Tweede zondag van de Advent

Evangelie van de zondag (Matteüs 11, 2–10)

In die tijd, toen Johannes in de gevangenis de werken van Christus had vernomen, zond hij twee van zijn leerlingen en liet Hem vragen: zijt Gij het, die komen moet, of hebben wij een ander te verwachten? En Jezus antwoordde hun: gaat en boodschapt aan Johannes, wat gij hoort en ziet. Blinden zien en kreupelen gaan, melaatsen worden rein en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het Evangelie verkondigd; en zalig is hij, die aan Mij geen aanstoot neemt. Terwijl zij heengingen, begon Jezus tot het volk over Johannes te spreken: Wat zijt gij in de woestijn gaan zien? Een riet, door de wind bewogen? Maar wat zijt gij uitgetogen te zien? Een man in zachte kleren uitgedost? Zie, die zachte kleren dragen, zijn in de paleizen der koningen. Maar waartoe zijt gij dan uitgetogen? Om een profeet te zien? Ja, zeg Ik u, zelfs meer dan een profeet. Want deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend Mijn engel voor uw aangezicht, die u de weg bereiden zal.

Oud adventsgebed

Latijn

Preces nostras ne despexeris, Domine;
intende et exaudi clementer;
ut qui voce inimici turbati dejicimur,
Unigeniti tui adventu sacratissimo consolemur;
et fide pennigerati, velut columbae ad fenestras nostras devolantes,
eius mereamur societate gaudere.
Per eumdem Christum Dominum nostrum. Amen.

Nederlands

Veracht onze smekingen niet, o Heer,
maar zie ernaar om en verhoor ons genadig;
opdat wij, die door de stem van de vijand
verontrust en terneergeslagen worden,
door de allerheiligste komst van Uw eniggeboren Zoon
troost mogen ontvangen en door het geloof als met
vleugelen toegerust, zoals duiven die aan onze vensters neerstrijken,
met vreugde mogen leven in Zijn aanwezigheid.
Door dezelfde Christus onze Heer. Amen.

Het beeld van de duiven aan de vensters is ontleend aan Isaias 60,8; de duif verbeeldt de ziel die naar het Licht opvliegt.

De vensters verbeelden het hart dat zich opent voor de komende Christus en verheugd wordt in Zijn aanwezigheid.

Gebed uit Dom Guéranger, L’Année Liturgique.

← Terug