Vrijdagmeditatie VII over het Heilig Hart van O.H.J.C.

Heilig Hart van Jezus

Overzicht Vrijdagmeditaties

Vrijdagmeditatie over het Heilig Hart van Onze Heer Jezus Christus
door Alexis M. Lepicier O.S.M.

HOOFDSTUK VII

Jezus Christus legt tot in de marteldood plechtig getuigenis af van de waarheid van Zijn koninklijke waardigheid

Jezus Christus werd door Zijn Vader aangesteld tot Koning en Opperheer over het gehele menselijk geslacht. Dit is een fundamentele waarheid van het katholieke dogma, en men mag zeggen dat juist de vaste en onwankelbare handhaving van deze waarheid van de zijde van Jezus de beslissende oorzaak is geweest waarom Hij ter dood werd veroordeeld; zodat Hij in werkelijkheid is gestorven als martelaar voor de waarheid van Zijn eigen koninklijke waardigheid.

Onze goddelijke Heer heeft inderdaad Zijn leven gegeven om het menselijk geslacht te redden; maar wanneer wij de opeenvolgende fasen beschouwen van die onrechtvaardige rechtspleging die eindigde met Zijn terechtstelling aan het kruis, dan zullen wij zien dat het laatste voorwendsel dat de Joden tegenover Pilatus aanvoerden om een zo ontzettende straf als het doodvonnis te eisen, hierin bestond dat Hij Zichzelf had uitgeroepen tot Christus-Koning, en dat Hij, verre van dit te ontkennen toen men Hem ervan beschuldigde, het plechtig bevestigde.

Menselijke plannen en goddelijk raadsbesluit, voortkomend uit verschillende beginselen, kwamen samen in het feit van de dood van Onze Heer. Zonder twijfel was het doel waarvoor God had beschikt dat Onze Heer voor ons zou sterven, dat Hij door Zijn lijden en dood onze losprijs uit de slavernij van de zonde zou bewerken en zo onze eeuwige zaligheid zou verkrijgen. Maar van de zijde van Zijn vijanden was er een voorwendsel nodig voor hun misdaad en hun wreedheid; en dit voorwendsel werd gevonden in het feit dat Jezus Zich Koning der Joden had genoemd. Deze aanspraak heeft Onze Heer tot het einde toe gehandhaafd, zodat Hij waarlijk de Martelaar is van de waarheid van Zijn koninklijke waardigheid.

Wat waren namelijk de beschuldigingen die de Joden tegen Jezus voor Pilatus inbrachten, om van hem te verkrijgen dat de Nazarener ter dood zou worden gebracht. Een deel van die aanklachten werd ingebracht in het huis van Kajafas, een ander deel in het praetorium van Pilatus. Laat ons zien welke deze beschuldigingen waren.

In het huis van de hogepriester Kajafas, zowel tijdens het eerste verhoor, dat plaatsvond in de nacht tussen donderdag en vrijdag, als tijdens het tweede, dat op vrijdag vóór de voltallige raad van het Sanhedrin werd gehouden, brachten de Joden, om hun goddeloos voornemen om Jezus Christus ter dood te veroordelen te rechtvaardigen, als voorwendsel naar voren dat Hij Zich had voorgedaan als de beloofde Messias, de Zoon van de ware God.1 Daar deze bewering van Christus een stilzwijgende veroordeling inhield van de boze richting van heel hun leven, hadden zij in hun hart een dodelijke haat tegen Hem opgevat. En inderdaad, juist deze uitspraak van Onze Heer was in hun verdorven geest de ware beweegreden waarom zij besloten Hem ter dood te laten brengen.

Maar omdat de Joden zeer goed wisten dat zulk een bewering bij een heidense bestuurder als Pilatus geen voldoende voorwendsel zou zijn om Jezus ter dood te brengen, daar het voor heidenen iets gewoons was aan een mens goddelijke eer te bewijzen, zagen zij zich genoodzaakt een andere beweegreden te vinden die de geest van de landvoogd zou beïnvloeden en hem ertoe zou brengen Jezus ter dood te veroordelen. En wat was deze beweegreden waardoor de Joden ten slotte hun boze en wrede opzet tot stand brachten.

Deze beweegreden was dat Jezus Zichzelf tot Koning had gemaakt en daardoor een samenzwering had gesmeed tegen de Romeinse Caesar, van wie Pilatus de vertegenwoordiger was en wiens keizerlijke macht hij verplicht was te verdedigen.1

Het is waar dat, toen de Joden de landvoogd zagen aarzelen omdat hij deze aanklacht niet werkelijk ernstig achtte, zij daaraan, om hem angst in te boezemen, toevoegden dat Jezus volgens hun Wet moest sterven omdat Hij Zichzelf tot Zoon van God had gemaakt.2 Maar zij drongen op dit punt niet aan; want het laatste en formele motief dat zij naar voren brachten was de aanspraak van Onze Heer om Koning te zijn, waardoor zij Pilatus voor ogen stelden de toorn van Caesar die naar alle waarschijnlijkheid op hemzelf zou neerkomen indien hij een zo eerzuchtig man niet met de dood strafte. Het is inderdaad deze beschuldiging en deze bedreiging, zoals uit de Heilige Schrift blijkt, die ten slotte de geest van Pilatus heeft doen omslaan en hem er uiteindelijk toe heeft gebracht het doodvonnis over Jezus uit te spreken.3

Maar laten wij het Evangelieverhaal opnemen zoals de evangelisten het geven. Wij hebben dezen man gevonden, zeiden de Joden tot Pilatus, sprekend over Onze Heer, terwijl Hij ons volk afvallig maakt en verbiedt aan Caesar schatting te geven en zegt dat Hij Christus de Koning is.4 Wat antwoordde Pilatus op deze beschuldiging. Zodra hij deze woorden had gehoord, begon hij te twijfelen of het niet louter laster was; door de kennelijke onwaarheid van de eerste twee aanklachten werd hij ertoe gebracht ze alle te verwerpen. Ten eerste hadden de aanklagers geen enkel bewijs aangevoerd; ten tweede was het niet aannemelijk dat Jezus Christus oproer en volksbeweging had willen verwekken of had getracht het volk af te brengen van het betalen van schatting aan de dienaren van Caesar, terwijl geen enkel bericht van ondergeschikten of hoofden van het leger de oren van de landvoogd had bereikt.

Pilatus zweeg daarom tijdens het verhoor dat hij Jezus in zijn eigen ambtswoning liet ondergaan geheel over de eerste twee beschuldigingen, en onderzocht Onze Heer alleen over Zijn titel van Koning der Joden, die de beschuldigde volgens het gerucht voor Zich had opgeëist. Hij wilde weten in welke zin Jezus Zich de naam had gegeven die men Hem ten laste legde onrechtmatig te hebben aangematigd, daar hij bezorgd was het voorrecht van de Romeinse Caesar te beschermen, wiens vertegenwoordiger hij in Judea was en wiens waardigheid hij tot taak had zonder vermindering te bewaren.

Toen Christus dan ook vóór hem stond, was het enige wat hij Hem vroeg: Zijt Gij de Koning der Joden.5 Jezus wist zeer goed dat van Zijn antwoord op deze uiterst duidelijke vraag Zijn vonnis van leven of dood afhing. Maar wat antwoordde Hij. Nadat Hij tevoren een heldere en korte uiteenzetting had gegeven van de geheel geestelijke aard van Zijn koninkrijk, een uiteenzetting die juist het kenmerk van Zijn koninklijke waardigheid uitdrukte, antwoordde Jezus op een andere en nog dringender vraag van Pilatus, Zijt Gij dan een koning, kortweg: Gij zegt dat Ik Koning ben.6 Dat is alsof Hij wilde zeggen: gij hebt juist gezegd wat Ik ben. De zaak is geheel zoals gij haar hebt uitgesproken. Want gij hebt gezegd wat door de profeten over Mij was voorzegd; gij hebt gezegd wat door Mijn eeuwige Vader over Mij van alle eeuwigheid was beschikt.

Onze tedere Zaligmaker Jezus Christus is geboren en in deze wereld gekomen met dit doel, plechtig getuigenis af te leggen van de waarheid. En deze waarheid was deze, dat Hij, geboren uit de Maagd Maria, de ware Messias was, door God gezonden om de wereld te redden; en als zodanig was Hij Koning en Opperheer van geheel het menselijk geslacht.

Daarom kon de Apostel Sint Paulus, toen hij zijn leerling Timotheüs wilde aansporen alle ellenden van dit leven en zelfs de dood zelf te verduren voor de waarheid van het geopenbaarde geloof, geen krachtiger beweegreden vinden om zijn moed aan te vuren dan het voorbeeld van Jezus, die zonder vrees voor de dood onder Pontius Pilatus plechtig en openlijk getuigenis had afgelegd van de waarheid van Zijn zending en van Zijn koninklijke waardigheid en heerschappij: Ik beveel u voor God, die alle dingen levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus een goede belijdenis heeft afgelegd.7

Het voorbeeld van Jezus Christus, onze Zaligmaker, die stierf voor de waarheid van Zijn leer, moet het geloof en de moed van de christenen levend houden te midden van de strijd van dit sterfelijk leven. Welnu, de waarheid die Jezus met gevaar voor Zijn leven vóór de Romeinse landvoogd heeft verkondigd, was die van Zijn heerschappij en koninklijke waardigheid. Maar daarmee wilde Hij erkend worden als een geestelijke Koning, de liefderijke Koning van onze harten, want nadrukkelijk heeft Hij verklaard dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld is.8

Het komt dus ons toe, de trouwe onderdanen van Jezus Christus, Zijn heerschappij te erkennen over heel de wereld en vooral over de harten der mensen, door ons met volmaakte leerzaamheid aan Zijn leer te onderwerpen en ons te laten leiden door Zijn heilige ingevingen. Laat ons ons geheel aan Hem opdragen en Hem als onze Opperheer bidden dat Hij onze geesten verlichte en onze wil bevestige op de rechte weg, en de bewegingen van ons hart besture, opdat er niets in ons zij dat niet door Zijn heilige liefde bezield wordt of niet op Zijn grotere glorie gericht is.

1 Matth. 26, 63-66; Luc. 22, 70-71.
2 Luc. 23, 2.
3 Joan. 19, 7.
4 Joan. 19, 16.
5 Luc. 23, 2.
6 Matth. 27, 11; Joan. 18, 37.
7 I Tim. 6, 13.
8 Joan. 18, 36.


Deze meditatie is ontleend aan Jesus Christ the King of Our Hearts, de Engelse uitgave van Lepiciers werk over het koningschap van Onze Heer Jezus Christus over de harten, de Kerk en de wereld.

De auteur, Alexis M. Lepicier O.S.M. (1863–1936), was priester van de Orde der Servieten en een vooraanstaand theoloog en marioloog. Zijn geestelijke geschriften ademen een klassieke katholieke geest en verbinden Schrift, dogma en devotie op sobere en verheven wijze.

Katholieke Klassieken