus en kwam het eerst bij het graf, maar ging niet naar binnen. Daarna kwam Simon Petrus, hem volgend, en ging het graf binnen. Vervolgens ging ook de leerling die het eerst bij het graf was gekomen naar binnen.
Wat wordt door deze twee leerlingen aangeduid, anders dan de twee volken? Petrus betekent het Joodse volk, de andere leerling het heidense volk. Het heidense volk kwam eerder tot het geloof, maar ging niet naar binnen; want hoewel het reeds geloofde, aarzelde het nog om de geheimen van het geloof te doorgronden. Maar Petrus kwam later en ging binnen; want het Joodse volk, dat later tot het geloof zal komen, zal dan de geheimen van de verlossing volledig aanschouwen.
Er wordt geschreven dat zij de doeken zagen liggen en de zweetdoek, die op het hoofd van Jezus had gelegen, niet bij de doeken, maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats. Wat betekent dit, broeders? De doeken die het lichaam hadden omgeven, wijzen op de Kerk, die uit vele leden bestaat. Maar de zweetdoek, die het hoofd had bedekt, duidt op onze Heer zelf, die het hoofd van de Kerk is. Want zoals het hoofd boven het lichaam staat, zo staat Christus boven zijn Kerk.
Daarom werd de zweetdoek afzonderlijk opgerold gevonden, want Christus is van zijn Kerk onderscheiden door de heerlijkheid van zijn verrijzenis. Hij die voor ons geleden heeft in zwakheid, staat nu boven allen verheven in onsterfelijkheid.
Er wordt nog toegevoegd: Want zij begrepen de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest verrijzen. Zij zagen dus en geloofden, maar zij begrepen nog niet. Want het geloof gaat dikwijls vooraf aan het verstand; eerst gelooft de ziel, en daarna begrijpt zij wat zij gelooft. Want wat het verstand niet kan bevatten, wordt door het geloof omhelsd.
Laten wij daarom, geliefde broeders, Hem zoeken met liefde, zoals Maria Hem zocht; laten wij Hem zoeken met tranen, zoals zij Hem zocht; laten wij Hem zoeken met volharding, zoals zij Hem zocht. Want wie zo zoekt, zal zeker vinden. En wanneer Hij gevonden wordt, wordt de ziel vervuld met vreugde, omdat zij Hem ziet die zij liefheeft.
Hem zij eer en heerlijkheid, die uit de doden is verrezen, met de Vader en de Heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen.