Evangelie van de zondag (Mattheus 21, 1–9)
In die tijd naderde Jezus Jeruzalem, en toen Hij in de nabijheid van Bethphage bij de Olijfberg gekomen was, zond Hij twee van zijn leerlingen met de opdracht: Gaat naar het dorp dat daar vóór u ligt; daar zult gij dadelijk een ezelin vinden, die vastgebonden staat, met een veulen er bij; die moet gij losmaken en Mij hier brengen. En als soms iemand u wat zegt, geeft dan ten antwoord: De Heer heeft ze nodig, maar Hij zal ze aanstonds terugsturen. Dit alles nu geschiedde, opdat in vervulling zou gaan, wat door den profeet was voorzegd: Zegt aan Sions dochter: Zie, uw Koning komt tot u, zachtzinnig, en gezeten op een ezelin, op een veulen, het jong van een lastdier. De leerlingen gingen dan heen en deden, zoals Jezus hun bevolen had. Zij brachten de ezelin en het veulen mede, legden hun mantels er op, en lieten Hem daarop plaats nemen. De talrijke menigte spreidde haar mantels uit op de weg; en anderen sneden takken van de bomen en strooiden die over de weg. En de scharen, die voorop gingen en volgden, riepen luid: Hosanna den Zoon van David. Gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren. Hosanna in den hoge.

DE HEILIGE KERK opent heden de grote week door ons de Messias te tonen, die Jeruzalem binnengaat om de vervulling van het offer te volbrengen. De Zoon van David, die de menigte als Koning begroet, komt niet om een aardse troon te bestijgen, maar om het kruis te aanvaarden. De palmen die Hem worden aangeboden zijn tekenen van overwinning, maar de overwinning die Hij behaalt zal die van het lijden zijn. Jeruzalem juicht, en toch gaat haar Koning de dood tegemoet. De kinderen van de Hebreeën gingen Hem tegemoet met palmtakken in de hand, zij zongen Hem lof en riepen Hosanna in den hoge. Dezelfde stad die Hem heden ontvangt zal Hem weldra verwerpen. De Kerk, die deze beide dingen overweegt, mengt haar vreugde met droefheid. Zij volgt haar Bruidegom met palmen, maar zij weet dat Hij naar Golgotha gaat. Zij begroet Hem als Koning, maar zij aanschouwt Hem reeds als het slachtoffer. De nederigheid van deze intocht openbaart het karakter van het rijk van Christus. Geen praal omringt Hem, geen tekenen van aardse macht begeleiden Hem. Hij komt zachtmoedig, gezeten op een ezel, opdat vervuld worde wat door de profeet is voorzegd. Zo toont Hij dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld is, en dat Hij heerst door liefde en door het offer. (Dom Prosper Guéranger).
Meditatie van Thomas à Kempis Op Palmzondag en over de nederige intocht van Jezus in Jeruzalem
IK LOOF EN DANK U, o Heer Jezus Christus, Heiland der wereld, genadige en barmhartige Verlosser van het menselijk geslacht, om de openbaring van Uw wonderbare nederigheid en om de grootheid van Uw onuitsprekelijke goedheid, welke Gij op deze dag in ootmoed hebt getoond, toen Gij, met geheel ontblote voeten en gezeten op een nederige ezel, te midden van een grote menigte en onder het gezang van kleine kinderen Uw intocht hebt gedaan in de heilige stad Jeruzalem. Ik prijs en verheerlijk U, o allerbeminnelijkste Jezus, Zoon van David, om de plechtige eerbied die U op deze dag door het volk van Israël werd bewezen, toen zij U met luide Hosanna’s erkenden en uitriepen als de grote Koning en Profeet.
Ik prijs en vereer U om de wonderbare liefde en onvermoeide tederheid die U, zachtmoedig en uit eigen vrije wil, deed komen tot hen die U zouden vermoorden, door wie Gij wist dat Gij spoedig ter dood zoudt worden gebracht, om wier zonden en boosheid Gij overvloedige tranen hebt vergoten, toen Gij hun voorzegde welke verschrikkelijke rampen weldra zouden volgen op hun kortstondige vreugde. Ik prijs en verheerlijk U om Uw vurige ijver tegen de boosdoeners. Nadat Gij de tempel was binnengegaan, dreef Gij terstond uit het huis van Uw Vader hen die daar kochten en verkochten, daar zij het huis van gebed maakten tot een rovershol.
Aan de ene zijde hoe streng waart Gij tegen de onrechtvaardigen en hebzuchtigen, verkopers van hun eigen zielen, terwijl Gij aan de andere zijde zo zachtmoedig en barmhartig waart jegens de armen en zwakken, aan velen met liefde het woord van onderricht schenkend en de hulp van genezing verlenend. O onuitsprekelijke kracht van Christus, alles overtreffende goedheid van de Zoon Gods, wie zal de machtige daden des Heren verkondigen, of al Zijn lof doen horen.
Gedenk mij, o Jezus, in Uw welbehagen en bezoek mij met Uw heil. Kom, beminde Jezus, en leid mij binnen in de heilige stad Jeruzalem, niet dat Jeruzalem dat de profeten doodt, maar het Jeruzalem dat in de hemelen is gebouwd, waar de hemelse burgers wonen in volmaakte eenheid. Rijd op het veulen van een ezel door met de teugel der onthouding alle lichte en ongebonden bewegingen van mijn vlees te beteugelen.
Het is goed voor mij, mijn Heer, te dragen en onderworpen te zijn aan Uw wet, nooit tegen de voorschriften van gehoorzaamheid op te staan, maar met geduld en zachtmoedigheid de last te dragen die mij wordt opgelegd. Nooit mag ik ophouden met arbeid en geestelijke vooruitgang, geen andere weg moet ik gaan, ik moet voortgaan in heilig voornemen, totdat ik, onder Uw hulp en leiding, kom tot het Jeruzalem dat boven is, waar vrede is voor eeuwig.
Daarom roep ik U met de Hebreeuwse kinderen vroom toe, Hosanna aan de Zoon van David, heil in den hoge. Wees gegroet, Heer van het heelal, wees gegroet, Gij Heiland van het huis Israëls, wiens komst de profeten vanaf het begin der wereld hebben voorzegd, die de Joden, zoals op deze dag, met luide lofzangen vreugdevol ontvingen.
Ik aanbid U, ik verheerlijk U, die in de naam van Uw Vader zijt gekomen om ons te verlossen uit de hand van de vijand en ons door Uw allerkostbaarst Bloed te verzoenen met God den Vader. Ik smeek U ook, o Heer Jezus, treed binnen in de tempel van mijn hart en zuiver en verdrijf verre van mij alles wat Gij daar bezoedeld en onheilig zult aantreffen.
Werp uit Uw tabernakel al wat van deze wereld is, alle verleidelijke gehechtheid aan plaatsen en personen. Keer de tafels der geldwisselaars om, opdat de liefde tot rijkdom niet over mij de overhand krijge. Neem weg alle runderen en duiven en het rumoer daarvan, opdat de overvloed van aardse dingen mijn verlangen naar de hemelse dingen niet tegenhoude.
Grijp de gesel, gevlochten uit de kleine koorden van de vrees voor U, en verdrijf met krachtige ijver uit mij alle boze verbeeldingen en onreine ingevingen, waarmee de duivel, die ellendigste koopman, mij steeds tracht te verleiden, zelfs tijdens het gebed in het huis van God, opdat mijn ziel, beproefd en verlokt door ijdele begoochelingen, niet tot toegeving worde gebracht en plotseling te gronde ga.
Help mij, o allersterkste Jezus, en laat niet toe dat ik gevangen worde in de strikken van de duivel en van mijn eigen boos hart. Bewaar mij voor het kwaad en versterk mij in alle goed, opdat ik, ontkomen aan de gevaren der eeuwige verdoemenis, met U moge binnengaan in de eeuwige woningen van het hemelse Jeruzalem.