Het lijden van de heilige Perptua en Felicitas

Katholieke Klassieken

Het lijden van de heilige Perpetua en Felicitas

Passio Sanctorum Perpetuae et Felicitatis.

Si vetera fidei exempla, quae et Dei gratiam testificantur et ad aedificationem hominis operantur, propterea in litteras digesta sunt ut per haec et Deus honoretur et homo confortetur, cur non et nova documenta scribantur quae utrique causae conveniant.

De Passio Sanctorum Perpetuae et Felicitatis behoort tot de meest indrukwekkende teksten uit de vroege Kerk. Zij verhaalt het martelaarschap van de heilige Perpetua, Felicitas en hun metgezellen in Carthago rond het jaar 203 tijdens de vervolging onder keizer Septimius Severus.

Een deel van dit verslag werd door Perpetua zelf in de gevangenis geschreven. De Passie werd in Noord-Afrika op hun feestdag in de kerk voorgelezen; Augustinus van Hippo verwijst hiernaar in zijn preken. Zo heeft de Kerk in deze tekst de eigen woorden van een martelares uit het begin van de derde eeuw bewaard.

I

Indien de oude voorbeelden van het geloof, die zowel getuigen van de genade Gods als tot stichting van de mens dienen, daarom schriftelijk zijn vastgelegd opdat door het lezen ervan God verheerlijkt en de mens versterkt wordt, waarom zouden dan ook nieuwe getuigenissen niet worden opgetekend die aan beide doeleinden beantwoorden? Want ook deze dingen zullen eens oud zijn en noodzakelijk voor onze nakomelingen, al worden zij in hun eigen tijd door een zekere eerbied voor het verleden nog gering geacht. Maar laat hen oppassen die de kracht van de ene Heilige Geest beoordelen naar de opeenvolging der tijden. Want juist de latere dingen behoren, om hun latere tijd, des te uitnemender te worden geacht, overeenkomstig de overvloed van genade die voor de laatste tijden is beschikt. Want in de laatste dagen, spreekt de Heer, zal Ik van mijn Geest uitstorten over alle vlees; uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw jongelingen zullen visioenen zien en uw ouderen dromen dromen; ja, ook over mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten. Daarom ook wij, die zowel de beloofde profetieën als de nieuwe visioenen erkennen en eren, en die ook de andere wondergaven van de Heilige Geest ontvangen tot dienst van de Kerk, schrijven deze dingen noodzakelijk op en vieren ze door het lezen ervan tot eer van God, opdat geen zwakheid of ongeloof zou menen dat de genade van God alleen in vroegere tijden aanwezig was, hetzij in martelaren hetzij in openbaringen, want God werkt altijd wat Hij heeft beloofd, tot een getuigenis voor hen die niet geloven en tot heil voor hen die geloven. Daarom verkondigen ook wij wat wij gehoord en met onze handen aangeraakt hebben, opdat gij die erbij aanwezig waart de heerlijkheid van de Heer in herinnering roept en gij die het nu door horen verneemt gemeenschap hebt met die heilige martelaren en door hen met onze Heer Jezus Christus, aan wie heerlijkheid en eer zij in alle eeuwigheid. Amen.

II

Er werden gevangen genomen de jonge catechumenen Revocatus en Felicitas, zijn mede-slavin, en Saturninus en Secundulus. Met hen was ook Vibia Perpetua, van edele afkomst, zorgvuldig opgevoed, eerbaar gehuwd, die een vader en moeder had, twee broers van wie één eveneens catechumeen was, en een zoon nog een zuigeling aan de borst. Zij was ongeveer tweeëntwintig jaar oud. Wat hierna volgt zal zij zelf vertellen, het gehele verloop van haar martelaarschap zoals zij het met haar eigen hand heeft opgeschreven en met haar eigen woorden heeft weergegeven.

III

Toen wij nog bij onze borgen waren en mijn vader mij door zijn woorden trachtte te bewegen en voortdurend probeerde mijn geloof te ondermijnen uit liefde voor mij, zei ik tot hem: Vader, ziet gij dit vat dat hier staat, een kruik of wat het ook moge zijn? En hij zei: Ik zie het. Toen zei ik: Kan het met een andere naam worden aangeduid dan wat het is? En hij antwoordde: Nee. Zo kan ook ik mijzelf niet anders noemen dan wat ik ben: een christen. Toen mijn vader dit woord hoorde stortte hij zich op mij alsof hij mij de ogen wilde uitrukken; maar hij deed mij slechts pijn en vertrok, overwonnen hij en de redeneringen van de duivel. En omdat ik enkele dagen zonder mijn vader was dankte ik de Heer en werd ik getroost door zijn afwezigheid. In diezelfde dagen werden wij gedoopt en de Geest gaf mij te verstaan dat ik na dat water om niets anders moest bidden dan om volharding van het lichaam. En enkele dagen later werden wij in de gevangenis geworpen en ik werd zeer bevreesd, want ik had nog nooit zo’n duisternis gekend. O bittere dag! Er was een grote hitte door de menigte, er was de ruwe behandeling van de soldaten en bovendien werd ik gekweld door zorg om mijn kind.

IV

Toen verkregen Tertius en Pomponius, de gezegende diakens die ons dienden, met geld dat wij voor enkele uren uit de kerker naar een betere plaats van de gevangenis werden gebracht om wat verkwikking te ontvangen. Toen allen uit de kerker naar buiten waren gegaan om wat lucht te scheppen zoogde ik mijn kind, dat reeds verzwakt was van honger. En terwijl ik voor hem zorgde sprak ik met mijn moeder, bemoedigde mijn broer en vertrouwde mijn zoon aan hen toe. Ik kwijnde weg omdat ik zag dat zij om mijnentwil leden. Zulke zorgen droeg ik vele dagen. Daarna verkreeg ik dat het kind bij mij in de gevangenis mocht blijven en terstond werd ik weer sterk en werd mijn last en mijn zorg om het kind verlicht. En plotseling werd de gevangenis voor mij als een paleis zodat ik er liever was dan waar ook.

V

Toen zei mijn broer tot mij dat ik nu in zo grote genade stond dat ik om een visioen zou kunnen vragen opdat mij getoond werd of dit lijden zou zijn of bevrijding. En ik die wist dat ik met de Heer sprak om wiens wil ik zulke dingen had geleden beloofde het hem zonder te twijfelen en zei dat ik het hem morgen zou zeggen. Ik bad dus en dit werd mij getoond. Ik zag een ladder van brons wonderlijk hoog, reikend tot aan de hemel, en zo smal dat slechts één tegelijk kon opstijgen. Aan de zijkanten van de ladder waren allerlei ijzeren werktuigen bevestigd, zwaarden, speren, haken en messen, zodat wie niet naar boven keek verscheurd zou worden en zijn vlees aan het ijzer zou blijven hangen. Aan de voet van de ladder lag een slang van ontzaglijke grootte die hen die wilden opstijgen door angst wilde verhinderen omhoog te gaan. Saturus ging het eerst omhoog, hij die zich later vrijwillig om onzentwil had overgegeven omdat hij ons in het geloof had onderwezen. Toen hij boven kwam wendde hij zich om en zei dat hij op mij wachtte en dat ik moest toezien dat de slang mij niet beet. En ik zei dat zij mij in de naam van Jezus Christus geen kwaad zou doen. En alsof zij mij vreesde stak zij langzaam haar kop uit en ik vertrapte haar kop als op de eerste trede van de ladder en klom omhoog.

VI

Toen zag ik een zeer grote tuin. In het midden zat een man met wit haar in herderskleding, groot van gestalte, die zijn schapen molk en rondom hem stonden vele duizenden in witte gewaden. Hij hief zijn hoofd op, zag mij en zei: Wees welkom, kind. En hij riep mij nader en van de wrongel die hij uit de melk had genomen gaf hij mij een stukje alsof het een kleine spijs was. Ik nam het met gevouwen handen aan en at het en allen die rondom stonden zeiden Amen. Bij het geluid van dat woord ontwaakte ik terwijl ik nog iets zoets proefde dat ik niet kan beschrijven. Onmiddellijk vertelde ik het aan mijn broer en wij begrepen dat het lijden ons wachtte en wij begonnen geen hoop meer te hebben op deze wereld.

VII

Enkele dagen later ging het gerucht rond dat wij zouden worden verhoord. Ook mijn vader kwam uit de stad terug, uitgeput van vermoeidheid, en hij kwam naar mij toe om mijn geloof te doen wankelen en zei: Heb medelijden, dochter, met mijn grijze haren. Heb medelijden met uw vader, als ik waardig ben door u vader genoemd te worden. Als ik u met deze handen tot de bloei van uw jeugd heb gebracht en u boven al uw broers heb gesteld, lever mij dan niet over aan de schande onder de mensen. Zie uw broers, zie uw moeder en uw moeders zuster, zie uw zoon die na u niet zal kunnen leven. Laat uw besluit varen, vernietig ons niet allen tegelijk. Zo sprak hij als een vader uit liefde terwijl hij mijn handen kuste en zich aan mijn voeten wierp en mij onder tranen niet langer dochter maar vrouwe noemde. En ik was bedroefd om mijn vader omdat hij alleen van al mijn verwanten zich niet verheugde over mijn lijden en ik troostte hem en zei dat wat daar voor het tribunaal zou gebeuren zou geschieden zoals God wil, want wij staan niet in onze eigen macht maar in die van God.

VIII

En op een andere dag, terwijl wij aan tafel waren, werden wij plotseling weggehaald om verhoord te worden. Wij kwamen op het forum. Meteen verspreidde zich het gerucht door de omgeving van het forum en een grote menigte verzamelde zich. Wij werden naar het tribunaal gebracht. De anderen werden ondervraagd en bekenden. Toen kwam men tot mij. Ook mijn vader was daar verschenen met mijn zoon en hij wilde mij van de trede aftrekken en zei: Offer, heb medelijden met het kind. Maar Hilarianus, de procurator, die na de dood van de proconsul Minucius Timinianus de macht van het zwaard had ontvangen, zei: Spaar de grijze haren van uw vader, spaar de jeugd van het kind, offer voor het welzijn van de keizers. En ik antwoordde: Ik zal niet offeren. Toen zei Hilarianus: Zijt gij een christen? En ik antwoordde: Ik ben een christen. Toen mijn vader nog bij mij stond om mijn geloof te doen wankelen, beval Hilarianus dat hij terzijde zou worden geworpen en met een stok geslagen. En ik leed onder het onrecht dat mijn vader werd aangedaan alsof ik zelf geslagen werd. Zo leed ik om zijn ongelukkige ouderdom. Daarop sprak Hilarianus het vonnis uit over ons allen en veroordeelde ons tot de wilde dieren. En blijmoedig gingen wij terug naar de kerker.

IX

Omdat mijn kind gewoon was bij mij te drinken en bij mij in de gevangenis te verblijven zond ik onmiddellijk Pomponius de diaken naar mijn vader om het kind te vragen. Maar mijn vader wilde het niet geven. En zoals God het wilde verlangde het kind ook niet langer naar de borst en kreeg ik geen koorts, opdat ik niet door zorg om het kind en door pijn in mijn borst gekweld zou worden.

X

Enkele dagen later, terwijl wij allen baden, sprak ik plotseling midden in het gebed een naam uit: Dinocrates. En ik verwonderde mij dat hij mij nooit eerder in gedachten was gekomen. En ik werd bedroefd toen ik mij zijn lot herinnerde. Onmiddellijk begreep ik dat ik waardig was voor hem te bidden en dat ik het moest doen. Ik begon vurig voor hem te bidden en tot de Heer te zuchten. En nog diezelfde nacht werd mij dit getoond. Ik zag Dinocrates uit een donkere plaats komen waar ook vele anderen waren. Hij had het heet en had dorst; zijn kleding was vuil en zijn gelaat was bleek. Op zijn gezicht was nog de wond die hij had toen hij stierf. Deze Dinocrates was mijn broer naar het vlees, zeven jaar oud. Hij was gestorven aan een vreselijke ziekte van zweren in het gezicht zodat zijn dood door allen werd verafschuwd. Voor hem had ik dus gebeden. En tussen hem en mij was een grote kloof zodat geen van beiden naar de ander kon gaan. In dezelfde plaats waar Dinocrates stond was een bron vol water maar de rand van de bron was hoger dan de lengte van het kind. En Dinocrates strekte zich uit alsof hij wilde drinken. Het bedroefde mij dat er wel water in de bron was maar dat hij door de hoogte van de rand niet kon drinken. Toen ontwaakte ik en begreep dat mijn broer leed.

XI

Maar ik had vertrouwen dat ik zijn lijden kon verlichten en ik bad elke dag voor hem totdat wij werden overgebracht naar de gevangenis van het kamp, want wij zouden in de spelen van de verjaardag van Caesar tegen de wilde dieren strijden. Dag en nacht bad ik voor hem met zuchten en tranen opdat hij mij gegeven zou worden.

XII

Op de dag dat wij in het blok lagen werd mij dit getoond. Ik zag die plaats die ik tevoren had gezien en Dinocrates was nu rein van lichaam, goed gekleed en verkwikt. En de wond die hij had gehad was verdwenen. De bron die ik eerder had gezien had nu een rand die verlaagd was tot aan de navel van het kind en water stroomde er zonder ophouden uit. Op de rand stond een gouden beker vol water. En Dinocrates kwam nader en begon daaruit te drinken en de beker werd niet leeg. Toen hij verzadigd was ging hij van het water weg en begon te spelen zoals kinderen doen, vol vreugde. En ik ontwaakte. Toen begreep ik dat hij van zijn lijden was verlost.

XIII

Enkele dagen later begon Pudens, de assistent-officier die de gevangenis bewaakte, ons groot te achten omdat hij begreep dat er veel genade in ons was. Daarom liet hij velen tot ons toe zodat wij elkaar konden bemoedigen. Toen de dag van de spelen naderde kwam mijn vader opnieuw tot mij, uitgeput van vermoeidheid. Hij begon zijn baard uit te trekken en die op de grond te werpen en viel op zijn gezicht terwijl hij zijn leeftijd vervloekte en woorden sprak die de hele schepping hadden kunnen ontroeren. En ik werd bedroefd om zijn ongelukkige ouderdom.

XIV

Op de dag vóór wij zouden strijden zag ik in een visioen dat Pomponius de diaken naar de deur van de gevangenis kwam en er hard op klopte. Ik ging naar hem toe en opende voor hem. Hij was gekleed in een wit gewaad zonder gordel en droeg kunstig gemaakte sandalen. Hij zei tot mij: Perpetua, wij wachten op u, kom. En hij nam mijn hand en wij begonnen te gaan door ruwe en kronkelende wegen. Uiteindelijk bereikten wij na veel moeite met ademhalen het amfitheater. Hij leidde mij naar het midden van de arena en zei: Wees niet bevreesd, ik ben hier bij u en strijd samen met u. Daarna ging hij weg. En ik zag een grote menigte aandachtig toekijken. En omdat ik wist dat ik tot de wilde dieren was veroordeeld verwonderde ik mij dat er geen dieren tegen mij werden losgelaten.

XV

Ook Felicitas ontving deze genade van de Heer. Want omdat zij reeds acht maanden zwanger was toen zij werd gevangen genomen, werd zij toen de dag van de spelen naderde zeer bedroefd, uit vrees dat zij om die reden zou worden achtergehouden, want het is niet geoorloofd vrouwen die zwanger zijn voor de wilde dieren te brengen, en dat zij haar heilig en onschuldig bloed na de anderen zou moeten vergieten, tussen vreemden en misdadigers. Ook haar medemartelaren waren zeer bedroefd, omdat zij zo’n goede metgezellin, als het ware hun reisgenote op de weg van dezelfde hoop, niet wilden achterlaten. Daarom stortten zij, met gezamenlijk en éénstemmig zuchten, drie dagen vóór de spelen hun gebed uit tot de Heer. En onmiddellijk na hun gebed begonnen haar weeën. En toen zij door de natuurlijke zwaarte van de achtste maand onder haar barensnood bezweek en klaagde, zei een van de bewakers van de gevangenis tot haar: Gij die nu zo klaagt, wat zult gij doen wanneer gij voor de wilde dieren wordt geworpen, die gij veracht hebt toen gij niet wilde offeren? En zij antwoordde: Nu lijd ik zelf wat ik lijd, maar dan zal er een ander in mij zijn die voor mij zal lijden, omdat ik voor Hem zal lijden. Zo werd zij verlost van een dochter, die een zuster opvoedde als haar eigen kind.

XVI

Aangezien dus de Heilige Geest het heeft toegelaten en het lijden het heeft gewild dat ook de orde van de spelen zou worden opgeschreven, al zijn wij onwaardig de beschrijving van zo grote heerlijkheid te voltooien, vervullen wij toch de wil van de allerheiligste Perpetua, ja haar heilige opdracht, en voegen nog één getuigenis toe van haar standvastigheid en grootmoedigheid. Toen zij door de tribuun strenger werden behandeld omdat hij vreesde dat zij door tovermiddelen heimelijk uit de gevangenis zouden worden weggehaald, antwoordde Perpetua hem in het gezicht: Waarom laat gij ons niet enige verkwikking nemen, aangezien wij zeer edele slachtoffers zijn, namelijk van Caesar, en op zijn feestdag zullen wij strijden? Of is het niet tot uw eer dat wij daar beter gevoed worden heen geleid? De tribuun beefde en bloosde en gaf bevel dat zij zachter moesten worden behandeld en stond toe dat hun broeders en de anderen binnenkwamen om hen te bezoeken. Ook de assistent van de gevangenis begon toen te geloven.

XVII

Op de dag vóór de spelen hielden zij bij het laatste maal dat men gewoonlijk het vrije maal noemt, voor zover zij konden, niet een vrij maal maar een liefdemaal, en zij spraken met dezelfde vrijmoedigheid tot het volk dat hen kwam bekijken. Zij dreigden met het oordeel van God, getuigden van de zaligheid van hun lijden en bespotten de nieuwsgierigheid van de menigte. Saturus zei: Is morgen niet genoeg voor u? Waarom beziet gij met welgevallen wat gij haat? Vandaag zijt gij vrienden, morgen vijanden. Toch, merkt onze gezichten goed op, opdat gij ons die dag weer zult herkennen. En velen gingen van daar weg vol verbazing en velen van hen kwamen tot het geloof.

XVIII

Toen brak de dag van hun overwinning aan en zij gingen uit de gevangenis naar het amfitheater als naar de hemel, opgewekt en met een stralend gelaat. Als zij al beefden, was het van vreugde en niet van vrees. Perpetua volgde hen met kalme tred, luisterrijk van voorkomen als een ware bruid van Christus en lieveling van God, en door haar doordringende blik sloegen allen de ogen neer. Ook Felicitas was vol vreugde omdat zij haar kind veilig had gebaard, opdat zij met de dieren zou kunnen strijden; zij kwam nu van bloed tot bloed, van de vroedvrouw tot de gladiator, om na haar barensnood zich te wassen in een tweede doop.

XIX

Toen zij bij de poort waren gebracht en men hen dwong de kleding van de heidense priesters aan te trekken, de mannen de gewaden van de priesters van Saturnus en de vrouwen de kleding van de priesteressen van Ceres, bleef de edele Perpetua tot het einde standvastig en wilde dit niet. Zij zei: Daarom zijn wij vrijwillig hiertoe gekomen, opdat onze vrijheid niet zou worden bezoedeld; daarom hebben wij ons leven toegewijd, opdat wij niets dergelijks zouden doen. En men erkende het recht van haar woorden en liet hen binnenkomen zoals zij waren. Perpetua begon te zingen alsof zij reeds op het hoofd van de Egyptenaar trad. Revocatus, Saturninus en Saturus begonnen het volk dat hen aanstaarde te vermanen. Toen zij voor Hilarianus kwamen zeiden zij terwijl zij hun handen uitstrekten: Gij oordeelt ons, maar God zal u oordelen. Het volk ontstak in woede en men liet hen vóór de wilde dieren door de gladiatoren met gesels slaan. En zij verheugden zich dat zij iets mochten delen in het lijden van de Heer.

XX

Voor de mannen werd eerst een luipaard losgelaten en Saturus werd met één beet met zoveel bloed overdekt dat het volk toen hij werd teruggebracht riep: Goed gewassen, goed gewassen, alsof zij getuigenis gaven van zijn tweede doop. En waarlijk, goed was het hem die zo gewassen werd. Toen zei hij tot de soldaat Pudens: Vaarwel, gedenk het geloof en mij en laat deze dingen u niet verontrusten maar sterken. En hij nam de kleine ring van Pudens’ vinger, doopte die in zijn wond en gaf hem terug als een onderpand en herinnering aan zijn bloed. Daarna werd hij met de anderen naar de plaats gebracht waar men hun keel zou doorsnijden.

XXI

Voor de vrouwen liet men een woeste koe los. Perpetua werd eerst opgeworpen en viel op haar zijde. Toen zij zich had opgericht zag zij dat haar kleed aan de zijkant was gescheurd en trok het naar beneden om haar dij te bedekken, meer bedacht op haar eerbaarheid dan op haar pijn. Daarna zocht zij een speld en stak haar verwarde haar vast, want het paste niet dat een martelares zou lijden met loshangend haar, opdat zij niet zou schijnen te treuren in haar glorie. Toen zij zag dat Felicitas was neergeslagen ging zij naar haar toe, reikte haar de hand en hielp haar overeind en zo stonden zij beiden samen op. Daarna werden zij naar de Poort van het Leven teruggebracht. Toen het volk verlangde dat zij naar voren zouden worden gebracht opdat hun ogen getuigen zouden zijn wanneer het zwaard hun lichaam doorboorde, stonden zij zelf op en gingen waarheen het volk wilde, nadat zij eerst elkaar hadden gekust om hun martelaarschap met de kus van vrede te volbrengen. De anderen ontvingen het zwaard stil en zonder te bewegen. Maar Perpetua, opdat zij enig gevoel van pijn zou hebben, werd tussen de beenderen gestoken en schreeuwde en toen de hand van de zwaardvechter nog aarzelde omdat hij onervaren was leidde zij zelf zijn hand naar haar hals. Misschien had zo grote vrouw anders niet gedood kunnen worden indien zij het zelf niet had gewild. Zo volbrachten de heilige en gezegende martelaren hun strijd en gingen zij over tot de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus, aan wie zij eer en glorie in alle eeuwen. Amen.

Vertaling en uitgave: Katholieke Klassieken

Embleem van Sint-Michaël met het motto ‘Defende nos in praelio’