Oorsprong van de Orde der Servieten
Uit: A Short Account of the Origin of the Order of the Servites of Mary, and of the Scapular of the Seven Dolours (tweede editie, 1865)
De Orde der Dienaren van Maria maakt aanspraak op onze verering door een oudheid van zeshonderddertig jaren. Deze Orde heeft tot voornaamste doel de navolging van Christus en van Zijn Heilige Moeder, opdat zij door een deugdzame verdraagzaamheid in de beproevingen van dit leven arbeide aan onze eigen heiliging en aan die van anderen.
Zeer dierbaar is deze plicht aan hen die overwegen hoe het Offer van Calvarië aan de Kerk, in de Koningin der Martelaren, het zoetste en aangrijpendste beeld heeft geschonken van geheiligd lijden en van de geest van zelfopoffering; want Maria heeft door de smart van haar Hart deelgenomen aan alle folteringen van Jezus. De edelmoedigheid waarmede zowel Jezus als Maria, elk op onderscheiden wijze, Zichzelf voor ons heil hebben opgeofferd, leert ons dat, al kunnen wij aan zielepijn en lichaamsmarteling niet ontkomen, wij deze nochtans moedig en vruchtbaar kunnen dragen; ja zelfs ze mogen verlangen als zegeningen uit de hemel.
Het is deze geest van offer die het lijden heiligt en die de Kerk in staat stelt, naast haar roemrijke legioenen van bloedmartelaren, ook een afzonderlijke en onderscheiden schare te tellen van martelaren van het hart. Onze Heer Jezus Christus is, krachtens Zijn onuitsprekelijk bittere Lijden, waarlijk hun Koning. Hoewel beide heilige scharen het voorbeeld en de verdienste van hun eigen martelaarschap ontlenen aan het innerlijk en uiterlijk Lijden van Christus, vertonen de eersten in hun uiterlijke tekenen een grotere gelijkenis met Hem, daar zij hun bloed vergieten; de laatsten daarentegen, die hun bloed niet storten, gelijken meer op Maria, wier bloed niet werd vergoten, maar die in hogere mate dan enig ander schepsel smart en martelaarschap van het hart heeft doorstaan.
Zoals derhalve het Lijden van onze Heer Jezus Christus op treffende wijze wordt voortgezet in het martelaarschap van het bloed, zo worden in de martelaren van het hart de Smarten van de Onbevlekte Maagd Maria bestendig voortgezet.
Het was daarom de wil van God dat, daar er reeds in Zijn Kerk religieuze gemeenschappen bestonden wier instelling de gelovigen eraan herinnerde dat zij in Hem een Vader en in Jezus een Broeder hebben, om hen in hun ellenden te troosten en te ondersteunen, er tevens een andere zou zijn die de ongelukkigen zou herinneren dat zij in Maria een allermedelevende Moeder bezitten, in wier Smarten zij balsem zullen vinden voor hun eigen lijden en kracht om het met verdienste te dragen. Hiertoe heeft Hij het behaagd een Orde te doen verrijzen die de gedachtenis van de Koningin der Martelaren zou verpersoonlijken en in haar leden de Smarten van de Moeder van Smarten zou bestendigen.
Deze zending werd door de goddelijke Voorzienigheid toevertrouwd aan de Zeven Zalige Stichters der Dienaren van Maria, een Orde die, immer nederig en teruggetrokken — gelijk een jonge weduwe in de beslotenheid van haar rouwkamer, waar God alleen getuige is van de verheven daden harer meest heldhaftige deugden — onder haar kinderen een lange reeks van heiligen telt: helden van geduld, vernedering en liefde, die, geheel verdiept in de herinnering aan de verlatenheid van hun hemelse Koningin en Moeder, niets roemrijks achtten dan het Kruis, en martelaren van het hart werden.
Oorsprong van de Orde der Servieten, en van het Scapulier en de Rozenkrans der Zeven Smarten
De dertiende eeuw, met recht beschouwd als het schitterendste tijdperk van het katholieke geloof, was niettemin een tijd van zware beproevingen en nog zwaardere dwalingen, die de Kerk beroerden, Europa deden sidderen en vooral Italië in beroering brachten. Doch naar de mate van het kwaad was ook de kracht van de bijstand die de Bruid van Christus ontving van Haar hemelse Bruidegom.
De zonen van de heldhaftige Gusman, de leerlingen van de Serafijn van Assisi, de kinderen van de grote heilige Augustinus en de religieuzen van de berg Karmel werden snel gevormd tot een dapper leger, dat zich in slagorde over Europa verspreidde, de wonderen en de deugden van de eerste christentijden hernieuwde en opnieuw getuigenis aflegde van de goddelijke belofte dat de poorten der hel de Kerk nimmer zouden overweldigen.
Aan deze vier instituten werd reeds vroeg — namelijk in het jaar 1233 — de Orde der Dienaren van Maria toegevoegd, opgericht met het bijzondere doel een tedere godsvrucht jegens de Moeder der verlosten te verbreiden, en bestemd om een zeer onmiddellijke vrucht voort te brengen door haar krachtige inspanningen tegen de verdeeldheid tussen de Welfen en de Ghibellijnen, die toen Toscane teisterde, het land dat haar het leven had geschonken. Volgens Scipio Ammirato in zijn relaas over de rivaliteit tussen de patricische families der Amedei en der Buondelmonti was deze tweedracht een van de diepste wonden van Florence.
De naam Servieten of Dienaren van Maria werd, naar men verhaalt, door onschuldige zuigelingen uitgesproken; onder hen bevond zich Philippus Benizi, later heilig verklaard, toen vijf maanden oud. Deze kleine kinderen, die de Stichters voor het eerst aanschouwden, begonnen plotseling, tot oprechte verbazing van hun moeders en van heel de stad Florence, verstaanbare woorden te spreken en riepen uit Zie, de Dienaren van Maria.
De Stichters waren zeven Florentijnse patriciërs, die overeenkomstig de gewoonte van die tijd tevens in de handel werkzaam waren. Hun namen waren: Bonfiglio Monaldi, Giovanni Manetti, Benedetto dell’Antella, Bartolomeo Amidei, Ricovero Lippi-Uguccioni, Gherardino Sostegni en Alessio Falconieri.
Zij waren leden van een vrome broederschap, genaamd de Laudesi, die een kleine kapel bezat op de plaats waar kort daarna de beroemde Giotto, naar eigen ontwerp, de schitterende klokkentoren van de kathedraal van Florence zou oprichten — tot op heden bewonderd als een der meesterwerken die de hoofdstad van Toscane sieren.
Deze sodaliteit was gesticht om de lofzangen van Maria, de uitverkoren Dochter van Sion, te vieren en door haar voorspraak de goddelijke gramschap te verzachten, die, ontstoken door de binnenlandse twisten en felle hartstochten der Florentijnen, de schuldige republiek zichtbaar trof met zware kastijdingen en dreigde met nog strengere straffen.
De vrome vereniging nam spoedig toe in aantal en aanzien, dank zij de schitterende deugden die door de zeven jonge patriciërs werden beoefend, welke onbewust het voorbeeld en de bewondering werden, niet alleen van de adel van Florence, maar van de gehele stad. Zij waren echter even bescheiden als vroom, en zorgvuldig vermijdend wat hun diepe nederigheid zou kunnen verstoren, wijdden zij zich uitsluitend aan de bevordering van Gods eer, de vrede van de gemeenschap en hun eigen heiliging.
Met deze gezindheid stortten zij hun harten uit voor het altaar van hun hemelse Koningin op het feest van haar Tenhemelopneming in het jaar 1233. Toen voelde ieder van hen zich overweldigd door een zekere hemelse zoetheid en onuitsprekelijke ontroering; in vervoering aanschouwden zij een wonderbaar licht, verdeeld in zeven schitterende stralen, waarvan één op ieder afzonderlijk was gericht. Tegelijkertijd hoorde ieder een stem die hem riep tot een nieuwe en volmaakter levenswijze. Vervolgens zagen zij de Allerheiligste Maagd zelf, omgeven door een helder licht; zij nodigde hen uit haar te volgen en verdween met een zachte glimlach.
De innerlijke verbazing en vurigheid van geest die na dit troostrijke visioen bezit namen van de bevoorrechte jongelingen, zijn gemakkelijker te vermoeden dan te beschrijven. Het zij voldoende te zeggen dat, nadat de overige leden der broederschap waren vertrokken, deze zeven in gebed bleven verzonken, met ogen vol tranen van dankbaarheid en liefde, elkander zwijgend aanziend, als wisten zij niet wat te doen of te zeggen in de overvloed hunner godvruchtige aandoeningen.
Eindelijk werd de stilte verbroken door Monaldi, de oudste van de zeven en de uitverkoren vriend van allen. Hij openbaarde aan zijn zes metgezellen het visioen en de bovennatuurlijke roeping die hem waren geschonken, en vernam met verwondering dat het visioen, de roepstem en het innerlijk verlangen om aan de uitnodiging van hun goddelijke Moeder gehoor te geven, bij allen gelijkelijk aanwezig waren.
Terstond besloten zij deze vrome ingeving ten uitvoer te brengen op het naderende feest van de Geboorte van Onze Lieve Vrouw. Intussen zouden zij afstand doen van hun wereldlijke bezittingen, zich losmaken van familiebanden, de openbare ambten die sommigen van hen bekleedden neerleggen, en de raad van de bisschop inwinnen, alsook zijn zegen vragen over hun voornemen.
Dit alles volbrachten zij nauwgezet, te midden van de tranen van verwanten en vrienden en tot verbazing van de gehele stad.
Bisschop Ardingo Trotti zegende hen en bekleedde hen met eenvoudige gewaden. Zij trokken zich terug in een klein huis, Camarzia genaamd, gelegen op de plaats waar thans de luisterrijke kerk van Santa Croce verrijst, beroemd om de wonderbare kunstwerken die zij herbergt.
In deze periode, nadat zij hun levenswijze hadden vastgesteld en de bijzondere godsvruchten hadden bepaald die zij ter ere van hun hemelse Moeder en Voorspreekster wilden beoefenen, begaven zij zich voor het eerst gezamenlijk naar het bisschoppelijk paleis om de goedkeuring te verkrijgen van hetgeen zij hadden besloten. Toen gebeurde het dat zij onverwachts door kleine kinderen in de armen hunner moeders werden begroet met de titel Dienaren van Maria, en deze begroeting werd onmiddellijk overgenomen en met luide toejuichingen herhaald door de menigten die zich langs hun weg hadden verzameld.
Deze buitengewone en bovennatuurlijke gebeurtenis, die de eerbied van alle standen hunner medeburgers nog vermeerderde, werd voor hun schuchtere nederigheid een zware beproeving. Van alle kanten werden zij omringd en aangesproken door velen die hun raad en leiding in geestelijke zaken verlangden. Daarom namen zij hun toevlucht tot de Allerheiligste Maagd, om van haar te vernemen hoe zij aan hun tegenwoordige bekommernissen en aan de ernstiger moeilijkheden die zij vreesden, zouden kunnen ontkomen.
Als antwoord op hun gebed verwaardigde de Koningin des Hemels Zich hun in een visioen de berg Senario te tonen, en deed hun verstaan dat dit de plaats was waar zij volgens haar wil hun verblijf moesten nemen. Vervuld van vreugde over deze nieuwe gunst, haastten de zeven boetelingen zich naar de bisschop, die hen liefhad als zijn eigen kinderen. Zij verhaalten hem wat was geschied, en hij troostte hen niet alleen met de vriendelijkste woorden, maar gaf ook een tastbaar bewijs van zijn welwillendheid door hun edelmoedig het woud van Senario te schenken, dat hem toebehoorde.
Daarop verzamelden zij onmiddellijk hun armzalige huisraad, en vergezeld van hun biechtvader, het kruisbeeld en het beeld van Maria dragend — terwijl hun voornemen aan niemand bekend was behalve aan de bisschop en hun biechtvader — vertrokken zij op 31 mei 1234, dat jaar de vigilie van Hemelvaart, naar Senario, ongeveer drie mijlen van Florence verwijderd.
Toen zij de top van deze steile berg hadden bereikt, vielen zij op hun knieën en wierpen zich neer voor het beeld van Onze Lieve Vrouw, en riepen uit Zie, o allerheiligste Maagd, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, onze Moeder.
Zij namen hun intrek in enkele grotten die zij nabij de bergtop ontdekten. De volgende dag richtten zij een altaar op, dat zij zo goed mogelijk tooiden voor de viering van het heilig Misoffer. Daarna bouwden zij een kleine bidplaats en enige hutten van ineen gevlochten takken en bladeren.
Aldus begonnen de Zeven Zalige Vaders een leven te leiden dat meer engelachtig dan menselijk was. Zij oefenden zich in alle deugden en boetvaardigheden, brachten hun dagen en nachten door in gebed en in het zingen van de lof van hun hemelse Koningin, en verkregen het strikt noodzakelijke voor hun levensonderhoud door aalmoezen, die zij van deur tot deur in de straten van Florence verzamelden.
Een leven van zulk een verheven deugd en zo strenge boete, dat het de gestrengheden van de Thebaïs op Senario hernieuwde, kon niet lang aan de publieke bewondering ontsnappen. Weldra weerklonk geheel Toscane van de roem der zeven heilige boetelingen.
Kardinaal Castiglioni, die later paus Celestinus IV zou worden, werd door het gerucht van hun heiligheid bewogen hen op Senario te bezoeken. Toen hij bevond dat de werkelijkheid alles overtrof wat hij had gehoord, achtte hij zich verplicht — in overeenstemming met hun bisschop — hen aan te sporen de uiterste gestrengheid van hun levenswijze te matigen. Tevens raadde hij hun aan enkele van de talrijke kandidaten te ontvangen die zich onder hun leiding aan de dienst van God en van Onze Lieve Vrouw wilden wijden.
De Zalige Vaders beloofden hun gestrengheden te verzachten, maar merkten tevens op dat het nooit in hun gedachte was geweest een nieuwe Orde te stichten. Zij wilden slechts hun eigen zonden uitboeten en hun eigen zaligheid bewerken; daarom achtten zij zich niet bevoegd anderen in hun geringe en nederige gemeenschap op te nemen.
De bisschop antwoordde hierop dat zij over een zaak van zulk gewicht niet zelf mochten beslissen. Velen verlangden vurig zich bij hen aan te sluiten; het goede dat daaruit kon voortvloeien was zeer groot. Daarom diende men het licht van God af te smeken en de wil van de Allerheiligste Maagd te raadplegen in een aangelegenheid van zulk een belang.
Men besloot derhalve bijzondere gebeden voor dit doel op te dragen. De kardinaal en de bisschop, diep gesticht en ontroerd door hetgeen zij hadden aanschouwd, verlieten kort daarna Senario.
Intussen stegen de gebeden der Zalige Vaders op ten hemel en werden gunstig verhoord. Een wijnstok die zij nabij de bergtop hadden geplant, schoot plotseling uit in blad en tooide zich met rozige druiven, terwijl een aanzienlijke streek van de omringende grond bedekt werd met fris groen en bloeiende bloemen, ofschoon het seizoen streng was en men zich aan het einde van februari bevond.
Toen de bisschop van dit wonder vernam, wijdde hij zich terstond aan het gebed om de verborgen betekenis ervan te begrijpen. In een visioen aanschouwde hij een wijnstok, verdeeld in zeven takken, waarvan elk zich opnieuw in zeven andere vertakte; allen groeiden op, namen toe en bloeiden in schoonheid en vruchtbaarheid.
Daarop verscheen hem de Moeder Gods, die, wijzend op de wijnstok, verklaarde dat dit haar uitverkoren plant was, bestemd om gedurende vele eeuwen overvloedige vruchten van deugd en eer voort te brengen.
De bisschop haastte zich naar Senario en maakte met juichend hart de toekomstige zegeningen bekend die door de wonderbare wijnstok werden aangeduid. Hij verhaalde zijn visioen over de uitbreiding en de verbreiding van de nieuwe Orde.
Hij vond de Dienaren van Maria volkomen onderworpen aan de goddelijke wil, en men kwam eenstemmig overeen dat de opname van enkele postulanten zou worden voorafgegaan door een triduum, dat zou worden gehouden gedurende de drie dagen vóór het naderende Paasfeest, met het doel het licht af te smeken om duidelijker het welbehagen van de Almachtige te onderscheiden. Dit voornemen werd uitgevoerd, en op de avond van de daaropvolgende Goede Vrijdag verscheen onze Allerheiligste Vrouw aan hen, van het hoofd tot de voeten gehuld in een lange zwarte mantel, omringd door een talrijke schare engelen die de werktuigen van het Lijden droegen, het kenteken van de Orde der Servieten, de Regel van de heilige Augustinus en vele gewaden van dezelfde kleur als haar mantel.
Zij nam deze gewaden in haar handen en reikte ze uit aan de Zeven Vaders, verordenend dat zij en allen die in hun voetstappen zouden treden deze zouden dragen, niet alleen ter gedachtenis aan haar bittere smarten en zieleangst, maar ook als teken dat deze vrome herinnering door hun toedoen op aarde bestendigd zou worden. Nadat zij deze en soortgelijke woorden had gesproken, verdween de hemelse Stichteres der Servieten; en de eerste Vaders der Orde, herstellend uit hun heilige ontroering, droogden hun tranen, en, opnieuw gesterkt door de bisschop, namen zij het habijt aan dat hun door de Koningin der Martelaren was aangewezen, terwijl zij tegelijk velen toelieten tot hetzelfde verheven voorrecht.
Ten gevolge van deze gebeurtenissen en van de duidelijke openbaring van Gods heilige wil, werd het noodzakelijk dat de Stichters hun aandacht richtten op het verkrijgen van erkenning van hun Orde door de Heilige Stoel. Een gedeeltelijk succes bekroonde de pogingen die in dit opzicht werden aangewend door Monaldi, die tot overste van het nieuwe Instituut was gekozen. Te Fermo verkreeg hij op 13 maart 1249 van kardinaal Raniero Capocci, pauselijk legaat in Italië, de bescherming van de Heilige Stoel ten gunste van de Orde, de bekrachtiging van zijn gezag als overste en de vergunning om allen die het verlangden het heilig habijt toe te dienen.
Hoewel Monaldi veel had verkregen, bleef er nog veel te doen voordat de Orde kon worden beschouwd als volledig en onvoorwaardelijk goedgekeurd door de Heilige Stoel — iets wat in die tijd uiterst moeilijk te verkrijgen was, daar Rome met grote voorzichtigheid te werk ging, wetend hoe velen onder het kleed der vroomheid de meest verkeerde bedoelingen verborgen.
Niettemin, nu de Zalige Zeven innig overtuigd waren van de wil van de Allerheiligste Maagd omtrent het blijvende voortbestaan van het nieuwe Instituut, beijverden zij zich met onophoudelijke inspanningen en onophoudelijk gebed om deze definitieve goedkeuring te verkrijgen. Zij deden dit des te vuriger, daar op verlangen van verscheidene bisschoppen reeds meerdere huizen in Toscane waren geopend en voortdurend verzoeken tot nieuwe stichtingen binnenkwamen.
Zij hielden daarom standvastig vast aan hun heilig voornemen, daarbij nog aangemoedigd door de heilige Petrus Martelaar, die op bevel van Innocentius IV de vurige boetelingen van Senario bezocht. Hij werd hun verdediger, zowel omdat hij uit eigen ondervinding overtuigd was van hun deugd, als omdat hem in een visioen was geopenbaard dat zij onder de bijzondere bescherming van de Allerheiligste Maagd stonden.
Ten slotte werd besloten dat Monaldi, vergezeld van enkele anderen, zich zou begeven naar de Opperherder, die kort tevoren naar Italië was teruggekeerd na de dood van de goddeloze keizer Frederik, overleden in Apulië op 13 december 1250.
Vader Bonfiglio begaf zich naar Perugia, waar de paus toen verbleef. Onderweg bekeerde hij een manicheeër die hem had beledigd, en wierp zich vervolgens aan de voeten van de Plaatsbekleder van Christus, die hem met de grootste welwillendheid ontving. Als duidelijk blijk van zijn gunst benoemde hij zijn neef, kardinaal Guglielmo Fieschi, tot protector van de Orde. Tegelijkertijd gaf de paus de hoop te kennen dat hij, zodra het nieuwe Instituut zich enigszins had ontwikkeld en bevestigd, het zijn volledige en onvoorwaardelijke goedkeuring zou verlenen.
De wisselvalligheden der tijden en de moeilijkheden voortvloeiend uit de bepalingen van het Vierde Lateraans Concilie, dat het aantal reguliere orden had vastgesteld, verhinderden echter dat Innocentius IV zijn belofte volledig kon vervullen. Toch werden de wensen der heilige Vaders grotendeels ingewilligd door zijn opvolger Alexander IV, die bij Apostolische Brief, gedateerd te Napels op 26 mei 1255, aan Monaldi gunsten en voorrechten verleende die neerkwamen op een volledige goedkeuring.
Nu het bestaan der Orde van alle gevaar verzekerd was, legden de Zeven Zalige Stichters en hun eerste leerlingen zich ernstig toe op de verbreiding van een tedere godsvrucht tot de Smarten van hun hemelse Meesteres. Dit was immers de vervulling van de zending die hun op Senario was opgelegd: door deze devotie de gelovigen deelachtig te maken aan de heiligheid van leven die haar beoefening vergezelt, en aan de eeuwige heerlijkheid en hemelse palmen die de Allerheiligste Maagd in het genoemde visioen had beloofd aan allen die, onder de naam van haar Dienaren, zich zouden toeleggen op het medelijden met haar in haar bittere smarten.
Zij beperkten zich daarom niet tot het eren van hun goddelijke Moeder met alle vormen van hulde: haar begroetend met het Ave bij het begin van de heilige Mis en met het Salve Regina aan het einde; elke vrijdag van het jaar vastend ter gedachtenis aan de aanneming van het habijt en uit eerbied voor de verlossing van het mensdom; haar erend door het bidden van de kroon van vijf psalmen, waarvan de beginletters haar naam vormen; noch slechts door het volledige habijt, zoals zij het op de heilige berg hadden ontvangen, te geven aan de talrijke kandidaten die erom vroegen.
Zij stelden bovendien een kleiner habijt in, het Scapulier, bestemd voor die gelovigen die, niet in staat de gestrengheden van het kloosterleven te onderhouden, toch in de wereld zoveel mogelijk wilden delen in de eer en heerlijkheid van de zalige dienst van Maria.
Kort na de instelling van het Scapulier volgde die van de Rozenkrans, gewoonlijk genoemd die van de Zeven Smarten van Onze Lieve Vrouw: een devotie waardoor wij dagelijks met de diepbedroefde Moeder kunnen medelijden hebben in haar voornaamste smarten, dat wil zeggen in de zeven momenten van haar leven waarin haar moederhart het wreedst werd doorstoken door het zwaard der droefheid.
Deze Rozenkrans bestaat uit zeven mysteries, waarin telkens één van de Zeven Smarten wordt overdacht, terwijl men één Onze Vader en zeven Weesgegroeten bidt. Deze zeven mysteries worden besloten met drie Weesgegroeten ter ere van de tranen die Onze Lieve Vrouw tijdens haar Smarten heeft vergoten. Later werd hieraan toegevoegd de hymne Stabat Mater, alsook een Onze Vader, Weesgegroet en Eer aan de Vader ter ere van de Zeven Zalige Stichters der Orde.
De eerste rozenkrans van deze soort behoorde toe aan de heilige Philippus Benizi en wordt nog te Todi bewaard bij het lichaam van deze grote dienaar en apostel van de Smarten van Maria, die met recht bijna als een tweede stichter van de Orde der Servieten wordt beschouwd, vanwege de buitengewone ijver waarmee hij, samen met de uitbreiding van zijn Orde, de devotie tot Onze Lieve Vrouw van Smarten over geheel Europa en zelfs in ongelovige landen heeft verbreid.
Dit is dus de roemrijke oorsprong van het Scapulier en de Rozenkrans die door de Servieten-vaders worden uitgedeeld aan hen die tot de Derde Orde wensen te behoren, of met andere woorden tot de Broederschap van Onze Lieve Vrouw van de Zeven Smarten, en die, als mededienaren van Maria, willen worden ingelijfd bij de Orde, welke door de Moeder Gods zelf ter herinnering aan haar Smarten met het rouwgewaad werd aangeduid en ingesteld — zoals wordt vermeld door de Heilige Congregatie der Riten in het decreet betreffende het eigen officie van de Zeven Smarten van 16 mei 1673, bevestigd door paus Clemens X op 17 mei van hetzelfde jaar, en goedgekeurd door Benedictus XIII in de eigen lessen van de Zeven Zalige Stichters, en reeds eerder door Innocentius VIII in de gouden bul, het zogeheten Mare Magnum Ordinis Servorum.
Bron: A Short Account of the Origin of the Order of the Servites of Mary, and of the Scapular of the Seven Dolours, tweede editie (1865).