Veertig HH. martelaren van Sebaste

10 maart – Veertig heilige Martelaren van Sebaste † ca. 320

Rond het jaar 320 dienden veertig christelijke soldaten in het Romeinse leger te Sebaste in Armenië. Toen hun bevelhebber hen opdroeg offers te brengen aan de heidense goden, weigerden zij standvastig. Zij verklaarden dat zij Christus alleen dienden en dat geen bedreiging hen van dit geloof kon afbrengen.

Als straf werden zij midden in de winter ontkleed en gedwongen de nacht door te brengen op het ijs van een bevroren meer buiten de stad. Aan de oever stonden warme baden opgesteld om hen tot afvalligheid te verleiden. Eén van de soldaten bezweek aan de koude en liep naar het badhuis, maar een van de wachters, getroffen door het geloof van de martelaren en het visioen van hemelse kronen, beleed Christus en nam zijn plaats in, zodat het getal van veertig opnieuw werd vervuld.

Zo bleven zij volharden in hun geloof. In de nacht stierven zij van koude en marteling, en zij werden door de Kerk vereerd als de Veertig Martelaren van Sebaste, een krachtig voorbeeld van standvastigheid en broederlijke trouw in het geloof.

De Veertig Martelaren van Sebaste
De Veertig Martelaren van Sebaste op het bevroren meer. Boven hen verschijnt Christus in heerlijkheid terwijl de kronen van het martelaarschap worden bereid voor hen die tot het einde toe volharden.

Gregorius van Nyssa — Homilie over de Veertig Martelaren

De herinnering aan de heiligen is voor de Kerk een kostbare schat. Want wanneer de daden van hen die voor Christus hebben gestreden worden verteld, ontvangen zij die luisteren niet slechts vreugde, maar ook onderricht. Het verhaal van hun overwinning is immers niet alleen een lofrede op de martelaren, maar ook een aansporing voor hen die nog leven om dezelfde moed te tonen.

Want de martelaren hebben niet slechts voor zichzelf gestreden. Hun overwinning behoort ook toe aan allen die door hun voorbeeld worden bemoedigd. Daarom brengt de Kerk hun gedachtenis telkens opnieuw in herinnering, opdat wij door hun strijd leren hoe wij zelf moeten strijden.

Wat zien wij dan in deze heilige strijd? Een wonderlijke wedstrijd, waarin niet mensen de tegenstanders waren, maar de natuur zelf. Want de vijanden van de waarheid wilden de soldaten van Christus niet met zwaarden of vuur vernietigen, maar stelden hen bloot aan de strengheid van de winter.

Er lag een meer dat door de vorst geheel tot ijs was verstijfd. De nacht was donker en bitter koud, en de wind blies scherp over het water. Daarop werden de heilige soldaten geplaatst, naakt en zonder bescherming, opdat hun lichamen door de kou zouden worden overwonnen. Zo werd het water hun martelplaats, het ijs hun foltering en de winter zelf hun beul.

Maar de dienaren van Christus vreesden deze dingen niet. Want zij hadden hun hoop niet gesteld op het tijdelijke leven, maar op de belofte van het eeuwige leven. Daarom stonden zij daar als in een strijdperk, niet verslagen door de kou, maar versterkt door hun geloof.

Zij waren met veertig in getal en vormden als het ware één lichaam door de eenheid van hun geloof. De een moedigde de ander aan, en allen spoorden elkaar aan tot volharding. Zij herinnerden elkaar eraan dat de strijd kort was, maar de beloning eeuwig.

Maar de vijanden hadden een listige beproeving voorbereid. Aan de oever van het meer stond een warm bad gereed. Wie de pijn van de kou niet langer kon verdragen, kon daarheen gaan en door de warmte worden gered. Zo werd de strijd dubbel: tegen de strengheid van de winter en tegen de verleiding van de verlichting.

Toen de nacht voortging en de kou steeds heviger werd, bezweek één van de soldaten. Hij verliet de rij van zijn broeders en vluchtte naar het bad dat voor de afvalligen gereed stond. Maar nauwelijks had hij de warmte bereikt of zijn lichaam bezweek. Zo verloor hij tegelijk het tijdelijke leven en de kroon van het martelaarschap.

Maar God liet het getal van de martelaren niet verminderd worden. Een van de wachters die het tafereel aanschouwde werd door een wonder getroffen. Hij zag kronen uit de hemel neerdalen boven de hoofden van de martelaren. Toen hij merkte dat er één kroon overbleef, begreep hij dat één plaats nog leeg was.

Onmiddellijk wierp hij zijn kleding af, beleed Christus en voegde zich bij de heilige strijders op het ijs. Zo werd de plaats van de afvallige vervuld en bleef het heilige getal van veertig behouden.

Zo hebben zij hun strijd voltooid. De kou heeft hun lichamen overwonnen, maar hun ziel niet. Want hun geest werd sterker door de hoop op de beloften van God. Daarom ontvangen zij nu in de hemel de kroon van het martelaarschap, terwijl hun herinnering op aarde door de Kerk wordt geëerd.

Wanneer wij dus hun strijd overwegen, laat ons dan ook hun geloof navolgen. Want zij hebben ons geleerd dat geen lijden, geen kou, geen pijn sterker is dan de liefde tot God. Want wie de hoop op het eeuwige leven bezit, zal alle tijdelijke dingen gering achten.

Daarom vieren wij vandaag hun gedachtenis met vreugde en eerbied — niet om hun lijden te betreuren, maar om hun overwinning te bewonderen. Moge hun voorbeeld ook ons aansporen tot standvastigheid, opdat ook wij na de strijd van dit leven de kroon mogen ontvangen die God heeft beloofd aan hen die Hem liefhebben.