Katholieke Klassieken
Heilige Pius V
Paus van de heilige Rozenkrans
Naar het Engels van Catherine Mary Antony Woodcock
Inhoud
Voorwoord
De voorbeeldige novice (1504–1528)
De voorbeeldige prior (1528–1543)
Het Heilig Officie (1543–1557)
De kardinaal van God (1557–1566)
De vader der christenheid (1566–1570)
De excommunicatie van Elizabeth I (1570)
De slag bij Lepanto (1571)
De paus van de Heilige Rozenkrans (1566–1572)
Voorwoord
De volksgodsdienst in onze dagen berust grotendeels op het axioma dat niets met absolute zekerheid als waar kan worden gekend. Bepaalde zedelijke leerstellingen, zekere waarschijnlijkheden, bepaalde gissingen worden algemeen toegestaan, of geneigd aangenomen, of verdragen; maar dat een geloofsbelijdenis met eenzelfde graad van zekerheid zou worden vastgehouden, al is het niet van dezelfde aard, als de regels der kunst of de uitspraken der wetenschap, wordt beschouwd als onwaardig voor de moderne mens die aanspraak maakt op een ruime levensbeschouwing. In zekere mate is deze denktrant ook te vinden onder dogmatische christenen en heeft zij zelfs invloed uitgeoefend op bepaalde gemoedsgesteldheden onder katholieken. Het is niet ongewoon zelfs een vroom christen zijn godsdienst te horen aanduiden als waar en voor hemzelf bindend, en daaraan toe te voegen dat, aangezien zij niet waar is voor zijn naaste, zij ook voor hem niet bindend is. Zeker vloeien uit deze vrijzinnige houding bepaalde maatschappelijke voordelen voort: zo meent men dat het bijna even onverdraaglijk is wanneer een protestant zich mengt in het geloof van een katholiek, als wanneer een katholiek een protestant lastigvalt of dwingt, bijna, maar niet geheel; aangezien een katholiek door de objectieve aard van zijn geloof tot zekere onverdraagzaamheid verplicht is, en onverdraagzaamheid nooit voor zichzelf volledige en algemene verdraagzaamheid kan opeisen. De vrijheid om te geloven wat men wil is echter onvermijdelijk de vrucht geworden van het populaire axioma dat geen enkele godsdienst als absoluut waar kan worden gekend, met als gevolg dat de strafwetten zijn verdwenen, godsdienstige vereisten voor ambtsdragers, behalve in het geval van de koning van Engeland en de voornaamste ambtsdragers van katholiek Ierland, uit ons midden zijn verdwenen, en dat de openbare en koninklijke godslastering tegen de Transsubstantiatie eindelijk is afgeschaft. Straf dus voor godsdienstige overtuigingen wordt beschouwd als de ene klaarblijkelijk en onbetwistbaar onchristelijke daad, zo klaarblijkelijk dat geen bewijsvoering nodig wordt geacht, daar men meent dat het christendom niet wezenlijk bestaat in een leerstelsel van geloofsartikelen, maar in een verdraagzame houding jegens de naaste; en de wereld zou eenvoudig weigeren ook maar in discussie te treden met iemand die zozeer van het fundamentele christelijke gevoel is afgedwaald dat hij zou volhouden dat bestraffing wegens godsdienstige overtuigingen onder bepaalde omstandigheden niet alleen geoorloofd, maar zelfs een werkelijke plicht kan zijn voor christelijke vorsten. En indien de moderne wereld niet met dezelfde verontwaardigde heftigheid, maar eerder met minachting, dergelijke regeringsmiddelen als de Index en de Excommunicatie beschouwt, dan is dit niet omdat zij minder vijandig worden beoordeeld, maar omdat geestelijke en zedelijke straffen uit hun aard als minder ernstig in hun gevolgen worden geacht dan lichamelijke. Een protestant lacht verachtelijk om de excommunicatie, omdat hij niet gelooft dat Petrus kan binden of ontbinden; hij verwelkomt zelfs dat zijn boeken op de Index worden geplaatst, omdat dit hun verkoop en zijn winst doet stijgen; maar pijnbank en ketenen zijn iets geheel anders. Hij is er zeker van dat niemand zijn ziel kan binden of schaden, maar hij is er evenzeer van overtuigd dat zijn lichaam niet op gelijke wijze is vrijgesteld. Voor de moderne geest is Pius V derhalve een treffend voorbeeld van alles wat een christelijk vorst niet behoort te zijn: hij is de reductio ad absurdum van de katholieke aanspraak dat de katholieke godsdienst zeker waar is, niet slechts voor hen die er een smaak voor hebben, maar in zichzelf, eeuwig en absoluut, van de katholieke aanspraak namelijk dat de katholieke godsdienst de Openbaring Gods is, door de eeuwen heen goddelijk bewaard, en niet het resultaat van menselijk redeneren op enkele twijfelachtige beginselen. Want Pius V was vooreerst een inquisiteur en vervolgens excommuniceerde hij koningin Elizabeth. Nu heeft Pius V vele andere dingen gedaan: hij was een religieus en een heilige; hij volgde de Leraar der heidenen na, in veelvuldig vasten, in koude en naaktheid, in gevaren van rovers, in gevaren van valse broeders; hij steeg trap voor trap in zijn orde, waardigheid voor waardigheid in de Kerk, totdat uiteindelijk, in ruimere zin nog dan bij de heilige Paulus, de zorg voor alle kerken op hem rustte. Bovendien houdt een inquisiteur zich niet uitsluitend bezig met het folteren van ketters; en Engeland neemt in de geschiedenis van de christenheid niet zulk een plaats in als het zichzelf toekent; toch is voor de gemiddelde Engelsman al het overige niets tegenover deze twee feiten: Michael Ghislieri, anders genaamd heilige Pius V, was een inquisiteur, en hij durfde de maagdelijke koningin te excommuniceren. Het is daarom nuttig in dit voorwoord deze twee onbetwistbare feiten te behandelen; voor het overige zal het boek zelf voldoende en uitvoerig spreken. Twee grote feiten, waarvan het tweede het gevolg is van het eerste, moeten worden herinnerd wanneer men de Inquisitie in de zestiende eeuw werkelijk wil begrijpen. Ten eerste was de gehele beschaafde westerse wereld veel eensgezinder over de objectieve waarheid van de katholieke godsdienst dan de moderne westerse wereld ooit eensgezind is over enig feit dat niet absoluut bewezen is; en ten tweede rustte de stabiliteit van elk Europees bestuur op deze veronderstelling. De Inquisitie was dus een poging een algemeen aanvaarde waarheid te beschermen waarvan men meende dat het geestelijk heil van de wereld geheel afhing; en de straffen die volgden, van burgerlijke zijde, aangezien het de staat was en niet de Kerk die in uiterste gevallen de ketterij met de dood strafte, werden opgelegd om die samenleving te beschermen die daadwerkelijk van die godsdienstige grondslag afhankelijk was. Men achtte het toen niet onverdraagzaam een ketterse leider het zwijgen op te leggen, hem te gevangenzetten en zelfs, in geval van opzettelijke en herhaalde geestelijke misdaad, ter dood te brengen, evenmin als men het in onze dagen onverdraagzaam acht opruiende redevoeringen te bestraffen, opruiende geschriften te vernietigen of een anarchist ter dood te brengen wiens bom een kind heeft gedood. Men kan zelfs zeggen dat beide gevallen vrijwel gelijk zijn, aangezien in beide gevallen de samenleving met verschillende graden van strengheid, tot de dood toe, diegenen straft die haar bestaan bedreigen. Het is niet meer en niet minder onverdraagzaam voor een inquisiteur zuiver theoretische geschriften tegen het geloof te onderdrukken dan voor een magistraat prentbriefkaarten te verbieden die schadelijk voor de zeden worden geacht. Evenmin is het meer of minder onverdraagzaam wanneer een inquisiteur tracht door lichamelijke foltering tot de waarheid te komen dan wanneer een aanklager tracht door geestelijke druk in de getuigenbank bewijs te verkrijgen dat zijn zaak dient, of wanneer een rechercheur door zware ondervraging hetzelfde doel nastreeft, tenzij men zou menen dat het lichaam heiliger en onaantastbaarder is dan geest en ziel. Dit is dus de stand van zaken. Indien onze moderne bestuurswijze juist is op grond van haar beginsel dat de samenleving moet worden beschermd zelfs ten koste van het individu, dan waren ook de methoden van de zestiende eeuw juist op grond van hetzelfde beginsel. Het verschil ligt hierin dat men toen de geest en de ziel als heilig beschouwde en het lichaam als van minder belang, terwijl men nu geneigd is zichzelf eerder als dierlijk dan als geestelijk wezen te zien; daaruit vloeien de moderne vooruitgang en het moderne denken voort. Als beheerder van een stelsel dat door het gehele christendom van zijn tijd werd goedgekeurd, een stelsel dat, zolang de samenleving zich gerechtigd acht haar bestaan te verdedigen tegen ontwrichtend individualisme, altijd in wezen aanwezig zal blijven onder wisselende vormen en beginselen, zo vervulde Michael Ghislieri het ambt van inquisiteur zorgvuldig en gewetensvol. De tweede aanklacht tegen hem, namelijk dat hij koningin Elizabeth excommuniceerde, moet in twee of drie opzichten worden ontleed, wil zij worden begrepen, gerechtvaardigd en verklaard. Vooreerst is het duidelijk dat voor die geesten die elke excommunicatie als onrechtvaardig beschouwen, dat wil zeggen voor hen die zich een gemeenschap kunnen voorstellen, zelfs een goddelijke gemeenschap, zonder werkelijke bindende en afdwingbare regels, het vanzelfsprekend onmogelijk is het handelen van de paus te rechtvaardigen. Maar voor die meer bezonnen geesten die inzien dat elke gemeenschap, hetzij menselijk hetzij goddelijk, gebonden moet zijn aan grenzen waarvan de overtreding met uitsluiting moet worden beantwoord, en die erkennen dat excommunicatie in bepaalde gevallen een noodzakelijke straf is, herleidt de vraag zich tot twee punten: heeft Elizabeth deze grenzen overtreden en, zo ja, heeft Pius V terecht of ten onrechte zijn bul uitgevaardigd, had hij misschien nog enige tijd moeten wachten in de hoop het afgedwaalde schaap terug te winnen alvorens haar formeel buiten de kudde te verklaren. Wat het eerste punt betreft is het moeilijk te zien wat Elizabeth nog meer had kunnen doen om haar volledige en definitieve afscheiding van de Heilige Stoel door eigen weloverwogen en herhaalde daden te tonen. Zij had de plechtigste beloften afgelegd aan haar zuster en voorgangster dat zij trouw zou blijven aan de katholieke godsdienst, zij werd gekroond met katholieke riten, en nauwelijks was de zalfolie op haar voorhoofd en handen opgedroogd of zij begon elke belofte die zij had gegeven te herroepen. Een van haar eerste openbare daden was het verbieden van de verheffing van de Hostie in haar tegenwoordigheid, die hoogste plechtigheid die het centrale teken vormt van de centrale daad van de katholieke eredienst. In 1559 liet zij de oude Act of Supremacy van 1535, de wet die aanleiding was geweest tot het martelaarschap van mannen als de zalige John Fisher en de zalige Thomas More, opnieuw afkondigen met slechts enkele onbeduidende wijzigingen, terwijl de kern, namelijk de uitdrukkelijke verwerping van het recht van de opvolger van Petrus om de schapen van Christus te weiden, ongewijzigd bleef. En toch was het pas in 1570, na elf jaren waarin Elizabeth onbevreesd en meedogenloos de sterke protestantse beginselen die zij bij het begin had verkondigd verder uitwerkte, dat Pius V haar uiteindelijk verklaarde te zijn wat zij zelf beweerde te zijn, een verbannene uit de katholieke kudde en een ongehoorzame dochter van de Plaatsbekleder van Christus. Deze bul bevatte bovendien de uiteenzetting van dat uitgangspunt waarop de gehele Europese soevereiniteit rustte, namelijk dat een vorst die in opstand kwam tegen de Vader der vorsten en koningen niet langer aanspraak kon maken op de trouw van zijn onderdanen. Dit hield geenszins in dat haar dood door een particulier werd toegestaan of zelfs maar aangemoedigd, zoals soms is verondersteld, maar stelde slechts vast dat zij die bijzondere heiligheid van de gezalfde des Heren had verloren en dat haar bevelen niet langer in geweten bindend waren voor hen over wie zij geen rechtmatig gezag meer bezat. Want dit was de leer van de christelijke staten: vorst na vorst, in land na land, had dit beginsel even vrij aanvaard als de paus het verkondigde, en het was de eenvoudige herbevestiging van deze oude en algemeen erkende aanspraak die de kern vormde van deze daad van Pius. Wat betreft de verdere vraag of het niet beter ware geweest deze krachtige maatregel nog enige tijd uit te stellen, is weinig toe te voegen. Gedurende meer dan elf jaren had Rome gewacht en in deze periode waren herhaalde oproepen tot Elizabeth gericht, door particulieren, door katholieke vorsten en door de paus zelf, die haar door raad, geduld, uitleg, alsook door rechtstreeks betoog en gebed smeekten haar weloverwogen besluit te heroverwegen om de wond die Maria had getracht te genezen opnieuw open te rijten. Elf jaren vormen een lange tijd in het leven van een mens en kunnen, zoals in dit geval, een beslissend ogenblik zijn in het leven van een volk. Het is ondenkbaar dat iemand die geloofde de macht van Christus op aarde te vertegenwoordigen nog langer had kunnen talmen met zulk een besluit zonder zijn oprechte streven om een getrouw herder van Christus’ kudde te zijn in gevaar te brengen. Want de excommunicatie, zo moet worden herinnerd, is geen definitief of onherroepelijk vonnis, nog minder een verklaring dat de ziel van de schuldige onherstelbaar verloren is, maar slechts een streng oordeel zoals God zelf uitspreekt over hen die tegen Hem opstaan, zoals Christus zelf sprak tegen de ongelovigen en hardnekkigen, een laatste beroep door middel van vrees op hen die door goedheid niet zijn bereikt, een ontneming van eer en voorrechten opgelegd aan iemand die alle aanspraak daarop heeft verloren en zelfs verworpen. Zo moet Pius V worden beoordeeld als iemand die zich beschouwde als de Plaatsbekleder van Christus, als zodanig werd erkend door een eensgezinde christenheid en die van oudsher hulde had ontvangen van vorsten zowel als van hun volkeren. Wanneer dit gemeenschappelijk geloof oplost in de particuliere overtuigingen van individuen, wanneer men niet langer meent dat er op aarde een gezag bestaat dat groter is dan dat van een volksheerschappij, wordt een juist oordeel over de pausen onmogelijk, want wanneer ieder mens zijn eigen paus is en zich tegelijk van zijn eigen feilbaarheid bewust blijft, durft niemand zijn naaste te excommuniceren. Maar het oordeel dat de Kerk die hij zo moedig bestuurde heeft uitgesproken over hem die in tijden van bijzondere beproeving zich niet schaamde voor het Evangelie van Christus en die de apostolische macht even moedig opeiste als hij apostolisch geduld betrachtte, dat oordeel is eenmaal en voorgoed uitgesproken.
Father Robert Hugh Benson
De voorbeeldige novice (1504–1528)
De wolkeloze hemel en de brandende middagzon van de vroege zomer in Italië, een kleine kudde schapen die het korte gras afgraast langs de weg aan de rand van het bos, in de schaduw van een grote boom een aandachtig ogende jongen, zijn gebogen hand boven de ogen, die ernstig de stoffige, verblindende weg opstaart naar twee witgeklede gestalten die naderen, dominicaanse broeders op weg naar huis langs het kleine dorp Bosco dat daar beneden tussen de bomen verscholen ligt. Deze herdersjongen was Michael Ghislieri, de latere dominicaan, kardinaal, paus en heilige, de man die in het besturen van de christenheid haar tot in haar diepten zou beroeren en de loop van de geschiedenis zou wijzigen. Michael Ghislieri werd geboren en gedoopt op 17 januari 1504, het feest van de heilige Antonius abt, in het kleine dorp Bosco nabij Alessandria, een stad ongeveer halverwege tussen Turijn en Genua, in het hertogdom Milaan en het bisdom Tortona. Zijn ouders waren, hoewel zeer arm, van oud en edel geslacht. Zijn vader Paolo was kleinzoon van Sebastian Ghislieri, die in 1445 met zijn gehele familie uit Bologna werd verdreven door een hard besluit van de senaat tijdens een burgeroorlog. Om politieke redenen verbannen, trokken sommigen van de familie naar Rome, terwijl de anderen zich verspreidden, en Antonio, de oudste zoon, zich te Bosco vestigde als kleine landeigenaar, daar vrijwel niets van het familiefortuin was overgebleven. Van Michaels moeder Domenica Augeria weten wij slechts dat zij voor haar kleine zoon alles was wat een goede moeder behoort te zijn, dat zij hem zodra hij kon spreken leerde de heilige namen van Jezus en Maria te stamelen, dat zij hem van zijn vroegste jeugd een grote liefde tot Onze Lieve Vrouw inprentte en hem leerde standvastig en ijverig te zijn in het gebed. Zij leefden in grote armoede, want Paolo bezat slechts een kleine wijngaard en een kudde schapen, maar hun afkomst was bekend en de familie werd bemind en geëerd. Het kleine huisje was een gelukkig tehuis, zo gelukkig en zo arm dat een oude schrijver het heeft vergeleken met de stal van Bethlehem. Reeds van zijn vroegste jeugd af hield Michael ervan alleen te zijn, en het luidruchtige spel van de dorpskinderen gaf hem in het geheel geen vreugde, zijn grootste genoegen was in de kerk te zijn, waar hij geregeld bad, ’s morgens en ’s avonds, mediterend en dagelijks de Mis horend. Nooit ging hij de deur van de kerk voorbij zonder binnen te treden om enige ogenblikken door te brengen in de tegenwoordigheid van zijn Schepper. De grondslagen van het geestelijk leven van de heilige Pius V werden gelegd aan de knie van zijn moeder en in de oude kerk van Bosco. Geen wonder dat gedurende heel zijn leven zijn tederste herinneringen zich richtten op het kleine, onbekende dorp. Wanneer Michael niet in de kerk was, bevond hij zich op school, want hij dorstte naar kennis. Gebed en studie waren voor hem de enige dingen die het leven waard waren, en zijn ouders waren wijs genoeg om de neigingen van deze jongen, die niet was als andere jongens, niet tegen te werken of te onderdrukken. Toen zij hem op twaalfjarige leeftijd met tegenzin van school moesten nemen om te helpen op het kleine bedrijf, had Michael waarschijnlijk alles geleerd wat zijn meester hem kon bijbrengen, maar het was hem een groot verdriet te vertrekken. Zijn ouders, vooral zijn moeder, verlangden ernaar hem naar het college te zenden, maar het was onmogelijk, zij waren te arm. Michael moest zich voorbereiden op een ambacht zodra de andere kinderen oud genoeg zouden zijn om op de schapen te letten en in de wijngaard te helpen. Zijn vader stelde hem enkele plannen voor, maar de jongen smeekte hem geen beslissing te nemen over zijn roeping gedurende een jaar of twee. Intussen hoedde hij de schapen van zijn vader en bracht vele uren door in gebed, onafgebroken de rozenkrans biddend, waartoe hij altijd een grote devotie heeft gehad. In zijn hart had hij reeds besloten het religieuze leven te omhelzen. Hij had geen liefde voor de wereld, zijn enige verlangen was God te dienen door gebed en studie in het habijt van een der grote orden, al wist hij nog niet welke, want hij kende er geen en er was geen klooster te Bosco. En Onze Lieve Vrouw, tot wie hij bad en die hij later als opperherder van Christus’ heilige Kerk zozeer zou verheerlijken als Hulp der Christenen, liet hem niet in de steek. Maar het duurde meer dan twee jaren alvorens, terwijl hij onder een grote boom zijn rozenkrans bad, omringd door zijn schapen, hij de twee dominicanen zag naderen zoals eens de engelen tot Abraham kwamen onder de eik. Michael liep hun tegemoet, hij begreep dat dit zijn gelegenheid was, maar zijn fijngevoelige schroom overmande hem bijna en hij sprak hen bedeesd aan, doch zo eerbiedig en oprecht dat zij eerst door zijn houding en daarna door zijn persoon getroffen werden. Zij stelden hem vragen en hij vertelde hun eenvoudig zijn levensverhaal en vroeg hun of zij het mogelijk achtten dat hij ooit in een orde zou treden. De twee broeders waren diep bewogen, de jongen toonde zulk een eenvoud, oprechtheid, rechtschapenheid en onschuld dat zij zich sterk tot hem aangetrokken voelden. In het gesprek dat volgde werden zij zo getroffen door zijn antwoorden, door zijn duidelijke gaven van verstand zowel als van hart, en door zijn engelachtige voorkomen, waarvan iedere levensbeschrijver uitdrukkelijk spreekt, dat zij hem aanboden, indien hij de toestemming van zijn ouders kon verkrijgen, hem met zich mee te nemen naar hun klooster te Voghera, zeven mijl verder, waarheen zij thans terugkeerden, en waar zij beloofden voor hem te zorgen, hem te laten studeren naar hartelust en, indien hij een goede en ijverige leerling was, hem na verloop van tijd het witte habijt van de heilige Dominicus te geven. Michaels hart liep over, dit was het antwoord op zijn gebed. Hij snelde naar huis en smeekte zijn vader en moeder op de knieën hem hun toestemming te geven. Misschien werden zij overweldigd door de vurigheid van hun zoon, misschien hadden zij, daar de tekenen van roeping zo duidelijk waren, reeds lang uitgezien naar een dergelijk offer. Zij stemden toe met tranen maar met vreugde, en de moeder omhelsde haar zoon, hetzij voor de laatste maal, hetgeen de geschiedenis ons niet zegt, in ieder geval voor tien jaren. De dominicanen wachtten hem onder een boom juist buiten het dorp. Hij liep naar hen toe, zich dikwijls omkerend om te wuiven, terwijl zijn moeder hem ongetwijfeld nakeek totdat hij uit het gezicht verdween, toen hij met zijn nieuwe vrienden naar Voghera vertrok, met vaste en lichte tred, een plooi van het habijt van een der broeders vasthoudend. Hij was nog geen veertien en een half jaar, groot voor zijn leeftijd, slank, met een fijn getekend gelaat en heldere ogen, vol verstand, geestdrift en ijver. Vanaf het ogenblik van zijn intrede in het klooster te Voghera, waar de prior hem met waarlijk vaderlijke goedheid ontving, kon Michael zich geheel overgeven aan zijn twee grote verlangens, zich geheel aan God te wijden in de orde van de heilige Dominicus en te studeren. Iedereen in het klooster had de knappe, innemende en bescheiden jongen lief, die zo hard werkte en zo gretig de geest van de orde in zich opnam. Hoewel Voghera geen noviciaat was, werd een pater speciaal aangewezen om hem Latijn te leren en hem in geestelijke zaken te onderrichten. En Michael zelf, biddend en studerend naar hartelust, dagelijks meerdere Missen dienend, waartoe hij een grote devotie had, en zich bewegend in het zonnige en rustige klooster, was volkomen en in alle rust gelukkig. Waarschijnlijk heeft hij deze twee jaren en zijn daaropvolgend noviciaat beschouwd als de gelukkigste tijd van zijn leven. Hij maakte er zulk een goed gebruik van dat in 1520 de prior meende dat de tijd gekomen was dat zulk een ijver beloond moest worden. Een oude Franse schrijver spreekt over de vurige begeerte van de jongen om alles te leren wat hem kon helpen een predikbroeder te worden. Hij had de Latijnse taal volkomen meester gemaakt en zijn geliefkoosde studie was het goddelijk officie, dat hij altijd heeft bemind. Waarschijnlijk was het in de maand mei dat hij het heilig habijt ontving uit de handen van de prior van Voghera, in de kloosterkerk van Onze Lieve Vrouw van Smarten. Hij verzocht zijn doopnaam te mogen behouden. Het was toen gebruik dat de novice-broeder aan zijn eigen naam die van het dorp of de stad toevoegde waaruit hij afkomstig was. De provinciaal stelde Michael de vraag. Ik ben uit Bosco, zei de jongen. Maar niemand heeft ooit van Bosco gehoord, riep de provinciaal, gij moet Alexandrinus heten, daar gij uit de omgeving van Alessandria komt. Deze naam behield de heilige broeder gedurende zijn gehele leven, tot aan zijn verheffing tot het pausschap. Reeds de volgende dag werd hij gezonden naar Vigevano, het noviciaat van de dominicaanse provincie Lombardije, niet ver van Voghera en zeven mijl van Milaan. Nooit werd een novice gezien die nederiger, gehoorzamer, bescheidener was, een grotere liefhebber van gebed, afzondering en boetedoening. Hij was geheel ernstig in zijn streven. In het professieboek van Vigevano staan deze woorden Frater Michael Ghislierius Alexandrinus de terra Boschi die 18 Maii 1521 fecit solemnem professionem in manibus P. Jacobini de Viglevano nomine conventus Vogheriensis. Na zijn professie bleef hij korte tijd te Voghera alvorens het werk te beginnen van het onderrichten van anderen, waarvoor de vaders van de orde hem in bijzondere mate geschikt achtten. Het was een moeilijke tijd voor Italië. Verscheurd door buitenlandse en burgeroorlogen was het een gemakkelijke prooi voor godsdienstige verdeeldheid en zelfs ketterij, vooral in Lombardije, zijn geboorteland. Opgegroeid te midden van oorlog en bloedvergieten had hij ongetwijfeld reeds als kind gehoord van de gevreesde Cazzari of Patareni, dezelfde als de Albigenzen in Frankrijk, tegen wie de heilige Dominicus zo krachtig had gestreden met dat eenvoudige wapen, de heilige rozenkrans. Hij moet ook gehoord hebben van de nieuwe protestantse denkbeelden die reeds Zwitserland hadden aangetast en nu vele streken van Noord-Italië bedreigden. Michael, een waar zoon van de heilige Dominicus, besloot zich waardig voor te bereiden op de strijd tegen de ketterij. Met zulk een ernst studeerde hij en zo veelbelovend was hij als leerling dat zijn oversten hem niet alleen naar de beroemde universiteit van Bologna zonden om zijn graden in de theologie en wijsbegeerte te behalen, maar hem daarna onmiddellijk aanstelden tot professor in de wijsbegeerte voor de provincie. Dezelfde vaders die zijn leidslieden waren geweest beschouwden hem nu als hun voorbeeld. Zijn lessen werden druk bezocht. Hij zocht niet alleen de wijsbegeerte te onderrichten, maar de geesten van zijn leerlingen tot het hemelse te verheffen, en dit deed hij nog meer door zijn voorbeeld dan door zijn welsprekendheid. Ook toen reeds, evenals later, was hij een levende vervulling van de woorden waar uw schat is daar zal ook uw hart zijn. Na zijn cursus in de wijsbegeerte, overeenkomstig het gebruik van de orde, werd hij professor in de theologie tot grote vreugde van de religieuzen van de provincie, en dit ambt bekleedde hij zestien jaren. Hij behandelde de goddelijke wetenschap op goddelijke wijze, zegt een oude schrijver, steeds de doornen van de studie vermengend met de doornen van Calvarië en zijn leerlingen leidend tot de voet van het kruis. Zo verliepen de volgende jaren van zijn leven in de kloosters van Fermo, Pavia, Ravenna en Reggio. Na de lagere wijdingen te hebben ontvangen, samen met het subdiaconaat en diaconaat, werd Michael door zijn oversten opgedragen zich voor te bereiden op het priesterschap. Toen hij dit vernam schreef hij een lange en nederige brief aan de provinciaal, waarin hij zijn eigen onwaardigheid en ongeschiktheid uiteenzette voor een staat die zulk een bovennatuurlijke zuiverheid en heiligheid vereist dat zelfs de engelen ervoor zouden kunnen terugschrikken. Maar zijn ernstige smeekbede bevestigde slechts zijn oversten in hun besluit. Na de lange retraite ter voorbereiding op zijn wijding, waarin hij plechtig het offer vernieuwde dat hij van zijn gehele wezen aan de almachtige God had gebracht in de orde van de heilige Dominicus, ontving hij het priesterschap te Genua in het begin van het jaar 1528, met de liefde en nederigheid van een heilige. Hij was in zijn vijfentwintigste levensjaar. Hij was sinds de dag dat hij Bosco had verlaten tien jaar tevoren niet meer thuis geweest en had zijn ouders niet gezien, en de provinciaal wenste met fijngevoelige goedheid dat de jonge priester zijn eerste Mis zou opdragen in de oude parochiekerk van zijn geboortedorp. Pater Michael begaf zich terstond vol vreugde te voet op weg naar Bosco. Hij stelde zich het oude huis voor, de ontmoeting met zijn moeder, zijn eerste Mis aan het altaar waar hij voor het eerst de heilige Communie had ontvangen. Hij vond het dorp, of wat ervan over was, door de Franse troepen enkele maanden tevoren tot de grond toe verbrand, zijn kleine huis half verwoest, de kerk ontwijd en zonder dak, alle bewoners waren gevlucht, dit was zijn thuiskomst. Was het om zijn moedige ziel nog dieper de les van onthechting te leren, hij aanvaardde de slag zonder een klacht. Toen hij vernam dat zijn familie en vrienden hun toevlucht hadden gezocht in het kleine dorp Sezze, op enkele mijlen afstand, ging hij hen daarheen zoeken over de vertrapte en verlaten velden. In Sezze, in de kleine kerk die het lot van Bosco was ontgaan, vierde hij voor het eerst onder zijn eigen volk de heilige geheimen, wellicht in tegenwoordigheid van zijn vader en moeder, terwijl de paus nog gevangene was van de keizer te Rome en verschrikkelijke verhalen van oorlog en ellende overal werden verteld. Maar in de jonge priester die bij het aanbreken van de dag aan het altaar van de kleine kerk van Sezze stond, verwekte God een man naar Zijn hart, iemand die krachtens zijn goddelijke zending het gezag van de Kerk tegenover machtige vorsten zou doen gelden en het rijk van Christus zou besturen zonder vrees of aanzien des persoons.
De voorbeeldige prior (1528–1543)
Pater Michael werd na zijn terugkeer te Vigevano gezonden naar het klooster te Pavia als novicemeester en lector over de Summa van de heilige Thomas. Van toen af was hij nauwelijks één dag zonder ambt. Behalve zijn jaarlijkse retraite, die hij tot het laatste jaar van zijn leven nooit naliet te houden, stond hij zich geen enkele rustdag toe te midden van zijn steeds toenemende verplichtingen. De volgende vijftien jaren van zijn leven bracht hij door in verschillende kloosters van zijn orde. Viermaal werd hij tot prior gekozen, eerst te Vigevano, waar men zijn geschiktheid voor dit ambt goed kende, vervolgens te Soncino, daarna opnieuw te Vigevano, vanwaar hij werd overgeplaatst naar het belangrijke prioraat van Alba, waar de dominicanessen van het nabijgelegen klooster hem zo dringend verzochten hun geestelijke leidsman te worden dat pater Michael, na een beroep op de provinciaal, zich genoodzaakt zag toe te stemmen. De kloosters, zegt een oude Italiaanse schrijver, wachtten met ongeduld hun beurt af om hem tot hun overste te krijgen. Pater Michael had er veel meer de voorkeur aan gegeven een eenvoudige broeder te blijven. De verantwoordelijkheid joeg hem schrik aan. Hij vertrouwde eens aan een vriend toe dat hij, indien het mogelijk was geweest zonder zich tegen de wil van God te verzetten, nooit enige waardigheid zou hebben aanvaard. Soms zei hij dat hij minder vrees zou hebben om inquisiteur te zijn dan prior. Indien de eer van God en mijn plicht mij niet weerhielden, zou ik heden nog afstand doen om de zaligheid van mijn ziel te verzekeren en deze verantwoordelijkheid van mij af te werpen waarvoor zelfs de engelen zouden kunnen terugdeinzen. Toch bestond er geen twijfel dat hij de aangewezen man voor dit ambt was, misschien juist omdat het hem waarachtig leed veroorzaakte. Zijn fijngevoelige natuur, steeds gevoelig en gespannen, met een zekere verfijnde zin voor humor, leed sterk onder een vijandige sfeer, onder bedekte of openlijke tegenstand. Dingen die door een ruwer karakter geheel onopgemerkt zouden zijn gebleven of met minachting terzijde zouden zijn geschoven, werden voor hem een werkelijke kwelling, of zouden dit zijn geweest indien hij aan de natuur had toegegeven. Want zijn bestuur, hoewel mild, was streng tot gestrengheid toe en wekte ongetwijfeld kritiek. Deze overheersende trek van zijn karakter, de vereniging van grote kracht met engelachtige zachtheid, was het tweesnijdend zwaard dat een zo machtig wapen zou worden in de wapenrusting van de Kerk, in de handen van de almachtige God. Al zijn levensbeschrijvers spreken over de buitengewone geestelijkheid van pater Michael en zijn klaarblijkelijke heiligheid. Hij scheen te leven in de voortdurende tegenwoordigheid van God. Zonder in enig opzicht buiten de Regel te gaan, onderhield hij deze zo letterlijk en nauwgezet, zowel naar geest als naar letter, dat wordt getuigd dat men hem nooit in enig punt heeft zien tekortschieten. In deze volmaaktheid lag zijn geest van versterving. De Regel als middel tot zijn doel beschouwend, onderhield hij haar met een nauwkeurigheid die hem tot een waardig voorbeeld maakt voor alle zonen van de heilige Dominicus. Hij was een idealist en werkte krachtig om de kloosters waarover hij gesteld was naar dit ideaal te vormen. Voor de armen was zijn liefde zonder grenzen. Men noemde hem de heilige Bernardinus, naar de grote franciscaan, wiens nagedachtenis na honderd jaren nog levendig was in het land. Aan zijn religieuzen predikte hij meer door voorbeeld dan door woord. Steeds stipt op het uur aanwezig voor het goddelijk officie in het koor, gaf hij nooit toestemming aan zijn broeders om afwezig te zijn, behalve bij ernstige ziekte of om een dringende daad van naastenliefde. Lichte ongesteldheden achtte hij geen voldoende reden. Zijn eigen gezondheid was zwak, maar zijn plaats bleef nooit leeg. Zonder het goddelijk officie, zo zei hij dikwijls, bestaat er noch godsvrucht noch religie, ja zelfs geen tijdelijke zegen voor onze kloosters, maar waar het Opus Dei wordt geëerd, daar ontbreekt niets in onze huizen. Hij maakte nooit gebruik van de dispensaties van de Regel die gewoonlijk aan predikers en leraren werden toegestaan, hij noemde ze zelfs verzachtingen die slechts de natuur aanmoedigen om zich tegen de geest te verzetten. Zonder matigheid kan er geen kuisheid zijn, placht hij te zeggen, en een religieus moet slechts voedsel nemen om de kracht te bewaren die nodig is om zijn plichten te vervullen. Hij dronk zelden wijn en wanneer hij daartoe verplicht werd, mengde hij die met water. Nauwgezet onderhield hij de lange vasten van de orde. Gedurende zijn gehele leven, zo hebben zijn biechtvaders getuigd, heeft hij de onschuld van het doopsel bewaard. Hij noemde het innerlijk gebed de meest doeltreffende weg tot kennis, hoe meer een ziel met God verenigd is, des te geschikter wordt zij om goddelijke verlichting te ontvangen, die de kennis en wetenschap in de heiligen vormen en ontwikkelen. Godsvrucht en wetenschap zijn de twee bronnen waaruit de religieuzen moeten drinken, zonder deze verdorren hart en verstand en worden zij onvruchtbaar, verstoken van alle innerlijke zalving. Gelijk onze heilige vader Dominicus bracht hij de dag door met arbeiden voor de zielen en het grootste deel van de nacht in gebed. Lezen en studie waren zijn voornaamste ontspanning. Dagelijks las hij de levens van de heiligen, vooral dat van de heilige Dominicus, waarin hij gaarne naar voorbeelden zocht. Tot de heilige Thomas van Aquino had pater Michael een grote devotie, hij bestudeerde ijverig de werken van de engelachtige leraar evenals die van de oude vaders en leraren der Kerk. Hij verliet het klooster nooit tenzij voor zaken van de gemeenschap of voor een priesterlijke plicht. Ook stond hij niet gemakkelijk toe dat degenen die onder zijn zorg stonden buiten de clausuur gingen, vooral de jonge religieuzen niet. Deze maatregel, zegt een Franse schrijver, die streng kan schijnen, was voor hen die onder zijn leiding stonden een oorzaak van grote geestelijke vooruitgang. Hij vergeleek een religieus buiten zijn klooster met een vis buiten het water, laat men hem lang genoeg op de oever dan sterft hij. Gelijk zout oplost wanneer het in het water wordt geworpen en daarin ononderscheidbaar wordt, zo neemt de religieus, die door de genade Gods het zout der aarde is, met noodlottige gretigheid de beginselen en de geest van de wereld over wanneer hij zijn tijd begint door te brengen met vele onnodige bezoeken. Hoe streng hij ook was voor hen die dispensaties zochten, nog strenger was hij voor zichzelf. Tijdens zijn tweede prioraat te Vigevano, zeven mijl van Milaan, benoemde de gouverneur van die stad hem tot zijn biechtvader en aalmoezenier. Het kostte hem zes uren om heen en terug te gaan, want hij ging altijd te voet. Tevergeefs smeekten zijn broeders hem een dikke mantel te kopen om zich te beschermen tegen de koude en de regen van de winter, wanneer hij volgens zijn wekelijkse gewoonte naar het paleis te Milaan ging. Het is nauwelijks de moeite waard armoede te belijden indien men zich even gemakkelijk kleedt als de mensen van de wereld, antwoordde hij glimlachend, en hij gaf elke soldo van de aalmoezen van de hertog aan de armen zonder aan zichzelf te denken. Hij wilde nooit te paard gaan, hoewel hij dikwijls uitging om te prediken in ver afgelegen steden of naar de provinciale kapittels. Hij reisde te voet als een eenvoudige religieus, zijn bundel op de rug dragend en nauwelijks sprekend met zijn metgezel behalve nu en dan over hemelse dingen, naar het voorbeeld van de heilige Dominicus. Hij beleed dat hij het klooster slechts met tegenzin verliet. Terwijl zij gingen baden zij de rozenkrans, steeds de geliefde devotie van de toekomstige paus. Van zijn buitengewone moed en beleid kunnen twee voorbeelden worden gegeven. Beide vonden plaats tijdens zijn bestuur van het prioraat van Alba. Het land, zoals gewoonlijk door de oorlog tussen Frankrijk en het keizerrijk verwoest, werd geteisterd door benden soldaten die, zonder soldij en zonder aanvoerder, genoodzaakt waren te plunderen en te stelen om voedsel en onderdak te verkrijgen. Een bende van deze ruwe mannen verscheen op zekere dag voor de poort van het klooster der zusters te Alba en dreigde de deuren open te breken. Gelukkig bevond de prior zich binnen. Hij trad naar buiten, liet de poort achter zich sluiten en sprak, als een tweede Leo, de wetteloze menigte toe met zulk een vuur en kracht dat zij, beschaamd over zichzelf, zich omkeerden en afdropen. Het andere voorval speelde zich af bij het klooster zelf. Driehonderd Franse soldaten, door honger gedreven, kwamen aan de poort om te plunderen en te verwoesten. Opnieuw trad de heilige prior naar buiten, en zijn zachtmoedig hart werd diep bewogen door hun ellendige toestand. Hij vroeg wat zij verlangden. Voedsel en onderdak, antwoordden zij met vloeken en dreigementen. Luistert, sprak de moedige dominicaan, wat zult gij winnen indien gij het klooster plundert en ons allen doodt, niets dan de schuld van moord, want wij hebben slechts voedsel voor één dag in huis, volgt mijn raad en wordt mijn gasten, neemt voor een tijd onze levenswijze aan, zit met ons in de refter waar wij u geven wat wij zelf hebben, en wandel met ons in het klooster, aanvaard de gastvrijheid die een arm klooster kan bieden. De verharde mannen, tot wie zulke woorden nooit waren gericht, staarden naar de witgeklede figuur in de poort en naar elkander, en legden toen hun wapens neer en volgden hem één voor één in stilte naar binnen. Drie maanden lang verbleven zij in het klooster te Alba, zij aten het eenvoudige voedsel van de broeders in de refter, luisterden zwijgend naar de geestelijke lezing en gedroegen zich over het algemeen met grote orde. Daarna kwam een andere bende van hun makkers om te plunderen en tevens te vernemen wat er met de eerste groep was gebeurd. Deze sprak de prior streng toe. Hier is niets, riep hij, drie maanden hebben wij driehonderd van uw kameraden gevoed met het beste wat wij hadden, is zelfs de Kerk niet veilig voor uw beledigingen, indien katholieken, die onze verdedigers moeten zijn, ons zo behandelen, wat moeten wij dan van onze vijanden verwachten. Een man antwoordde nors dat de prior wel met veel vrijmoedigheid sprak. Ik spreek zoals ik moet spreken, antwoordde de onverschrokken broeder, want ik spreek voor de Kerk. Vervolgens zei hij hun met medelijden dat hij wist hoe hongerig en ellendig zij waren en dat hij zijn best zou doen hen te voeden. Hun kameraden kwamen naar buiten om de nieuw aangekomenen te vertellen wat hun was gedaan, en tenslotte vertrokken zij allen samen, vervuld van eerbied en dankbaarheid voor de moedige man wiens onverschrokkenheid zowel klooster als zusterklooster had behouden. Intussen was in de grote wereld daarbuiten de dreigende storm tot een stortvloed geworden. Overal was oorlog en verdeeldheid, overal verbreidde zich de ketterij, openlijk of verborgen. In 1534 had paus Paulus III eindelijk de bul van excommunicatie tegen Hendrik VIII uitgevaardigd na zijn huwelijk met Anna Boleyn en de ontbinding van de kloosters, waarbij de uiteindelijke aanleiding tot dit pauselijk optreden de ontheiliging en plundering van het heiligdom van de heilige Thomas van Canterbury was geweest. Het gevaar van een Turkse inval tekende zich dreigend af aan de horizon. Op geen der grote Europese mogendheden, allen in naam katholiek maar elk beheerst door eigenbelang, kon de bejaarde paus werkelijk steunen. De steeds stijgende vloed van het calvinisme en de lutherse ketterij in Zwitserland en Duitsland drong geleidelijk maar zeker via Graubünden Noord-Italië binnen. De toestand zag er tegen het einde van de eerste helft van de zestiende eeuw zeer donker uit. In 1542 raadpleegde de paus de kardinalen Caraffa en Alvarez over de beste middelen om deze voortdurende instroom van ketterij tegen te gaan. Beiden adviseerden krachtig de reorganisatie van de Inquisitie, waarvan de heilige Dominicus de eerste bestuurder was geweest. Het hoogste tribunaal zou te Rome gevestigd zijn met plaatselijke afdelingen overal. Te Rome heeft de heilige Petrus de eerste ketter overwonnen, te Rome zal zijn opvolger de ketterijen van onze tijd verdrijven. Op 21 juli verscheen de bul die de Romeinse Inquisitie instelde. Zes kardinalen, waaronder Caraffa en Alvarez, werden aangesteld tot algemene inquisiteurs in zaken van het geloof, met de macht om overal waar zij het nodig achtten inquisiteurs aan te stellen, beroepen te behandelen en predikers, leraren en bevorderaars van ketterij, indien schuldig bevonden, te grijpen, gevangen te zetten, te berechten en te veroordelen. Het Heilig Officie verloor geen ogenblik. Elke stad die verdacht werd kreeg een inquisiteur. Venetië, steeds berekenend, de Zwitserse grens, het merengebied van Noord-Italië, vooral Como, vereisten krachtige en waakzame mannen. In 1543 kwam het provinciaal kapittel van de dominicanen van Lombardije bijeen te Parma. Tot de verenigde vaders richtte de paus een breve waarin hij hen aanspoorde standvastig de ketterij te bestrijden, die zo sluipend was dat zelfs het klooster er niet van vrij bleef. De broeders wensten van pater Michael een weerlegging van deze dwalingen te horen. Hij werd verzocht een stelling te verdedigen bestaande uit dertig proposities, voornamelijk tegen de lutherse ketterij en ter verdediging van het pauselijk gezag. Dit deed hij met zulk een zekerheid in de leer, met zoveel gemak in het oplossen van moeilijkheden en bovenal met zulk een ijver en liefde voor de heilige Kerk, dat de vaders zelf in het geloof werden versterkt, en toen juist op dat ogenblik het Heilig Officie aan de provincie Lombardije verzocht om hun beste man als inquisiteur voor de belangrijke post van Como, benoemde de provinciaal, met de eenparige en verheugde instemming van het gehele kapittel, Michael Ghislieri.
Het Heilig Officie (1543–1557)
Zonder te trachten een verdediging van de Inquisitie te schrijven, kan het nuttig zijn het beginsel te vermelden waarop zij was gegrondvest. Men moet zich herinneren dat wat men in onze dagen godsdienstvrijheid noemt, dat wil zeggen het vermeende recht van eenieder niet alleen in zijn eigen geest te geloven, maar ook zijn eigen opvattingen over de geopenbaarde waarheid te verkondigen en te onderwijzen, hoezeer deze ook in strijd mogen zijn met de leer van de Kerk, in de zestiende eeuw overal geheel onbekend was. Er bestond slechts één Kerk in de christenheid met de paus aan het hoofd. De Kerk werd door allen erkend als een geestelijk rijk, door Christus gesticht, dat onderwijst en bestuurt door Zijn gezag, en allen beschouwden het als de plicht niet alleen van de Kerk maar ook van de wereldlijke overheid om te verhinderen dat ketterij werd gepredikt of door boeken onder het volk verspreid. Alle regering had toen een vaderlijk karakter en daar slechts één Kerk en één geopenbaarde leer werden erkend, werd het beschouwd als hoogverraad tegen God en tegen het gezag van de staat wanneer men toeliet dat valse leer werd verkondigd. Het is wellicht overbodig toe te voegen dat zoals een vaderlijke regering niet het aanvaarde ideaal is van de twintigste eeuw, ook de straffen die men in de middeleeuwen als de onvermijdelijke gevolgen van bepaalde daden beschouwde, thans met afschuw en verbazing zouden worden bezien. De voornaamste beschuldiging die tegen de Inquisitie wordt ingebracht is wellicht dat zij de foltering gebruikte als middel om de waarheid te ontdekken. In bepaalde gevallen deed zij dit, onder nauwkeurig geregelde voorzorgen, maar hetzelfde deden alle beschaafde regeringen ter wereld en wel zonder zulke voorzorgen. De praktijk was sinds de heidense oudheid nooit opgeheven. Het sentimentele humanitarisme dat zich verontwaardigt over de terechtstelling of zelfs de gevangenneming van een misdadiger indien deze maar voldoende belangstelling wekt, was in de zestiende eeuw onbekend. Daar de latere levensloop van de heilige Pius V nauw verbonden is met die van de Romeinse Inquisitie is het goed dit duidelijk te maken. Men verlangt dat wij hem verdedigen tegen hen die hem willen aanklagen als een werkzaam en vooraanstaand lid van een wreed en bloeddorstig tribunaal. Op deze beschuldiging is zijn eigen leven het beste antwoord. Aangesteld in 1543, het jaar na de heroprichting door Paulus III van de Romeinse Inquisitie, als inquisiteur te Como en in de Zwitserse Graubünden, aanvaardde hij deze taak in alle nederigheid, bereid, naar het voorbeeld van de heilige Petrus Martelaar, zijn leven voor het geloof te geven. Zwitserland was toen reeds een brandpunt van ketterij. Colporteurs, beladen met lutherse en andere ketterse boeken, trokken voortdurend over de Italiaanse grens om hun verderfelijke waar onder het eenvoudige bergvolk te verspreiden. Deze boeken waren, zoals te verwachten viel, niet alleen tegen het geloof maar ook tegen de zeden gericht, en daar hun ware aard zorgvuldig verborgen werd en zij zelden openlijk als ketters werden voorgesteld, liepen onwetende katholieken groot gevaar door hen misleid te worden. Tegen deze invoer van boeken voerde de nieuwe inquisiteur een onophoudelijke strijd. Zijn eerste zorg was zich met het terrein van zijn arbeid vertrouwd te maken. Dag en nacht reisde hij, alleen en te voet. Geen stad of dorp achtte hij onbelangrijk, geen ketter ontmoette hij zonder te trachten hem tot het licht der waarheid terug te brengen. Geen spelonk was zo verborgen, zegt een oude schrijver, in die ruwe streken van Graubünden, waarin hij niet was doorgedrongen. Zes jaren lang werkte hij stil en onvermoeid, vaak in gevaar van moord, want hinderlagen en aanslagen werden voortdurend tegen hem beraamd, maar hij ontkwam aan allen, want zijn uur was nog niet gekomen. Hoe groot zijn ijver ook was, hij ging nooit buiten de grenzen van de voorzichtigheid. Maar zijn vurige liefde tot de heilige Kerk bracht hem in scherpe botsing met katholieken zelf. Een der droevigste trekken van zijn verheven levensloop is te zien hoe niet eenmaal maar herhaaldelijk degenen die hem het eerst hadden moeten steunen en zijn gezag bevestigen, zich tegen hem keerden en zelfs beroep deden op de wereldlijke macht. Hun tijdelijke belangen, hun handel, waren geraakt en zij namen dit bitter op. Maar Michael Ghislieri was volkomen onbevreesd en onwrikbaar, ongevoelig voor het oordeel zowel van katholieken als van protestanten. Slechts de eer van God voor ogen doende, verrichtte hij zijn plicht op eenvoudige en grootse wijze, hetzij het ging om het in beslag nemen van een partij ketterse boeken, hetzij om de excommunicatie van een machtige vorstin. In 1549 vernam hij dat een grote zending van een zeer verderfelijk ketters boek in het geheim te Poschiavo was gedrukt en naar Como zou worden gezonden om in stilte te worden verspreid. Soms waren dergelijke smokkelingen gelukt, maar ditmaal was de waakzame inquisiteur tevoren gewaarschuwd. Hij begaf zich naar het huis van de koopman die de boeken had aangevoerd onder het voorwendsel dat het gewone koopwaar was, liet de twaalf balen openen, nam de boeken in beslag en bedreigde de koopman met excommunicatie indien hij zou trachten ze terug te nemen. De zetel van Como was toen vacant, maar de woedende koopman snelde naar de kapittelvicaris om hem te bewegen tussenbeide te komen en deze vermetele dominicaan te gelasten zijn eigendom terug te geven. De inquisiteur weigerde echter het gezag van de vicaris te erkennen, daar Como zich als een stad onder krijgswet bevond, en hij weigerde de boeken terug te geven. Ter rechtvaardiging van de kapittelvicaris mag men aannemen dat hij de ketterse aard ervan niet kende. De koopman had ze echter door geweld of bedrog teruggekregen, en daarop excommuniceerde de onverschrokken inquisiteur de vicaris, het kapittel en allen die de man hadden geholpen ze uit zijn bewaring te halen. Vervolgens zond hij een uitvoerig verslag naar het Heilig Officie, waar zijn optreden eenstemmig werd goedgekeurd en het gehele kapittel van Como naar Rome werd ontboden. Daar de meeste leden tot aanzienlijke of rijke families behoorden, keerde de gehele stad zich tegen de strenge dominicaan, die volgens allen de Zwitserse handel te gronde richtte. Aan Como komt de twijfelachtige eer toe een dominicaanse inquisiteur, een toekomstige paus en heilige, door een katholieke bevolking met stenen te hebben laten bekogelen. Een machtig edelman ging zelfs zo ver hem te bedreigen in een put te werpen. Dat zal geschieden zoals God wil, antwoordde de inquisiteur kalm en ging voort met zijn werk. Het kapittel wendde zich vervolgens tot de wereldlijke overheid, zoals gebruikelijk bij hen die tot de ketterij neigden. De inquisiteur werd gebiedend opgeroepen voor de gouverneur van Milaan te verschijnen. Gewaarschuwd voor een hinderlaag om hem onderweg te doden, koos hij een andere weg en legde de tien mijl in de nacht te voet af, zodat hij ’s morgens te Milaan aankwam. Toen hij voor de gouverneur Gonzaga verscheen, wilde deze hem nog verder vernederen door hem geheel te negeren en hem te laten staan totdat alle andere zaken waren afgehandeld, waarna hij hem een ogenblik toornig aanzag en de zaal verliet. Nauwelijks was dit gebeurd of een vriend van pater Michael snelde naar hem toe met het bericht dat hij op het punt stond gevangen te worden genomen en hem raadde onmiddellijk te vluchten. Hij dankte de edelman, ging naar buiten, verkreeg een muildier en vertrok terstond naar Rome, dat hij na enkele dagen bereikte. Aangekomen in het klooster van Santa Sabina vroeg hij naar de prior. Deze waardigheidsbekleder, indachtig de regel van de orde dat geen broeder ooit zonder bijzondere toestemming naar Rome mocht komen, meende spottend te moeten zeggen wat zoekt gij hier, denkt gij paus te worden, hebben de kardinalen u reeds gekozen. Hierop antwoordde de heilige broeder kalm voor de zaak van Christus ben ik hier en om geen andere reden, ik vraag slechts een korte gastvrijheid en wat hooi voor mijn muildier. Het was de vooravond van Kerstmis 1549, hij was nat, koud en vermoeid, dit was het welkom van de toekomstige paus in de eeuwige stad. Toen de inquisiteur zich voor het Heilig Officie stelde en het verhaal van Como eenvoudig en rechtuit uiteenzette, waren de kardinalen zo getroffen dat de vicaris en de kanunniken van Como, die inmiddels in grote opwinding waren aangekomen, niets vermochten. Enigen van het Heilig Officie zeiden echter tot pater Michael dat hij misschien wat streng was geweest. Niets, riep de onverschrokken dominicaan, kan te streng zijn voor hen die trachten de dienaren van de godsdienst door de wereldlijke macht tegen te werken. Van dit eenvoudige en wezenlijke beginsel liet hij zich door geen enkele overweging, persoonlijk, tijdelijk of stoffelijk, ooit afbrengen. Hij maakte zulk een indruk op het Heilig Officie als volkomen onbevreesd en betrouwbaar dat men hem voortaan voor de belangrijkste opdrachten bestemde. De vicaris en het kapittel van Como werden veroordeeld en gestraft, maar deze zaken maakten de inquisiteur niet bemind bij lauwe katholieken. Toen pater Michael in het voorjaar van 1550 te Rome was, werd een geschil over de verkiezing van een nieuwe bisschop van Chur in Graubünden aan het Heilig Officie voorgelegd en men achtte hem de meest geschikte persoon om deze zaak te beslissen. Het was een van die droevige maar niet zeldzame gevallen waarin een bisdom fel werd betwist tussen twee kandidaten. Dit waren de kanunniken Pianti en Salici, beiden van goede familie, van wie de eerste de meeste stemmen had maar van omkoping werd beschuldigd, van ketterij werd verdacht en een zeer los leven leidde. Pater Michael vertrok te voet naar Chur en daar hij door juist die streek moest gaan waar hij zich zozeer gehaat had gemaakt en waar de ketters talrijk waren, raadde men hem dringend aan zijn habijt af te leggen en zich vermomd te reizen. Hij antwoordde echter op kenmerkende wijze dat hij toen hij het ambt van inquisiteur aanvaardde ook een bijna zekere dood had aanvaard en dat hij om geen heerlijker reden kon sterven dan omdat hij het witte habijt van de heilige Dominicus droeg. Hij trok alleen door Lombardije, gewapend slechts met zijn staf en zijn brevier, en zo groot was het ontzag dat zelfs de ketters voor hem hadden dat hij ongemoeid bleef. Hij bereikte Chur, sprak recht in de zaak, veroordeelde Pianti en stelde Salici als bisschop aan zonder dat ook maar een poging tot aanslag tegen hem werd gedaan. Juist in deze tijd, toen de inquisiteur van Bergamo, een oude en schone stad nabij Como, afwezig was, werd pater Michael eenparig voorgesteld om zijn plaats in te nemen. Wanneer er iemand van buitengewone kracht en energie nodig is, zo zeiden de kardinalen, schijnt Michael de aangewezen man te zijn. Want te Bergamo verkondigde een zekere advocaat, Medolago, openlijk de meest verderfelijke ketterij. Daar hij rijk en machtig was had geen enkele vroegere inquisiteur het gewaagd tegen hem op te treden uit vrees voor moord. Pater Michael volgde deze vrees niet. Nadat hij zich eerst van de ketterse propaganda had overtuigd liet hij Medolago onverwacht grijpen en in de gevangenis werpen. Hij was een overtuigde en hardnekkige ketter, alle pogingen om hem te verlichten bleven vruchteloos. Tenslotte werd hij veroordeeld en naar Venetië overgebracht waar hij in de gevangenis stierf. Maar een nog ernstiger gevaar bedreigde de oude stad. Vittorio Soranzo, bisschop van Bergamo, was in het geheim luthers geworden. Toen pater Michael naar Rome terugkeerde om verslag te doen van de zaak van Medolago werd hij opnieuw naar Bergamo gezonden om deze kwestie te regelen en door paus Julius III bijzonder belast met het toezicht op de bisschop, van wie men wist dat hij een aantal kisten met protestantse boeken in zijn huis had en die openlijk door ketters werd omringd. Het was noodzakelijk krachtig en snel op te treden. Soranzo echter wilde niet worden gadegeslagen en wendde zich tot de senaat. Op 5 december 1550 werd het dominicanenklooster van San Stefano in de nacht omsingeld door een bende moordenaars. De vaders, plotseling gewekt, snelden toe om de inquisiteur te waarschuwen. Altijd bereid tot de dood begaf hij zich naar de kerk om een ogenblik te knielen voor het Allerheiligste Sacrament en vertrouwde vervolgens aan een franciscaanse broeder, die gast was in het klooster, het proces toe dat hij had opgesteld tegen de bisschop, met het verzoek het de volgende dag in het geheim naar een door hem aangewezen plaats te brengen of te zenden. Vervolgens ging hij, zonder zich te verbergen, over de binnenplaats, opende de poort en ontkwam. In de nacht verdwaald vond hij een toevlucht in de hut van een arme landman. De volgende dag ontmoette hij broeder Aurelio op de afgesproken plaats, ontving het proces, zette zijn weg voort naar Rome en meldde zich bij de kardinalen van het Heilig Officie, die vol lof over hem waren. De bisschop van Bergamo werd gegrepen, naar Rome gebracht en opgesloten in de Engelenburcht, waar hij door toedoen van pater Michael werd overtuigd van het aanhangen van ketterse leer en van het verspreiden daarvan onder zijn kudde. Hij werd afgezet, verbannen en stierf in zijn geboortestad Venetië in 1558. In juni 1551, kort nadat de grote dominicaan voor de tweede maal uit Bergamo naar Rome was teruggekeerd, overleed de commissaris-generaal van de Inquisitie, pater Tropaeus, die dit ambt sinds 1542 had bekleed. De generaal-overste van de orde legde aan het Heilig Officie de namen voor van verschillende geschikte opvolgers, maar kardinaal Caraffa, die pater Michael reeds lang had gadegeslagen, zag hierin een gelegenheid om zijn diensten blijvend te Rome te behouden en droeg hem voor, waarna hij eenstemmig werd gekozen, want, zo zei Caraffa tot de paus, hij was een dienaar van God, waardig de hoogste eer en de verhevenste waardigheden. Met tegenzin en in nederigheid aanvaardde de heilige dominicaan uit gehoorzaamheid dit belangrijke ambt. Hij had in zijn klooster van Santa Sabina gewoond, maar Caraffa verkreeg nu toestemming hem in zijn eigen paleis te laten verblijven. Daar leefde de nieuwe commissaris-generaal als een eenvoudige religieus, zonder zich enige verzachting te veroorloven in voedsel of persoonlijke levenswijze. Caraffa stelde hem zo hoog dat hij beval dat pater Michael te allen tijde zonder ceremonie en zonder aankondiging tot hem mocht komen, en dit hoge oordeel werd door de andere kardinalen gedeeld. Het werk van de commissaris-generaal lag te Rome. Het was zijn dagelijkse plicht de gevangenen te bezoeken die van ketterij werden beschuldigd, en juist hierin, meer wellicht dan in enig ander werk, openbaarden zich zijn zuivere gerichtheid op de eer van God en de christusgelijke zachtheid van zijn karakter. Zijn vreugde was onder de gevangenen hen op te zoeken die ook maar het geringste teken van verlangen toonden hun dwaling te verzaken en hen tot het geloof terug te winnen. Het was een moeilijke taak en hij kende vele teleurstellingen. Hij ging onder de gevangenen als een ware vader, en won wellicht meer zielen voor Christus door de uitstraling van zijn heiligheid en liefde dan door woorden. Zodra hij overtuigd was van de oprechtheid van het berouw van een gevangene vroeg hij nederig diens gebeden voor zichzelf en deed hij al wat in zijn vermogen lag om diens toestand te verlichten tot het ogenblik waarop deze door openbare herroeping zou worden vrijgelaten, en hij nodigde hem zelfs uit hem te bezoeken en aan zijn eenvoudige tafel te eten. Bijzonder moet de zaak van de beroemde Sixtus van Siena worden vermeld. Enige jaren tevoren was een jonge jood, die reeds als jongen katholiek was geworden, ingetreden in de orde der minderbroeders. Daar brachten zijn schitterende gaven hem spoedig naar voren. Hij werd een veelgevraagd prediker, wat vaak een gevaar meebrengt. Maar zijn oversten ontdekten met ontzetting dat zijn leerredenen en zelfs zijn geloof door ketterij waren aangetast, die hij had overgenomen van Ambrosius Catharinus, zijn vroegere leermeester. De zaak werd aan het Heilig Officie gemeld, de jonge broeder werd gearresteerd en gevangen gezet. Toen men hem ondervroeg antwoordde hij eenvoudig dat hij deze dwaling werkelijk geloofde, omdat zij hem scheen veel te verhelderen wat in de katholieke godsdienst duister was. Hij herriep echter, werd vrijgelaten en keerde naar zijn orde terug. Toen hij opnieuw begon te prediken werd hij wederom van ketterij overtuigd, maar nu was er geen ontkomen meer. De straf voor een teruggevallen ketter was de dood door het vuur. Pater Michael, die door de gevangenis liep, werd getroffen door de innemende persoonlijkheid en de diepe ellende van de jonge franciscaan. Toen hij zijn naam en geschiedenis had vernomen sprak hij hem vriendelijk aan en verzocht hem zich als tot een vriend tot hem te wenden. Na lange aandrang deed Sixtus dit, maar zo groot was zijn wanhoop dat hij verklaarde dat zijn enige hoop was zijn schuld door de dood te boeten, want de zwaarte van zijn zonde had hem als het ware verlamd. De inquisiteur, diep bewogen, verdubbelde zijn gebeden en bezoeken. Dagelijks droeg hij het heilig Misoffer op voor de bekering van deze afgedwaalde, dagelijks sprak hij met hem vol medelijden en zachtheid. Zelfs al zou ik leven, zei Sixtus eens, zou ik nooit tot mijn orde kunnen terugkeren, zij heeft mij verstoten, voor mij blijft slechts de dood. Denkt gij niet, vroeg de inquisiteur rustig, dat het nog zwaarder kan zijn een leven van boete te leiden. Hij had de juiste snaar getroffen. De gehele natuur van de ongelukkige gevangene antwoordde daarop. Hij barstte in tranen uit, de eerste sinds zijn arrestatie. Daarvoor, zei hij, zou ik willen leven. De commissaris verliet hem en begaf zich onmiddellijk naar de paus. Van hem vroeg en verkreeg hij de jonge broeder gratie. Zó groot was het onvoorwaardelijke vertrouwen van de paus in hem dat, zoals een oude levensbeschrijver zegt, wat de heilige vader aan koningen niet zou hebben toegestaan, hij aan pater Michael toestond. Sixtus werd vrijgesproken, herriep volledig zijn dwaling, biechtte bij zijn redder en ontving absolutie. De inquisiteur nam op zich voor zijn toekomst te zorgen, want Sixtus weigerde standvastig terug te keren tot de orde der minderbroeders, wier habijt hij, zo zei hij, geheel had onteerd. Pater Michael nam hem op in de orde der predikbroeders, kleedde hem zelf met een van zijn eigen tunieken en nam hem aan als zijn geestelijk kind. Sixtus werd een van de grootste schriftgeleerden van zijn eeuw en verklaarde dikwijls dat hij niet alleen zijn tijdelijk maar ook zijn eeuwig heil aan pater Michael te danken had. Misschien nog treffender is het geval van vader Felix van Montalto. Deze geleerde en welsprekende franciscaan predikte in de Sint-Pieter voor talrijke toehoorders toen op een dag, juist toen hij de kansel wilde betreden, een onbekende hem een gevouwen papier in de hand schoof. Denkende dat het een van de vragen was die men hem dikwijls voorlegde en die hij gewoon was in het tweede deel van zijn preek te beantwoorden, begon vader Felix met zijn gewone vuur te spreken en halverwege zijn rede hield hij op om het papier te openen en de vraag te beantwoorden. Deze woorden troffen zijn oog gij zijt een leugenaar, gij verkondigt wat gij zelf niet gelooft. De franciscaan werd zó ontroerd dat hij niet kon voortgaan. Hij beefde, werd bleek en verliet na enkele onsamenhangende woorden de kansel en de kerk en keerde naar zijn klooster terug. Maar zijn merkwaardig gedrag had grote verbazing gewekt en men had het voorval terstond aan het Heilig Officie gemeld. Nauwelijks had vader Felix de poort van zijn klooster bereikt of hij werd geconfronteerd met een vertegenwoordiger van de Inquisitie. In een langdurig onderhoud tot in de diepte van zijn ziel onderzocht en nauwkeurig ondervraagd over bijna alle punten van de dogmatische theologie, gaf hij in een uitvoerig verhoor zó duidelijk blijk van zijn geloof en sprak hij met zulk een heldere eenvoud en ernst dat zijn bezoeker ten slotte opstond en met tranen in de ogen de armen naar hem uitstrekte en zei kom tot mij indien gij ooit een verdediger nodig hebt. Twee toekomstige pausen, Pius V en Sixtus V, omhelsden elkander aldus. Deze vriendschap duurde hun leven lang. De grote dominicaan eerde vader Felix met zijn vertrouwen en raadpleegde hem in zaken van het geloof. Op 23 maart 1555 stierf paus Julius III en kardinaal Marcello Cervini werd paus onder de naam Marcellus II. Hij overleefde zijn verkiezing slechts veertien dagen en op 1 mei, na een bewogen conclaaf waarin de naam van kardinaal Pole, legaat in Engeland dat hij zojuist met de Kerk had verzoend, opnieuw werd genoemd, werd kardinaal Caraffa, toen tachtig jaar oud, tot paus gekozen onder de naam Paulus IV. Van zijn diepe genegenheid voor Michael Alexandrinus gaf de nieuwe paus spoedig overvloedige blijken. Tijdens de twee voorjaarsconclaven van 1555, terwijl de laatste nationale gezantschap uit Engeland over de Alpen trok om de paus hulde te brengen, werd alle gezag door de kardinalen van het Heilig Officie aan hun commissaris toevertrouwd, voor het eerst in de geschiedenis, zo groot was het vertrouwen dat het gehele pauselijke hof stelde in de rechtschapenheid en heiligheid van de strenge dominicaan. Toen pater Michael de nieuwe paus kwam gelukwensen zei Paulus IV hem dat hij weldra de helft van de last van het pausschap zou moeten dragen. Pater Michael begon uiteen te zetten hoe geheel ongeschikt hij was voor enige hoge taak, wijzend op zijn nederige afkomst en smekend hem toe te staan een eenvoudig religieus te blijven. Hij was diep bewogen, maar Paulus IV glimlachte en beval hem krachtens heilige gehoorzaamheid terstond elke waardigheid of taak te aanvaarden die hem zou worden opgelegd tot eer van God en tot heil der zielen. In september 1556 werd hij gewijd tot bisschop van Nepi en Sutri, een zetel waartoe hij het jaar tevoren door de paus was benoemd. Hij smeekte ontslagen te worden uit zijn ambt van commissaris om in zijn bisdom te kunnen wonen. Paulus IV weigerde en stelde hem bovendien aan tot prefect van het paleis en pas in januari 1557 werd het de heilige na herhaalde verzoeken toegestaan Rome te verlaten. Aangekomen in zijn bisdom leidde hij het leven van een apostel, te voet reizend in zijn witte habijt door iedere stad en elk dorp, persoonlijk kennis makend met al zijn gelovigen, predikend, vormsel toedienend en wijdingen verrichtend gedurende twee maanden. Toen echter de verantwoordelijkheid zelfs van dit kleine bisdom hem te zwaar scheen, keerde hij opnieuw naar Rome terug om de paus te smeken hem daarvan te ontslaan. Paulus IV antwoordde dat hij de bisschop aan de dienst van de Kerk moest binden met zulke sterke banden dat hij die nooit zou kunnen verbreken, zelfs niet na de dood van de paus. Enkele dagen later liet de paus hem plotseling ontbieden en deelde hem mee dat hij hem in het consistorie van die dag tot kardinaal zou verheffen. Om een of andere reden, wellicht om hem te beproeven, werd de heilige toen echter niet tot de purper verheven. Hij was zo verheugd dat hij zijn blijdschap niet kon verbergen. Wij zijn ontkomen, riep hij met vreugde. Toch ontbraken er niet die hem bespotten omdat hij zo behendig verborgen hield wat hun een grote teleurstelling moest schijnen. Maar zijn vreugde was van korte duur. In het volgende consistorie, op 15 maart 1557, werd Michael Alexandrinus tot kardinaal verheven met de titel van Santa Maria sopra Minerva.
De kardinaal van God (1557–1566)
Toen onze heilige besefte dat de paus hem werkelijk tot kardinaal had gemaakt bleef hij sprakeloos en niet in staat de gebruikelijke dankwoorden te uiten. Het viel de andere kardinalen te beurt de heilige vader te danken dat hij hun zulk een medebroeder had geschonken. In plaats van zijn familienaam weer aan te nemen koos hij ervoor kardinaal Alexandrinus te heten, de naam die hij in het religieuze leven had gedragen. Het grote doel van Paulus IV was zich een man te verbinden die waardig, heilig, wijs en geleerd was, geheel vrij van eerzucht of partijgeest en alleen bezield door het verlangen God en Zijn Kerk te dienen. Het vertrouwen en de hoogachting die de paus voor kardinaal Alexandrinus toonde zouden een zwakker mens licht hebben verblind. Zijn raad, die hij nooit ongevraagd gaf, werd steeds aangenomen, en op 14 september 1558 verleende Paulus IV hem in volle consistorie een uniek ambt, het eerste en tevens het laatste in zijn soort. Hij werd benoemd tot opperste inquisiteur met een gezag dat definitief en zonder beroep was en zelfs dat van de bisschoppen in hun eigen bisdommen overtrof. Zulk een macht was een zware verantwoordelijkheid maar hij deinsde niet terug, al achtte men het na zijn aftreden wijzer niemand meer met een dergelijk ambt te belasten en keerde het gezag terug naar het college van kardinalen van het Heilig Officie, want er waren geen twee kardinalen Alexandrinus. Met geheel zijn hart en ziel zette hij zich in voor de strijd tegen de ketterij en in deze strijd zou de Sociëteit van Jezus, kort tevoren gesticht door de heilige Ignatius van Loyola, een van zijn machtigste bondgenoten worden. Het leven van kardinaal Alexandrinus bleef wat het altijd was geweest. Behalve bij plechtige gelegenheden wanneer hij verplicht was de kardinale gewaden te dragen droeg hij het habijt van een eenvoudige broeder en dit was van de ruwste witte stof. Toen eens een nieuw en fijner kleed in de plaats van het oude werd gelegd door een dienaar die meende dat de ruwe stof de waardigheid van een kardinaal niet betaamde liet de heilige het oude terugbrengen en weigerde het andere te dragen. Zijn maaltijden, nooit meer dan twee per dag, zijn uren, zijn levensregel, zijn vasten en zijn gebeden bleven zoals tevoren. Zelfs nadat hij paus was geworden onderhield hij de regel van de orde van de heilige Dominicus met grote nauwgezetheid. Drie maal per week nam hij zeer tegen zijn zin een weinig vlees volgens medisch voorschrift. Zijn gewone voedsel bestond uit brood met gekookte kruiden, dikwijls bittere cichorei, en hij keerde zich af van alles wat zoet was. Hij gebruikte zelden het ontbijt om meer tijd te hebben voor audiënties, want hij was voor iedereen toegankelijk, en wanneer hij toch iets nam was het een weinig bouillon of een ei. Hij stelde zich tot regel slechts eenmaal te drinken tijdens de maaltijd, maar zijn geneesheer liet hem meer nemen, en wanneer men hem wijn voorschreef mengde hij slechts enkele druppels met water. Hij verafschuwde vertoon evenals weelde en hield zo weinig mogelijk dienaren, ongeveer twintig, en deze waren zorgvuldig gekozen, men waarschuwde hen dat zij in een klooster kwamen dienen en niet in een paleis. Zijn zorg voor zijn huisgezin was opmerkelijk, de grootste zaal van het paleis werd ingericht als ziekenkamer en met grote zorg toegerust om zieken op te nemen die geneeskundige hulp nodig hadden. Hij gaf zijn dienaren een levensregel en bepaalde dagen waarop zij de sacramenten moesten ontvangen en drie maal per week een uur geestelijke lezing als voedsel voor het innerlijk gebed. Hij was zelf kapelaan van zijn huis en leende boeken aan zijn dienaren, in ieder van hen stelde hij persoonlijk belang en hij was voor hen meer een vader dan een heer. Zij woonden iedere morgen de Mis bij en ’s avonds het gemeenschappelijk gebed. Hij liet niet toe dat zij werden gestoord tijdens rust of maaltijd en opende liever zelf de deur dan een dienaar te laten komen wanneer deze aan tafel zat. Wanneer men de vorstelijke levenswijze beschouwt waarin bijna alle kardinalen van die tijd leefden, velen van koninklijke en de meesten van adellijke afkomst, treft het des te meer welk scherp contrast het leven van kardinaal Alexandrinus bood. Misschien zegt niets meer voor hem dan dat zijn eenvoudige goedheid en oprechtheid hem het respect en zelfs de genegenheid van zijn medekardinalen bezorgden en hem geen vijanden maakten. Gedurende deze gehele tijd leed hij aan een pijnlijke inwendige kwaal die hem voortdurend kwelde en waarover hij nooit sprak. Hij verzette zich standvastig tegen elk misbruik van zijn waardigheid. Op alle verzoeken van verwanten om bevordering gaf hij geen gehoor. Nooit, zo zei hij, zou hij zijn familie verrijken met de goederen van de Kerk. Zijn nicht schreef hem om hem te feliciteren met zijn kardinaalschap en hem te vragen een betrekking voor haar zwager te verkrijgen. De heilige antwoordde dat zij God moest danken voor deze waardigheid en zich des te meer moest beijveren in de deugd. Wat uw verzoek betreft, zo schreef hij, moet gij goed begrijpen dat kerkelijke goederen niet aan verwanten worden gegeven maar aan hen die ze verdienen, al voegde hij eraan toe dat indien de bisschop van het bisdom een goed getuigenis gaf over de priester in kwestie hij gaarne zou doen wat in zijn vermogen lag. Op 18 augustus 1559 stierf paus Paulus IV. Hij was te Rome zeer onbemind, deels wegens zijn felle politieke vijandschap tegen Spanje, dat een groot deel van Italië beheerste, deels wegens de uitspattingen van zijn familie waarvoor hij, hoewel hij de schuldigen streng had gestraft, onrechtvaardig verantwoordelijk werd gesteld. Zijn dood gaf aanleiding tot ongepaste vreugde bij de wispelturige bevolking van Rome. Zijn grote verlangen was geweest zijn land te redden en de Kerk te hervormen, hervorming, wij hebben hervorming nodig, was zijn herhaalde uitroep. Ja, heiligheid, antwoordde eens kardinaal Pacheco, een hervorming die bij onszelf begint. Hij had gelijk, en het was juist deze hervorming die onze heilige door voorbeeld, woord en daad steeds trachtte te bevorderen. In de kerstnacht van 1559 werd Giovanni Angelo kardinaal de Medici tot paus gekozen en nam de naam Pius IV aan. Er volgde een scherpe reactie tegen de vrienden en gunstelingen van de overleden paus, velen werden terechtgesteld, de anderen verbannen. Men verwachtte de val van kardinaal Alexandrinus, maar hij was de enige die geheel onaangetast bleef door de storm. Tegen de dominicaanse kardinaal en inquisiteur werd geen enkel woord ingebracht. De nieuwe paus gaf spoedig openlijk blijk van zijn waardering door hem bij een bijzondere gunst in zijn rang van opperste inquisiteur te bevestigen en hem in 1560 over te plaatsen van zijn kleine bisdom naar het belangrijke Mondovì in Piëmont. In deze tijd leed hij hevig. Hij verliet Rome op 28 juni en reisde naar Mondovì via de baden van Lucca op raad van zijn geneesheren, maar hoewel hij door zijn kwaal werd gekweld vond hij daar weinig verlichting. Genua, onder het gezag van de hertog van Savoye, bereidde hem een vorstelijk onthaal toen hij de stad doortrok, maar zijn enige verlangen was zijn arbeid voor de zielen voort te zetten. Zijn eerste zorg was in zijn nieuwe kathedraal opnieuw de recitatie van het goddelijk officie in te voeren en een kapittel van de kanunniken bijeen te roepen waarin hij hen allen aanspoorde een goed en heilig leven te leiden. Vervolgens begon hij een grondige visitatie van zijn bisdom dat door nalatige en afwezige bisschoppen in een treurige toestand was geraakt. Na enkele maanden bezocht hij Bosco. Hij was daar niet meer geweest sinds 1528 toen hij er zijn eerste Mis wilde opdragen en de kerk in puin had gevonden. Zijn vrienden ontvingen hem met grote vreugde dat zulk een hooggeplaatste uit hun kleine dorp was voortgekomen. Bij die gelegenheid besloot hij te Bosco een groot dominicanenklooster te bouwen als dankoffer aan de almachtige God, waarvan het gebouw nog bestaat. Van Bosco ging de kardinaal-bisschop naar Vigevano, zijn vroegere noviciaat, waar hij met eerbiedige vreugde werd ontvangen, en vandaar naar Milaan en uiteindelijk naar Rome, waarheen hij in oktober was geroepen omdat paus Pius IV zijn aanwezigheid noodzakelijk achtte. Hij bereikte de heilige stad op 25 november 1560. Pius IV verlangde de besluiten van het oecumenisch concilie van Trente tot uitvoering te brengen, vooral wat de hervorming van de geestelijkheid betrof, en hiertoe werd onze heilige teruggeroepen. Een andere heilige, kardinaal Carolus Borromeus, werkte in dezelfde richting, maar was nog zeer jong en de aanwezigheid van kardinaal Alexandrinus werd noodzakelijk geacht. Hij verwezenlijkte het ideaal dat de heilige Bernardus voor kardinalen stelde, want hij gaf niet wat aangenaam was maar wat hij in zijn hart als juist erkende. Hij week nooit af en deze standvastigheid bracht hem herhaaldelijk in conflict met de paus. In 1563 verklaarde Pius IV dat hij voornemens was twee zeer jonge mannen tot kardinaal te verheffen. De aanwezige kardinalen stemden toe, maar kardinaal Alexandrinus verzette zich en sprak met eerbied maar met grote vastheid dat de Kerk geen kinderen nodig had in haar raden maar mannen van beproefde waardigheid en roeping. Zijn woorden maakten diepe indruk en hoewel de benoemingen doorgingen bleef zijn houding bekend. Ook verzette hij zich tegen politieke benoemingen en tegen voorstellen die de tucht van de Kerk zouden aantasten, en hij sprak steeds zonder vrees. Toen de paus zijn ontstemming toonde trok hij zich eenvoudig terug en zei dat hij altijd zijn toevlucht kon nemen tot zijn klooster indien men hem niet toestond de waarheid te spreken. In juli 1564 werd hij zwaar ziek en men meende dat zijn einde nabij was, maar hij herstelde langzaam. Toen hij naar zijn bisdom wilde terugkeren werd hem bevolen te Rome te blijven. Zijn goederen die reeds vooruit waren gezonden gingen verloren door zeerovers, maar hij klaagde niet. De gezondheid van de paus ging intussen achteruit en op 9 december 1565 stierf Pius IV. Op 26 december traden vijftig kardinalen in conclaaf. Kardinaal Carolus Borromeus zag dat de keuze moest vallen op kardinaal Alexandrinus en wendde zijn invloed aan om hem te doen verkiezen. In de nacht van 7 januari 1566 was kardinaal Alexandrinus in gebed toen hem de eenstemmige keuze werd meegedeeld. Tegen zijn wil werd hij naar de kapel geleid waar de plechtigheid plaatsvond en met bevende lippen aanvaardde hij het ambt en nam de naam Pius V aan. Zo besteeg de dienaar van God de zetel van Sint Petrus en vond hij die nacht voor het eerst een lange en rustige rust.
De vader der christenheid (1566–1570)
De heilige Pius was een man van het ideaal. Zijn maatstaf was de volmaaktheid. Daarvoor werkte hij, daarvoor bad hij, en naar dit ideaal trachtte hij als vader der christenheid en geestelijk vorst van de wereld de rijken die aan zijn zorg waren toevertrouwd te vormen. Geen plan was te groot, geen bijzonderheid te gering, of zij werd naar dit ideaal ingericht. Van de zaken der grote mogendheden tot het bestuur van zijn eigen huis, van de leiding van een koningin tot zijn persoonlijk gebed, alles droeg het stempel van een hoogst nauwgezet geweten. Hij zocht volmaakt te zijn zoals zijn Vader in de hemel volmaakt is. Geen der opvolgers van Sint Petrus heeft een hoger ideaal gehad of een ruimer inzicht in de noden van de wereld. Want hij was tevens praktisch. Het was de ware geest van de heilige Dominicus voortdurend te bidden en de vruchten van dit gebed uit te delen. Deze vereniging van ideaal en daadkracht maakte zijn korte regering tot een van de grootste in de geschiedenis. Daarin schitteren zijn grote werken, de hervorming van de katholieken, de bestrijding van de ketterij en de overwinning op de ongelovigen, tegen een achtergrond van eenvoudige en zuivere volmaaktheid. Hij bezat de moed van zijn overtuiging, hij was even moedig als heilig. Hij had ook de gebreken van zijn aard. In zekere zin was hij onverdraagzaam, want de verhevenheid van zijn ideaal maakte het hem moeilijk de mensen anders te beoordelen dan naar zijn eigen maatstaf. Zijn ijver voor God voerde hem soms tot uitersten die bij een ander bijna fanatisme zouden heten. Toch, indien hij dwaalde, was het in de goede richting. Indien de vorsten van Europa slechts een deel van zijn verheven geloof, zijn krachtige energie en vooral zijn geest van gebed hadden bezeten, zou de wereld wellicht christelijk zijn gebleven. Op 17 januari 1566, het feest van de heilige Antonius abt en zijn tweeënzestigste verjaardag, werd de heilige Pius in de basiliek van Sint Petrus gekroond. Zijn regering begon in moeilijke tijden. Drie grote gevaren bedreigden de Kerk: het dreigende gevaar van een Turkse inval, de snelle verbreiding van de protestantse ketterijen uit Duitsland en Zwitserland, die in Engeland heersten en in Frankrijk strijdvaardig waren, en de onverschilligheid van vele katholieken tegenover deze bedreigingen, samen met een zekere tegenstand tegen de zo dringend noodzakelijke hervormingen van binnenuit. Maar de heilige Pius was geheel onbevreesd. De hervormingen begonnen reeds op de dag van zijn kroning. In plaats van de gebruikelijke geldstukken onder het volk uit te werpen, liet hij een dubbel bedrag in stilte onder de allerarmsten verdelen. Het was gebruikelijk duizend kronen te besteden aan een feestmaal voor kardinalen en gezanten, maar de heilige Pius liet dit bedrag uitdelen aan de armste kloosters van Rome. Hij zei dat hij niet vreesde dat God hem zou verwijten geen feestmaal te hebben gegeven, maar wel dat Hij vertoornd zou zijn indien hij de armen verwaarloosde. Zijn aalmoezen bedroegen veertigduizend kronen en stelden het volk gerust, dat vreesde voor overdreven gestrengheid. Wij zullen zo regeren dat men meer om onze dood zal treuren dan om onze verheffing, zei hij. Zijn voornaamste helper in het bestuur was zijn achterneef Michael Bonelli, eveneens dominicaan, die hij tot kardinaal verhief onder de titel Alexandrinus. Uit afkeer van nepotisme had hij aanvankelijk geweigerd zijn verwanten naar Rome te laten komen, maar hij maakte een uitzondering voor deze bekwame religieus, die een eenvoudig en streng leven leidde. Bij zijn aantreden had de heilige Pius, terwijl hij zijn eigen gebeden vermeerderde, de gebeden van geheel Rome gevraagd en een jubeljaar afgekondigd. Vervolgens wijdde hij zich aan de hervorming binnen de Kerk. Hij begon bij de kardinalen, die vaak in vorstelijke weelde leefden, en riep hen op tot matigheid en eenvoud, ja tot heilige armoede. Gij zijt het licht der wereld en het zout der aarde, sprak hij, verlicht het volk door de zuiverheid van uw leven en de glans van uw heiligheid, want God vraagt niet slechts gewone deugd maar volmaaktheid. Ook de magistraten en bestuurders spoorde hij aan tot rechtvaardigheid en heiligheid en hij hield zelf toezicht op hun aanstelling. Talrijke wetten stelde hij in ter verbetering van de openbare zeden, tegen mensen van slecht gedrag en tegen woeker, en tot bevordering van een zuiver leven. Sommige bepalingen, die nu vreemd kunnen klinken, waren gericht tegen herbergiers, tegen rovers en tegen piraten, en bijzonder streng waren de maatregelen tegen godslastering. Deze wetten werden onmiddellijk toegepast en hadden groot effect. Binnen korte tijd veranderde het aanzien van Rome, en reeds na enkele maanden werd getuigd van de vroomheid van de stad, vooral in de vastentijd en in de Goede Week, toen de kerken de boetelingen niet konden bevatten. De maatregelen van de paus tot hervorming van de Kerk waren krachtig. Alle bisschoppen werden op straffe van afzetting verplicht binnen een maand naar hun bisdom terug te keren en daar te wonen als ware herders van hun volk. Seminaries werden overal opgericht en te Freiburg werd een groot college gesticht. De decreten van het concilie van Trente moesten door alle rangen van de geestelijkheid strikt worden onderhouden. De strengste wetten werden uitgevaardigd tegen de verfoeilijke praktijk van de simonie. In Frankrijk werden grote beneficies en zelfs bisdommen door vrouwen bezeten, die de inkomsten ontvingen en een geestelijke betaalden om de noodzakelijke functies te verrichten. Deze misstand werd krachtig afgeschaft. Voor alle kloosters werden strenge bepalingen vastgesteld, en de clausuur voor de vrouwenkloosters werd blijvend opgelegd, behalve in gevallen van brand, melaatsheid of pest, overeenkomstig de besluiten van het concilie van Trente, bevestigd door twee bullen van de heilige Pius in 1566. De recitatie van het goddelijk officie werd in elke kerk streng verplicht, vooral in de driehonderdzestig kerken van Rome, en krachtige maatregelen werden genomen tegen oneerbiedigheid in de kerk. Gesprekken, gefluister, spot en gelach werden streng verboden als beledigend voor God in het Allerheiligste Sacrament en zwaar gestraft, eerst met geldboete en vervolgens met gevangenis of verbanning. Priesters, koster en ambtsdragers werden belast met de handhaving van deze bepalingen. De menigten bedelaars die zich in de kerken ophielden mochten niet verder dan het voorportaal komen, behalve om te bidden. In september 1566 verscheen de catechismus van het concilie van Trente, opgesteld onder leiding van de paus. De nieuwe uitgave van het brevier, door hem herzien, werd gepubliceerd op 9 juli 1568 en het herzien missaal twee jaren later. Ook de kerkmuziek kreeg bijzondere aandacht en het oude gregoriaans werd hersteld in zijn eenvoudige waardigheid. Weinig katholieken beseffen hoe dicht men er toen bij was de muziek geheel uit de eredienst te bannen. Aan Palestrina komt de eer toe haar voor de Kerk te hebben behouden. Pius IV had reeds een commissie ingesteld omdat de muziek een te werelds karakter had gekregen. Palestrina werd opgedragen drie missen te componeren om te tonen dat schoonheid en godsvrucht verenigbaar waren. Op het handschrift van een van deze missen, de Mis van paus Marcellus II, staan de woorden geschreven help mij o God. Toen deze Mis werd uitgevoerd riep Pius IV bewogen uit dat dit het nieuwe lied moest zijn dat de apostel Johannes in de hemelse stad had gehoord. De heilige Pius V stelde Palestrina aan als kapelmeester van de pauselijke kapel. Dit is in het kort een overzicht van de grote hervormingen die de heilige Pius in de Kerk en voor het zedelijk welzijn van zijn volk tot stand bracht. Ook zijn politieke werkzaamheid strekte zich uit over de gehele wereld. Zijn blik en invloed omvatten de christenheid. De zwakke keizer Maximiliaan II, onder druk van de lutheranen, stond op het punt hun eisen in te willigen. Kardinaal Commendone werd gezonden om hem te wijzen op het gevaar de waarheid op te offeren aan politieke noodzaak en om te eisen dat alle prelaten het katholieke geloof zouden belijden en de decreten van Trente zouden naleven. De keizer aarzelde echter uit vrees de machtige lutherse partij te krenken. Hij erkende dat de paus gelijk had maar meende de vrijheid van geweten niet te kunnen weigeren. In die nacht verscheen hem een visioen van de heilige Pius met een vlammend zwaard, waardoor hij zo werd verschrikt dat hij gehoorzaamheid beloofde. Ook zijn broer Ferdinand werd door een schrijven van de paus tot andere inzichten gebracht. Niet alleen Duitsland trok zijn zorg. Sigismund, koning van Polen, had zijn gemalin verstoten en verzocht om echtscheiding. De heilige Pius wees hem terecht en herinnerde hem aan de onontbindbaarheid van het huwelijk. Na de dood van de koningin kwam geen verzoening meer tot stand, maar de paus wist erger kwaad te voorkomen en vele misbruiken te herstellen. Door zijn invloed werd ook de grootvorst van Moskou ervan weerhouden Polen aan te vallen en bewogen zich te richten op de strijd tegen de Turken. Zijn onverschrokkenheid verwierf hem zelfs de achting van vorsten die hij streng moest vermanen. Spanje, onder Filips II van Spanje, stond toen op het hoogtepunt van zijn macht. Onder zijn vaandel, in de Oude Wereld en in de Nieuwe, werd het katholiek geloof met ijver bewaard, en franciscanen en dominicanen, later gevolgd door de Sociëteit van Jezus, verkondigden en doopten onder vele heidense volkeren. De heilige Pius trachtte de ijver van deze missionarissen te verdubbelen en hun aantal te vergroten, en stelde talrijke wijze bepalingen vast voor de bekeerlingen. Hij waarschuwde Filips, toen deze zich in de Nederlanden bevond, voor de opstand der Moren in Spanje, een waarschuwing die aanvankelijk werd veronachtzaamd maar later ernstiger werd genomen. Hij verbood de stierengevechten streng en ontzegde kerkelijke begrafenis aan hen die daarbij omkwamen. Hij hervormde vele oude kerkelijke misbruiken. Op zijn raad begon Filips II in de Nederlanden de strijd tegen de ketterij, waarvoor hij en de hertog van Alva door protestanten als wreed werden voorgesteld. De heilige Pius ondersteunde deze oorlog met geld en troepen en stelde ook bepalingen vast tegen de mohammedanen en joden in Spanje.
Het was echter de toestand van Frankrijk, onder Catharina de Medici, die de heilige Pius de grootste zorg baarde. De oudste dochter van de Kerk bevond zich inderdaad in grote nood. De koningin-regentes, wier handelwijze des te minder te verontschuldigen is dan die van Elizabeth I, daar zij zich katholiek noemde, had gedurende vele jaren geïntrigeerd met de snel groeiende partij der hugenoten, ondanks haar openlijk anarchistische en anti-katholieke beginselen, ondanks de talloze schendingen begaan tegen het Allerheiligst Sacrament en alle heilige zaken, ondanks de moord op priesters, ondanks de verwoesting van kerken en relieken. Catharina verdroeg de hugenoten, maar dit behoedde Frankrijk niet voor voortdurende oorlog en opstand, door deze ketters opgewekt. Kardinaal Turriani werd als nuntius naar het Franse hof gezonden, en door hem kregen de vurige voorstellingen van de paus uitwerking. De ketterse raadslieden, onder wie kardinaal Châtillon, bisschop van Beauvais, werden verbannen, en de decreten van het Concilie van Trente werden afgekondigd. Avignon, de oude stad der pausen, werd behoed voor een inval van de ketterij. Catharina verloor weinig tijd om de paus mede te delen, die zij hartelijk dankte voor zijn tijdige hulp, dat de koninklijke schatkist leeg was, terwijl zij hem tegelijk haar ernstige wens te kennen gaf de hugenotische ketterij in Frankrijk uit te roeien. De heilige Pius, hoewel niet misleid door deze voorstellingen, noch gelovend, zoals Catharina beweerde, dat zij de ketters slechts verdroeg omdat zij geen middelen had om de wapens tegen hen op te nemen, kwam toch edelmoedig te hulp. Hij zond 150.000 kronen en 6000 soldaten, en daar hij dit onvoldoende achtte, verzocht hij Filips II van Spanje en de Italiaanse vorsten Frankrijk te hulp te komen. Er werd een belasting opgelegd aan de geestelijkheid en aan verschillende rijke kloosters, en met de vrijwillige gave van 100.000 kronen van zijn volk, de subsidie van naastenliefde genoemd, werden voldoende middelen verkregen voor een veldtocht. Om plundering en roof, de ergste verschrikkingen van de oorlog, te vermijden, drong de Heilige Vader erop aan dat zijn soldaten goed gevoed en regelmatig betaald werden. Te Jarnac, op 12 maart 1569, werd door de hertog van Anjou een grote overwinning behaald op de opstandige troepen. De heilige Pius liet in de Sint Pieter een plechtig Te Deum van dankzegging zingen en verzocht de hertog dringend zijn voordeel te vervolgen, hetgeen hij deed bij Montcontour, op 3 september 1569, waar, voornamelijk door de dapperheid van de pauselijke troepen, de hugenoten een verpletterende nederlaag leden. De ketters zelf verklaarden dat, toen het vaandel van de paus werd ontplooid, zij de hemel vervuld zagen van strijders in blinkende wapenrusting, ieder zwaaiend met een getrokken zwaard, een schouwspel dat hen zeer ontredderde.
De groei van de Portugese bezittingen in het Oosten werd door de paus met aandacht gevolgd, en op aandringen van zijn vriend Franciscus Borgia wijdde hij drie jezuïeten tot bisschoppen voor Goa en verder Indië. Evenmin vergat hij de noden van China en Japan, in het eerstgenoemde land waarvan de roemrijke Kerk, gesticht door Christus’ rondtrekkende broeders in de dertiende en veertiende eeuw, was ondergegaan in een zee van bloed. Zijn vaderlijke zorg werd in alle delen van de wereld gevoeld. Ook Italië vergat hij niet. De verschrikkelijke strijd tussen Corsica en Genua werd door zijn diplomatie beëindigd, Napels en Sicilië werden tot rust gebracht, de ketterij werd krachtig onderdrukt in Lombardije, vooral te Milaan, waar Carolus Borromeus slechts door een wonder werd gered van de kogel van een moordenaar, terwijl hij bad in zijn privékapel, 26 oktober 1569. De heilige Pius, diep geschokt, schafte op 7 februari 1571 de schandelijk verslapte orde der Humiliaten af, waartoe de moordenaar behoorde. Dit gehele droevige voorval behoort eerder tot het leven van Carolus Borromeus dan tot dat van de heilige Pius, maar het is goed het hier te vermelden. Eén enkel voorbeeld moge worden gegeven van de wijze waarop de heilige zijn dankbaarheid jegens zijn vrienden betoonde. Cosimo de Medici, hertog van Toscane, de vorst die hem eens de kardinaal van God had genoemd, was sinds zijn troonsbestijging uitnemend trouw en toegewijd geweest aan de Heilige Stoel, vooral door zijn edelmoedige steun in de oorlog tegen de hugenoten. De heilige Pius nodigde hem uit naar Rome gedurende de vasten van 1570, ontving hem als een geëerde gast en kroonde hem tijdens de plechtige Hoogmis in de Sint Pieter op halfvasten met zijn eigen handen tot groothertog van Toscane. Aan de Oostenrijkse gezant, die het waagde bezwaar te maken daar Cosimo geen leenman van de paus was, antwoordde de heilige dat alleen de Kerk aan christelijke vorsten hun waardigheden en titels verleent, en hij zond kardinaal Commendone om aan de keizer, met verwijzing naar historische precedenten, uit te leggen dat hij binnen zijn recht handelde. Kritiek verstomde geleidelijk tegenover zulk een kracht en oprechtheid. Maar zelfs niet door gebeurtenissen als deze zal de naam van de heilige Pius voor altijd worden geëerd. Katholieken mogen zijn grote hervormingen, zijn missionaire ijver, zijn strijd tegen de hugenoten vergeten, maar zij kunnen de excommunicatie van Elizabeth I en de slag bij Lepanto niet vergeten.
De excommunicatie van Elizabeth I (1570)
De heilige Pius V heeft geen verdediger nodig, maar daar zijn optreden tegenover Elizabeth zelfs thans nog door gezaghebbende katholieken in twijfel wordt getrokken, is het goed kort de duidelijke feiten van de zaak te overwegen, ten eerste de daad van de heilige Pius, ten tweede hetgeen Elizabeth had gedaan om die daad te verdienen. Op 25 februari 1570 vaardigde de paus een bul van excommunicatie en afzetting uit tegen Elizabeth, waarbij hij haar onderdanen van hun trouw ontsloeg, en op 25 mei werd een exemplaar aangehecht aan de deur van de protestantse bisschop van Londen door John Felton, een heldhaftig katholiek edelman, die werd gevangen genomen, gemarteld, weigerde te zeggen van wie hij het had ontvangen en tenslotte op 8 augustus 1570 werd opgehangen en op gruwelijke wijze ter dood gebracht in het kerkhof van Sint Paulus; hij is zalig verklaard. Waarom achtte de opperste pontifex het rechtmatig tot zulk een strenge maatregel over te gaan, wij bezitten het getuigenis van eigentijdse documenten en staatsstukken waaruit blijkt dat hij niet overhaast heeft gehandeld, maar voortdurend op de hoogte werd gehouden van alles wat in Engeland geschiedde en alle middelen had aangewend die in zijn macht lagen om de onvermijdelijke crisis af te wenden. Zachtheid, zoals de heilige Pius maar al te goed wist, was reeds tien jaren tevoren door zijn voorganger beproefd en jammerlijk mislukt. Op 5 mei 1560 had paus Pius IV aan Elizabeth een brief geschreven, zo schoon in zijn zachtmoedigheid en zo edelmoedig in zijn beloften dat hij elk hart zou hebben kunnen raken dat niet steenhard door eigenbelang was geworden. Indien, zo sprak de paus, gelijk Wij verlangen en hopen, gij terugkeert in de schoot der Kerk, zullen Wij bereid zijn u te ontvangen met dezelfde liefde, eer en vreugde als de vader in het Evangelie zijn terugkerende zoon ontving, ja onze vreugde zal wellicht nog groter zijn. Hij smeekte Elizabeth God te vrezen in haar raadslagen en beloofde haar, indien zij zich onderwierp, al hetgeen gij van Ons zult verlangen tot bevestiging van uw vorstelijke waardigheid. Op deze brief had de koningin slechts met spot geantwoord en zij weigerde zelfs de nuntius die hem bracht in Engeland te laten landen. De heilige Pius zelf had alle mogelijke edelmoedige pogingen gedaan tot verzoening, men moet zich herinneren dat Elizabeths aanspraak op de troon slechts berustte op een besluit van het parlement, daar zij de onwettige dochter was van Hendrik VIII en Anna Boleyn, geboren tijdens het leven van de ware koningin, en vervolgens, na het huwelijk van haar vader met Jane Seymour, door een besluit van het parlement op bevel van haar vader onwettig verklaard. De heilige Pius had aangeboden haar te legitimeren. Op 2 december 1566 schreef de Spaanse gezant in Engeland aan koning Filips II van Spanje dat de paus, vernemend dat Elizabeth welwillend stond tegenover het katholicisme maar het niet durfde te tonen, had verklaard dat indien zij zich wilde hervormen hij haar zou legitimeren en, zo nodig, opnieuw met het koninkrijk zou bekleden. Da Silva voegt eraan toe dat hij deze zaak aan Elizabeth had voorgelegd, die zei dat zij zeer verplicht was, zij prees het goede en vrome karakter van de paus en voegde er lachend aan toe dat zij dacht dat hij en zij wel zouden trouwen. Dertien dagen later waarschuwde de gezant Elizabeth dat, indien de bestaande toestand bleef voortduren, de paus wellicht stappen zou nemen die hij tot dusver niet had genomen. Hij hernieuwde de reeds gedane belofte. Zij antwoordde dat het waar was dat de paus had aangeboden wat hij zei, maar dat hij alles vroeg en haar niets liet. Ik zei dat hij slechts zou vragen wat passend was, vooral gezien het karakter van de tegenwoordige paus. Maar alles was tevergeefs. De toestand verslechterde steeds verder totdat, naar het oordeel van de paus, slechts één weg van handelen mogelijk was, tot eer van God en tot eer van de heilige Kerk, en hij volgde die weg. Het is uiteraard onmiddellijk duidelijk dat het niet zozeer de excommunicatie, maar de afzetting van Elizabeth is die in twijfel wordt getrokken. Ik neem aan, zegt bisschop Milner, dat gij het recht van de paus niet zult betwisten om te verklaren wie wel en wie niet tot zijn gemeenschap behoren. Voor ieder onbevooroordeeld mens die de kwestie zorgvuldig heeft bestudeerd, hetzij katholiek hetzij protestant, is het volkomen duidelijk dat de heilige Pius niet anders kon handelen dan de afvallige koningin te excommuniceren, wier privéleven zowel als haar openbaar optreden een schandaal voor de christenheid was geworden. Op dit punt bestaat geen twijfel. Maar wat de afzetting betreft, is het niet zo eenvoudig te beslissen. Niet alleen de wijsheid van de paus om haar af te zetten, maar ook zijn daadwerkelijke recht daartoe wordt in twijfel getrokken. Velen verklaren, oordelend achteraf, openlijk dat het nemen van zulk een ingrijpende maatregel tegen een machtige en praktisch despotische vorst, met als gevolg dat geen enkele Engelse katholiek tegelijk trouw kon zijn aan Kerk en kroon, meer dan onvoorzichtig was.
Dit kan onmiddellijk worden gezegd, ten eerste dat de heilige Pius zelf overtuigd was van zijn macht als opperste pontifex, zowel om af te zetten als om waardigheid te verlenen, vgl. zijn verheffing van Cosimo de’ Medici tot groothertog van Toscane, en ten tweede dat het voor hem een gewetenszaak was; indien hij had nagelaten hetgeen hij als zijn plicht tegenover Engeland beschouwde, zou hij zich schuldig hebben geacht aan zonde tegen het licht dat hem was gegeven. Dat de bul wat betreft de afzetting haar uitwerking miste, zoals ook die van Paulus III tegen Hendrik VIII, is niet te wijten aan de heilige Pius, maar aan die vorsten die weliswaar in naam katholiek waren, doch haar in stilte voorbijgingen, haar om loutere eigenbelangen politiek negeerden, in plaats van zich moedig met de Heilige Vader te verenigen om haar tegen Elizabeth en Engeland ten uitvoer te brengen. Ook hier mogen wij op grond van eigentijdse getuigenissen aannemen dat, althans in dit stadium van de regering der koningin, dreiging voldoende zou zijn geweest; wereldlijke middelen waren de enige die Elizabeth vreesde, en de wetenschap dat de grote mogendheden van Europa bereid stonden de Heilige Vader in zijn uitspraak tegen haar te ondersteunen, zou haar spoedig tot onderwerping hebben gebracht en zeker de loop van de geschiedenis hebben veranderd. Bij hen moet de schuld van het mislukken, indien het al een mislukken was, worden gelegd; indien door hun toedoen Elizabeth zelfs maar tot een schijn van gehoorzaamheid was gedwongen, dan zouden wij waarschijnlijk geen kritiek horen op het handelen van de heilige paus, maar helaas werd de bul door de buitenlandse mogendheden in stilte gelaten. Elizabeth, die naar buiten toe deed alsof zij haar veronachtzaamde, werd in werkelijkheid door onrust en vrees bevangen. De heilige Pius geloofde dus dat hij de macht bezat om af te zetten en het recht had haar te gebruiken. In 1559 had paus Paulus IV een bul uitgevaardigd waarin ketterse vorsten onbekwaam werden verklaard om te regeren, en het werd door middeleeuwse staatslieden en vorsten algemeen erkend dat in betwiste gevallen van opvolging en dergelijke de paus de laatste scheidsrechter was. De werkelijke moeilijkheid kan kort worden samengevat: is de afzettingsmacht van de paus van goddelijk recht, en het is onmogelijk deze vraag met gezag bevestigend te beantwoorden, omdat zij nog steeds onder de theologen omstreden is. In de middeleeuwen werd de aard van deze macht heftig betwist; sommigen hielden staande dat de macht van de paus in tijdelijke zaken een goddelijk recht is dat besloten ligt in zijn geestelijke macht, anderen dat zij een recht was dat stilzwijgend door alle middeleeuwse vorsten en heersers aan de paus was toegekend; het gewicht van het oordeel neigt zeker naar de eerste opvatting. En in elk geval, hetzij de afzettingsmacht een wezenlijk onderdeel was van de pauselijke macht, hetzij slechts een stilzwijgende concessie van de middeleeuwse vorsten, blijft het punt dat deze macht werd erkend; de gehele kwestie in de middeleeuwen schijnt onafscheidelijk verbonden te zijn met het feodale stelsel. De paus was de hoogste geestelijke heer, koningen en vorsten waren in geestelijke zin zijn leenmannen, en terwijl het hun taak was de tijdelijke belangen van hun onderdanen te behartigen, was het de zijne erop toe te zien dat zij hun plicht wijs en goed vervulden door de kroningseed die zij bij hun aantreden hadden afgelegd te onderhouden en, indien zij daarin faalden, hen af te zetten. Op hun beurt schaamden de wereldlijke vorsten zich niet openlijk te erkennen dat hun macht van God kwam door Zijn plaatsbekleder op aarde, en dit was in grote lijnen de toestand vanaf het begin van de negende eeuw, toen wij voor het eerst een bijzondere uitoefening van de afzettingsmacht aantreffen, tot aan de opkomst van die troebele vloed van enigszins kunstmatig heidendom die wij de renaissance noemen, die zoveel oude grondslagen heeft weggespoeld en het aanzien heeft veranderd van vele landen waarover zij zich in de zestiende eeuw uitstrekte, landen die, zoals Italië, zich nooit meer geheel van haar gevolgen hebben hersteld. Dit is uiteraard de algemene beschouwing van de kwestie; wat het bijzondere geval van de heilige Pius en Elizabeth I betreft, is het mogelijk twee verklaringen te geven van het handelen van de paus, ten eerste dat hij de koningin afzette krachtens hetgeen hij vast geloofde zijn goddelijk recht te zijn om dit te doen, ten tweede dat hij haar onderdanen ontsloeg van hun gehoorzaamheid uit de stilzwijgende overeenkomst die zij bij haar kroning met hun vorstin waren aangegaan, omdat zij zelf haar beloften niet had gehouden. Volgens deze tweede opvatting zou de paus slechts hebben gehandeld als scheidsrechter tussen vorstin en volk, daar volgens het beginsel dat niemand rechter is in zijn eigen zaak de laatsten niet zelf in staat waren tot een beslissende daad over te gaan. Wat zijn dan de feiten met betrekking tot Elizabeth: zij was gekroond door een katholieke bisschop met katholieke riten, had de plechtige eed van katholieke vorsten afgelegd als laatste van de koninklijke lijn van Engeland en had de heilige communie onder één gedaante ontvangen tijdens de kroningsmis; zij had beloofd te regeren als katholieke koningin. Tien dagen later kwam het parlement bijeen, dat steeds het willige werktuig van Elizabeth was, en begon de eerste van die reeks wetten uit te vaardigen waardoor de regerende vorst tot hoofd van de Kerk van Engeland werd gemaakt, hoogste bestuurder in alle kerkelijke en geestelijke zaken evenals in de tijdelijke; de pauselijke macht werd verworpen, de mis afgeschaft, de katholieke bisschoppen werden afgezet, gevangen gezet en verbannen, terwijl hun zetels werden bezet door zekere hongerige lieden uit Genève in schaapsvellen gehuld. Nog voor het eerste jaar van Elizabeths regering voorbij was, waren de wetten van koningin Maria en kardinaal Pole als rook verdwenen, en voordat tien jaren waren verstreken, waren de strafwetten volledig van kracht; de vurige aansporingen van kardinaal Allen tegen elke uiterlijke schijn van aanpassing aan Elizabeths nieuwe godsdienst hadden er veel toe bijgedragen hun strengheid te vergroten. De woorden verrader en katholiek waren synoniem geworden, en priesters werden gevierendeeld, opgehangen en verminkt omdat zij de mis opdroegen; het Book of Common Prayer was in de plaats van het missaal gesteld, de negenendertig artikelen werden vastgesteld zoals zij in 1562 luidden, in welk jaar men zelfs had voorgesteld de feestdagen der heiligen af te schaffen en het protestantisme voortaan bij wet gevestigd werd als de erkende staatsgodsdienst van Engeland. Toen de heilige Pius de pauselijke troon besteeg, had de afvallige Elizabeth gedurende zeven jaren getracht het katholieke geloof uit te roeien, maar toch hield hij zich nog terug, terwijl hij het drama zag verdiepen, daar het ongelukkige volk met sombere weerzin de nieuwe godsdienst aanvaardde die het door touw en mes werd opgelegd, totdat het ogenblik kwam waarop hij een beslissende slag moest toebrengen. Koningin Maria Stuart, nicht van Elizabeth en erfgename van de Engelse kroon, uit Schotland verdreven door de ontrouw van de machtige calvinistische partij, had zich tegen het advies van al haar vrienden in in mei 1568 aan de barmhartigheid van haar rivale toevertrouwd, daar Elizabeth haar alle hulp had beloofd om haar koninkrijk te herwinnen; nauwelijks was zij in Engeland aangekomen of zij werd streng gevangen gezet, en voortaan tot aan haar terechtstelling in 1587 is haar leven een aaneenschakeling van samenzweringen, intriges en laster. De heilige Pius had reeds lang de grootste vaderlijke zorg voor de weduwekoningin gedragen; gedurende haar gevangenschap waren zijn brieven aan haar haar grootste troost, en de hare aan hem wellicht onder de ontroerendste die ooit zijn geschreven; hij verleende haar zelfs de gunst de heilige communie te ontvangen door haar geconsacreerde hosties te zenden. Hij wendde zich tevergeefs tot de katholieke mogendheden om haar te helpen, maar allen weigerden om politieke redenen in te grijpen. In oktober 1569 brak in het noorden een grote opstand uit; de mis werd nog eenmaal gevierd in Durham, maar de opstand werd neergeslagen en met grote wreedheid onderdrukt; de bul van excommunicatie was reeds opgesteld, maar de heilige Pius aarzelde haar te ondertekenen, totdat hij het bericht ontving van de wreedheden; toen aarzelde hij niet langer en ondertekende de bul op 25 februari 1570. Het is overbodig eraan toe te voegen dat het handelen van de heilige Pius niet naar zijn uitkomsten kan worden beoordeeld; het is voldoende te weten dat hij geloofde dat deze stap noodzakelijk was en dat de vraag blijft wat had de heilige Pius anders kunnen doen.
De slag bij Lepanto (1571)
Zo schrijft John Henry Newman: begonnen de Turkse overwinningen in het midden van de elfde eeuw en zij eindigden in de zestiende. Selim de Dronkaard besteeg de troon van Othman en de heilige Pius V die van de Apostel in 1566. Süleyman de Prachtlievende had geregeerd van 1520 tot 1566. Onder zijn heerschappij waren de Turkse gebieden in Azië, Afrika en Europa op verontrustende wijze uitgebreid. De verovering van Tripoli en de nederlaag van twee vloten die door Karel V tegen hem waren uitgezonden gaven aanleiding tot het gezegde dat de Turk verschrikkelijk was te land maar onoverwinnelijk ter zee. De sultan bezat de machtigste vloot en in de janitsaren het beste voetvolk ter wereld. Sinds de troonsafstand van Karel V in 1555 was er geen Europese vorst geweest die groot genoeg was om hem te weerstaan.
Zijn eerste tegenslag kwam bij Malta in 1565. Belegerd door 260 oorlogsschepen kon de grootmeester van de ridders van Sint Jan, Jean de La Valette, het eiland slechts verdedigen met grote moed maar niet aanvallen. Pas nadat een langdurig beleg met tweeëntwintig opeenvolgende aanvallen was afgesloten, werden de Turken verdreven, maar de overwinning was duur gekocht, want de verdedigers hadden noch geld noch manschappen om de verwoeste versterkingen te herstellen en besloten Malta geheel te verlaten. De heilige Pius stond dit echter niet toe. In een brief van 22 maart 1566 beval hij de helden op deze voorpost van de christenheid te blijven. Hij zond La Valette 57000 gouden kronen en beloofde maandelijks 4000 kronen voor de wederopbouw. De ridders kusten de pauselijke brief en riepen: hier is ons huis, hier is onze rustplaats, en Malta werd gered. Engeland dankt nog heden Valetta, de nieuwe stad die door de vrijgevigheid van de paus werd gebouwd, aan de heilige Pius. Zes dagen later werd de eerste steen gelegd door de held naar wie zij genoemd is.
Süleyman, vertoornd over zijn nederlaag, verscheen vervolgens voor Chios met 130000 man in een vloot van 140 galeien. Onder een voorwendsel nodigde hij de gouverneur Giustiniani en zijn raad uit tot een maaltijd aan boord van zijn schip. Het was Pasen en hoewel zij allen hun plichten hadden vervuld, gingen de ter dood bestemde gasten opnieuw te biechten, overtuigd van verraad; zodra zij aan boord waren, werden zij allen vermoord. De laatste woorden van Giustiniani waren: Heer, aanvaard ons leven, maar spaar dit christenvolk. Maar Chios werd niet gespaard. De stad werd geplunderd en alle inwoners afgeslacht. De kerk van Sint Dominicus werd tot moskee gemaakt, de kathedraal van San Pietro geheel verwoest. De oude bisschop snelde naar het altaar om het Allerheiligste te beschermen. Toen de Turken de kerk binnendrongen, riep de aanvoerder godslasterlijk: is dit uw God, hij is ten minste tweehonderd dukaten waard met zijn parels. Hij greep het ciborie en stond op het punt de gewijde hosties op de grond te werpen en te vertrappen, hoewel de bisschop hem smeekte hem liever ter plaatse te doden dan God zo te beledigen, maar hij werd door zijn eigen officieren tegengehouden. Twee kinderen uit de familie Giustiniani werden doodgeslagen; de jongste, bijna in stukken gehouwen, kreeg het leven aangeboden indien hij één vinger zou opsteken, het teken van het mohammedaanse geloof; hij klemde beide handen zo vast dat zij na zijn dood niet geopend konden worden. De slachtingen duurden drie dagen. Chios bleef achter als een hoop lijken en rokende puinhopen. Maar het uur van de tiran was gekomen. Hij had 90000 man naar Hongarije gezonden, waar hij na vele overwinningen het beleg van Szigeth sloeg. De heilige Pius, diep getroffen door het drama van Chios, beval in Rome de veertigurige aanbidding met openbare gebeden en drie grote processies, waaraan hij zelf deelnam. Ik vrees de gebeden van de paus meer dan de wapens van zijn soldaten, zei Süleyman toen hij hiervan hoorde. Op de dag van de derde processie stierf de sultan. Szigeth viel drie dagen later, nadat het tot de laatste druppel bloed had standgehouden, maar de janitsaren moesten zich haasten om de nieuwe sultan te begroeten. Wenen werd gespaard, Oostenrijk gered. Süleyman werd opgevolgd door zijn zoon Selim de Dronkaard, wiens grote streven de verovering van Italië en de vernietiging van het christendom was. Hij zocht haastig twist met Venetië. Cyprus, het belangrijkste eiland van de Middellandse Zee, behoorde aan deze republiek, die daar onderdak had geboden aan de vluchtelingen van Malta. Op 13 september 1569 vond een verschrikkelijke ramp plaats: het arsenaal van Venetië ontplofte; de schok werd gevoeld tot in Treviso en Padua, waar men meende dat het een aardbeving was. De stad had nauwelijks tijd om van deze slag te herstellen toen Selim op trotse wijze de onmiddellijke overgave van Cyprus eiste. Cyprus, als deel van zijn Egyptische veroveringen opgeëist door Selim de Dronkaard, maar de Venetianen, die juist een handelsverdrag met de Turk hadden, antwoordden verontwaardigd dat dit trouwbreuk was, en de rode vlag werd gehesen boven San Marco. Ondertussen werden buitengewone inspanningen geleverd om het arsenaal te herbouwen en te voorzien van alles wat nodig was. Familiejuwelen en schatten werden verkocht, belastingen werden met vreugde betaald en de edelste patriciërs werkten als arbeiders aan de nieuwe bouw, terwijl hun vrouwen en dochters hun voedsel brachten. De Signoria wendde zich in wanhoop tot de paus en de heilige Pius liet zijn volk niet in de steek. De vijand stond reeds voor hun poorten. Op zijn aandringen leverde Filips II een kleine vloot, die samen met de door de paus geschonken schepen en het Venetiaanse contingent onmiddellijk naar Cyprus moest varen, onder bevel van de Venetiaanse admiraal Dandolo, en op zondag 14 juni 1570 zegende de heilige Pius na de plechtige Mis de banier van de pauselijke troepen en overhandigde deze. Helaas was de onderneming vanaf het begin gedoemd door de roekeloze hoogmoed en koppigheid van Dandolo en door de voortdurende twisten tussen de rivaliserende machten Venetië en Spanje. Het plan van een heilige oorlog scheen vergeten. Voor ons die terugzien is het onbegrijpelijk dat, terwijl niet alleen de veiligheid van de christenheid maar van de gehele beschaving op het spel stond en Europa bedreigd werd door de macht van de Turk, dwaze twisten en ijdele naijver omtrent voorrang onophoudelijk het bestaan van de Heilige Liga in gevaar brachten. Ondertussen werd Nicosia, de hoofdstad van Cyprus, belegerd door een enorme Turkse strijdmacht. Tot het uiterste gebracht, maar de christelijke vloot, die inmiddels in de haven van Suda lag, deed niets. Dandolo achtte zich verplicht zich te verzetten tegen hen die de Turken onmiddellijk wilden aanvallen. Laat hen allen omkomen, liever dan dat één man mij ongehoorzaam zij, riep hij toen de Spaanse bevelhebber bezwaar maakte. Alleen de pauselijke en Maltezer troepen verlangden naar de strijd. Na enige vertraging gaf Dandolo bevel de vloot naar Famagusta te sturen, een stad verdedigd door de roemrijke held Bragadino en enkele andere edele Venetianen. Het is tevergeefs, antwoordde hij op Dandolo’s voorstellen, gij hebt Famagusta verloren en zult Nicosia niet redden. En zo was het. Dandolo voer naar Nicosia, waar hij een schermutselingsaanval tegen de Turken liet uitvoeren, en in dit gevecht betaalde hij zijn dwaze roekeloosheid met zijn leven. Het was zowel de hoogmoed als de hebzucht van haar zonen die uiteindelijk de ondergang van Venetië veroorzaakten. Op 8 september deed de Turkse bevelhebber Mustapha een laatste aanval op de ten dode opgeschreven stad. Nicosia werd geplunderd en twintigduizend personen, waaronder de Dominicaanse bisschop Amalthi, afgeslacht. De Turken maakten een grote hoop lijken, die zij omringden met balken en gebroken hout. Zij bonden de gewonden en allen die nog in leven waren bovenop aan palen en staken het geheel in brand, terwijl zij hand in hand rondom dansten en de katholieken toeriepen hun Christus aan te roepen om hen te redden. Dit duurde acht dagen, te midden van onbeschrijfelijke losbandigheid. Vier schepen van de vloot werden gevuld met buit en beladen met duizend vrouwen en kinderen om als slaven verkocht te worden. Een heldhaftig meisje volgde heimelijk een soldaat naar het kruitmagazijn, wierp een brandend licht in het dichtstbijzijnde vat en in hetzelfde ogenblik verging het schip met zijn ongelukkige lading in de ontploffing. Alle vier schepen werden vernietigd, zo groot was de schok, en alle slaven en tweeduizend Turken kwamen om. Nog verschrikkelijker was het lot van Famagusta. Tijdens het beleg, dat duurde van 16 september 1570 tot de volgende zomer, was de nieuwe Venetiaanse bevelhebber erin geslaagd het garnizoen te versterken en voorraden binnen te brengen. Op 30 juni 1571 vond een hevig gevecht plaats waarbij drieduizend janitsaren werden gedood en Mustapha zwoer in zijn woede Famagusta te nemen of te sterven. De bisschop Raggazzoni, een Venetiaanse dominicaan, ontsnapte en vluchtte naar Venetië om hulp. Toegelaten tot de beruchte Raad klaagde hij bitter over de dwaasheid die Nicosia had doen verliezen en over de traagheid in het te hulp komen van Famagusta. Hij vroeg om schepen. Wat verlangt gij nog meer, spotte de Raad die deze vrijmoedigheid niet waardeerde. Zes bastions in goede staat, antwoordde de onverschrokken monnik, gezondheid voor hen die haar verloren hebben en tienduizend maten vers bloed om de kracht van de gewonden te herstellen uit wie het nog steeds vloeit. De Raad ontstak in woede en beval broeder Hieronymus naar zijn klooster terug te keren met de veelbetekenende waarschuwing dat het beter voor zijn gezondheid zou zijn daar te blijven. Toch werden zij opnieuw getrotseerd door de vrouw van een officier uit Famagusta, die met een menigte dames de raadzaal binnendrong en zwoer dat indien Venetië Cyprus niet te hulp kwam zij Corsica, haar vaderland, tegen de Republiek zou doen opstaan. Eindelijk werd een versterking gezonden, maar te laat. Zeven duizend soldaten onder Bragadino hadden het beleg tien maanden lang met grote moed doorstaan. De Turkse aanvallen werden telkens afgeslagen en ten slotte bood Mustapha eervolle voorwaarden aan indien het garnizoen zich zou overgeven. Er was geen voedsel meer in de stad, de mannen stierven van honger en zij moeten zich hebben afgevraagd wat Venetië deed. Bragadino aanvaardde en op 3 augustus 1571 werd Famagusta ontruimd. Drie dagen later verbrak Mustapha openlijk een bepaling van het verdrag en toen Bragadino protesteerde gaf hij bevel tot een algemene slachting. De andere Venetiaanse officieren werden onmiddellijk ter dood gebracht. Bragadino werden oren en neus afgesneden, zijn nagels uitgerukt en zijn tanden verbrijzeld. Hij werd ontkleed, op wrede wijze gegeseld, op een ezel door de straten gevoerd met een oude zak over zijn schouders en vervolgens gedwongen als slaaf te werken aan zijn eigen vestingwerken. Dit duurde twaalf dagen onder de brandende zon, waarbij de martelaar herhaaldelijk werd geslagen. Ten slotte werd hij levend gevild, terwijl Mustapha erbij stond en riep waar is nu uw God. Bragadino bad met heldere stem de Miserere tijdens zijn folteringen en toen hij sprak Cor mundum crea in me Deus begaf zijn stem het en verstomde. De martelaar was binnengegaan in de vreugde van zijn Heer. Deze verschrikkelijke bladzijden uit de Europese geschiedenis geven ons een zwak beeld van wat een Turkse inval in de christenheid betekende. Rome zou het lot van Nicosia delen en alle christelijke vorsten dat van Bragadino. Toch was er slechts één die dit ontzagwekkende gevaar ten volle doorzag, namelijk de heilige Pius V. Hij vond het onmogelijk de christenheid tot haar eigen verdediging te bewegen. Hoe zou dit ook kunnen wanneer zij doortrokken was van protestantisme en wellicht in het geheim meende dat de Turk haar bondgenoot was. De gevolgen van onderlinge naijver waren reeds zichtbaar in de tragedies van Nicosia en Famagusta. Slechts één man was in staat de verdeelde naties onder het teken van het Heilig Kruis te verenigen tegen de macht van de Turk en hij zat op de zetel van Sint Petrus. Sinds zijn verkiezing had de heilige Pius Europa willen wakker schudden, maar in 1570 zond hij naar alle hoven, behalve dat van Engeland, kardinaal-legaten om een kruistocht te prediken en om schepen, mannen en geld te vragen. Ieder hof behalve dat van Spanje gaf een uitvlucht. Portugal had een geldige reden, Polen talmde, Frankrijk en het Keizerrijk gaven uitvoerige verontschuldigingen. Venetië, dat in zijn bestaan werd bedreigd, trad toe tot de Liga evenals alle staten van Italië. De ridders van Malta zonden letterlijk al hun manschappen. De heilige paus, ziek tot stervens toe en zwaar lijdend, rustte noch dag noch nacht en liet geen middel onbeproefd om het welslagen te verzekeren. Wat zou er gebeurd zijn indien een lafhartige christenheid zich eensgezind had verheven. Zonder twijfel de ondergang van het Ottomaanse rijk dat vier eeuwen lang de gesel van de beschaving was geweest. Men wordt getroffen door de grote moeite die de paus had om de Liga te vormen, door de schitterende overwinning en door de bijna onmiddellijke verbreking van de christelijke alliantie na zijn dood. Het was als een bliksemflits in de nacht. Men kan slechts besluiten dat God, gehoor gevend aan de smeekbeden van zijn plaatsbekleder op aarde, om diens wil de christelijke naties wilde redden, maar dat zij hetgeen alleen aan de verdiensten van de heilige te danken was niet waardig waren. Men leest tegelijk in de geschiedenis van Lepanto de barmhartigheid en de toorn van God, barmhartigheid jegens zijn bedreigde Kerk, toorn tegen de vorsten en naties die aan ketterij waren overgegeven. Juist op het ogenblik dat de gebeden van de heilige Pius hen aan het gevaar ontrukten werden twee naties voor de strijd uitgekozen, Venetië en Spanje, de overige werden overgelaten aan hevige burgerlijke en godsdienstoorlogen. Wat zou er van Frankrijk geworden zijn indien het de zending van de heilige Pius had aanvaard. God meet zijn weldaden naar de bewezen diensten. Aan de Spaanse en Venetiaanse gezanten drong de heilige Pius met grote nadruk aan alle nationale naijver in deze heilige oorlog terzijde te stellen en wees hij op het verschrikkelijke gevaar dat zij anders zouden lopen. De vraag naar het opperbevel werd besproken. De leider mocht noch Venetiaan noch Spanjaard zijn. De hertog van Savoye verklaarde met grote nederigheid dat beide naties zijn benoeming zouden afkeuren en verzocht als eenvoudig soldaat te mogen dienen. Toen viel het oog van de heilige in een ogenblik van ingeving op Don Juan van Oostenrijk. Deze jonge prins uit het keizerlijk huis, die zich reeds had onderscheiden in de strijd tegen de Moren, legde haastig zijn bestuur neer en aanvaardde de taak met diepe ontroering. Ga mijn zoon, zo luidde de boodschap die de heilige Pius hem door de legaat Odescalchi liet overbrengen, ga, want ik weet zeker dat God u de overwinning zal geven. Op 24 mei 1571 werd in een buitengewone consistorie een aanvallend en verdedigend verbond tegen de Turk gesloten en bezworen door de paus, de koning van Spanje en de republiek Venetië en de overeenkomst werd opgesteld met grote zorgvuldigheid. Met volmaakte bekwaamheid werd de overeenkomst opgesteld waarbij de leveringen van iedere natie en de beslechting van geschillen werden geregeld. De paus zou in alles de laatste rechter zijn. Een eervolle plaats werd voorbehouden aan de keizer en aan de koningen van Frankrijk en Portugal indien zij zich nog op het laatste ogenblik bij de Liga wilden aansluiten en alle overige christelijke vorsten werden uitgenodigd. De heilige Pius bracht grote offers om geld voor de onderneming te verkrijgen. De pauselijke schatkist werd uitgeput, zijn onderdanen, rijk en arm, volgden zijn voorbeeld. Waardigheden werden neergelegd en verkocht, twaalf grote kloosters schonken een aanzienlijke bijdrage, maar de heilige Pius wees met verontwaardiging het voorstel af om het volk met een buitengewone belasting te belasten. De gaven waren vrijwillig. Toch lag hierin niet het voornaamste van de voorbereiding. De heilige Pius beval dat de devotie van de veertigurige aanbidding gedurende drie dagen zou worden gehouden, met openbare processies waarbij de rozenkrans werd gebeden. De gehele onderneming werd gesteld onder de bescherming van de Koningin van de Allerheiligste Rozenkrans. Deze devotie moest niet alleen dagelijks op elk schip worden beoefend, maar de rozenkrans zelf moest het wapen zijn waarmee zij die thuisbleven de hemel bestormden om het welslagen van de Liga te verkrijgen. Zoals John Henry Newman schrijft, had de heilige paus de Heilige Maagd voor zijn zaak gewonnen. Op 21 juli 1571 voer de pauselijke vloot naar Napels, waar zij Don Juan en de bondgenoten zou ontmoeten. Het was tijd om te handelen. De Turken hadden zojuist vijftienduizend katholieke slaven uit Dalmatië weggevoerd en waren nu meesters van de Middellandse Zee. Het Genuees contingent werd echter opgehouden en pas op 14 augustus, toen Famagusta reeds gevallen was, overhandigde de kardinaal-gezant van Spanje in de kerk van de Arme Klarissen te Napels aan Don Juan van Oostenrijk de banier van de Liga, het geschenk van de heilige Pius. Ook daarna werd de vloot nog opgehouden door het weer. De galeien moesten wachten op een kalme zee. Eerst op 16 september voer Don Juan uit Messina en stelde zijn vloot op voor de strijd. Er waren zes grote galeassen en ongeveer tweehonderdvijftig galeien en kleinere schepen. De galeassen werden in een lijn vóór de rest geplaatst, daarachter drie eskaders galeien en daarachter nog twee andere eskaders met vleugels rechts en links. Een sterke reserve werd achtergehouden en enkele snelle schepen werden vooruitgezonden om de vijand op te sporen. Toen de gehele vloot voor anker lag werd de rozenkrans vroom gebeden en vanaf de galei Vittoria gaf de legaat de apostolische zegen aan vijfenzestigduizend knielende mannen. Allen hadden vóór het vertrek de sacramenten ontvangen, geen slechte lieden werden toegelaten en op elk schip bevonden zich geestelijken als aalmoezeniers. Dit was het ideaal van christelijke krijg. Hier waren slechts christelijke soldaten die voor de Kerk streden. Bijna drie weken zochten zij de vijand. Op de vroege morgen van zondag 7 oktober stonden de beide vloten tegenover elkaar in de Golf van Lepanto. De prachtige Turkse oorlogsschepen, in halvemaanvorm opgesteld en bemand met rovers, overtroffen de christelijke vloot in aantal. Boven deze wapperde de witte banier van de paus. In het heldere parelachtige licht lagen in de verte twee Griekse eilanden als wolken van roze goud. De karmozijnen halve maan en ster van de mohammedaanse vlag en de bont beschilderde zeilen tekenden zich scherp af tegen het bleke turkoois van de hemel en het glanzende water. Drie uur lang lagen de vloten tegenover elkaar en beschouwden als het ware dit grootse schouwspel. Op elk christelijk schip werd voor de laatste maal de rozenkrans gebeden en de hulp van Onze Lieve Vrouw ingeroepen. Op elk schip gaf een geestelijke de algemene absolutie en Don Juan ging langs de vloot om zijn mannen te bemoedigen. Dit was het keerpunt in de geschiedenis van de christenheid. Op dat ogenblik knielde in het Vaticaan, zoals hij de gehele nacht had geknield en bleef knielen tot alles voorbij was, de oude paus, verzwakt door vasten en gebroken door ziekte, maar wonderbaarlijk bewust dat deze dag het lot van de wereld zou beslissen. Hij bad zoals Aaron de hogepriester bad, terwijl in de heilige stad processies werden gehouden en gebeden werden opgezonden voor de overwinning van de christelijke wapenen. Op honderd mijlen afstand streed zijn volk en overwon. De wind, die tegen de christenen was geweest, viel plotseling weg en de beslissende slag begon. Maar de voorspraak van de Heilige Maagd en de gebeden van de plaatsbekleder van Christus behaalden de overwinning, hoewel het naar menselijke maatstaf duidelijk is dat vooral de heldere geest en het beleid van Don Juan en op een beslissend ogenblik de moed van de ridders van Malta de overwinning brachten. Voelden zelfs de Turken dat de hemel tegen hen was. De zee werd bedekt met wrakken en masten, met gewonden en doden. Tegen half vijf in de namiddag weken de Turken. Zij verloren tweehonderdveertig schepen en drieëndertigduizend man, terwijl de katholieken slechts zeven- tot achtduizend verloren en betrekkelijk weinig schepen. Een hevige storm brak los en voltooide de vernietiging, terwijl de overwinnaars naar de dichtstbijzijnde haven voeren. Hun eerste zorg was te bidden voor de doden, hun tweede snelle boden naar Rome en de andere grote steden te zenden. Maar de heilige Pius had geen bode nodig. Hij zat die middag in zijn studeervertrek met zijn pauselijke thesaurier Busotti, toen hij plotseling opstond, een venster naar het oosten opende en enige ogenblikken in de lucht staarde. Toen riep hij dat dit geen tijd was om over zaken te spreken en dat men de almachtige God moest danken dat het leger een grote overwinning op de Turken had behaald. Hij ging door de kamer om urenlang te knielen voor het Allerheiligste. Het was de eerste zondag van oktober, een dag die sindsdien in de Kerk als Rozenkranszondag wordt gevierd. De woorden van de heilige paus werden onmiddellijk opgetekend, aan de kardinalen meegedeeld, ondertekend en verzegeld, maar niet openbaar gemaakt. Zij werden eerst veertien dagen later bevestigd en pas in de nacht van 21 oktober bereikte een bode, die door stormen was opgehouden, haastig Rome met de verheugende tijding van de doge Alvise I Mocenigo. Rome werd vervuld van vreugde. Toen Don Juan van Oostenrijk kort daarna op weg naar Filips II kwam om aan de voeten van de heilige te knielen, werd een plechtige intocht voor hem voorbereid. De heilige Pius schonk hem een prachtig schild van gesmeed ijzer waarop een kruisbeeld was aangebracht met het opschrift Christus overwint Christus regeert Christus heerst. Aan Marcantonio Colonna, de bevelhebber van de pauselijke vloot, werd eveneens een groot eerbetoon gebracht. Overal namen de vreugdebetuigingen de vorm aan van dankmissen, plechtige Te Deums en processies. Zozeer had de geest van de heilige Pius het volk doordrongen en zozeer begreep men dat de overwinning van God was, door zijn gezegende Moeder en door zijn plaatsbekleder op aarde. Venetië, Spanje, Genua en geheel Italië verheugden zich gezamenlijk. Wat Malta betreft verhaalt een oude dominicaanse kroniekschrijver dat, toen wat overbleef van de Maltezer vloot Valetta naderde, de bisschop, de grootmeester, de geestelijkheid en het gehele volk de steile straten afdaalden naar de kade om hun helden te ontvangen. De kanonnen donderden boven hen toen de schepen aanlegden, maar bij het zien van de gehavende schepen, haastig hersteld, de lege dekken die kort tevoren nog dicht bezet waren en de rouwvlaggen die zoveel doden betekenden, viel een diepe stilte. Alle harten werden getroffen. De ridders gingen aan land en werden één voor één geteld. Er waren er nog geen dertig. Calabrische zeelieden droegen de wapens van de gesneuvelden binnen, samen met die van twee bevelhebbers in zwart gewikkeld. Het werd een lange stoet. Plotseling verbrak een vrouw de stilte met een kreet die door allen werd herhaald. Vorsten, volk en geestelijkheid vielen op hun knieën toen dit offer, dat het christelijke leger had gered, voorbijtrok, terwijl de kanonnen opnieuw dreunden, maar niemand klaagde. Men zong het Te Deum in de kathedraal van Sint Jan vóór de dertig overlevenden en vóór de stapel wapens met zwart bedekt. Alleen de vrouwen hadden niet de moed binnen te gaan of te zingen. De grootmeester wendde zich op de trappen van de kerk tot hen en sprak dat men God ging danken dat Malta zijn plicht had gedaan en dat zij moesten gaan en wenen. Zo waren de helden en zo de overwinning van Onze Lieve Vrouw Hulp der Christenen. Laat ons, wanneer wij haar onder deze zoete titel aanroepen, God danken voor Pius V, die haar deze naam gaf en die nu in de hemel voor zijn volk bidt. Laat ons soms Lepanto gedenken wanneer wij zingen Auxilium Christianorum ora pro nobis.
De paus van de Heilige Rozenkrans (1566–1572)
De grote overwinning van Lepanto, zo zegt een Franse schrijver, zou alleen reeds voldoende zijn geweest om de naam van Pius V onsterfelijk te maken. Haar betekenis wordt duidelijker wanneer men bedenkt dat de Turk tot dan toe nooit ter zee was overwonnen. De slag bij Lepanto heeft voor altijd het gevaar van een mohammedaanse inval in het zuiden van Europa gestuit en Lepanto werd gewonnen door het gebed. Als eenvoudig kloosterling had de heilige Pius, getrouw aan de geest van zijn orde, steeds het evenwicht bewaard tussen het leven van gebed en het leven van handelen. Als inquisiteur, als kardinaal en als paus bleef dit zo. Geen van beide leed onder het andere. Geen levensbeschrijving van de heilige, hoe kort ook, zou volledig zijn indien zij dit niet benadrukte. Op volmaakte wijze had hij dat moeilijke woord verstaan dat ons beveelt God te verlaten om God te dienen. Als paus was zijn eerste zorg, zoals wij gezien hebben, de hervorming van de geestelijkheid. Als een tweede Phinees onderdrukte hij streng de ondragelijke misbruiken die zelfs onder hooggeplaatsten voorkwamen en die hij terecht als een vruchtbare bron van ketterij beschouwde. Tegelijk waakte hij voor de rechten van de Kerk, terwijl menige arme prelaat van de last van de annaten werd bevrijd en menige priester reden had zijn vrijgevigheid te zegenen. Zijn kardinalen, aan wie hij toestond vrijuit te spreken in het consistorie en van wie hij zelfs kritiek en terechtwijzing aannam, werden zo getroffen door de strengheid van zijn leven dat velen deze begonnen na te volgen. Hij vormde jonge en waardige priesters tot het bisschopsambt en stelde hen over de gehele wereld aan. Voor alle geestelijken hield hij de maatstaf van volmaaktheid hoog en een van zijn voornaamste titels tot eer is dat hij in honderden gevallen het verlangen daarnaar heeft gewekt. Hij stond nooit toe dat geld werd aangenomen voor dispensaties, die hij niet lichtvaardig verleende, en hij herinnerde aan het bekende woord van het Concilie van Trente dat zij zelden, om een reden en zonder betaling moesten worden verleend. Slechts toen men hem vóór Lepanto dringend daarom smeekte gaf hij toestemming tot de verkoop van waardigheden en ambten om de vloot uit te rusten, zoals die van kamerheer waarvoor kardinaal Alexandrin zeventigduizend kronen ontving. Zoals alle waarlijk bezielde mannen was de heilige Pius tot in het uiterste vrijgevig. Hij ledigde zijn schatkist voor de armen die hij oprecht liefhad. Zijn liefde voor de Engelse katholieke ballingen, die reeds naar Rome en andere plaatsen stroomden, kende bijna geen grenzen. Hij herzag de gevangenisreglementen en verbood opsluiting wegens schulden, een zeer belangrijke maatregel. Voor de ongelukkige christenslaven die aan de macht van de Turk waren ontrukt was hij steeds een tedere vader. Op eigen kosten werden allen die Rome bereikten gehuisvest, gekleed en naar hun vaderland teruggezonden. Toen in 1566 de pest in Rome woedde stelde de heilige naar moderne wijze een commissie samen om geld voedsel en medische hulp te verdelen hij ging zelf naar de armste wijken en vond nog tijd om de bedroefden te troosten en de zieken moed in te spreken hij bekostigde een groot aantal artsen en stelde priesters aan die zich uitsluitend bezig hielden met het horen van de biecht van stervenden en het begraven van de doden alleen al aan het hospitaal van Santo Spirito gaf hij in deze crisis vijfentwintigduizend kronen het was uit liefde voor zijn armen dat de heilige Pius in Rome de stichting van een huis van de broeders van Sint Jan van God bevorderde en hij ging nog verder toen hij zag hoeveel werklozen er in Rome waren liet hij openbare werken beginnen tot hun voordeel een wollenfabriek die hij zo oprichtte bestond nog in 1892 hij ontdekte dat veroordeelden gewoonlijk op de galeien werden gehouden ook nadat hun straf was verstreken dit verbood hij streng geen wonder dat de armen hem liefhadden een ontroerend detail van zijn verborgen liefdadigheid is tot ons gekomen op zijn schrijftafel lag altijd een kleine beurs gevuld met gouden kronen bestemd voor dringende gevallen of voor eenmaal rijke families die in armoede waren vervallen zijn vrijgevigheid ging gepaard met voorzichtigheid de beurs werd telkens opnieuw gevuld maar alleen de paus wist hoe zij werd geleegd ik ben de vader van al mijn kinderen placht hij te zeggen met zijn zeldzame en innemende glimlach en ik moet voor hen zorgen daartegenover zij opgemerkt dat de dagelijkse kosten van zijn eigen tafel de armste in Rome niet meer bedroegen dan zestien soldi zijn vrijgevigheid beperkte zich echter niet tot aalmoezen na zijn verkiezing kwam de graaf della Trinita de edelman die hem eens had gedreigd in een put te werpen als gezant van de hertog van Milaan naar Rome zijn verwarring kan men zich voorstellen toen de heilige Pius die hem onmiddellijk herkende hem vriendelijk toesprak en zei zie mijn zoon hoe God en de zwakken beschermt toen hij op een dag de landman herkende in wiens hut hij een toevlucht had gevonden in de nacht van zijn vlucht uit Bergamo liet hij hem bij zich komen dankte hem in het openbaar en schonk hem een aanzienlijke som geld de man die de paus niet herkende stond versteld maar de heilige Pius herinnerde hem aan het voorval en eraan dat zijn twee kleine dochters nu oud genoeg zouden zijn om aan hun bruidschat te denken hij gaf hun ieder vijfhonderd franken en liet de landman gedurende zijn gehele verblijf in Rome in het Vaticaan logeren de conventuelen der Orde der Minderbroeders hielden hun generaal kapittel te Rome en de heilige Pius herkende onder hen dezelfde broeder Aurelio aan wie hij het proces tegen de ketterse bisschop had toevertrouwd hij nodigde hem uit in het Vaticaan te blijven overlaadde hem met blijken van welwillendheid en benoemde hem kort daarna tot een vacant bisdom zijn fijngevoelige hoffelijkheid jegens de familie van zijn oude vriend Paus Paulus IV is bekend hij riep hen terug die onrechtvaardig waren verbannen en herstelde de familie Carafa in haar vroegere waardigheden de schuldigen waren gestorven de schandalen vergeten het lichaam van Paulus IV werd uit zijn voorlopige graf overgebracht en in een prachtig praalgraf in de Santa Maria sopra Minerva bijgezet in aanwezigheid van het pauselijk hof van alle burgerlijke rechtbanken van Rome en van alle religieuze orden de aanwezigheid bij deze plechtigheid was verplicht hierin toonde hij zich onovertroffen de heilige Pius beval dat jaarlijks een requiem zou worden gezongen voor de ziel van Paulus IV dankbaarheid was een van zijn voornaamste deugden de heilige Pius had alle religieuzen lief maar bovenal zijn eigen orde hij verleende hun vele voorrechten zowel in het algemeen als in het bijzonder en schonk hun rijke gaven het is aan de heilige Pius dat Franciscus van Assisi de prachtige kerk van Onze Lieve Vrouw der Engelen te Assisi dankt gebouwd over de kleine Portiuncula hij verafschuwde schandaal en nam alle mogelijke middelen om het te onderdrukken zo groot was zijn vrees zelf aanleiding tot laster te geven dat hij niet toestond dat zijn naaste verwanten naar Rome kwamen tenzij zij met een bijzondere opdracht waren belast opdat de eenvoudigen niet zouden menen dat hij zijn familie verrijkte met de goederen der Kerk en wanneer zij toch kwamen was hij streng een van zijn neven die bij Lepanto had gestreden gedroeg zich later slecht in een vertrouwenspositie de heilige Pius liet hem bij zich komen en stak een kaars aan toen hij binnenkwam gij zult Rome verlaten zei hij voordat deze kaars is opgebrand de jongeman gehoorzaamde in zijn strengheid ontving de heilige echter allen met grote liefde sprak tot iedereen met vriendelijkheid en zond niemand ontevreden heen wanneer hij een verzoek moest weigeren gaf hij zijn redenen en toonde hij openlijk zijn leedwezen onder zijn bezoekers was eens een oude landman die in Lombardisch kostuum verscheen met een klein vat wijn op zijn schouder herkent uwe heiligheid mij niet vroeg de oude man herinnert gij u hoe wij toen wij jongens waren te Bosco samen een wijnstok plantten en gij zeidet waarschijnlijk zal geen van ons beiden ooit van zijn wijn drinken uwe heiligheid moet erkennen dat gij u toen hebt vergist want hier is een vat rode wijn van diezelfde wijnstok door mijn eigen handen gemaakt de heilige Pius herinnerde het zich en zijn vreugde was groot hij liet hem heengaan overladen met geschenken zulke bijzonderheden vullen de tijd van de heilige wanneer hij niet bezig was met zaken van wereldwijde betekenis van zijn innerlijk gebedsleven kan minder gezegd worden want het was verborgen in Christus maar zijn uiterlijke tekenen waren duidelijk tot zijn dood sliep de heilige paus op een harde stromatras in zijn dominicaner habijt van ruwe witte stof daaronder droeg hij steeds een strenge haren boetekleed zijn toorn zo zegt een tijdgenoot was van korte duur en maakte spoedig plaats voor mildheid zijn grootste weldaden bewees hij aan hen die hem hadden beledigd de heilige Pius had vijanden zijn heilige strengheid en zijn onverzoenlijke bestrijding van het kwaad moesten die wel doen ontstaan een van hen trachtte zich op de heilige te wreken op een wijze zo verschrikkelijk dat zij zonder het door vele getuigen bevestigde wonder ongelooflijk zou zijn de heilige paus had een zeer tedere godsvrucht tot het lijden van Onze Heer en bad elke nacht urenlang zoals hij sinds zijn priesterschap in 1528 had gedaan met het kruisbeeld in zijn hand terwijl hij eerbiedig de vijf heilige wonden kuste op een nacht toen hij met zijn huisgenoten in zijn kapel knielde hief hij de voeten van de gekruisigde naar zijn lippen maar tot zijn ontzetting werden de gesneden voeten plotseling weggetrokken toen hij ze wilde kussen hij riep luid uit in zijn nederigheid menende dat hij onwaardig was dat hij om een verborgen zonde door de goddelijke Heiland werd geweigerd zijn omhelzing te ontvangen zijn dienaren echter die getuigen waren van het voorval oordeelden anders zij wreven zorgvuldig de voeten van het kruisbeeld af met brood dat daarna aan een dier werd gegeven en dit stierf terstond de heilige had een grote godsvrucht voor het bidden voor de overledenen hij verleende aflaten voor deze vrome oefening en ook voor het bidden van het Officium Defunctorum
in het bijzonder vereerde hij zijn glorierijke patroon Aartsengel Michaël aan wie hij in zekere zin gelijkvormig was hij betoonde zijn eerbied voor Thomas van Aquino niet alleen door hem uit te roepen tot de meest geleerde onder de heiligen en hem als vijfde kerkleraar te erkennen en zijn feest te Napels verplicht te stellen maar ook door een schitterende uitgave van zijn werken in achttien delen te laten verschijnen tevens beval hij uit fijngevoeligheid een nieuwe uitgave van de werken van Bonaventura maar boven alle andere devoties straalde zijn liefde tot het Allerheiligst Sacrament het helderst zo groot was zijn eerbied dat hij zich nooit liet dragen in de processie van Sacramentsdag maar altijd te voet ging en zelf de monstrans droeg zo hemels was de heiligheid van zijn houding bij deze gelegenheden dat een protestants heer uit Engeland die de processie aanschouwde er zo door werd getroffen dat hij kort daarna katholiek werd de Mis van de heilige vroeg in de morgen opgedragen werd steeds voorafgegaan door een uur voorbereiding en gevolgd door minstens een uur dankzegging het was de heilige Pius die het laatste evangelie aan de Mis toevoegde ter ere van de menswording naast zijn devotie tot Onze Heer in het Allerheiligst Sacrament was zijn grootste liefde gericht op zijn allerheiligste Moeder wij hebben gezien hoe door de voorspraak van Onze Lieve Vrouw en de gebeden van de heilige Pius de overwinning van Lepanto werd verkregen en hoe hij de devotie van de heilige rozenkrans bevorderde en verbreidde talrijk waren de aflaten die hij verbond aan de koninklijke rozenkrans der predikers zoals een Spaans schrijver deze schoon noemt het feest daarvan door hem vastgesteld op 7 oktober werd door Paus Gregorius XIII verplaatst naar de eerste zondag van die maand het officie van de Onbevlekte Ontvangenis van Onze Lieve Vrouw werd door hem aan de gehele Kerk opgelegd en hij verbond aflaten aan het bidden van het klein officie van Onze Lieve Vrouw zijn ijver was onbegrensd hij spaarde zich nooit honderd eenentwintig bullen in het pauselijk bullarium zijn door hem uitgevaardigd en vele daarvan hadden betrekking op de gehele wereld zijn zending kan in één zin worden samengevat hij werd opgewekt om de uitvoerende kracht van het Concilie van Trente in de heilige Kerk te zijn zijn edel karakter wordt aldus samengevat door John Henry Newman ik ontken niet dat de heilige Pius streng en streng was voor zover een hart dat brandt en smelt van goddelijke liefde dat kan zijn maar zulk een kracht en gestrengheid waren noodzakelijk voor zijn tijd hij was in de volle zin een soldaat van Christus in een tijd van opstand en rebellie waarin in geestelijke zin de staat van beleg was afgekondigd zijn strengheid gold in de eerste plaats hemzelf jegens anderen werd zij alleen gebruikt voor wat hij wist of meende dat strekte tot meerdere eer van God geroepen tot het hoogste bestuur van de heilige Kerk in een van de grote crises van haar geschiedenis is hij zelfs door katholieken beschuldigd van bekrompenheid indien een bekrompen man iemand is die één idee bezit en dat onophoudelijk nastreeft dan moet deze beschuldiging worden toegegeven mits men bedenkt dat het enige doel van de heilige was God te verheerlijken door de volmaaktheid van zijn mystiek lichaam op aarde daartoe aarzelde hij niet maatregelen te nemen van onbetwistbare en noodzakelijke gestrengheid tegen de vijanden van de Kerk zowel binnen als buiten niets anders had kunnen volstaan in de moeilijke en gevaarlijke tijden waarin hij leefde voor hen die zijn leven hebben bestudeerd is het overbodig de beschuldiging van bekrompenheid te weerleggen en een beschuldiging van hen die dit niet hebben gedaan is van geen waarde hij werd en zal wellicht altijd worden miskend want hij werd letterlijk verteerd door ijver voor God en zulk een man wanneer zijn ijver in volle gloed wordt gehouden is zelden bemind zijn verheven gestalte onbevreesd en onbuigzaam in een laks en verdorven geslacht verheft zich helder boven de nevelen van verkeerde voorstellingen als een van de belangrijkste historische figuren van de zestiende eeuw groot en verheven onder de heiligen van zijn orde strekte zijn invloed zich niet alleen uit binnen zijn orde maar over de gehele christenheid want de heilige Pius is niet alleen een groot heilige hij was ook een groot staatsman en bestuurder en als zodanig moeten zelfs zijn vijanden hem dit huldebetoon brengen dat hij de moed had van zijn overtuigingen recht was recht heiligheid was gerechtigheid en onrecht was zonde voor hem zowel in het tijdelijke als in het geestelijke dingen en hoe men zijn politieke daden ook beoordeelt men moet ten minste erkennen dat zijn onbevreesde en enkelvoudige handelwijze vruchten heeft gedragen waarvan wij tot op heden de weldaden genieten Pius verlicht als een brandende fakkel de gehele wereld verwonder u niet zo riep Theresia van Ávila tot haar kloosterzusters toen de heilige Pius haar bij zijn dood verscheen en beloofde haar werk voortdurend te ondersteunen verwonder u niet dat ik ween maar weent met mij want heden heeft de Kerk haar grootste herder verloren de tijd naderde waarop de Kerk hem zou verliezen juist op het ogenblik dat zijn aanwezigheid het meest nodig scheen in het vaderland 1572 in januari 1572 nam de inwendige kwaal waaraan de heilige Pius reeds jaren leed zijn latere leven was een langdurig martelaarschap van pijn zodanig toe dat hij hoewel hij nog twee maanden moedig zijn arbeid voortzette in maart wist dat zijn einde nabij was nauwelijks in staat enig voedsel te behouden zelfs geen melk riep hij tussen de hevige pijnen: Heer vermeerder mijn lijden maar vermeerder ook mijn geduld hij biechtte bijna dagelijks en dagelijks zolang hij nog kon staan aan het altaar droeg hij het heilig Misoffer op in zijn eigen kapel op Witte Donderdag gaf kardinaal Alexandrin hem de heilige communie toen hij de woorden sprak custodiat animam tuam in vitam aeternam onderbrak de heilige hem perducat animam tuam fluisterde hij menende dat hij stierf wenste hij het Lichaam van Christus als Viaticum te ontvangen op Goede Vrijdag liet hij een groot kruisbeeld op de vloer van zijn kapel leggen en uitgestrekt op de grond verrichtte hij een lange aanbidding van het kruis terwijl hij onder tranen van godsvrucht de vijf heilige wonden kuste toen de openbare audiënties waren gestaakt verspreidde zich te Rome het gerucht van zijn dood en het bedroefde volk verzamelde zich met duizenden buiten het Vaticaan om nieuws te vragen van de geliefde paus zijn voorspelling werd vervuld de eeuwige stad was vervuld van rouw zo werd zijn tedere hart bewogen dat hij nog eenmaal zijn zegen aan het volk wilde geven op Paaszondag werd hij in pontificale gewaden naar de loggia boven de voorgevel van de Sint-Pietersbasiliek gedragen en daar gaf hij met heldere stem zijn laatste zegen aan de stad en de wereld enkele dagen herleefde de hoop daar het zevende jaar van zijn pontificaat was aangebroken stond hij erop het Agnus Dei te zegenen zoals gebruikelijk was begin april legde hij een algemene biecht af en bereidde zich bijzonder voor op de dood waarbij hij de volle aflaat van de heilige rozenkrans ontving voor hen die in stervensgevaar verkeren gesterkt stond hij er op 21 april op de zeven basilieken te voet te bezoeken hoewel zijn vrienden vreesden dat hij onderweg zou sterven nabij San Sebastiano werd hij tegemoet gegaan door Marc Antonio Colonna die knielend de heilige smeekte zorg te dragen voor een zo kostbaar leven waarop de paus antwoordde dat hij niet zichzelf maar de Kerk toebehoorde en dat hij bereid was te sterven wanneer het God behaagde zijn enig en geheel karakteristiek antwoord was hem te bevelen Don Juan te Napels op te zoeken en een nieuwe veldtocht tegen de Turken te beramen in de Sint-Jan van Lateranen scheen zijn kracht uitgeput maar na vurig gebed kon hij verder gaan en met een uiterste inspanning zou hij de Scala Santa op zijn knieën hebben beklommen maar zelfs de bovennatuurlijke kracht die hem werd geschonken was onvoldoende voor deze zware opgave en de heilige kon slechts op de eerste trede knielen die hij driemaal kuste met tranen van godsvrucht toen hij opstond zag hij een kleine groep Engelse katholieken ballingen om hun geloof die wachtten om zijn voeten te kussen hij sprak tot hen met vaderlijke liefde liet kardinaal Alexandrin hun namen noteren en hun alle gastvrijheid bewijzen en terwijl hij zijn ogen ten hemel verhief riep hij mijn God Gij weet dat ik mijn bloed zou vergieten voor dat volk hoe weinig beseffen wij in Engeland wat wij aan de gebeden van de heilige Pius verschuldigd zijn teruggekeerd in het Vaticaan zag hij nog enkele belangrijke stukken na voordat hij zich te bed begaf waaruit hij niet meer zou opstaan tot het einde behield hij zijn verstand en bleef hij akten van geloof hoop en liefde van dankzegging en berouw verrichten hij liet de boetepsalmen en het lijdensverhaal zeer langzaam voorlezen telkens wanneer de heilige Naam van Jezus werd uitgesproken bewoog zijn stervende hand zich om zijn hoofd te ontbloten en toen hij te zwak was om dit zelf te doen vroeg hij kardinaal Alexandrin het voor hem te doen vier dagen voor zijn dood niet meer in staat de Mis op te dragen ontving hij de heilige communie en bood zich ten slotte als een offer aan God aan met de godsvrucht van een serafijn op 30 april ontving hij het heilig Oliesel en bad daarna urenlang op zijn knieën voor de Kerk die hij zo roemrijk had gediend tot de groep kardinalen van wie er zes nauwelijks van zijn ziekbed weken en onder wie zijn geliefde neef en zijn dierbare vriend kardinaal Felix van Montalto sprak hij ontroerende woorden vanaf de eerste dag van zijn pontificaat zo zei hij had hij God beloofd zich geheel voor de Kerk te verbruiken hij had getracht die belofte te houden hij vertrouwde hun de Kerk toe die grote last die hij weldra zou neerleggen geeft mij een opvolger riep hij met zijn oude vurigheid vol ijver voor de eer van God die de eer van de Kerk en van de Apostolische Stoel zal zoeken er zijn genoeg kardinalen in Rome om zonder uitstel een conclaaf te openen hij sprak over zijn vurige wens de overwinning van Lepanto voort te zetten maar onderwierp zich aan de heilige wil van God die dit verhinderde met aandrang en tranen vertrouwde hij hun deze zaak toe het denkbeeld van de kruistocht was zo in zijn ziel gegrift dat het hem zelfs in zijn sterven niet verliet voortaan sprak hij alleen nog tot God hij lag met gesloten ogen de vijf wonden van het kruisbeeld kussend dat hij nooit uit zijn handen liet slechts zijn lippen bewogen de laatste gebeden op aarde van deze vader der vaderen waren voor zijn volk plotseling sprak hij met heldere stem het laatste vers van de paashymne quaesumus auctor omnium in hoc paschali gaudio ab omni mortis impetu tuum defende populum en terwijl zijn stervende lippen nog eenmaal de doorboorde voeten zochten kruiste hij zijn handen op de borst en de zoete ziel van wellicht de grootste zoon van Dominicus Guzman ging binnen in de paasmijd van de hemel het was vijf uur in de avond van 1 mei 1572 de heilige was in het achtenzestigste jaar van zijn leven en het zevende van zijn pontificaat zijn gebalsemde lichaam werd de volgende dag in de Sint-Pietersbasiliek opgebaard ter verering van de gelovigen gedurende vier dagen kon de uitgestrekte basiliek nauwelijks de menigte bevatten die zich rondom de kapel van de heilige Thomas verdrong waar reeds talrijke genezingen plaatsvonden men moest de Zwitserse garde versterken want de duizenden die zich verdrongen om de voeten van de heilige te kussen of zijn lichaam met rozenkransen en medailles aan te raken zouden anders stukken van zijn habijt en zelfs zijn haar als relieken hebben meegenomen God zelf had de heilige reeds door de stem van het volk verheerlijkt met plechtigheden van buitengewone luister werd zijn lichaam voorlopig bijgezet de heilige Pius had gewenst te Bosco begraven te worden omdat hij zich onwaardig achtte te worden gerekend onder de vele heilige pausen van Rome maar zijn kinderen oordeelden anders op 9 januari 1588 werden zijn relieken overgebracht naar het graf in de Santa Maria Maggiore dat door de regerende paus Sixtus V was bereid voor de vriend die hij zozeer had liefgehad in 1617 verklaarde Paus Paulus V dat de heilige Pius alle deugden in heldhaftige graad had beoefend reeds gedurende enkele jaren was toegestaan op zijn sterfdag in plaats van een requiemmis een votiefmis van de allerheiligste Drie-eenheid te zingen maar zijn zaligverklaring vond eerst plaats in 1672 onder Paus Clemens X op aandringen van de koning van Frankrijk en de generaal-overste van de orde de in 1617 vastgestelde feiten werden opnieuw bevestigd en twee wonderen toegevoegd de onmiddellijke genezing van een zieke door een stuk van het habijt van de heilige Pius en de wonderlijke bewaring van twee schilderijen van de heilige in een hevige brand die verder alles in het paleis van de hertog van Sezze verwoestte en zelfs twee zware zilveren kandelaars deed smelten op 11 september 1669 werden de heilige relieken in een levensgroot beeld geplaatst en ingesloten in de kist waarin zij thans rusten het is opmerkelijk dat Paus Pius X daags na zijn kroning de pontificale gewaden die hij toen had gedragen tezamen met de pantoffels ring en borstkruis zond om die te vervangen waarmee de stoffelijke resten van zijn heilige voorganger reeds waren bekleed op het feest van Dominicus Guzman in 1710 ondertekende Paus Clemens XI het decreet tot heiligverklaring van de heilige Pius welke plaatsvond op 22 mei 1711 geen andere paus is sindsdien heilig verklaard en gedurende driehonderdvijftig jaren tevoren was geen paus heilig verklaard 5 mei werd als zijn feestdag vastgesteld en het eigen officie waarvan dom Guéranger zegt dat het in schoonheid niet onderdoet voor die van de dertiende eeuw werd goedgekeurd de heilige Pius bezat de gave der profetie evenals die der wonderen van de eerste kunnen drie voorbeelden worden genoemd namelijk de gevallen van vader Felix van Montalto en van Sixtus van Siena wier toekomst door hem werd voorzien en voorzegd en zijn wonderlijke aankondiging van de overwinning van Lepanto onder de wonderen die zowel vóór als na zijn dood talrijk waren zoals de bevrijding van bezetenen de genezing van zieken en de bestraffing van zondaars wordt een bijzonder schoon voorval vermeld de gezant van Polen die Rome verliet nam afscheid van de heilige buiten de Sint-Pietersbasiliek en verzocht hem hem enige relieken mee te geven de heilige Pius bukte zich nam een handvol aarde legde deze in een stuk schoon wit linnen en gaf het hem met de woorden hier zijn zeer kostbare relieken de gezant meende zich bijna beledigd maar stond versteld toen hij bij zijn verblijfplaats aankwam en het linnen met bloed bevlekt vond toen men dit aan de paus meedeelde zei hij eenvoudig ik wist het de grond van het Vaticaan is zo doordrenkt met het bloed der martelaren dat elk stofdeeltje een kostbare reliek is talloze wonderen werden ook bewerkt door de Agnus Dei die door zijn heilige handen waren gewijd deze onvolmaakte schets van onze roemrijke dominicaanse paus kan wellicht het best worden besloten met de woorden van zijn opvolger die hem tot heilige verklaarde tot eer van de heilige en ondeelbare Drie-eenheid tot verheffing van het katholiek geloof en tot vermeerdering van de christelijke godsdienst verklaren wij krachtens het gezag van onze Heer Jezus Christus dat van de heilige apostelen Petrus en Paulus en van onszelf na rijp beraad en onder voortdurend aanroepen van de goddelijke bijstand dat de zalige Pius V een heilige is en wij schrijven hem in in de lijst der heiligen en bepalen dat zijn gedachtenis in de gehele Kerk zal worden gevierd met de vroomheid en devotie die alle heilige belijders pausen toekomt in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest AMEN.
BEWERKING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN
