18 februari 2026 – Laat ons, christenen, met een geest van berouw en nederigheid de heilzame as ontvangen die de Kerk op ons hoofd zal leggen. Deze as is het beeld van wat wij uit onszelf zijn: stof en nietigheid. Zij herinnert ons aan het vreselijke vonnis dat over de zondige mens is uitgesproken: Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren.
Maar wanneer de Kerk ons de as oplegt, wil zij ons niet alleen onze aardse oorsprong en het doodsvonnis in herinnering brengen; zij wil ons ook de weg van de barmhartigheid openen. Indien wij onze ellende erkennen, indien wij belijden dat wij gezondigd hebben, dan is God getrouw en rechtvaardig om ons te vergeven.
Laten wij dan deze heilige veertigdagentijd binnentreden met een verbrijzeld hart. Laten wij de boete aanvaarden die de Kerk ons oplegt; laten wij ons verenigen met de vasten, de gebeden en de aalmoezen die zij aanbeveelt. Dat deze oefeningen voor ons geen ijdele uiterlijke naleving zijn, maar herstel van onze fouten en onderpand van een nieuw leven.
O mijn God! Ik belijd dat ik tegen U gezondigd heb. Ik heb de dood verdiend; ik heb verdiend tot stof te worden herleid. Maar gedenk dat Gij mij hebt geschapen om U te kennen, U te beminnen en U te dienen. Laat niet toe dat ik in mijn ongerechtigheid omkom. Aanvaard mijn berouw; versterk mijn zwakheid; en maak dat ik, door de boete gelouterd, moge geraken tot de vreugden van de Verrijzenis. (Dom Gueranger)
Over de as en haar betekenis
De as wordt gemaakt uit de palmtakken die op Palmzondag werden gezegend, opdat wij zouden verstaan dat de roem van deze wereld tot niets wordt teruggebracht. Wat eens teken van hulde was, wordt tot teken van boete; want alle aardse heerlijkheid eindigt in stof.
De as wordt op het hoofd gelegd, omdat het hoofd het voornaamste deel van het lichaam is, opdat de mens zou erkennen dat hij in alles aan God onderworpen is. Door dit teken wordt hij herinnerd aan zijn oorsprong en zijn einde: dat hij uit stof genomen is en tot stof zal wederkeren.
Daarom spreekt de priester: ‘Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren.’ Niet opdat hij wanhope, maar opdat hij zich verootmoedige en zich tot God kere; want vernedering is het begin van verhoging. (Durandus)