H. Monica, moeder van de H. Augustinus

4 mei — Heilige Monica, weduwe † 387

Geboren in Afrika, huwde de heilige Monica een heiden, die door haar tot het christelijk geloof werd bekeerd. Toen haar man gestorven was, wijdde zij zich geheel aan de opvoeding van haar zoon Augustinus, die tot de sekte van de Manicheeën was overgegaan en zich aan de zonde overgaf. Door haar tranen smeekte zij van God zijn bekering af en baarde hem zo voor de hemel. Getroffen door de prediking van de heilige Ambrosius te Milaan, kwam Augustinus tot inkeer. Op hun terugreis naar Afrika stierf de heilige Monica te Ostia in het jaar 387 en werd aldaar begraven.

God, vertrooster van de bedrukten en heil van hen die op U hopen, die barmhartig de liefdevolle tranen hebt aanvaard welke de heilige Monica stortte voor de bekering van haar zoon Augustinus, geef ons, door hun beider voorspraak, dat wij onze zonden bewenen en door uw genade vergiffenis mogen verkrijgen. Door Onze Heer Jezus Christus.

Het leven van de heilige Monica
Het laatste gesprek van de H. Augustinus met zijn moeder

De heilige Monica
De heilige Monica. Opperduitse school, 15e eeuw.

In de Belijdenissen van de heilige Augustinus vinden wij een van de meest verheven passages. Hier beschrijft hij het gesprek met zijn moeder, de heilige Monica, te Ostia, kort vóór haar sterven. In dit gesprek verheft de ziel zich van het tijdelijke tot het eeuwige leven en wordt de blik gericht op hetgeen God bereidt voor zijn heiligen.

Toen nu de dag aanstaande was waarop zij uit dit leven zou scheiden, welke dag U bekend was maar ons niet, was het door U, naar ik geloof, in Uw verborgen wijze van handelen zo beschikt dat wij samen, zij en ik, geleund stonden aan een venster, vanwaar men uitzicht had op de binnentuin van het huis waarin wij vertoefden, daar te Ostia aan de Tiber, waar wij, ver van het gewoel der wereld, na de inspanning van een lange reis, krachten verzamelden voor de zeereis. Wij spraken samen zeer liefelijk, en vergetende hetgeen achter was en ons uitstrekkende tot hetgeen vóór ons lag, vroegen wij elkaar in Uw tegenwoordigheid, Gij die de Waarheid zijt, hoe het eeuwige leven der heiligen zou zijn, hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des mensen niet is opgeklommen. En wij smachtten met de mond van ons hart naar de wateren van boven uit Uw bron, de bron van het leven die bij U is, opdat wij, naar de mate van ons begrip, zo goed wij konden, over zulk een verheven werkelijkheid zouden nadenken.

Toen ons gesprek zo ver gekomen was dat het ons toescheen dat geen enkele genieting van de vleselijke zinnen, hoe groot die ook ware en hoe helder zij ook in aards licht schitterde, waardig was om vergeleken te worden met de heerlijkheid van dat leven, ja zelfs niet om genoemd te worden, verhieven wij ons hart in klimmende vervoering tot het Zijnde zelf en doorliepen trapsgewijs alle lichamelijke dingen en de hemel zelf, vanwaar zon, maan en sterren over de aarde lichten. En wij stegen nog hoger, in ons hart overdenkend en bewonderend Uw werken, en zo kwamen wij tot onze zielen en stegen daarboven uit om het land van de onuitputtelijke vruchtbaarheid te bereiken, waar Gij Israël voedt met het voedsel van de waarheid en waar het leven de wijsheid is, door welke alles wordt wat geweest is en wat zijn zal, maar die zelf niet wordt, doch is zoals zij was en altijd zal zijn, ja waarin geen geweest-zijn en geen zullen-zijn is, maar enkel het zijn, daar zij eeuwig is. En terwijl wij over haar spraken en naar haar smachtten, raakten wij haar een ogenblik met de volle beweging van ons hart, en wij zuchtten en lieten daar als het ware de eerstelingen van de geest achter, en keerden terug tot het geluid van onze stem, waar het woord begint en eindigt. En wat is gelijk aan Uw Woord, onze Heer, dat in Zichzelf blijft zonder te verouderen en alles vernieuwt.

Wij spraken aldus: indien in iemand zwijgt de onrust van het vlees, indien zwijgen de beelden van aarde, water en lucht, indien zwijgt het uitspansel en de ziel zelf zwijgt en boven zichzelf uitgaat zonder aan zichzelf te denken, indien dromen en verbeeldingen zwijgen en elke tong en elk teken en al wat voorbijgaat geheel tot zwijgen komt, want indien men ze hoort, zeggen zij allen: niet wijzelf hebben ons gemaakt maar Hij heeft ons gemaakt die blijft in eeuwigheid, indien zij na dit woord zwijgen en hun oor richten op Hem die hen gemaakt heeft en Hij alleen spreekt, niet door hen maar door Zichzelf, zodat wij Zijn Woord horen niet door de tong van het vlees noch door de stem van een engel noch door de klank van een wolk maar Hemzelf zonder deze dingen, zoals wij ons nu uitstrekten en in een snelle gedachte de eeuwige wijsheid aanraakten die boven alles blijft, indien dit zou voortduren en alle andere lagere aanschouwingen zouden verdwijnen en dit ene de aanschouwer zou opnemen en verbergen in innerlijke vreugde, zodat het eeuwige leven zou zijn zoals dit ene ogenblik van inzicht waarnaar wij zuchtten, zou dat niet zijn: ga binnen in de vreugde van uw Heer. En wanneer zal dat zijn. Zal het zijn wanneer wij allen verrijzen maar niet allen veranderd zullen worden.

Toen zei zij: mijn zoon, wat mij aangaat, niets in dit leven bekoort mij nog. Wat ik hier nog doe en waarom ik hier ben weet ik niet, want van deze wereld verwacht ik niets meer. Eén ding was er waarom ik nog wilde blijven, namelijk dat ik u mocht zien als katholiek christen vóór mijn sterven. Meer dan mijn verlangen heeft God mij geschonken, want ik zie u Zijn dienaar zijn met verachting van het aardse geluk. Wat doe ik nog hier.

Kort daarna werd zij ziek, en toen zij zag dat wij bedroefd waren zei zij: gij begraaft uw moeder hier. En toen mijn broeder sprak over het vaderland, berispte zij hem en zei tot ons beiden: begraaft dit lichaam waar gij wilt, maakt u daarover geen zorg, maar dit alleen vraag ik van u, dat gij mij gedenkt aan het altaar des Heren waar gij ook zult zijn.

Zo is zij na enkele dagen, in vrede en in geloof, van het lichaam gescheiden, en haar ziel werd aan God toevertrouwd. En ik, haar zoon, droeg haar ten grave zonder uitwendige klacht, maar met een hart dat in stilte gewond was, totdat ik mijn tranen voor U, o Heer, uitstortte en rust vond in Uw barmhartigheid. (Weninger)

Het leven van de heilige Monica

De heilige Monica, moeder van de heilige Augustinus, de grote leraar der goddelijke wijsheid, was afkomstig uit Afrika. Zij was dubbel moeder van deze heilige, want zij schonk hem het natuurlijke leven en, door haar gebeden, ook het geestelijke leven. Haar ouders, christenen van goede stand, voedden haar op in zedigheid en deugd. Zij was van jongs af aan toegewijd aan vrome oefeningen en leerde reeds vroeg hoe aangenaam het voor God is om de slaap te overwinnen en de tijd in gebed door te brengen, zodat zij dikwijls des nachts opstond om te bidden. Ook was zij zeer milddadig jegens de armen en ontzegde zij zich voedsel om in hun noden te voorzien. Zij vermeed alle ijdelheid in haar kleding en voorkomen en hield zich in alles eenvoudig en ingetogen.

Hoewel zij verlangde in maagdelijkheid te leven, gehoorzaamde zij haar ouders en trad in het huwelijk met Patricius, een heiden, opvliegend van aard en overgegeven aan vele ondeugden. Monica behandelde hem steeds met zachtmoedigheid en geduld. Zij sprak hem niet tegen wanneer hij toornig was, maar wachtte tot zijn drift voorbij was en vermaande hem dan met christelijke kalmte. Door haar volhardende gebeden en haar voorbeeld werd hij ten slotte gewonnen en ontving hij kort voor zijn dood het doopsel. Zij zorgde met grote ijver voor de christelijke opvoeding van haar kinderen, en bovenal voor haar eerstgeborene Augustinus.

Toen deze, na de dood van zijn vader, een losbandig leven ging leiden en in de dwaling der Manicheeën viel, hield zij niet op hem met tranen en gebeden aan God op te dragen. Als weduwe richtte zij haar leven geheel naar de voorschriften van de Apostel. Zij was milddadig, woonde dagelijks de heilige Mis bij, luisterde ijverig naar het woord Gods, vermeed ijdel gesprek en wereldse vermaken, en leidde een teruggetrokken en vreedzaam leven. Dag en nacht bad zij voor de bekering van haar zoon en verzocht zij ook anderen, geestelijken en leken, hetzelfde te doen. Toen zij eens een bisschop dringend vroeg met haar zoon te spreken, antwoordde hij haar Ga heen in vrede, een zoon van zoveel tranen kan niet verloren gaan. Deze woorden schonken haar troost, en zij ontving bovendien een goddelijke verzekering dat haar zoon zich zou bekeren.

Augustinus verlangde intussen Carthago te verlaten en naar Rome te gaan om daar de retorica te onderwijzen. Monica trachtte hem tegen te houden, maar hij vertrok heimelijk terwijl zij in de kerk was. Nauwelijks in Rome aangekomen, werd hij zwaar ziek en erkende daarin de bescherming van de gebeden zijner moeder, dat hij niet in zijn zonden zou sterven. Zodra Monica vernam waar hij zich bevond, besloot zij hem te volgen. Na een gevaarlijke overtocht bereikte zij Milaan, waar zij met vreugde bemerkte dat haar zoon onder invloed was gekomen van de heilige bisschop Ambrosius. Zij smeekte deze haar zoon niet los te laten voordat hij geheel bekeerd zou zijn. God verhoorde haar gebeden. Augustinus verzwoer de dwaling der Manicheeën en werd gedoopt door Ambrosius in zijn dertigste levensjaar.

Doop van de heilige Augustinus door de heilige Ambrosius
De heilige Ambrosius, bisschop van Milaan, doopt de heilige Augustinus; rechts ziet men zijn moeder, de heilige Monica.

Met recht kan gezegd worden dat deze bekering de vrucht was van de tranen en gebeden der heilige Monica.

Kort daarna besloot zij met haar zoon naar Afrika terug te keren. Toen zij echter in Ostia verbleven en wachtten op een gunstige gelegenheid tot vertrek, werd zij door een lichte koorts getroffen, die spoedig verergerde. Kort tevoren had zij met haar zoon een verheven gesprek gevoerd over de hemelse heerlijkheden. Zij sprak tot hem Mijn zoon, wat mij betreft, verwacht ik niets meer van dit leven. Ik had slechts één verlangen, u vóór mijn dood een katholiek te zien. God heeft mij meer gegeven dan ik vroeg, want ik zie dat gij Hem niet alleen dient, maar ook de wereld veracht. Wat blijft mij nog te doen op aarde. Negen dagen later gaf zij, rijk aan deugden, haar ziel over aan God, in het zesenvijftigste jaar van haar leven.

Vóór haar dood sprak zij nog deze woorden Leg mijn lichaam waar gij wilt en maakt u daarover geen zorg. Slechts één ding vraag ik, dat gij mij gedenkt aan het altaar des Heren, waar gij ook zijt. De heilige Augustinus verhaalt dat men haar lichaam bij het graf bracht en daar het heilig Offer opdroeg voor haar ziel, overeenkomstig het gebruik der Kerk, hetgeen getuigt van het geloof in het vagevuur en het gebed voor de overledenen.

Haar leven strekt allen tot voorbeeld. In haar jeugd door haar ingetogenheid en gebed, in het huwelijk door haar geduld en gehoorzaamheid, en als weduwe door haar liefdadigheid en haar afkeer van wereldse ijdelheid. Bovenal schittert zij in haar volharding, want door tranen en gebed heeft zij een zoon voor God gewonnen, die een licht der Kerk is geworden. (Weninger)