De Paaswake is de heiligste en plechtigste viering van het kerkelijk jaar. Zij begint in de nacht, wanneer de Kerk het nieuwe vuur zegent en de paaskaars ontstoken wordt. Dit licht, dat de duisternis doorbreekt, wordt in de kerk gedragen, terwijl het driemaal klinkt: Lumen Christi. Daarna zingt de diaken de lofzang van de paaskaars, het Exsultet, waarin de Kerk de nacht bezingt waarin Christus uit het graf is opgestaan. Vervolgens worden de Profetieën uit het Oude Testament gezongen, die de grote werken Gods in herinnering brengen, van de schepping tot de bevrijding uit Egypte, alles gericht op de verrijzenis van Christus. Na het Gloria en het Evangelie wendt de liturgie zich naar het doopvont: het water wordt plechtig gewijd, de litanie van alle heiligen wordt gezongen, en de Kerk bidt voor hen die door het doopsel tot nieuw leven worden geboren. Ten slotte wordt het Heilig Misoffer gevierd, waarin het Paasoffer van Christus onbloedig op het altaar wordt vernieuwd en de gelovigen het Lichaam en Bloed van de verrezen Heer ontvangen.
De paaskaars
De paaskaars wordt in de heilige nacht ontstoken aan het nieuw gezegende vuur en plechtig de kerk binnengedragen. Driemaal wordt gezongen Lumen Christi, en het licht verspreidt zich onder de gelovigen. Zo verkondigt de Kerk dat Christus, verrezen uit de dood, de duisternis van de nacht heeft verdreven. In de oude liturgische uitleg wordt deze kaars zelf gezien als het beeld van Christus, het ware licht dat in de wereld is verschenen en dat de duisternis van de zonde heeft verdreven.
De vlam
De vlam betekent de godheid van Christus. Zoals de vlam licht geeft zonder de kaars te vernietigen, zo is Christus verrezen en bleef het graf gesloten. Het licht verspreidt zich door de gehele kerk, terwijl de ene vlam ongedeeld blijft. Zo verlicht de verrezen Heer zijn volk en verdrijft Hij de duisternis der zonden.
De kaars
De kaars zelf, uit zuivere bijenwas gevormd, duidt het lichaam van Christus aan, dat uit het vlees van de Maagd is aangenomen. Daarom wordt in de Paaslofzang de kaars geprezen als een waardige offergave. Terwijl zij brandt en zich verteert, herinnert zij aan het offer van Christus, door wiens dood het licht van het leven is opgegaan.
De pit
De pit betekent de ziel van Christus, die het licht draagt. In de ene kaars worden zo licht en stoffelijke drager verenigd. Zoals in Christus de godheid en de mensheid ongescheiden verenigd zijn, zo verenigt de paaskaars vlam, pit en was in één licht dat de nacht verlicht.
De wierookkorrels
In de paaskaars worden vijf wierookkorrels aangebracht in de vorm van een kruis. Zij betekenen de vijf heilige wonden van Christus. Uit zijn lijden straalt het licht van de verrijzenis. Daarom wordt in de Paasnacht tegelijk het offer en de overwinning verkondigd, wanneer de kaars ontstoken wordt.
Alfa en omega
Op de paaskaars worden de letters alfa en omega gegrift. Daarmee belijdt de Kerk dat Christus het begin en het einde is, de Heer van de tijd en van de eeuwen. Ook het jaartal wordt aangebracht, omdat Christus heden leeft en regeert, en zijn licht door de eeuwen heen blijft schijnen.
Gebruik in de liturgie
De paaskaars blijft branden gedurende de paastijd bij het altaar. Zij wordt ontstoken bij het doopsel, wanneer het nieuwe leven in Christus wordt meegedeeld. Zij wordt geplaatst bij de uitvaart, als teken dat wie met Christus sterft, met Hem zal verrijzen. Zo blijft het paaslicht in de Kerk aanwezig, totdat de nacht van deze wereld voorbij is en het eeuwige licht aanbreekt.
De lof van de Paaskaars
Het Exsultet, de lofzang op de Paaskaars, behoort tot de oudste en meest plechtige gezangen van de Kerk. Reeds in de vroege eeuwen werd dit jubelgezang gezongen in de heilige Paaswake, wanneer het nieuwe licht de duisternis verdrijft. In deze plechtige verkondiging bezingt de Kerk de heilige nacht van de Verrijzenis, de overwinning van Christus en het mysterie van het Paaslicht.
EXSULTET iam Angélica turba caelórum, exsúltent divína mystéria, et pro tanti Regis victória tuba ínsonet salutáris. Gáudeat et tellus tantis irradiáta fulgóribus, et ætérni Regis splendóre illustráta, tótius orbis se séntiat amisísse calíginem. Laetétur et mater Ecclésia, tanti lúminis adornáta fulgóribus, et magnis populórum vócibus haec aula resúltet.
Quaprópter astántes vos fratres caríssimi, ad tam miram huius sancti lúminis claritátem, una mecum quaeso, Dei omnipoténtis misericórdiam invocáte. Ut qui me non meis méritis intra levitárum númerum dignátus est aggregáre, lúminis sui claritátem infúndens, cerei huius laudem implére perfíciat. Per Dóminum nostrum Jesum Christum Fílium suum, qui cum eo vivit et regnat in unitáte Spíritus Sancti Deus, per ómnia saecula saeculórum. Amen.
℣. Dóminus vobíscum.
℟. Et cum spíritu tuo.
℣. Sursum corda.
℟. Habémus ad Dóminum.
℣. Grátias agámus Dómino Deo nostro.
℟. Dignum et justum est.
Vere dignum et justum est, invisíbilem Deum Patrem omnipoténtem, Fíliumque eius unigénitum, Dóminum nostrum Jesum Christum, toto cordis ac mentis afféctu et vocis ministério personáre. Qui pro nobis ætérno Patri Adae débitum solvit, et véteris piáculi cautiónem pio cruóre detérsit. Haec sunt enim festa paschália, in quibus verus ille Agnus occíditur, cuius sánguine postes fidélium consecrántur.
Haec nox est, in qua primum patres nostros, fílios Israël edúctos de Aegypto, Mare Rubrum sicco vestígio transíre fecísti. Haec ígitur nox est, quae peccatórum ténebras colúmnae illuminatióne purgávit. Haec nox est, quae hódie per univérsum mundum in Christo credéntes, a vítiis sæculi et calígine peccatórum segregátos, reddit grátiæ, sóciat sanctitáti. Haec nox est, in qua destrúctis vínculis mortis Christus ab ínferis victor ascéndit. Nihil enim nobis nasci prófuit, nisi rédimi profuísset.
O mira circa nos tuae pietátis dignátio. O inæstimábilis diléctio caritátis, ut servum redímeres, Fílium tradidísti. O certe necessárium Adae peccátum, quod Christi morte delétum est. O felix culpa, quae talem ac tantum méruit habére Redemptórem. O vere beáta nox, quae sola méruit scire tempus et horam, in qua Christus ab ínferis resurréxit.
Haec nox est, de qua scriptum est: Et nox sicut dies illuminábitur, et nox illuminátio mea in delíciis meis. Huius ígitur sanctificátio noctis fugat scélera, culpas lavat, et reddit innocéntiam lapsis et mæstis lætítiam. Fugat ódia, concórdiam parat, et curvat impéria.
In huius ígitur noctis grátia, súscipe, sancte Pater, incénsi huius sacrifícium vespertínum, quod tibi in hac Cerei oblatióne solémni, per ministrórum manus, de opéribus apum, sacrosáncta reddit Ecclésia. Sed iam colúmnae huius præcónia nóvimus, quam in honórem Dei rútilans ignis accéndit. Qui licet sit divísus in partes, mutuáti tamen lúminis detriménta non novit. Alitur enim liquántibus ceris, quas in substántiam pretiósæ huius lámpadis apis mater edúxit.
O vere beáta nox, quae exspoliávit Aegýptios, ditávit Hebræos. Nox in qua terrénis caeléstia, humánis divína iungúntur. Orámus ergo te, Dómine, ut Céreus iste, in honórem tui nóminis consecrátus, ad noctis huius calíginem destruéndam, indefíciens persevéret, et in odórem suavitátis accéptus, supérnis lumináribus misceátur. Flammas eius lúcifer matutínus invéniat, ille, inquam, lúcifer, qui nescit occásum, ille qui, regréssus ab ínferis, humáno géneri serénus illúxit.
Precámur ergo te, Dómine, ut nos fámulos tuos, omnem clerum, et devotíssimum pópulum, una cum beatíssimo Papa nostro N. et Antístite nostro N., quiétæ témporum concessa, in his paschálibus gáudiis, assídua protectióne régere, gubernáre et conserváre dignéris. Per eúndem Dóminum nostrum Jesum Christum, Fílium tuum, qui tecum vivit et regnat in unitáte Spíritus Sancti Deus, per ómnia saecula saeculórum.
Amen.
Dat nu de schaar der engelen in de hemel juiche; laat nu de Geheimen van God blijde weerklinken; dat nu de bazuin van het heil weergalme voor de zegepraal van een zo groot Koning. Dat ook de aarde, bestraald door zulke glans, en verlicht door de luister van den eeuwigen Koning, zich verblijde en gevoele dat over de gehele wereld de duisternis van haar is weggedreven. Laat onze moeder de Heilige Kerk zich verheugen, waar zij is versierd met de luister van een zo groot licht; en dat de tempel weergalme van de machtige stemmen van het volk.
Daarom, zeer geliefde broeders, die hier tegenwoordig zijt in de wonderbare klaarheid van dit heilig licht, roept met mij, zo bid ik u, de barmhartigheid van den almachtigen God aan, opdat Hij, die zich gewaardigd heeft mij, niet om mijn verdiensten, onder het getal van de Levieten op te nemen, mij de klaarheid van zijn licht instorte, om de lof van deze kaars te voltooien. Door onzen Heer Jezus Christus, zijn Zoon, Die met Hem leeft en heerst in de eenheid van den Heiligen Geest, God, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
℣. De Heer zij met u.
℟. En met uw geest.
℣. Hoog de harten.
℟. Wij hebben ze tot den Heer verheven.
℣. Laat ons dank brengen aan den Heer, onzen God.
℟. Het is passend en rechtvaardig.
Waarlijk passend en rechtvaardig is het, den onzichtbaren God, den Vader almachtig, en zijn eniggeboren Zoon, onzen Heer Jezus Christus, met luide stem te verheerlijken uit al de innigheid van ons hart en onze ziel. Die aan den eeuwigen Vader voor ons de schuld van Adam heeft ingelost, en de schuldbrief van de oude zonde met zijn liefdebloed heeft uitgewist. Dit immers zijn de Paasfeesten, waarin het ware Lam wordt geslacht, met wiens Bloed de deuren van de gelovigen worden geheiligd.
Dit is de nacht, waarin Gij weleer onze vaderen, de kinderen van Israël, uit Egypte hebt geleid, en hen droogvoets de Rode Zee hebt doen doortrekken. Dit is dus de nacht die de duisternis van de zonden door de verlichting van de zuil heeft verdreven. Dit is de nacht die heden over de aarde de gelovigen in Christus, afgescheiden van de ondeugden der wereld en de duisternis der zonden, in genade herstelt en aan de heiligheid deelachtig maakt. Dit is de nacht waarin Christus, na de ketenen van de dood te hebben verbroken, als overwinnaar uit het graf opstond. Geboren te zijn immers zou ons niets hebben gebaat, indien wij niet verlost waren.
O wonderbaar afdalen van uw Vaderliefde tot ons! O onschatbaar minnen van de liefde, dat Gij den Zoon overgeleverd hebt om den slaaf te redden! O zeker noodzakelijke zonde van Adam, die door de dood van Christus werd uitgewist! O gelukkige schuld, die zulk een en een zo groot Verlosser verdiende te hebben! O waarlijk zalige nacht, die alleen verdiend heeft de tijd en het uur te kennen, waarop Christus uit het graf is verrezen!
Dit is de nacht waarover geschreven staat: En de nacht zal verlicht zijn als de dag, en de nacht is mijn verlichting in mijn vreugden. De heiliging van deze nacht verbant de misdaden, wast de schuld weg, en geeft aan de gevallenen de onschuld en aan de bedroefden de blijdschap terug. Zij verdrijft de haat, herstelt de eendracht en doet de machten buigen.
Aanvaard dan, o heilige Vader, in deze nacht van genade, het avondlijk offer van deze wierook, dat de Heilige Kerk door de handen van haar bedienaars, samen met de plechtige offerande van deze Paaskaars uit het werk van de bijen, U aanbiedt. Wij kennen echter reeds de lof van deze zuil, die ter ere van God door een schitterend vuur ontstoken wordt. Hoewel in delen verdeeld, kent toch dit vuur geen vermindering bij het mededelen van zijn licht. Het wordt immers gevoed door het smeltend was, dat een moeder-bij heeft voortgebracht als stof voor deze kostbare fakkel.
O waarlijk zalige nacht, die de Egyptenaren beroofd en de Hebreeën verrijkt heeft. Nacht waarin het hemelse met het aardse, het goddelijke met het menselijke werd verenigd. Wij bidden U dan, o Heer, dat deze kaars, tot eer van uw Naam gewijd, zonder ophouden brande om de duisternis van deze nacht te verdrijven; en moge zij, in geur van welbehagen aanvaard, haar licht met de hemellichten vermengen. Dat de Morgenster haar nog brandend vinde. Ik bedoel die Morgenster, die geen ondergang kent, die, uit de onderwereld teruggekeerd, het menselijk geslacht helder heeft verlicht.
Wij smeken U dan, o Heer, dat Gij ons, uw dienaren, alsmede de gehele geestelijkheid en het zeer godvruchtig volk, samen met onzen zaligsten Paus N. en onzen Bisschop N., vrede moogt verlenen in deze tijd, en dat Gij U moogt gewaardigen hen, door uw voortdurende bescherming, in deze Paasvreugde te regeren, te besturen en te bewaren. Door denzelfden Jezus Christus, onzen Heer, uw Zoon, Die met U leeft en heerst in de eenheid van den Heiligen Geest, God, in alle eeuwen der eeuwen.
Amen.