Pinksterfeest of Pentecostes, de vijftigste dag, is het feest waarop de eerste volgelingen van Christus, na vijftig dagen leven in de schaduw van verborgenheid en verwachting, overstroomd werden door het Licht van de Geest, die over hen nederdaalde. De Nieuwe Wet van Jezus werd voor het eerst aan de wereld gepredikt. Dit feest is het tweede hoogtepunt in de Paasviering, waarvan het de voltooiing is. Christus heeft de mens verlost door Zijn overwinning op de dood; de Heilige Geest komt nu om bezit te nemen van de verloste mens en Zijn werk in de H. Kerk voort te zetten.

Les uit de Handelingen der Apostelen (Hand. 2, 1–11)
Toen de Pinksterdagen aanbraken, waren al de leerlingen op dezelfde plaats bijeen. En plotseling kwam er van de hemel een gedruis, als bij het opsteken van een hevige wind, en het vervulde geheel het huis, waar zij gezeten waren. En er verschenen hun tongen als van vuur, die uit elkander gingen en zich op ieder van hen neerzetten. En allen werden zij vervuld van de Heilige Geest, en zij begonnen te spreken in vreemde talen, naar gelang de Heilige Geest hun te spreken gaf.
Nu waren er in Jeruzalem Joden woonachtig, godvruchtige mannen uit alle volken, die er onder de hemel zijn. Toen nu dat geluid ontstond, liep de menigte tezamen, en men stond versteld, omdat een ieder hen in zijn eigen taal hoorde spreken. Allen waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: Ziet, zijn allen, die daar spreken, geen Galileeërs? Hoe horen wij dan ieder de taal van ons geboorteland: Parthen en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, van Pontus en Azië, van Phrygië en Pamphylië, van Egypte en het gebied van Lybië bij Cyrene, alsook de Romeinen, die hier zijn, zowel Joden als proselieten, Cretensers en Arabieren — wij horen hen in onze eigen taal verkondigen de grote werken van God.
Veni, Sancte Spíritus,
et emítte caélitus
lucis tuae rádium.
Veni, pater páuperum,
veni, dator múnerum,
veni, lumen córdium.
Consolátor óptime,
dulcis hospes ánimae,
dulce refrigérium.
In labóre réquies,
in aestu tempéries,
in fletu solátium.
O lux beatíssima,
reple cordis íntima
tuórum fidélium.
Sine tuo númine,
nihil est in hómine,
nihil est innóxium.
Lava quod est sórdidum,
riga quod est áridum,
sana quod est sáucium.
Flecte quod est rígidum,
fove quod est frígidum,
rege quod est dévium.
Da tuis fidélibus,
in te confidéntibus,
sacrum septenárium.
Da virtútis méritum,
da salútis éxitum,
da perénne gáudium.
Amen. Allelúia.
Wil nu komen, Heil’ge Geest,
zend ons uit uw hemelwoon
van uw heerlijk licht een straal.
Vader van de armen, kom,
Gever aller gaven, kom,
Licht van alle harten, kom.
O Vertrooster hoog’lijk goed,
zoete gast van onze ziel,
en verkwikking allerzoetst.
O, Gij rust bij alle last,
en verkoeling in de brand,
Gij, de troost bij alle smart.
O, Gij overzalig licht,
laat uw gaven vloeien in
het hart van uw gelovig volk.
Zonder uwe zachte hulp
is er niets meer in de mens,
is ook niets meer vrij van schuld.
Reinig wat onzuiver is,
en besproei wat is verdord,
kom, genees wat is gewond.
Buig ook wat weerspannig is,
breng weer warmte voor onz’ kou,
breng terecht wat is verdwaald.
Geef aan uw getrouwe volk
dat altijd op U vertrouwt,
van uw gaven ’t zevental.
Geef dan loon voor alle deugd,
geef aan allen ’t zalig eind,
geef ons ook de eeuw’ge vreugd.
Amen. Alleluja.