De listen van de duivel hebben kracht zolang zij verborgen blijven.
De volgende passage is ontleend aan de Conferenties van de woestijnmonniken, opgetekend door Johannes Cassianus (ca. 360–435). Cassianus had jarenlang onder de monniken van Egypte geleefd en verzamelde hun onderricht in zijn beroemde Collationes. In deze gesprekken vertellen de oude vaders van de woestijn hoe de monnik de strijd tegen de bekoringen moet voeren.
Cassianus wordt in de oosterse Kerk als heilige vereerd en geldt zowel in Oost als West als een van de grote geestelijke leermeesters van het vroege monnikendom. Zijn geschriften hebben diepe invloed uitgeoefend op de westerse kloostertraditie en worden onder meer aanbevolen in de Regel van de heilige Benedictus.
Een van de belangrijkste lessen die hij uit de woestijnvaders doorgeeft is dat slechte gedachten hun kracht verliezen zodra zij in nederigheid worden blootgelegd aan een ervaren geestelijke vader. Het volgende verhaal, verteld door een van de oude monniken, werd in de christelijke traditie vaak aangehaald als een vroege getuigenis van de praktijk die in de Kerk zou uitgroeien tot de sacramentele biecht.
Toen sprak de oude man:
Toen ik nog een jong monnik was en bij abba Theonas verbleef, werd ik door een list van de vijand tot een slechte gewoonte gebracht. Nadat wij op het negende uur samen gegeten hadden, nam ik in het geheim een beschuit en verborg die in mijn kleed. Later at ik die alleen op, zonder dat de oude het wist.
Hoewel ik dit dagelijks deed, en mijn wil met de begeerte instemde, gebeurde het toch dat, zodra ik mijn ongeoorloofde lust had bevredigd, ik hevig door berouw werd gekweld. Het verdriet over de begane fout was groter dan het genoegen dat ik uit de diefstal had geput.
Toch kon ik mij van deze gewoonte niet losmaken. Ik schaamde mij namelijk mijn fout aan de oude man te openbaren. En zo gebeurde het dat ik, terwijl ik door schaamte werd weerhouden om de zonde te belijden, steeds opnieuw in dezelfde val viel.
Maar de barmhartige God, die zag hoe ik innerlijk leed en verlangde naar bevrijding, gaf mij eindelijk de kracht om mijn gedachte te openbaren. Toen ik op een dag bij de oude man zat en mijn hart niet langer kon verdragen wat het verborgen hield, begon ik onder tranen mijn zonde te belijden en alles te vertellen wat ik had gedaan.
En zie, nauwelijks had ik de bekentenis voltooid, of de begeerte die mij zo lang had gekweld verdween geheel uit mijn hart. De macht van de vijand werd verbroken door de openbaring van mijn gedachte, en van dat ogenblik af had de verleiding geen kracht meer over mij.
Daaruit heb ik geleerd dat de listen van de duivel vooral kracht hebben zolang zij verborgen blijven. Maar zodra zij door een eenvoudige en nederige belijdenis worden blootgelegd aan een geestelijke vader, verliezen zij hun macht.
Want zoals een slang die uit haar hol wordt getrokken onmiddellijk wordt gedood, zo worden ook de slechte gedachten vernietigd wanneer zij uit de verborgenheid van het hart naar buiten worden gebracht en aan een wijze man worden bekendgemaakt.
Daarom kan iemand onmogelijk aan de bedrieglijke listen van de vijand ontkomen zolang hij zijn gedachten verbergt. Maar wie alles wat in zijn hart opkomt openbaart aan een geestelijke vader en niets voor zichzelf bewaart, die zal veilig blijven en de vijand overwinnen.