Katholieke Klassieken
Het Kleine Officie van de Heilige Maagd Maria
GEBEDENBOEK
naar de Nederlandse uitgave van Th. Stallaert C.Ss.R.
Inhoud
Voorwerk
Voorwoord
Voorwoord bij de vierde druk
Inleiding
Algemene regels
Voorbereidende gebeden
Gebed vóór het Officie
Gebed na het Officie
Het Onze Vader
Het Weesgegroet
De twaalf artikelen van het Geloof
Het Kleine Officie
Metten
Lauden
Priem
Terts
Sext
Noon
Vespers
Completen
Bijlagen
Bijzondere regels voor het koorgebed
Verklaringen
Voorwoord
Het Maria-Officie is een schoon en krachtig gebed. Het is schoon om zijn samenstelling. Het bevat immers niets anders dan gebeden en gezangen, die door de H. Geest zelf zijn geïnspireerd ofwel door de H. Kerk Maria ter ere zijn gemaakt. Wie die gebeden bidt, prijst Maria met de lofspraak van de H. Geest en door de mond van de H. Kerk.
Het is schoon om de plaats, welke het in de gebeden der H. Kerk heeft gekregen. Duizenden kloosterlingen bidden iedere dag dit gebed als de getijden van O.L. Vrouw. In de Middeleeuwen werd het door talloze leken gebeden. Het was als het ware het lekenbrevier. En ook nu nog wordt het door vele devote zielen dagelijks gebeden. Met het eindeloze Wees gegroet Maria, dat dagelijks door miljoenen Christenen wordt gebeden, is dit Officie de trouwe vervulling van Gods wens, dat alle geslachten Haar zalig zullen prijzen.
Onze tijd is een Maria-tijd. De zielen worden rijp voor dat innige leven van vertrouwen en devotie tot Haar, die ons door Jezus werd gegeven tot Moeder en Koningin en die ons op Haar beurt tot Jezus, onze Verlosser en Koning, moet brengen.
Zou nu de tijd niet gekomen zijn om de Christenen weer die mooie getijden van Maria te leren? Zouden de duizenden leden van de Jeugdbeweging, die in hun reinheid en jeugd bijzonder gevoelig zijn voor de devotie tot onze lieve Vrouw en die tevens Haar bescherming bijzonder nodig hebben, niet met liefde en met vrucht dit Kerkelijke Maria-gebed willen bidden? Zou de vrome Maria-devotie der Middeleeuwen in hen niet weer tot nieuw leven kunnen komen?
Wij hopen het van harte en daarom verheugen Wij ons over deze eenvoudige, maar mooie uitgave van het Maria-Officie in eigen taal. En de korte verklaring van dit Officie, die achteraan bij deze uitgave wordt gevoegd, zal de schone inhoud van dit Officie begrijpelijk en bruikbaar maken.
Kinderen van Maria, gij wier geest en hart naar woorden zoekt om Uw lieve Moeder te prijzen, hier hebt gij de taal der H. Kerk, hier hebt gij de woorden van de H. Geest, om uiting te geven aan de liefde van Uw hart. Hier kunt gij U aansluiten bij het gebed en de gezangen van duizenden kloosterlingen, die dagelijks deze getijden tot Maria bidden.
Hier kunt gij de kinderlijke vroomheid der Middeleeuwen overnemen en aan de komende geslachten leren. Tot vreugde en heil van Uw eigen ziel, tot stichting en lering van Uw medemensen, die van U zullen leren hoe een waar kind van Maria heel de dag door leeft en bidt zijn hemelse Moeder ter eer.
Roermond, 19 Februari 1938.
Z.H. Exc. Mgr. Dr. J. H. G. Lemmens,
Bisschop van Roermond
Voorwoord bij de vierde druk
van Z.H. Exc. Mgr. L. Kerkhofs,
Bisschop van Luik
Het Klein Officie van de H. Maagd, vertaald en verklaard door E.P. Stallaert, zal in België evenals in Nederland welkom zijn. Dit verdienstelijk boekje komt inderdaad te gepaster uur.
Onze tijd is, voor de Kerk, een mariale en een liturgische tijd. Hij is mariaal. Onder de geheime stuwing van de H. Geest, op de wekroep van Paus en van Bisschop, van gewijde sprekers en schrijvers, is er allengs een vermeerdering van godsvrucht ontstaan tot O.L. Vrouw, een verinniging en verdieping van de Maria-verering. Er is thans bij velen een klaarder besef van Haar plaats in Gods plan over de Verlossing der mensheid in het algemeen, en over de zaligheid van ieder van ons; er is ook tegenover Maria een dieper gevoelen van bewondering en eerbied, van liefde en betrouwen. Deze gevoelens streven uiteraard ernaar zich te uiten in allerhande betogingen, in woorden en gezangen, in gebeden en lofprijzingen.
Doch onze tijd is ook liturgisch. Hij kent en waardeert meer dan vroeger de kerkelijke eredienst, het kerkelijk gebed. Hij sluit zich nauwer aan bij de officiële plechtigheden van de Kerk, en deelt werkdadiger in de viering der heilige geheimen. Geen wonder dus dat hij, voor de uiting en de verklanking van zijn nieuwe of hernieuwde en verdiepte Maria-verering, zich wendt tot de Kerk, de grote leermeesteres van het gebed, en aan Haar de woorden vraagt waarmee hij de Moeder van God en de Moeder van de mensen waardig kan prijzen en aanroepen.
Welnu, de Kerk bezit sinds eeuwen een heerlijke lof- en liefdezang ter ere van de H. Maagd. Het is het Klein Officie van O.L. Vrouw. Opgevat en ingedeeld evenals het groot getijdenboek der monniken en priesters, bestaat dit Officie uit geïnspireerde psalmen en lessen van de H. Schrift, met daaraan toegevoegde lofzangen van de H. Kerk. De oude monnikenorden baden het en bidden het nog tegelijk met het groot Officie. Duizenden kloosterbroeders en zusters bidden het op heden als hun dagelijkse getijden. In de Middeleeuwen werd het ook door vele leken gebeden en heet het wel eens het lekenbrevier.
Kan dit gebruik niet herleven? Het gebed blijft toch, en misschien meer dan ooit, de grote vereiste van ieder van ons; het gebed tot Maria wordt ons met steeds grotere nadruk door de hoge kerkelijke overheid aanbevolen. En zo de priester, ook in zijn drukste dagen, zijn brevier en zijn rozenhoedje bidt, zou dan de vrome leek bij zijn dagelijkse rozenhoedje ook niet het Klein Officie van O.L. Vrouw kunnen bidden? Evenmin als het brevier heeft dit Officie niets van zijn frisheid verloren. Nu als vroeger vinden wij er om Maria te prijzen de schoonste taal, de verhevenste woorden, dat is te zeggen de taal der Kerk, de woorden van de H. Geest.
Reeds werd een actie in die zin ingezet, en bepaaldelijk met het doel om eerst de jeugd voor deze gedachte te winnen. Want jong geleerd is oud gedaan. En hoe kan men doelmatiger de jeugd bereiken dan wel langs haar groeperingen? Dit hebben de leiders der Congregaties van O.L. Vrouw dadelijk begrepen. Hun orgaan Sedes Sapientiae schreef hierover onder meer:
’t Was vroeger algemeen gebruik in de Mariacongregaties, onder de vergaderingen, de aanspraak van een E.H. Bestuurder te doen voorafgaan door het gezamenlijk zingen of bidden van een gedeelte van het “Klein Officie der H. Maagd”. In Nederland is men reeds op vele plaatsen begonnen met die loffelijke gewoonte terug in te voeren. Kan dit ook in ons land niet gebeuren?
Over het werk van E.P. Stallaert schreef het vervolgens:
Wij mogen van dit boekje zeggen dat, indien de stoffelijke uitvoering ervan uiterst sierlijk is, de inhoud, dit is de vertaling en de verklaring van het “Klein Officie”, bijna volmaakt mag worden geheten. E.P. Th. Stallaert, Redemptorist, heeft hier niet alleen wetenschappelijk, doch ook fijn en piëteitsvol werk geleverd.
Inleiding
Onder Officie verstaan wij een verzameling van gebeden, samengesteld uit psalmen, hymnen en plaatsen uit de H. Schrift en de Kerkvaders.
Hoog in de hemel wordt vóór de troon van God een altijddurend loflied gezongen. Hiermee wil de H. Kerk ook op aarde instemmen. Daarom heeft zij niet alleen voor iedere dag, maar in zekere zin voor ieder uur van de dag de goddelijke lofzangen willen vaststellen, volgens het woord van de koninklijke profeet: Te middernacht sta ik op om U te prijzen (Ps. 118, 62) en Zevenmaal daags breng ik U lof om de uitspraken van uw gerechtigheid (Ps. 118, 164).
Zo heeft zij de Metten, het uur van de nacht, en de zeven uren of bidstonden van de dag ingesteld.
Lauden heiligen de dageraad.
Priem is het uur na het opgaan van de zon; volgens de tijdrekening van de eerste eeuwen ongeveer zes uur ’s morgens.
Terts is het derde uur; ongeveer negen uur.
Sext is het zesde uur; het middaguur.
Noon is het negende uur; ongeveer drie uur ’s middags.
Vespers is het uur van de avond; omstreeks zonsondergang.
Completen is het uur waarop men zich ter ruste begeeft.
In vroegere eeuwen werden deze gedeelten van het heilig Officie dagelijks op de aangegeven uren gebeden; later heeft de H. Kerk zich om praktische redenen op dit punt toegeeflijker getoond.
Ook bij het bidden van het Kleine Officie van de H. Maagd zullen wij, volgens de geest van de H. Kerk, op bepaalde uren van de dag aan God onze hulde brengen.
Maar tevens vereren wij op bijzondere wijze onze hemelse Moeder Maria en leggen wij onze smekingen neer aan haar voeten. Zij zal ons op haar beurt haar bijzondere bescherming schenken.
Algemene regels
voor het gebruik van dit Officieboek
1. Voor het bidden van het Kleine Officie moet men de drie hoofdvormen onderscheiden, die in dit boek als volgt worden aangeduid:
Officie I (wordt gebeden door het jaar).
Officie II (wordt gebeden in de Advent).
Officie III (wordt gebeden na de Advent).
2. Moet men Officie I bidden, dan neemt men de antifonen, lezingen enz., die onder Officie I staan aangegeven, en slaat men de gedeelten over die onder Officie II en Officie III staan. Op dezelfde wijze handelt men wanneer Officie II of Officie III moet worden gebeden; de beide andere vervallen dan.
3. Officie I (door het jaar) begint met de Metten van 3 februari, de dag na Maria-Lichtmis, en eindigt met de Noon van de zaterdag vóór de eerste zondag van de Advent.
Officie II (in de Advent) begint met de Vespers van de zaterdag vóór de eerste zondag van de Advent en eindigt met de Noon op de Vigilie van Kerstmis.
Officie III (na de Advent) begint met de Vespers van 24 december, de Vigilie van Kerstmis, en eindigt met de Completen van 2 februari, Maria-Lichtmis.
4. In de Passietijd wordt het Eer aan de Vader nooit weggelaten.
5. Van de eerste zaterdag in de Vasten tot Pasen worden de Vespers, behalve op zondag, vóór de middag gebeden.
6. In de Paastijd volgt geen Alleluia op het Uitnodigingsgebed (Invitatorium), de antifonen, verzen of antwoorden (responsories). De Paastijd begint met de Vespers van Paaszaterdag en eindigt met de Noon van de zaterdag na Pinksteren.
Noot. Officie III wordt ook gebeden op Maria-Boodschap, namelijk van de Vespers op de dag vóór het feest tot en met de Completen van de feestdag. Valt dit feest in de Vasten, dan wordt op die dag overal het Alleluia weggelaten.
Bijzondere regels
voor het bidden van het Kleine Officie in koor
Wij hebben gemeend ook in dit Officieboek voor niet-kloosterlingen de volgende rubrieken te moeten opnemen. Ook onder hen wordt het Kleine Officie van de H. Maagd op vele plaatsen gezamenlijk gebeden, bijvoorbeeld in Mariacongregaties, zelfs door alle gelovigen tijdens het Lof, in kweekscholen, pensionaten enz. Wij hopen dat dit schone gebruik zich nog verder zal uitbreiden.
1. Het koorgebed veronderstelt twee koren of groepen.
2. Bij elk van deze groepen worden personen aangewezen die bepaalde gedeelten van het Officie bidden.
3. De cantores (C1 en C2) bidden beurtelings de antifonen en zetten de psalmen in. C1 behoort tot het koor waarin zich ook de officiant bevindt; dit is het hoofdkoor.
4. De psalmverzen worden beurtelings door beide koren gebeden. Waar C1 de psalm inzet, gaat Koor I na de eerste rust verder; het volgende vers wordt vervolgens door Koor II gebeden, enzovoort. Gemakshalve zijn de beginletters van de psalmverzen voor C1 en Koor I rood gedrukt en die voor Koor II zwart. Dit geldt eveneens voor de hymnen en lofzangen.
Schema voor de opstelling
ALTAAR
COMMUNIEBANK
Tweede lezer
Derde lezer
Eerste lezer
O, officiant
N.B. Deze wijze van opstelling kan naar plaatselijke omstandigheden worden gewijzigd. Men bidde op reciterende toon.
Verklaring van de tekens
De houding tijdens het Officie wordt door tekens aangegeven.
H = Diepe hoofdbuiging.
h = Kleine hoofdbuiging.
k = Kniebuiging in de richting van het altaar.
K = Knielen; wordt geknield gebeden.
S = Staande bidden.
Z = Weer gaan zitten.
✠ = Gewoon kruisteken.
† = Kruisje met de duim op de mond.
• = Grote rust.
* = Kleine rust.
: = Rubriek moet onderhouden worden tot het einde.
] = Einde van de aangegeven houding.
N.B. Bij het uitspreken van de naam Jezus moet steeds een diepe hoofdbuiging worden gemaakt; bij die van Maria een middelmatige; bij die van een heilige, op zijn of haar feestdag, een kleine.
N.B. De antifonen vóór en na de psalmen worden door de cantor staande gebeden; zo ook de aanhef van iedere psalm en de verzen en responsories die beide cantores samen bidden, behalve bij de slotantifonen, zoals ter plaatse is aangegeven.
De lezingen worden door de lezer staande verricht; het koor hoort ze zittend aan, behalve wanneer ter plaatse anders staat aangegeven.
De psalmen worden door het koor zittend gebeden, behalve Psalm 94 van het Invitatorium, het uitnodigingsgebed, dat staande moet worden gebeden. Het koor gaat zitten bij het aanheffen van de eerste antifoon.
Bemerkingen
1. In de Goede Week mag dit Officie na de Completen van woensdag tot en met de Noon van zaterdag niet luidop in koor gebeden worden.
2. Waar in sommige kloostergemeenten andere gebruiken bestaan aangaande hoofd- of lichaamsbuiging enz., dan in de tekst worden aangegeven, kunnen deze, voor zover niet in strijd met kerkelijke voorschriften, behouden blijven.
3. De in de tekst aangegeven rubrieken voor zitten, staan of knielen hoeven bij afzonderlijk bidden van het Officie niet onderhouden te worden.
4. Daar het Officie een mondgebed is, moet men ook bij afzonderlijk gebed de woorden niet alleen met de ogen, maar ook met de lippen lezen.
Gebed vóór het Officie
Open, Heer, mijn mond om uw heilige Naam te prijzen. Zuiver ook mijn hart van alle ijdele, verkeerde en afdwalende gedachten. Verlicht mijn verstand, ontsteek mijn hart, opdat ik waardig, aandachtig en godvruchtig dit Officie moge bidden, en verdiene verhoord te worden voor het aanschijn van uw goddelijke Majesteit. Door Christus, onze Heer. Amen.
Heer, in vereniging met die goddelijke mening, waarmede Gij zelf op aarde aan God lof hebt gebracht, wil ik tot uw eer deze uren, of dit uur, bidden.
Gebed na het Officie
Aan de allerheiligste en ondeelbare Drie-eenheid, aan de mensheid van onze gekruisigde Heer Jezus Christus, aan de vruchtbare ongeschondenheid van de allerzaligste en glorievolle Maria, altijd Maagd, en aan de gemeenschap van alle heiligen zij immerdurende lof, eer, kracht en glorie van alle schepselen, en aan ons de vergiffenis van alle zonden, door de eindeloze eeuwen der eeuwen. Amen.
℣. Zalig de schoot van de Maagd Maria, die de Zoon van de eeuwige Vader heeft gedragen.
℟. En zalig de borsten, die Christus, de Heer, hebben gevoed.
Onze Vader… Weesgegroet… (in stilte).
Het Onze Vader
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw Naam worde geheiligd;
uw Rijk kome;
uw Wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen vergeven;
en leid ons niet in bekoring;
maar verlos ons van het kwade. Amen.
Het Weesgegroet
Wees gegroet, Maria,
vol van genade,
de Heer is met U.
Gij zijt de Gezegende onder de vrouwen,
en gezegend is Jezus, de Vrucht van uw schoot.
Heilige Maria, Moeder van God,
bid voor ons, zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.
De twaalf artikelen van het Geloof
1. Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde.
2. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer.
3. Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria.
4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven.
5. Die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden.
6. Die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.
7. Van daar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.
8. Ik geloof in de Heilige Geest.
9. De heilige Katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen.
10. De vergeving van de zonden.
11. De verrijzenis van het lichaam.
12. Het eeuwig leven. Amen.
Klein Officie van de Heilige Maagd Maria
METTEN
Ch Wees gegroet… (in stilte). S
O ℣. Heer, † open mijn lippen.
Ch ℟. En mijn mond zal uw lof verkondigen.
O ℣. God, kom mij te hulp.
Ch ℟. Heer, haast U mij te helpen.
Ch H Eer aan de Vader en de Zoon ✶ en de Heilige Geest.]
Zoals het was in het begin en nu, en altijd ✶ en in de eeuwen der eeuwen. Amen. Alleluia.
of U zij lof, o Heer, Koning der eeuwige glorie.
In plaats van Alleluia (Looft de Heer) wordt van de Completen van Zaterdag vóór Septuagesima tot en met de Noon van Paaszaterdag gebeden: U zij lof, o Heer, Koning der eeuwige glorie.
S
C¹ Invitatorium. Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
Men herhaalt:
Ch Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
S
Psalm 94
Uitnodiging tot lofgebed.
Lof- en leerpsalm, door David gedicht, nadat de Ark van het Verbond, dat middelpunt van godsdienstige verering bij de Joden, naar de berg Sion was overgebracht. Terecht wordt hij genoemd Invitatorium, dat wil zeggen Uitnodiging, want hij is een uitnodiging om God te aanbidden en Hem trouw te blijven uit dankbaarheid voor zijn weldaden. Aan het begin van het Maria-Officie is hij tevens een opwekking om Maria, onze hemelse Moeder, te vereren. Vandaar de herhaling: Wees gegroet, Maria, vol van genade.
Looft God!
C¹ Komt, laten wij jubelen voor de Heer, * laten wij juichen voor God, ons Heil; * treden wij voor zijn aanschijn met lofgezang, laten wij Hem toejuichen met psalmen!
Ch Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
C¹ Want een grote God is de Heer, * en een Koning, groot boven alle goden; * want Hij, de Heer, zal zijn volk niet verstoten, * want in zijn hand zijn alle grenzen van de aarde, * en Hij overschouwt de toppen van de bergen.
Ch De Heer is met U.
C¹ Want van Hem is de zee en Hij zelf heeft haar gemaakt, * en zijn handen hebben het vasteland gegrondvest. * Komt, K laten wij aanbidden en ons neerwerpen voor God;] * laten wij wenen voor de Heer, die ons gemaakt heeft, * want Hij is de Heer, onze God; * wij zijn zijn volk en de schapen van zijn weide.
Hier maakt C¹ de kniebuiging.
Ch Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
Gehoorzaamt God!
C¹ Als gij heden zijn stem zult horen, wilt dan uw gemoed niet verharden, * zoals bij de verbittering ten dage van de beproeving in de woestijn, * waar uw vaderen Mij beproefden, Mij toetsten, * hoewel zij mijn werken zagen.
Ch De Heer is met U.
C¹ Veertig jaren was Ik bij dit geslacht, en Ik zei: * Steeds dwalen zij in hun hart; zij kennen immers mijn wegen niet; * Ik heb hun gezworen in mijn toorn: * Voorwaar, zij zullen mijn rust niet binnengaan!
Ch Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
C¹ Eer H aan de Vader en de Zoon * en de Heilige Geest.] Zoals het was in het begin en nu, en altijd * en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Ch De Heer is met U.
C¹ Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
S
Hymne
Deze hymne verheerlijkt Maria als degene, die de Schepper, Heer en Meester van het heelal, draagt en omsluit in haar schoot en die de Messias het levenslicht schenkt.
C¹ 1 Dien aarde, zee en sterrenmacht *
Bezingt, aanbidt en lof betuigt, *
Die leidt ’t drievoudig wereldstel,
Hem draagt Maria’s heiligdom.
2 Wien zon en maan en alle ding
Voortdurend dienstbaar wezen moet, *
Omvat, genaderijk doorstraald,
Het lichaam van een jonge Maagd.
3 O Moeder, zalig door die gunst!
De hoogst verheven Kunstenaar, *
Die in de holte van zijn hand
De wereld houdt, omsluit uw ark.
4 Verblijd door ’s hemels afgezant,
En vruchtbaar door de Heilige Geest, *
Hebt Gij de lang verwachte Vorst
Der volk’ren voor ons uitgestort.
5 O Jezus, H U zij eerbetoon,
Die uit de Maagd geboren zijt, *
De Vader, ook de Heilige Geest.]
Waar de eeuwen duren altijd voort.
Ch Amen.
Ie Nocturne
De drie volgende Psalmen worden gebeden op zondag, maandag en donderdag.
C¹ Ant. Gij zijt de Gezegende.
Psalm 8
Verheffing van de mens door God.
Lofpsalm. In de verheven mens, met heerlijkheid bekleed en boven alles geplaatst, mogen we op de eerste plaats het Hoofd zelf van het mensdom, Christus, zien. Hoe schoon is deze Psalm niet toepasselijk op Maria, het verhevenste aller schepselen, de Gezegende onder de vrouwen, die alle geslachten zalig prijzen.
C¹ 1 Heer, onze Heer, * hoe wonderbaar is uw Naam over geheel de aarde!
2 Want luisterrijk straalt uw heerlijkheid, * hoog aan de hemel.
3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen zingt Gij U een loflied toe * om te verstommen uw vijand, * uw tegenstander en uw hater.
4 Als ik uw hemelen aanschouw, het werk van uw hand; * de maan en de sterren, die Gij hebt geschapen:
5 Wat is dan de mens, dat Gij hem gedachtig zijt; * wat een mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?
Wat zijt Gij goed, o God, voor de mens!
6 Slechts weinig minder hebt Gij hem gemaakt dan de engelen; * met heerlijkheid en luister hem gekroond, * hem gesteld over de werken van uw handen.
7 Alles hebt Gij hem onderworpen: * alle schapen en runderen, en de dieren in het vrije veld,
8 De vogels in de lucht en de vissen in de zee, * die de paden van de zee doorwandelen.
9 Heer, onze Heer, * hoe wonderbaar is uw Naam over geheel de aarde!
C¹ Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C¹ Ant. Gij zijt de Gezegende onder de vrouwen, * en gezegend is de Vrucht van uw schoot.
C² Ant. Als uitgelezen mirre.
Psalm 18
God openbaart zich in de natuur
en in de Wet.
Lofpsalm, die de grootheid en de schoonheid beschrijft van de werken Gods; het schoonste echter van Gods werken is de allerzaligste Maagd Maria, uit wie Jezus is geboren, de Zon der eeuwige glorie, die vergeleken wordt met een bruidegom, met een reus.
C² 1 De hemelen verhalen de glorie van God, * en het uitspansel het werk van zijn handen.
2 Verrukt roept de ene dag het toe aan de andere, * en de ene nacht geeft er kennis van aan de andere.
3 Geen taal en geen woorden uiten zij, * hun stemgeluid wordt niet vernomen.
4 Toch golft hun sein over heel de wereld, * en hun uitspraak tot aan de grenzen van de aarde.
5 In de zon heeft Hij zijn tent opgeslagen; * deze is als een bruidegom, die treedt uit zijn kamer,
6 En die rent als een reus de baan op al juichend. * Haar opgang begint aan het eind van de hemel,
7 En haar kringloop reikt tot het andere einde; * voor haar gloed kan zich niemand verbergen.
Voortreffelijk, o Heer, is uw Wet.
8 De Wet des Heren is onbevlekt; * zij keert de zielen af van het kwaad. * De geboden des Heren zijn betrouwbaar; * zij schenken wijsheid aan de eenvoudigen.
9 De bevelen des Heren zijn rechtvaardig; * zij verblijden de harten. * De voorschriften des Heren zijn duidelijk; * zij verlichten de ogen.
10 De vreze des Heren is heilig; * eeuwig houdt zij stand. * De oordelen des Heren zijn waarheid, * rechtvaardig in zich zelf.
11 Begerenswaardig boven goud en een schat van edelgesteente, * zoeter dan honing en honingzeem.
12 Ook uw dienaar onderhoudt ze; * in het nakomen ervan ligt overvloedig loon.
13 Maar al zijn zonden, wie kent ze? * Reinig mij van die, welke mij verborgen zijn, * en
14 Als zij mij niet beheersen, zal ik onbevlekt wezen * en zuiver van grote misdrijven.
15 Dan zullen U behagen de woorden van mijn mond, * en de overdenking van mijn hart voor uw aanschijn altijd.
16 Heer, mijn Helper * en mijn Verlosser!
C² Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C² Ant. Als uitgelezen mirre hebt Gij een liefelijke geur verspreid, * heilige Moeder van God.
C¹ Ant. Vóór de rustplaats.
Psalm 23 (M.T.)
De Heer neemt bezit van zijn heiligdom.
Lof- en leerpsalm, die David dichtte als beurtzang, waarschijnlijk bij gelegenheid van het overbrengen van de Ark naar de berg Sion. Maria is de Ark, Zij, de vlekkeloze, geheel geestelijke en liefdevolle Maagd.
Uw huis, o Heer, vraagt heiligheid.
C¹ 1 De Heer behoort de aarde en al wat zij bevat, * het aardrijk en al die er wonen.
2 Want Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest, * en op de stromen opgebouwd.
3 Wie mag de berg des Heren bestijgen, * of wie mag staan op de plaats Hem gewijd?
4 Die rein is van handen en zuiver van hart; * die niet opgaat in ijdelheden, * en geen valse eden zweert tegen zijn naaste.
5 Deze zal zegen ontvangen van de Heer, * en barmhartigheid van God, zijn Heil.
6 Dat is het geslacht van hen, die Hem zoeken, * die het aanschijn zoeken van Jacobs God.
’s Heren intrede in zijn heiligdom.
7 O vorsten, heft uw poorten op, * en verheft u, gij eeuwige poorten, * en de Koning van glorie zal intrede doen!
8 Wie is die Koning van glorie? * De Heer, de Sterke en de Machtige, * de Heer, machtig in de strijd.
9 O vorsten, heft uw poorten op, * en verheft u, gij eeuwige poorten, * en de Koning van glorie zal intrede doen!
10 Wie is die Koning van glorie? * De Heer der heerscharen, * Hij is de Koning van glorie.
C¹ Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C¹ Ant. Vóór de rustplaats van deze Maagd * herhaalt met ons in koor liefelijke jubelzangen!
Nu volgt blz. 36 bovenaan.
★
IIe Nocturne
De drie volgende Psalmen worden gebeden op dinsdag en vrijdag.
C¹ Ant. Met uw sieraad.
Psalm 44 (M.L.)
Geestelijk Bruiloftslied op Christus
en de H. Kerk.
Bruidegom = Christus ; Bruid = H. Kerk (letterlijk) en Maria (typisch) ; vriendinnen = heidenen.
Lofpsalm, waarin de innige vereniging wordt bezongen tussen Christus en de H. Kerk. Maria is het volmaaktste lid der H. Kerk en daarom past de H. Kerk deze Psalm toe op de innige vereniging tussen Christus, den Koning des hemels, en Maria, de Hemelkoningin.
C¹ 1 Een heerlijk lied welt op uit mijn hart; *
den Koning wijd ik mijn zang.
2 Mijn tong is als de pen van een schrijver, *
die schrijft met vlugge hand.
Voortreffelijkheid van de Bruidegom.
3 Gij zijt de schoonste onder de kinderen der mensen; * bevalligheid ligt op uw lippen; * daarom heeft God U gezegend voor eeuwig.
4 Gord uw zwaard om de heup, * Gij, machtige Held,
5 Uw sieraad en luister; * ruk op, trek zegevierend voorwaarts en heers!
6 Voor de waarheid, de onschuld en het recht; * en uw rechterhand voltrekke wonderdaden.
7 Uw pijlen zijn scherp, — volkeren storten voor U neer, * zij doorschieten het hart van ’s Konings vijanden.
8 Uw troon, o God, is in eeuwigheid; * een scepter van gerechtigheid is de scepter van uw rijk.
9 Gij hebt de gerechtigheid lief en haat de boosheid; * daarom heeft God, uw God, U gezalfd * met vreugde-olie boven uw genoten.
10 Van mirre en aloë en cassia geuren uw klederen * en de ivoren paleizen, * waar koningsdochters U behagen als uw eregeleide.
Schoonheid der Bruid.
11 De koningin staat aan uw rechterhand * in een met goud gestikt gewaad * en rijk aan versierselen.
12 Hoor, dochter, en zie, en neig uw oor, * en vergeet uw volk en het huis uws vaders:
13 En de Koning zal behagen scheppen in uw schoonheid, * want Hij is de Heer uw God, * en Hem zal men aanbidden.
14 En de dochters van Tyrus zullen met geschenken uw gunst afbidden, * en al de rijken van het volk.
15 Alle luister van ’s Konings dochter is inwendig; * haar gewaad is met goud omzoomd, * rijk aan versierselen.
Uw rijk, o Heer, is algemeen en eeuwig.
16 Jonkvrouwen worden in haar gevolg tot de Koning geleid, * haar gezellinnen worden tot U gebracht.
17 Zij worden gebracht met vreugde en gejubel, * zij worden geleid in het paleis van de Koning.
18 Dan worden, in plaats van uw vaderen, U zonen geboren; * Gij zult hen tot koningen maken der gehele aarde.
19 Zij zullen uw Naam gedenken * van geslacht tot geslacht.
20 Daarom zullen de volkeren U prijzen voor eeuwig, * en in de eeuwen der eeuwen.
C¹ Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C¹ Ant. Met uw sieraad en luister ruk op, * trek zegevierend voorwaarts en heers.
C² Ant. God zal haar helpen.
Psalm 45 (M.T.)
De stad van Gods inwoning.
Lof- en dankpsalm, die misschien werd gedicht tijdens het beleg van Jeruzalem, toen het leger van Sennacherib door de engel werd vernietigd. Hij bezingt de algehele veiligheid van Israël onder de bescherming van God. Maria is de stad Gods, waarin de Zoon van God zo gaarne zijn verblijf houdt, en wij geheel veilig zijn tegen de vijanden van onze ziel.
Gij, o Heer, zijt de Beschermer van Israël.
C² 1 Onze God is een toevlucht en kracht, * een Helper in de kwellingen, die ons overstelpten.
2 Daarom vrezen wij niet, als de aarde beeft, * als de bergen verplaatst worden in het diepste der zee.
3 Haar wateren bruisen en koken, * de bergen dreunen van haar geweld.
4 Een rivier verblijdt de stad Gods met haar wateren; * de Allerhoogste heeft zijn woonplaats geheiligd.
5 God is in haar midden, * zij zal niet wankelen: * God zal haar helpen bij het eerste morgenlicht.
6 De volkeren ontstelden en de staten wankelden; * Hij verhief zijn stem * en de aarde beefde.
7 De Heer der heerscharen is met ons, * de God van Jacob onze Beschermer.
Uw rijk is een rijk van vrede.
8 Komt de werken des Heren zien, * de wonderen, welke Hij op de aarde heeft gewrocht; * Hij maakt een einde aan de oorlogen tot de grenzen der aarde.
9 Hij verbreizelt de boog en breekt de wapenen stuk, * en de schilden verbrandt Hij in het vuur.
10 Houdt op en erkent, dat Ik God ben; * hoogverheven onder de volkeren, * hoogverheven op aarde.
11 De Heer der heerscharen is met ons, * de God van Jacob onze Beschermer.
C² Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C² Ant. God zal haar helpen door zijn aanblik; * God is in haar midden; zij zal niet wankelen.
C¹ Ant. Als juichenden.
Psalm 86 (M.L.)
Eer aan Jeruzalem, de stad der volkeren.
Leerpsalm, waarin de vroegere en toekomstige glorie van Jeruzalem wordt verheerlijkt, en voorspeld, dat eens alle volkeren tot haar zullen komen. Gelijk Jeruzalem, d.i. de H. Kerk, de stad is der volkeren, die in haar moeten komen tot het eeuwig geluk, zo ook is Maria de Moeder der volkeren, die door haar het leven der genade en het eeuwig leven moeten ontvangen.
Gij bemint Jeruzalem, o Heer.
C¹ 1 Zijn grondvesten zijn op de heilige bergen: * de Heer heeft de poorten van Sion lief * boven alle tenten van Jacob.
2 Heerlijke dingen zijn van u gezegd, * o stad van God!
Jeruzalem, de stad en de vreugde der volkeren.
3 Ik zal Rahab en Babylon gedenken * als degenen, die Mij kennen.
4 Zie, de vreemdelingen en de bewoners van Tyrus * en het volk der Ethiopiërs, * die zijn daar!
5 Zal men niet van Sion zeggen: * Die en die is daar geboren, * en de Allerhoogste zelf heeft haar gesticht?
6 De Heer zal op de registers van volkeren en vorsten vermelden, * wie daar verbleven.
7 Als juichenden zijn allen, * die in u wonen.
C¹ Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C¹ Ant. Als juichenden zijn wij allen, die bij U wonen, * o heilige Moeder van God!
Nu volgt blz. 36 bovenaan.
★
IIIe Nocturne
De drie volgende Psalmen worden gebeden op woensdag en zaterdag.
C¹ Ant. Verheug U, o Maagd Maria.
Psalm 95
Looft God, de Koning der Wereld!
Lofpsalm. Het is een geestdriftige uitnodiging om de Heer met jubel tegemoet te treden, als Hij komt als Koning om zijn rijk te vestigen. Wij denken hier aan de triomfzangen der hemelse geesten, toen zij Maria, die nieuwe Ark des Verbonds, vergezelden bij haar intrede in het hemelse Sion.
Dat alle volkeren U prijzen, o Heer!
C¹ 1 Zingt de Heer een nieuw lied, * zingt de Heer, geheel de aarde!
2 Zingt de Heer en looft zijn Naam, * verkondigt zijn heil dag aan dag!
3 Verkondigt zijn glorie onder de volkeren, * onder alle natiën zijn wonderdaden!
4 Want groot is de Heer en hoog te prijzen, * ontzagwekkend onder al de goden.
5 Want alle goden van de volkeren zijn duivelen, * maar de Heer heeft de hemel gemaakt.
6 Heerlijkheid en luister zijn voor zijn aanschijn, * heiligheid en pracht in zijn heiligdom.
Alle volkeren, o Heer, zien met vreugde
uit naar uw komst.
7 Brengt de Heer, gij, geslachten der volkeren, * brengt de Heer glorie en eer, * brengt de Heer de glorie van zijn Naam!
8 Neemt offers en treedt zijn voorhoven binnen, * aanbidt de Heer in zijn heilig voorhof!
9 Voor zijn aangezicht beve de ganse aarde, * zegt onder de volkeren, dat de Heer regeert!
10 Want bevestigd heeft Hij het aardrijk, dat niet zal wankelen; * Hij zal de volkeren oordelen met gerechtigheid.
11 Dat de hemelen zich verheugen en de aarde jubele, * dat de zee bruise en al wat zij bevat, * dat de velden zich verblijden en al wat er zich bevindt!
12 Dan zullen jubelen alle bomen der wouden * voor het aanschijn des Heren, want Hij komt, * want Hij komt om de aarde te oordelen.
13 Hij zal het aardrijk oordelen met gerechtigheid, * en de volkeren volgens zijn trouw.
C¹ Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C¹ Ant. Verheug U, o Maagd Maria, * alle ketterijen hebt Gij alleen vernietigd over de hele aarde.
C² Ant. Sta toe, dat ik U prijze.
Psalm 96
God heerst als Koning van gerechtigheid.
Lofpsalm, die Gods overwinning beschrijft op al zijn vijanden, vooral zijn eindoverwinning in het laatste oordeel. Allerninnigst met Christus verenigd, zal Maria meer dan alle schepselen in zijn overwinning delen.
Ik ben er. Hier is de uitwerking van **blz. 33** in dezelfde stijl als de voorgaande pagina’s.Psalm 96 (M.L.)
De Heer komt ten oordeel.
Leerpsalm, waarin Gods overwinning beschreven wordt. Maria deelt als volmaakt verenigde met Christus in zijn overwinning.
C² 1 De Heer regeert, dat de aarde jubele, * dat de vele eilanden zich verblijden!
2 Wolken en duisternis zijn om Hem heen, * gerechtigheid en recht zijn de steun van zijn troon.
3 Vuur gaat vóór Hem uit, * en zet in het rond zijn vijanden in vlam.
4 Zijn bliksems verlichten het aardrijk, * de aarde ziet het en beeft.
5 De bergen smelten als was voor het aanschijn des Heren, * voor het aanschijn des Heren heel de aarde.
6 De hemelen verkondigen zijn gerechtigheid, * en alle volkeren aanschouwen zijn glorie.
7 Dat allen te schande worden, die gesneden beelden aanbidden, * en die zich beroemen op hun valse goden!
De komst des Heren is de vreugde der rechtvaardigen.
8 Aanbidt Hem, gij, al zijn engelen! * Sion hoort het en is verheugd.
9 En de dochters van Juda jubelen * om uw oordelen, o Heer.
10 Want Gij zijt de Heer, * de Allerhoogste op de hele aarde, * hoog verheven zijt Gij boven alle goden.
11 Gij, die de Heer bemint, verafschuwt het kwaad! * De Heer bewaart de zielen van zijn heiligen, * uit de hand van de goddeloze redt Hij hen.
12 Een licht rijst op voor de rechtvaardige, * en vreugde voor de oprechten van hart.
13 Verheugt u, rechtvaardigen, in de Heer, * en prijst de gedachtenis van zijn heiligheid!
C² Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
C² Ant. Sta toe, dat ik U prijze, o heilige Maagd, * geef mij kracht tegen uw vijanden.
In ieder Officie worden dezelfde Psalmen, Hymnen en Gezangen gebeden.
OFFICIE I EN III
C¹ Ant. Na het baren.
OFFICIE II
C¹ Ant. De engel des Heren.
Psalm 97
God schonk redding; looft Hem!
Lofpsalm, waarin God wordt gedankt voor de redding van Israël en zijn eindoordeel over heel de aarde wordt bezongen.
De Messias wordt er in verheerlijkt als Verlosser en daarom is hij zo schoon toepasselijk op Maria, de Medeverlosseres van het mensdom.
Heb dank, Heer, voor de redding van Israël.
C¹ 1 Zingt de Heer een nieuw lied, * want wonderen heeft Hij gewrocht.
2 Redding heeft Hem gebracht zijn rechterhand * en zijn heilige arm.
3 De Heer heeft zijn heil doen kennen, * voor het aanschijn der volkeren heeft Hij zijn gerechtigheid geopenbaard.
4 Hij was zijn barmhartigheid indachtig, * en zijn trouw aan Israëls huis.
5 Alle grenzen der aarde hebben aanschouwd * het heil van onze God.
Dat heel de aarde U prijze, o Heer!
6 Juicht voor God, gij, ganse aarde; * zingt en jubelt en tokkelt de snaren!
7 Laat de citer klinken voor de Heer, * de citer en psalmgezang, * trompetten en bazuingeschal!
8 Jubelt voor het aanschijn van de Koning, den Heer; * dat beve de zee en wat zij bevat, * het aardrijk en die daar wonen!
9 Dat de stromen in de handen klappen, * dat de bergen samen jubelen voor het aanschijn van de Heer, * want Hij komt om de aarde te oordelen.
10 Hij zal het aardrijk oordelen met rechtvaardigheid * en de volkeren volgens recht.
C¹ Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
OFFICIE I EN III
C¹ Ant. Na het baren, o Maagd, zijt Gij ongeschonden gebleven; * Moeder van God, wees onze voorspraak.
OFFICIE II
C¹ Ant. De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt, * en Zij heeft ontvangen van de Heiligen Geest.
OFFICIE I, II EN III
Cc ℣. Bevalligheid ligt op uw lippen.
Ch ℟. Daarom heeft God U gezegend voor eeuwig.
O Onze Vader… Ch (in stilte) tot
O ℣. En leid ons niet in bekoring.
Ch ℟. Maar verlos ons van het kwade.
ABSOLUTIE
O Door de gebeden en de verdiensten van de gelukzalige Maria, altijd Maagd, en van alle heiligen, * geleide ons de Heer naar het rijk der hemelen.
Ch ℟. Amen.
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
Zegen
O Ons zegene met haar goddelijk Kind de Maagd Maria.]
Ch ℟. Amen.
OFFICIE I EN III
LEZING I
Eccli. 24, 11-13
Lr O Overal zocht Ik een rustplaats en in het erfdeel des Heren wil Ik verblijven. * Toen gelastte en zeide Mij de Schepper van het heelal; * en Hij, die Mij schiep, deed Mij rusten in mijn tent, en Hij sprak tot Mij: * Ga wonen in Jakob, Israël zij uw erfdeel, * en schiet wortel onder mijn uitverkorenen.
Lr ℣. Gij nu, Heer, * ontferm U over ons.
Ch ℟. God zij dank.
Cc ℟. Heilige en onbevlekte maagdelijkheid, * ik weet niet, hoe ik u naar waarde zal prijzen. * Want, Dien de hemelen niet konden bevatten, * hebt Gij in uw schoot gedragen.
Lr ℣. Gij zijt de Gezegende onder de vrouwen, * en gezegend is de Vrucht van uw schoot.
Cc Want, Dien de hemelen niet konden bevatten, * hebt Gij in uw schoot gedragen.
Lr ℣. Wil
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
Heer, (h heer,) uw zegen schenken.Zegen
O Zij, de Maagd der maagden, weze onze voorspraak bij den Heer.]
Ch ℟. Amen.
LEZING II
Eccli. 24, 15 en 16
Lr En zo kreeg Ik op Sion een vaste woning * en een rustplaats in de heilige stad, * en in Jeruzalem was mijn heerschappij. * En Ik schoot wortel onder een verheerlijkt volk * en in het aandeel van mijn God, zijn erfdeel, * en in de volle vergadering der heiligen is mijn verblijf.
Lr ℣. Gij nu, Heer, * ontferm U over ons.
Ch ℟. God zij dank.
Cc ℟. Zalig zijt Gij, o Maagd Maria, * die de Heer, de Schepper van de wereld, hebt gedragen; Gij hebt Hem gebaard, die U heeft geschapen, * en eeuwig blijft Gij Maagd.
Lr ℣. Wees gegroet, Maria, vol van genade, * de Heer is met U.
Cc Gij hebt Hem gebaard, die U heeft geschapen, * en eeuwig blijft Gij Maagd.
Als het Te Deum volgt (zie blz. 39 bovenaan) zegt men na dit Responsorie:
Lr Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan de Vader en de Zoon * en de Heiligen Geest.]Cc Gij hebt Hem gebaard, die U heeft geschapen, * en eeuwig blijft Gij Maagd.
Lr ℣. Wil
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
Heer, (h heer,) uw zegen schenken.Lr H O S
Zegen
O Door de Moedermaagd verlene ons de Heer heil en vrede.]
Ch ℟. Amen.
LEZING III
Eccli. 24, 17-20
Als deze Lezing III bij Koorgebed door de(n) Overste gelezen wordt, gaan beide koren staan.
Lr Als een ceder op de Libanon schoot Ik op, * en als een cypres op de berg Sion. * Als een palmboom in Cades schoot Ik op, en als een rozengaarde in Jericho. * Als een schone olijfboom op de velden schoot Ik op, en als een plataan aan de rand van het water op de pleinen. * Als kaneel en welriekende balsem verspreidde Ik geur, * als uitgelezen mirre verspreidde Ik een zoete geur.
Lr ℣. Gij nu, Heer, * ontferm U over ons.
Ch ℟. God zij dank.
Hier volgt het Te Deum (blz. 43), dat in Officie I en III steeds gebeden moet worden, behalve van Septuagesima tot Pasen; en ook in deze tijd op de Mariafeestdagen en het feest van de H. Jozef.
Als het Te Deum wegvalt, moet in plaats daarvan het volgend Responsorie gebeden worden.
Cc ℟. Zalig zijt Gij, o heilige Maagd Maria, * en allen lof overwaardig. Want uit U is opgegaan de Zon van gerechtigheid, * Christus, onze God.
Lr ℣. Bid voor het volk, spreek ten beste voor de geestelijkheid, * wees een voorspraak voor het Godgewijde vrouwengeslacht; * dat allen uw hulp ondervinden, die uw heilige gedachtenis vieren.
Cc Want uit U is opgegaan de Zon van gerechtigheid, * Christus, onze God.
Lr Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan de Vader en de Zoon * en de Heiligen Geest.]Cc Christus, onze God.
OFFICIE II
De volgende drie Lezingen worden staande aangehoord.
LEZING I
Luc. 1, 26-28
Lr De engel Gabriël werd door God gezonden naar een stad van Galilea, met name Nazareth, * tot een Maagd, die uit het huis van David was, * en verloofd was met een man, die Jozef heette; * en de naam van de Maagd was Maria. * En de Engel trad bij Haar binnen en sprak: * Wees gegroet, Gij,
Lr ℣. Gij nu, Heer, * ontferm U over ons.
Ch ℟. God zij dank.
Cc ℟. De engel Gabriël werd gezonden tot de Maagd Maria, * die verloofd was met Jozef en bracht Haar de tijding; * en de Maagd ontstelde wegens het licht. * Vrees niet, Maria, Gij hebt genade gevonden bij de Heer: * Zie, Gij zult ontvangen en baren, * en Hij zal de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
Lr ℣. De Heer God zal Hem de troon geven van zijn vader David, * en Hij zal heersen over het huis van Jacob in eeuwigheid.
Cc Zie, Gij zult ontvangen en baren, * en Hij zal de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
Lr ℣. Wil
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
Heer, (h heer,) uw zegen schenken.Lr H O S
Zegen
O Zij, de Maagd der maagden, weze onze voorspraak bij de Heer.]
Ch ℟. Amen.
LEZING II
Luc. 1, 29-33
Lr Toen Zij dit hoorde, ontstelde Zij over zijn woord, * en overwoog, wat die groet kon betekenen. * En de Engel sprak tot Haar: * Vrees niet, Maria, * want Gij hebt genade gevonden bij God: * Zie, Gij zult in uw …
… schoot ontvangen, en een Zoon baren, * en zijn naam Jezus noemen. * Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden; * en de Heer God zal Hem de troon geven van zijn vader David, * en Hij zal heersen over het huis van Jacob in eeuwigheid, * en aan zijn rijk zal geen einde komen.
Lr ℣. Gij nu, Heer, * ontferm U over ons.
Ch ℟. God zij dank.
Cc ℟. Wees gegroet, Maria, vol van genade; * de Heer is met U; * de Heilige Geest zal over U komen, * en de kracht van de Allerhoogste U overschaduwen, * want het Heilige, dat uit U zal geboren worden, * zal Zoon van God genoemd worden.
Lr ℣. Hoe zal dit geschieden, daar Ik geen man beken? * En de Engel antwoordde en sprak tot Haar:
Cc De Heilige Geest zal over U komen * en de kracht van de Allerhoogste U overschaduwen, * want het Heilige, dat uit U zal geboren worden, * zal Zoon van God genoemd worden.
Op Mariafeestdagen wordt hieraan toegevoegd:
Lr Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan de Vader en de Zoon * en de Heiligen Geest.]Cc De Heilige Geest zal over U komen * en de kracht van de Allerhoogste U overschaduwen, * want het Heilige, dat uit U zal geboren worden, * zal Zoon van God genoemd worden.
Lr ℣. Wil
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
Heer, (h heer,) uw zegen schenken.Lr H O S
Zegen
O Door de Moedermaagd verlene ons de Heer heil en vrede.]
Ch ℟. Amen.
LEZING III
Luc. 1, 34-38
Lr Maria nu sprak tot de Engel: * Hoe zal dit geschieden, daar Ik geen man beken? * En de Engel antwoordde en sprak tot Haar: * De Heilige Geest zal over U komen, * en de kracht van de Allerhoogste U overschaduwen. * Daarom ook zal het Heilige, dat uit U zal geboren worden, * Zoon van God genoemd worden. * En zie, Elisabeth, uw bloedverwante, * ook zij heeft een zoon ontvangen in haar ouderdom, * en zij, die onvruchtbaar heet, is in haar zesde maand; * want bij God is niets onmogelijk. * Maria nu sprak: * Zie de dienstmaagd des Heren, * Mij geschiede naar uw woord.
Lr ℣. Gij nu, Heer, * ontferm U over ons.
Ch ℟. God zij dank.
In Officie II vervalt het Te Deum, behalve op Mariafeestdagen; op deze feestdagen wordt het volgend Responsorie weggelaten en wordt hier onmiddellijk het Te Deum (zie blz. 43) gebeden.
Cc ℟. Aanvaard, o Maagd Maria, het woord, * dat U van de Heer door de Engel werd gebracht: * Gij zult Hem ontvangen en baren, die God en mens te zamen is. * Opdat Gij de Gezegende moogt genoemd worden onder alle vrouwen.
Lr ℣. Wel zult Gij een Zoon baren, * maar aan uw maagdelijkheid geen letsel lijden. * Gij zult in uw schoot ontvangen en altijd ongeschonden Moeder zijn.
Cc Opdat Gij de Gezegende moogt genoemd worden onder alle vrouwen.
Lr Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan de Vader en de Zoon * en de Heiligen Geest.]Cc Opdat Gij de Gezegende moogt genoemd worden onder alle vrouwen.
Lofzang Te Deum
In het Te Deum prijzen wij de allerheiligste Drieëenheid om de grote dingen in Maria volbracht en vooral Jezus Christus, die Haar als mens zijn bijzondere liefde betoonde.
Hulde aan de allerheiligste Drieëenheid.
1 U God, loven wij, * U, Heer, prijzen wij.
2 Tot U, eeuwige Vader, * eert heel de aarde.
3 Tot U roepen alle Engelen, * tot U de Hemelen en alle Machten.
4 Tot U de Cherubijnen en Serafijnen, * zonder ophouden verkondend:
5 Heilig, heilig, heilig * de Heer, God der legerscharen!
6 Vol zijn hemel en aarde * van de majesteit uwer glorie.
7 U looft * het roemvol Apostelenkoor,
8 U de lofwaardige schaar * der Profeten,
9 U het blanke heer * der Martelaren.
10 U prijst over heel het aardrijk * de heilige Kerk,
11 De Vader, * onmeetbaar in majesteit;
12 Aanbiddelijk en waarachtig * uw eengeboren Zoon;
13 Alsmede de Vertrooster, * de Heilige Geest.
Hulde aan Christus, de Gloriekoning, en herdenking van degenen, die op Christus betrekking hebben.
14 Gij zijt de Koning der glorie, * Christus!
15 Van de Vader zijt Gij * de eeuwiggeboren Zoon.
16 Gij, die, om de mens verlossing te brengen, * niet hebt geschroomd voor de schoot ener Maagd;
17 Gij, die de prikkel des doods hebt verwonnen, * en voor de gelovigen het rijk der hemelen hebt geopend.
18 Gij, die zit aan Gods rechterhand * in de glorie des Vaders,
19 Die als Rechter zult komen, * zoals wij geloven.
Het volgend vers wordt geknield gebeden.
20 U dan smeken wij: kom uw dienaars te hulp, * die Gij met uw kostbaar Bloed hebt gered.
Jezus, doe mij delen in uw glorie.
21 In de eeuwige glorie met uw Heiligen, * laat ons daarbij zijn gerekend.
22 Schenk verlossing aan uw volk, o Heer, * en zegen uw erfdeel.
23 Regeer hen, * en leid hen opwaarts in eeuwigheid.
24 Elke dag opnieuw * zegenen wij U;
25 En wij loven uw Naam door de eeuwen, * en door de eeuwen der eeuwen.
26 Wees genadig, Heer, * spaar ons dezen dag voor de zonde.
27 Ontferm U over ons, o Heer, * ontferm U over ons.
28 Uw barmhartigheid, o Heer, strekke zich uit over ons, * daar wij hoopten op U.
29 Op U, o Heer, heb ik gehoopt, * niet beschaamd zal ik worden in eeuwigheid.
Als men na de Metten ophoudt — wat mag geschieden als men de Metten niet in koor bidt en ook als men met Kerstmis de Metten voor de Nachtmis in koor bidt — sluit men hier als volgt:
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
OFFICIE I EN II
Laat ons bidden.
God, Gij hebt gewild, dat uw Woord bij de boodschap van de Engel * het vlees aannam uit de schoot van de heilige Maagd Maria; * wij bidden U: * verleen ons, dat wij door haar voorspraak bij U worden geholpen, * omdat wij vast geloven, dat Zij de Moeder van God is. * Door denzelfden Jezus Christus, onzen Heer, uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van den Heiligen Geest, God, in de eeuwen der eeuwen. Amen.
℟. Amen.
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
℣. Laat ons de Heer loven.
℟. God zij dank.
℣. Dat de zielen van de gelovigen * door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
℟. Amen.
Onze Vader…
OFFICIE III
Laat ons bidden.
God, Gij hebt aan de mensen de prijs van de eeuwige zaligheid geschonken * door de vruchtbare maagdelijkheid van de heilige Maria; * wij bidden U: * verleen ons te mogen ondervinden, dat Zij onze voorspraak is, * omdat wij door Haar mochten ontvangen den Gever van het leven, * onzen Heer Jezus Christus, uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van den Heiligen Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
℟. Amen.
℣. Heer, verhoor mijn gebed.
℟. En mijn geroep kome tot U.
℣. Laat ons de Heer loven.
℟. God zij dank.
℣. Dat de zielen van de gelovigen * door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
℟. Amen.
Onze Vader…
LAUDEN
Als men de Lauden niet onmiddellijk op de Metten laat volgen, bidt men eerst: Wees gegroet… (in stilte); anders begint men onmiddellijk met:
O ℣. God, ✠ kom mij te hulp. S
Ch ℟. Heer, haast U mij te helpen.
Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
Alleluia of
U zij lof, o Heer, Koning der eeuwige glorie.
OFFICIE I
C¹ Ant. Maria is opgenomen.
OFFICIE II
C¹ Ant. De engel Gabriël.
OFFICIE III
C¹ Ant. O wondere ruil!
Psalm 92
God, Koning van het aardrijk.
Lofpsalm, waarin God wordt verheerlijkt als de eeuwige en machtige Koning van het aardrijk.
Maria is de machtige Koningin: Zij is opgenomen ten hemel, zo zegt de Antifoon, en de engelen verblijden zich en loven en prijzen de Heer, want Maria is ook hun Koningin, de Koningin van hemel en aarde.
1 De Heer regeert; met heerlijkheid is Hij bekleed; * bekleed is Hij met kracht en Hij heeft zich omgord.
2 Want hecht gemaakt heeft Hij het aardrijk, * dat niet zal wankelen.
3 Gevestigd is van toen uw troon, * van eeuwigheid zijt Gij.
4 De stromen verheffen, o Heer, * de stromen verheffen hun stem.
5 De stromen verheffen hun golven; * maar boven het gebruis der wijde wateren,
6 boven de wonderbare branding der zee * is de Heer wonderbaar in den hoge.
7 Uw getuigenissen zijn hoogst geloofwaardig; * uw huis, o Heer, past heiligheid * in lengte van dagen.
Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan de Vader…] Zoals het was…OFFICIE I
C¹ Ant. Maria is opgenomen ten hemel; * de engelen verheugen zich en loven en prijzen de Heer.
C² Ant. De Maagd Maria.
Psalm 92
God, Koning van het aardrijk.
Lofpsalm, waarin God wordt verheerlijkt als de eeuwige en machtige Koning van het aardrijk.
Maria is de machtige Koningin: Zij is opgenomen ten hemel, zo zegt de Antifoon, en de engelen verblijden zich en loven en prijzen de Heer, want Maria is ook hun Koningin, de Koningin van hemel en aarde.
1 De Heer regeert; met heerlijkheid is Hij bekleed; * bekleed is Hij met kracht en Hij heeft zich omgord.
2 Want hecht gemaakt heeft Hij het aardrijk, * dat niet zal wankelen.
3 Gevestigd is van toen uw troon, * van eeuwigheid zijt Gij.
4 De stromen verheffen, o Heer, * de stromen verheffen hun stem.
5 De stromen verheffen hun golven; * maar boven het gebruis der wijde wateren,
6 boven de wonderbare branding der zee * is de Heer wonderbaar in den hoge.
7 Uw getuigenissen zijn hoogst geloofwaardig; * uw huis, o Heer, past heiligheid * in lengte van dagen.
Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
OFFICIE I
C¹ Ant. Maria is opgenomen ten hemel; * de engelen verheugen zich en loven en prijzen de Heer.
C² Ant. De Maagd Maria.
5 Looft zijn Naam, want goedertieren is de Heer; * zijn barmhartigheid blijft in eeuwigheid, * en van geslacht tot geslacht zijn trouw.
Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan den Vader…] Zoals het was…OFFICIE I
C² Ant. De Maagd Maria is opgenomen in de hemelse bruiloftszaal, * waar de Koning der koningen zetelt op een sterrentroon.
C¹ Ant. In den geur.
OFFICIE II
C² Ant. Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met U; * Gij zijt de Gezegende onder de vrouwen. Alleluia.
C¹ Ant. Vrees niet, Maria.
OFFICIE III
C² Ant. Toen Gij op wonderbare wijze uit de Maagd werdt geboren, werden de Schriften vervuld: * gelijk de regen op de vacht, zo zijt Gij neergedaald om het mensdom te redden; * U, onzen God, loven wij.
C¹ Ant. In het braambos.
Psalm 62
Smachtend verlangen naar God.
Bidpsalm. Wellicht dichtte David dezen Psalm in de woestijn, vóór hij op zijn vlucht voor Absalon den Jordaan overstak.
Gelijk David, zo ook verlangde de ziel van Maria met al haar krachten naar God, ja zelfs haar lichaam; immers was het niet door God bereid om zijn heilige woonplaats te worden?
1 God, mijn God, * tot U verhef ik mij, ontwakend bij het morgenlicht.
2 Naar U dorst mijn ziel, * hoe vurig smacht mijn lichaam naar U!
3 Als een, die is in een eenzaam, ongebaand en dor land; * zó verschijn ik voor U in het heiligdom, * om uw macht en uw glorie te aanschouwen.
4 Want uw barmhartigheid is beter dan leven; * mijn lippen loven U.
5 Zo wil ik U loven mijn leven lang, * en mijn handen opheffen onder aanroeping van uw Naam.
6 Als met merg en vet worde mijn ziel verzadigd, * en met jubelende lippen zal mijn mond U loven.
7 Als ik denk aan U op mijn legerstede, * dan peins ik over U na in de ochtenduren, * want Gij zijt mijn Helper.
8 En ik jubel onder de dekking van uw…
9 Zij echter staan mij te vergeefs naar het leven; * zij zullen verzinken in de diepten der aarde; * zij zullen overgeleverd worden aan de macht van het zwaard, * een prooi zijn van de jakhalzen.
10 Maar de koning zal zich verheugen in God, * en allen, die bij hem zweren, zullen zich gelukkig prijzen, * want de mond van de lasteraars is gestopt.
Eer
Lr ℣. Wil H Heer, (h heer,) uw zegen schenken.
aan den Vader…] Zoals het was…OFFICIE I
C¹ Ant. In den geur van uw balsems lopen wij; * de maagden beminnen U zeer.
C² Ant. Gezegend zijt Gij.
OFFICIE II
C¹ Ant. Vrees niet, Maria, Gij hebt genade gevonden bij den Heer; * zie, Gij zult ontvangen en een Zoon baren. Alleluia.
C² Ant. De Heer zal Hem geven.
OFFICIE III
C¹ Ant. In het braambos, dat Mozes onverbrand zag, * erkennen wij uw ongeschonden en lofwaardige maagdelijkheid: * Moeder van God, wees onze voorspraak.
C² Ant. De wortel van Jesse.
Lofzang van de drie Jongelingen (Dan. 3, 57-88 en 56)
Drie Joodse jongelingen hadden geweigerd het gouden afgodsbeeld te aanbidden. Zij werden daarom in een vuuroven geworpen, maar God kwam hun wonderbaar te hulp: ongedeerd wandelden zij te midden der vlammen en zongen een lied, waarin zij alle schepselen uitnodigen God als hun Koning te prijzen.
Hoe schoon kan deze lofzang op Maria worden toegepast. God is de Koning van het heelal, Maria de Koningin; Zij immers, zo zegt de Antifoon, gaf ons den Zaligmaker, door Haar zijn wij aan de Vrucht van het leven deelachtig geworden.
Dat alle schepselen U prijzen, o God!
1 Zegent, alle werken des Heren, den Heer: * looft en verheft Hem in eeuwigheid.
De schepselen in den hemel, aan het uitspansel, in de lucht.
2 Zegent, engelen des Heren, den Heer; * zegent, hemelen, den Heer.
3 Zegent, alle water, dat drijft op den hemel, den Heer; * zegent, alle lichtkrachten des Heren, den Heer.
4 Zegent, gij, zon, en gij, maan ook, den Heer; * zegent, gij, sterren des hemels, den Heer.
5 Zegent, alle stortregens en dauwwal, den Heer; * zegent, alle adem, Gods winden, den Heer.
6 Zegent, gij, vuur en gij, hitte, den Heer; * zegent, verkoeling en gloedkracht, den Heer.
7 Zegent, gij, dauwdrupp en rijpglans, den Heer; * zegent, gij, vrieskracht en koude, den Heer.
8 Zegent, gij, ijskorst en sneeuwvacht, den Heer; * zegent, gij, nachten en dagen, den Heer.
9 Zegent, gij, licht en gij, duister, den Heer; * zegent, gij, bliksem en wolken, den Heer.
De redeloze schepselen op aarde, zo levenloze als levende.
10 Zegene het rijk dezer aarde, den Heer: * Hem love en verheffe ’t in eeuwigheid.
11 Zegent, gij, bergen en heuvelen, den Heer; * zegent, alle kruiden der aarde, den Heer.
12 Zegent, gij, springende bronnen, den Heer; * zegent, gij, zeeën en stromen, den Heer.
13 Zegent, gedrochten en wat wemelt in ’t water, den Heer; * zegent, alle vogelen des hemels, den Heer.
14 Zegent, alle wilde dieren en kleinvee, den Heer; * zegent, gij, zonen der mensen, den Heer.
De verschillende soorten van mensen.
15 Zegene het huis van Israël den Heer: * Hem love en verheffe ’t in eeuwigheid.
16 Zegent, gij, priesters des Heren, den Heer; * zegent, gij, dienaars des Heren, den Heer.
17 Zegent, gij, geesten en zielen der rechtvaardigen, den Heer; * zegent, gij, heiligen en nederigen van harte, den Heer.
18 Zegent, Ananias, Azarias, Misaël, den Heer: * looft en verheft Hem in eeuwigheid.
19 Zegenen wij H den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest;] * Hem loven en verheffen wij in eeuwigheid.
20 Gezegend zijt Gij in het uitspansel des hemels, o Heer; * lofwaardig en glorievol en boven alles verheven in eeuwigheid.]
Hier vervalt het Eer aan den Vader.
OFFICIE I
C² Ant. Gezegend zijt Gij, Dochter, door den Heer, * want door U zijn wij aan de Vrucht van het leven deelachtig geworden.
C¹ Ant. Gij zijt schoon.
OFFICIE II
C² Ant. De Heer zal Hem den troon geven van zijn vader David; * en Hij zal heersen in eeuwigheid.
C¹ Ant. Zie de dienstmaagd des Heren.
OFFICIE III
C² Ant. De wortel van Jesse sproot uit; * de ster is opgegaan uit Jacob; * de Maagd heeft den Verlosser gebaard; * Ú, onzen God, loven wij.
C¹ Ant. Zie, Maria baarde.
Psalm 148
Hemel en aarde, looft den Heer!
Lofpsalm. Moeten alle schepselen God prijzen als den almachtigen, ontzagwekkenden Schepper, ook Maria moeten wij prijzen, die, gelijk de Antifoon getuigt, geducht is als een leger in slagorde.
1 Looft den Heer in den hemel; * looft Hem in den hoge!
2 Looft Hem, al zijn engelen; * looft Hem, al zijn heirscharen!
3 Looft Hem, zon en maan; * looft Hem, alle sterren en licht!
4 Looft Hem, hemelen der hemelen; * en alle wateren boven den hemel, * dat zij den Naam des Heren loven!
5 Want Hij sprak, en zij werden; * Hij beval, en zij waren geschapen.
6 Hij heeft ze gevestigd voor eeuwig en in de eeuwen der eeuwen; * Hij stelde hun zijn wet, en die zal niet vergaan.
Schepselen op aarde, looft den Heer!
7 Looft den Heer op aarde, * monsters in de zee en alle afgronden!
8 Vuur, hagel, sneeuw, ijs, stormwind, * die zijn woord volvoert,
9 Bergen en alle heuvelen, * vruchtbomen en alle ceders,
10 Wilde dieren en alle vee, * slangen en gevleugelde vogels,
11 Koningen der aarde en alle volkeren, * vorsten en alle rechters op aarde,
12 Jongelingen en maagden, grijsaards en kinderen; * dat zij den Naam des Heren loven, * want zijn Naam alleen is verheven.
13 Zijn glorie gaat hemel en aarde te boven, * en Hij heeft den hoorn van zijn volk verheven.
14 Hij worde geprezen door al zijn heiligen, * …
14 Hij worde geprezen door al zijn heiligen, * de zonen van Israël, * het volk, dat Hem nabij is.
Eer H aan den Vader…] Zoals het was…
OFFICIE I
C¹ Ant. Gij zijt schoon en aanvallig, Dochter van Jeruzalem, * geducht als een leger in slagorde.
OFFICIE II
C¹ Ant. Zie de dienstmaagd des Heren, * Mij geschiede naar uw woord.
OFFICIE III
C¹ Ant. Zie, Maria baarde ons den Verlosser; * Johannes zag Hem en sprak met luide stem: * Ziedaar het Lam Gods, * ziedaar Dengene, die de zonden van de wereld wegneemt. Alleluia.
OFFICIE I EN III
KAPITTEL Cant. 6, 8
De dochters van Sion zagen Haar, en prezen Haar allerzaligst, * en de koninginnen loofden Haar.
Ch ℟. God zij dank.
OFFICIE II
KAPITTEL Is. 11, 1-2
Een twijg zal opschieten uit den wortel van Jesse, * en een bloem opbloeien uit zijn wortel. * En de Geest des Heren zal op Hem rusten.
Ch ℟. God zij dank.
Hymne
O Glorieglans der maagdenschaar, *
En onder alle sterren schoon! *
Hem, die U schiep, zo klein ’n kind,
Voedt Gij aan maagdelijke borst.
Wat Eva droevig ons ontnam,
Schenkt Gij ons door uw vruchtb’re Spruit; *
Betraanden treên door sterrenpoort,
Nu Gij des hemels hengsels draait.
Gij, van den hoogsten Vorst de poort,
En hemelhal, die gloeit van licht… *
Het leven door de Maagd gebracht,
Verloste scharen, juicht het toe!
O Jezus, H U zij eerbetoon,
Die uit de Maagd geboren zijt, *
Den Vader, ook den Heil’gen Geest.]
Waar de eeuwen duren altijd voort.
Ch Amen.
Cc ℣. Gij zijt de Gezegende onder de vrouwen.
Ch ℟. En gezegend is de Vrucht van uw schoot.
OFFICIE I
C¹ Ant. Heilige Moeder van God, Maria.
In den Paastijd
C¹ Ant. Koningin des hemels.
OFFICIE II
C¹ Ant. De Heilige Geest.
OFFICIE III
C¹ Ant. Een wonderbaar geheim.
Lofzang van Zacharias
BENEDICTUS Luc. 1, 68-79
Danklied aan God voor het zenden van den beloofden Messias.
Dit lof- en danklied werd door Zacharias aangeheven, toen hem, na de geboorte van zijn zoon Johannes, voorloper van den Messias, door een wonder de spraak was teruggegeven.
Als van zelf denken wij hier aan Maria, de grote Middelares in het Verlossingswerk, door wier bemiddeling het kind van Zacharias werd geheiligd in den schoot zijner moeder, Elisabeth.
De Verlossing wordt bezongen.
C¹ Gezegend ✠ de Heer, de God van Israël, * want bezocht heeft Hij zijn volk, * het de redding gebracht.
2 Verwekt heeft Hij voor ons den hoorn des heils * in het huis van David, zijn dienstknecht.
3 Zoals Hij beloofd heeft, eeuwen geleden, * door den mond van zijn heilige profeten:
4 Redding te schenken uit de macht onzer vijanden, * uit de hand van al, die ons haten,
5 Barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen, * en zijn heilig verbond te gedenken:
6 Dit was de eed, dien Hij zwoer * aan Abraham, onzen vader, * ons te vergunnen:
7 Bevrijd uit de hand onzer vijanden, * zonder vrees Hem te dienen,
8 In heiligheid en gerechtigheid voor zijn aanschijn, * al de dagen van ons leven.
De H. Johannes als voorloper van den Verlosser aangekondigd.
9 En gij nu, klein knaapje, * profeet des Allerhoogsten zult gij genoemd worden, * uitgaan zult gij vóór ’s Heren aanschijn * om zijn weg te bereiden,
10 Om de kennis van het heil aan zijn volk te brengen, * tot vergeving van hun zonden,
11 Door de tedere ontferming van onzen God, * waarmede Hij ons bezoekt, de opgaande Dageraad,
12 Om te verlichten die in de duisternis * en in de schaduw des doods zijn gezeten, * om onze voeten te leiden den weg op van den vrede.
Eer H aan den Vader…] Zoals het was…
OFFICIE I
C¹ Ant. Heilige Moeder van God, Maria, altijd Maagd, * tempel van den Heer, heiligdom van den Heiligen Geest, * Gij alleen hebt zonder gelijke behaagd aan onzen Heer, Jezus Christus; * bid voor het volk, spreek…
C¹ Ant. Heilige Moeder van God, Maria, altijd Maagd, * tempel van den Heer, heiligdom van den Heiligen Geest, * Gij alleen hebt zonder gelijke behaagd aan onzen Heer, Jezus Christus; * bid voor het volk, spreek ten beste voor de geestelijkheid, * wees een voorspraak voor het Godgewijde vrouwengeslacht.
In den Paastijd
C¹ Ant. Koningin des hemels, verheug U, Alleluia! * Omdat Hij, dien Gij waardig geweest zijt te dragen, Alleluia! * Verrezen is, zoals Hij gezegd heeft, Alleluia! * Bid God voor ons, Alleluia!
OFFICIE II
C¹ Ant. De Heilige Geest zal over U neerdalen, o Maria; * vrees niet. Gij zult de Zoon van God in uw schoot dragen. Alleluia.
OFFICIE III
C¹ Ant. Een wonderbaar geheim wordt heden geopenbaard: * de naturen worden vernieuwd, God is mens geworden: * wat Hij was, is Hij gebleven; * en wat Hij niet was, heeft Hij aangenomen * zonder vermenging of verdeling.
S = OFFICIE I EN II
O Heer, ontferm U over ons.
Ch Christus, ontferm U over ons, * Heer, ontferm U over ons.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O Laat H ons bidden.]
God, Gij hebt gewild, dat uw Woord bij de boodschap van de Engel * het vlees aannam uit de schoot van de heilige Maagd Maria; * wij bidden U: * verleen ons, dat wij door haar voorspraak bij U worden geholpen, * omdat wij vast geloven, dat Zij de Moeder van God is. * Door H dezelfde Jezus Christus,] uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
S = OFFICIE III
O Heer, ontferm U over ons.
Ch Christus, ontferm U over ons, * Heer, ontferm U over ons.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O Laat H ons bidden.]
God, Gij hebt aan de mensen de prijs van de eeuwige zaligheid geschonken * door de vruchtbare maagdelijkheid van de heilige Maria; * wij bidden U: * verleen ons te mogen ondervinden, dat Zij onze voorspraak is, * omdat wij door Haar mochten ontvangen de Gever van het leven, * H onze Heer, Jezus Christus,] uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
Hier volgt de gedachtenis van de Patroonheiligen, welke men krachtens bijzonder verlof mag houden.
Gedachtenis van de Heiligen.
S = OFFICIE I EN III
Cc Ant. Alle heiligen van God, *
Ch Gewaardigt u ten beste te spreken voor ons en aller heil.
Cc ℣. Verheugt u in de Heer en jubelt, gij, rechtvaardigen.
Ch ℟. En roemt, gij allen, die oprecht van harte zijt.
O Laat H ons bidden.]
Bescherm, Heer, uw volk, * dat op de voorspraak van uw apostelen Petrus en Paulus * en van de andere apostelen zijn vertrouwen stelt; * bewaar het door uw altijddurende bescherming.
Wij bidden U, Heer, dat al uw heiligen ons overal mogen bijstaan, * opdat wij, die hun verdiensten gedenken, * ook hun bescherming ondervinden; * schenk ook uw vrede aan onze tijden, * en weer alle onheil af van uw Kerk; * geleid onze weg, onze handelingen en verlangens, * en die van al uw dienaren tot een voorspoedig einde; * schenk aan onze weldoeners de eeuwige goederen, * en verleen aan alle overleden gelovigen de eeuwige rust. * Door H onze Heer Jezus Christus,] uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
S = OFFICIE II
Op Maria-Boodschap wordt de gedachtenis van de heiligen, evenals als boven, (Officie I en III) gebeden.
Cc Ant. Zie, de Heer zal komen *
Ch En al zijn heiligen met Hem; * en op dien dag zal er een groot licht schijnen. Alleluia.
Cc ℣. Zie, de Heer zal verschijnen op een schitterende wolk.
Ch ℟. En duizenden heiligen met Hem.
O Laat H ons bidden.]
Wij bidden U, Heer, zuiver ons geweten door uw bezoek, * opdat uw Zoon, H Jezus Christus,] onze Heer, * als Hij zal komen met al zijn heiligen, * een Hem welbereide woonplaats in ons vinde. * Die met U leeft en heerst in de eenheid van den Heiligen Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O ℣. Laat ons den Heer loven.
Ch ℟. God zij dank.
O ℣. Dat de zielen van de gelovigen * door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
Ch ℟. Amen.]
Als men hier met het Officie ophoudt, bidt men in stilte een Onze Vader S =; vervolgens:
O ℣. De Heer schenke ons zijn vrede.
Ch ℟. En het eeuwig leven. Amen.
Hierna bidt men ook op Maria-Boodschap een van de Slotantifonen volgens den tijd van het jaar, zoals bij elk van die Antifonen is aangegeven; zie blz. 123 en volgende.
Laat men echter onmiddellijk op de Lauden een ander Uur (blz. 66 enz.) volgen, dan laat men de bovenstaande slotgebeden (Onze Vader, ℣, ℟. en Slotantifoon) weg na de Lauden, maar bidt ze na het Uur, waarmede men eindigt.
N.B. Op Donderdag, Vrijdag en Zaterdag in de Goede Week wordt de Slotantifoon niet gebeden.
OFFICIE I
C¹ Ant. Maria is opgenomen.
OFFICIE II
C¹ Ant. De engel Gabriël.
OFFICIE III
C¹ Ant. O wondere ruil!
Psalm 53
Gebed om hulp tegen vijanden.
Bidpsalm. Door het verraad van de Ziphieten was David in zijn schuilplaats bijna in handen gevallen van zijn vijanden. Hij smeekt nu God vurig om hulp, en uit zijn groot vertrouwen op Gods bijstand. Gebeden bij het begin van de dag als eerste Psalm der Prime, zij deze Psalm voor ons eveneens een innige smeekbede tot Maria om hulp tegen de vijanden van onze ziel; Zij immers is de sterke Vrouwe, de schrik der duivelen.
Heer, schenk mij uw hulp.
C¹ Red mij, o God, door uw Naam, * en verschaf mij recht door uw kracht.
2 Verhoor mijn gebed, o God; * luister naar de woorden van mijn mond.
3 Want vijanden zijn tegen mij opgestaan, * en sterken staan mij naar het leven, * en zij houden God niet voor ogen.
4 Want zie, God komt mij te hulp, * en de Heer is de Beschermer van mijn leven.
5 Wend de rampen af op mijn vijanden, * en vernietig hen in uw trouw.
6 Vrijwillig zal ik U offers brengen, * en prijzen zal ik uw Naam, o Heer, * want hij is goed.
7 Want Gij hebt mij verlost uit alle nood, * en mijn oog ziet op mijn vijanden neer.
Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
Psalm 84 (M.T.)
God herstelle Israël geheel.
Dank- en bidpsalm. Teruggekeerd uit de ballingschap, smeekt de Psalmist, dat God het werk van verlossing moge voortzetten en moge wegnemen de bouwvallen der stad en de ellende en rampen, die zijn land nog teisteren. Maria is die aarde, door God gezegend, waarvan in dezen Psalm sprake is; door Haar immers heeft God, vooral bij de Verlossing, barmhartigheid bewezen aan zijn volk.
Dank, Heer, voor de verlossing uit de ballingschap.
C² Gij hebt uw land gezegend, o Heer, * Gij hebt Jacob uit de ballingschap bevrijd.
2 Gij hebt de ongerechtigheid van uw volk vergeven, * Gij hebt al hun zonden bedekt.
3 Gij hebt gestild al uw toorn, * van de toorn uwer verbolgenheid U afgewend.
Voltooi, Heer, de verlossing.
4 Herstel ons, o God, ons Heil, * en wend uw toorn van ons af.
5 Zult Gij dan voor eeuwig vertoornd op ons zijn, * of uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?
6 Gij, o God, zult ons opnieuw doen leven, * en uw volk zal zich in U verblijden.
7 Toon ons, Heer, uw barmhartigheid, * en schenk ons uw heil.
Gij zult ons uw heil schenken, o Heer.
8 Horen wil ik, wat de Heer, God, in mij spreekt, * want Hij kondigt vrede aan voor zijn volk.
9 En voor zijn heiligen, * en voor hen, die tot inkeer komen.
10 Ja waarlijk, zijn heil is nabij voor hen, die Hem vrezen, * zodat er glorie zal wonen in ons land.
11 Barmhartigheid en trouw zullen elkander ontmoeten, * gerechtigheid en vrede zullen elkander de kus geven.
12 De trouw zal uit de aarde ontspruiten, * en de gerechtigheid uit de hemel neerzien.
13 Want ja, de Heer zal zijn zegen schenken, * en ons land zal zijn vruchten voortbrengen.
14 Gerechtigheid zal voor Hem uitgaan, * en op de weg haar schreden zetten.
Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
Psalm 116 (M.L.)
Alle volkeren uitgenodigd God te prijzen.
Lofpsalm. De verlossing uit de ballingschap gaf aanleiding tot deze Psalm, waarin God wordt verheerlijkt als Koning van geheel het mensdom. Ook Maria moeten allen prijzen, omdat Zij zulk een groot aandeel heeft gehad in de verlossing van het mensdom.
C¹ Looft de Heer, alle volkeren, * looft Hem, alle natiën!
2 Want zijn barmhartigheid is over ons bevestigd, * en de trouw des Heren blijft in eeuwigheid.
Eer H aan de Vader…] Zoals het was…
OFFICIE I
C¹ Ant. Maria is opgenomen ten hemel; * de engelen verheugen zich en loven en prijzen de Heer.
OFFICIE II
C¹ Ant. De engel Gabriël werd gezonden tot een Maagd, genaamd Maria, * die verloofd was met Jozef.
OFFICIE III
C¹ Ant. O wondere ruil! * De Schepper van het menselijk geslacht heeft een ziel en een lichaam aangenomen, * en heeft zich gewaardigd uit een Maagd te worden geboren, * is mens geworden zonder de medewerking van een man, * en heeft ons aan zijn Godheid deelachtig gemaakt.
OFFICIE I EN III
HOOFDSTUK Cant. 6, 9
O Wie is Zij, die daar voortschrijdt als de rijzende dageraad, * schoon als de maan, heerlijk als de zon, * geducht als een leger in slagorde?
Ch ℟. God zij dank.
Cc ℣. Sta toe, dat ik U prijze, * o heilige Maagd.
Ch ℟. Geef mij kracht tegen uw vijanden.
O Heer, ontferm U over ons.
Ch Christus, ontferm U over ons, * Heer, ontferm U over ons.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
OFFICIE I
O Laat H ons bidden.]
God, die U gewaardigd hebt, de maagdelijke schoot van de heilige Maria tot uw woonplaats uit te kiezen; * wij bidden U: * doe ons, sterk door haar bescherming, met vreugde deelnemen aan de viering van haar gedachtenis, * die leeft en heerst met God de Vader * de eenheid van de Heilige Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O ℣. Laat ons de Heer loven.
Ch ℟. God zij dank.
O ℣. Dat de zielen van de gelovigen * door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
Ch ℟. Amen.]
OFFICIE III
O Laat H ons bidden.]
God, Gij hebt aan de mensen de prijs van de eeuwige zaligheid geschonken * door de vruchtbare maagdelijkheid van de heilige…
Maria; * wij bidden U: * verleen ons te mogen ondervinden, dat Zij onze voorspraak is, * omdat wij door Haar mochten ontvangen de Gever van het leven, * onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O ℣. Laat ons de Heer loven.
Ch ℟. God zij dank.
O ℣. Dat de zielen van de gelovigen * door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
Ch ℟. Amen.]
OFFICIE II
HOOFDSTUK Is. 7, 14-15
O Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, * en zijn naam zal Emmanuel genoemd worden. * Boter en honing zal Hij eten, * tot Hij het kwade zal weten te verwerpen en het goede te kiezen.
Ch ℟. God zij dank.
Cc ℣. Sta toe, dat ik U prijze, * o heilige Maagd.
Ch ℟. Geef mij kracht tegen uw vijanden.
O Heer, ontferm U over ons.
Ch Christus, ontferm U over ons, * Heer, ontferm U over ons.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O Laat H ons bidden.]
God, Gij hebt gewild, dat uw Woord bij de boodschap van de Engel * het vlees aannam uit de schoot van de heilige Maagd Maria; * wij bidden U: * verleen ons, dat wij door haar voorspraak bij U worden geholpen, * omdat wij vast geloven, dat Zij de Moeder van God is. * Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, * die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God * door alle eeuwen der eeuwen.
Ch ℟. Amen.
O ℣. Heer, verhoor mijn gebed.
Ch ℟. En mijn geroep kome tot U.
O ℣. Laat ons de Heer loven.
Ch ℟. God zij dank.
O ℣. Dat de zielen van de gelovigen * door de barmhartigheid van God in vrede rusten.
Ch ℟. Amen.]
Als men het Officie afzonderlijk bidt en hier ophoudt, bidt men in stilte slechts een Onze Vader.
Als men het Officie in koor bidt en hier ophoudt, bidt men in stilte een Onze Vader en voegt daarbij:
O ℣. De Heer geve ons zijn vrede.
Ch ℟. En het eeuwig leven. Amen.
Daarna volgt de Slotantifoon, enz. volgens de tijd van het jaar, zie blz. 123 en volgende.