HH. Nereus, Achilleus, Domitilla en Pancratius

12 mei — Heilige Nereus, Achilleus, Domitilla en Pancratius, martelaren † ca. 95

De heilige Nereus en Achilleus, twee broeders, waren reeds in hun jeugd door de heilige apostel Petrus gedoopt. Zij dienden Flavia Domitilla, nicht van keizer Domitianus. Door hun godvruchtig leven en hun vermaningen hadden zij Domitilla tot het christelijk geloof gebracht, doch dit geschiedde in stilte en verborgenheid. Aurelianus, een der aanzienlijkste jonge edellieden van Rome, koos Domitilla tot zijn bruid, en zij verloofde zich met hem, wellicht slechts met het voornemen hem eveneens voor Christus te winnen. Op een dag echter, terwijl zij zich met grote zorg tooide om haar bruidegom te behagen, werden beide kamerheren bedroefd. Eén van hen sprak onder diepe zuchten: O Domitilla! indien gij even ijverig uw ziel zoudt versieren om de hemelse Bruidegom te behagen, die zich met u wil verenigen, als gij uw lichaam versiert uit liefde tot uw aardse bruidegom, hoe gelukkig zoudt gij dan zijn.

De beide godvruchtige kamerheren hielden haar vervolgens de onschatbare schat der maagdelijkheid voor ogen, de gelukzaligheid van de ziel die Christus tot Bruidegom heeft, en het verschil tussen hetgeen men van een aardse en van een hemelse bruidegom verwachten kan. Domitilla werd aanvankelijk verontwaardigd door deze woorden, doch toen zij rustiger had geluisterd, werkte de genade des Heren zo krachtig in haar hart, dat zij, vervuld van liefde tot de hemelse Bruidegom, uitriep: Waarom hebt gij mij dit niet vroeger gezegd? Indien ik eerder geweten had wat gij mij nu zegt, dan zou ik geen andere bruidegom dan de hemelse gekozen hebben. Maar ook nu kan ik het nog doen, en ik ben bereid het te doen. Helpt mij slechts, opdat ik spoedig met Hem verenigd moge worden.

De beide vrome kamerheren deelden daarop het besluit van Domitilla met paus Clemens, die aldus tot haar sprak: Mijn dochter, ik prijs uw verlangen en uw voornemen. Maar hebt gij wel overwogen welke strijd u wacht indien gij door de toewijding van uw maagdelijkheid Christus tot Bruidegom kiest en uw belofte aan Aurelianus niet houdt? Bezit gij voldoende sterkte? Zult gij het lijden kunnen verdragen dat over u komen zal? Domitilla antwoordde zonder aarzelen: Ik vertrouw op de genade van mijn hemelse Bruidegom. Op Hem stel ik mijn vertrouwen; Hij zal mij niet verlaten.

Nadat zij dit gesproken had, legde zij in tegenwoordigheid van de paus de gelofte van kuisheid af en ontving uit zijn handen de sluier, zoals reeds in die vroege tijden gebruikelijk was. Toen Aurelianus hiervan vernam, werd hij bijna razend van woede, doch aanvankelijk trachtte hij Domitilla door vleierijen en liefkozingen van haar besluit af te brengen. Toen hij echter bemerkte dat hij haar niet vermurwen kon, liet hij allen gevangen nemen van wie hij meende dat zij aan Domitilla’s besluit deel hadden gehad. De eersten die gegrepen werden, waren Nereus en Achilleus. Zij werden als christenen aangeklaagd, en daar zij onbevreesd hun geloof beleden, werden zij met de heilige Domitilla naar het eiland Pontia verbannen, waar zij grote ellende moesten verduren.

Catacombe van Domitilla te Rome
Catacombe van Domitilla te Rome, uit de eerste eeuwen der christelijke vervolgingen.

Minutius Rufus, de prefect, poogde hen door geselingen en andere folteringen te dwingen aan de afgoden te offeren. Doch zij verklaarden standvastig: Wij zijn door de heilige apostel Petrus gedoopt en kunnen daarom geen afgoden aanbidden. Toen de prefect zag dat hij over Nereus en Achilleus geen macht bezat, veroordeelde hij hen tot de onthoofding en liet Domitilla opnieuw op verschillende wijzen martelen. Daar zij echter standvastig bleef in haar belijdenis, nam Aurelianus zijn toevlucht tot andere middelen. Hij zond tot haar twee aanzienlijke jongedochters, Euphrosyne en Theodora, die met haar in het heidendom waren opgevoed, onder voorwendsel haar te dienen, doch in werkelijkheid om haar vroegere liefde voor hem weder op te wekken.

Beiden deden hun uiterste best. Zij prezen het huwelijk en de schoonheid en rijkdom van Aurelianus boven alles, bespotten het ongehuwde leven en trachtten haar op allerlei wijze te overreden. Domitilla echter werd niet door hun woorden bewogen, maar bekeerde integendeel beide heidense vrouwen, zodat zij niet alleen besloten het christendom te omhelzen, maar tevens hun maagdelijkheid aan Christus toe te wijden en Hem tot Bruidegom te kiezen.

Toen Aurelianus dit vernam, geraakte hij zo buiten zichzelf van woede dat hij niet wist wat te doen, totdat hij eindelijk besloot nog één poging te wagen. Hij liet Domitilla naar Terracina brengen met het voornemen haar met geweld te huwen. Hij liet een schitterend gastmaal bereiden, waartoe de aanzienlijksten van de adel werden uitgenodigd. Ook Domitilla moest verschijnen. Toen na de maaltijd Aurelianus uit vreugde begon te dansen, overtuigd dat hij zijn doel bereikt had, ging Domitilla ongemerkt naar een ander vertrek en bad aldus uit de grond van haar hart: Nu, o Heer, is het uur van het grootste gevaar gekomen, waarin ik Uw hulp nodig heb opdat ik U niet ontrouw worde.

Terwijl de kuise maagd aldus bad en Aurelianus zich in dans en vreugde verloor, zonk hij plotseling levenloos ter aarde. Domitilla vertrok onmiddellijk met haar gezellinnen en dankte God, die haar zo wonderbaarlijk had gered. Luxarius echter, de broeder van Aurelianus, beschuldigde Domitilla ervan door toverij de dood van zijn broeder veroorzaakt te hebben en verkreeg van de keizer toestemming zich op haar te wreken. Hij stak het huis in brand waar de kuise maagd met haar beide gezellinnen verbleef en verbrandde het tot as. De lichamen der drie heilige maagden werden daarna gevonden, ter aarde neergeworpen met het aangezicht naar beneden, doch geen haar van hun hoofd was door de vlammen geschroeid.

Bij deze drie heilige martelaren voegt het Romeins Martyrologium nog een jongen van veertien jaar, Pancratius genaamd. Hij werd geboren in Frygië en was de zoon van rijke ouders, doch verloor reeds vroeg vader en moeder. Zijn vader Cledonius had wegens de vele en gewichtige krijgsdiensten die hij aan keizer Diocletianus bewezen had, in hoge gunst gestaan en als beloning een groot landgoed op de Caeliusheuvel te Rome ontvangen. Op zijn sterfbed riep Cledonius zijn broeder bij zich en beval hem de jonge Pancratius, die toen nog slechts een klein kind was, met grote aandrang aan. Hij smeekte hem de uiterste zorg aan zijn opvoeding te besteden en tevens het rijke erfdeel dat hem toevallen zou trouw te beheren. Dionysius — zo heette de broeder — nam de kleine jongen gaarne in zijn huis op en behandelde hem alsof hij zijn eigen kind ware geweest. Na verloop van enige jaren vertrok Dionysius met zijn gezin naar Rome.

Hij hoopte daardoor beter in staat te zijn het vermogen van de jonge Pancratius te beheren en tevens nauwkeuriger zorg te dragen voor zijn opvoeding. In die tijd woedde te Rome de verschrikkelijkste vervolging tegen de christenen, van wie vele duizenden op de wreedste wijze ter dood gebracht werden. De paus hield zich verborgen in dezelfde straat waar Dionysius en Pancratius woonden. Daar Dionysius zelfs van heidenen veel gehoord had over de heiligheid van deze man en bovendien met eigen ogen zag hoe standvastig de christenen hun geloof beleden en hoe moedig zij de zwaarste martelingen verdroegen, kwam bij hem de gedachte op dat het christelijk geloof waarlijk goddelijk moest zijn en het enige dat tot zaligheid leidt. Deze gedachte deelde hij mee aan Pancratius, wiens verstand zijn leeftijd verre vooruit was. Beiden verlangden vurig te weten waarin dit geloof bestond. Op hun verzoek werden zij daarom door een christen bij de heilige paus gebracht, die zij ootmoedig smeekten hen in het christelijk geloof te onderrichten. De paus stemde met vreugde in en stelde hun zo duidelijk de valsheid der heidense goden en de waarheid van het christelijk geloof voor ogen, dat beiden na twintig dagen onderricht besloten het heilig doopsel te ontvangen, hetgeen hun vervolgens werd toegediend.

De vreugde die hun harten vervulde is niet te beschrijven, terwijl tegelijkertijd hun ijver om evenals zovele christenen hun leven voor Christus te geven zo groot was, dat zij verlangden zich voor de keizer te stellen en in zijn tegenwoordigheid openlijk het christendom te belijden. Doch de heilige paus gaf hiertoe zijn toestemming niet. Daarom besloten zij een waarlijk christelijk leven te leiden. Zij gebruikten hun rijkdommen om de lijdende en vervolgde christenen te ondersteunen en brachten door hun vriendelijke vermaningen vele heidenen tot de kennis en de aanneming van het christelijk geloof. Dionysius ontving kort daarna zijn loon van God. Hij werd ziek en stierf, nog geen jaar nadat hij het christelijk geloof had aangenomen, kalm en gelukkig. Voor zijn dood vermaande hij Pancratius standvastig te blijven in het nieuw ontvangen geloof en liever de wreedste dood te ondergaan dan het te verloochenen. Pancratius beloofde trouw deze vermaning te volgen, en het vervolg toont hoe goed hij zijn woord hield.

Toen hij veertien jaar oud was, werd hij door hen die overal de christenen opspoorden bij de keizer aangeklaagd als verachter der afgoden. Diocletianus liet hem voor zich brengen en sprak hem op vriendelijke toon toe: Mijn kind, men heeft mij bericht dat gij door de christenen verleid zijt. Ik raad u aan uw dwaling af te zweren en opnieuw aan onze goden te offeren, opdat gij niet op zo jeugdige leeftijd sterven moet. Gij hebt nog nauwelijks uw vijftiende jaar bereikt. Uw vader was mijn geliefde vriend, en uit achting voor hem wil ik u als mijn zoon aannemen. Indien gij echter mijn raad niet volgt, hebt gij niets anders dan de dood te verwachten.

Pancratius antwoordde onbevreesd: Gij vergist u, keizer, indien gij meent dat ik door de christenen verleid ben. Uw goden zijn verleiders en bedriegers geweest. Indien één van uw dienaren zich schuldig maakte aan de daden die uw goden bedreven hebben, zoudt gij hem niet in uw tegenwoordigheid dulden, maar streng straffen. Hoe zou ik hen dan als goden kunnen vereren? Het is waar dat ik jong ben in jaren, maar mijn dierbare Jezus heeft mijn hart en ziel zo versterkt dat ik uw bedreigingen niet vrees.

Dit en meer sprak Pancratius zonder het minste teken van vrees te tonen. De keizer echter, bevreesd zichzelf verachtelijk te maken door een kind te laten folteren, beval dat hij naar een plaats genaamd Aurelia gevoerd en daar onthoofd zou worden. De heilige jongeling verheugde zich en dankte God dat Hij hem de genade verleend had voor Zijn naam te sterven. Met blij gelaat ging hij naar de plaats der terechtstelling en eindigde onbevreesd door het zwaard zijn leven. Octavilla, een aanzienlijke christelijke vrouw, liet in de nacht heimelijk het heilig lichaam wegnemen en begroef het met grote eer in het jaar onzes Heren 302.

De heilige Gregorius van Tours schrijft dat het nog in zijn tijd gebruikelijk was hen die een eed moesten afleggen naar het graf van de heilige te brengen. Indien iemand daar een valse eed durfde zweren, stierf hij plotseling of werd door de duivel bezeten en op de vreselijkste wijze gekweld. (Weninger)

Heilige martelaren Nereus, Achilleus, Domitilla en Pancratius, die standvastig hebt volhard in het geloof, verkrijg voor ons moed in de beproeving, zuiverheid van hart en trouw aan de heilige Kerk. Amen