Aan de vooravond van de Veertigdagentijd

17 februari 2026 – Sinds de vroegste eeuwen bereidt de Kerk zich veertig dagen voor op Pasen. Lichaam en ziel worden door onthouding en gebed geordend. De Kerk plaatst deze tijd vóór de viering van de Verrijzenis, opdat de gelovigen gezuiverd tot het paasmysterie naderen. Het getal veertig verwijst in de Schrift naar beproeving en loutering. Veertig dagen zuiverde de zondvloed de aarde. Veertig jaren werd Israël in de woestijn beproefd. Mozes vastte veertig dagen vóór hij de wet ontving. Elias ging veertig dagen tot aan de berg Gods. Onze Heer Jezus Christus vastte veertig dagen vóór zijn openbaar optreden.

Daaruit blijkt dat vóór het ontvangen van Gods gaven oefening en tucht voorafgaan. De Kerk vraagt daarom zelfonderzoek, verbetering van leven en volharding in vasten, gebed en aalmoes. Aan het begin van deze tijd wordt bij de asoplegging het askruisje ontvangen. De woorden herinneren aan Genesis: Gedenk, mens, dat gij stof zijt. De as is teken van nederigheid en boete. Zij wordt genomen van de palmtakken van het vorige jaar. De palm duidde op de triomf van Christus; de as wijst op vernedering. Zo verbindt de Kerk overwinning en bekering binnen één heilsweg.

Reeds sinds de voorvasten is de toon van de liturgie ingetogener geworden. Vanaf Septuagesima zwijgt het Alleluia en wordt het Gloria niet meer gezongen; de vreugdevolle klanken maken plaats voor ernst en bezinning. Ook de slotformule van de Mis verandert: in plaats van het plechtige Ite, missa est klinkt het soberder Benedicamus Domino. Met Aswoensdag wordt deze voorbereiding verdiept door de oplegging van de as en het Evangelie over vasten, gebed en aalmoes. Zo leidt de Kerk de gelovigen geleidelijk binnen in de heilige Quadragesima, opdat de uiterlijke ingetogenheid de innerlijke bekering zou dienen.

Karolingische liturgische uitleg.

Christus in majesteit, Godescalc-evangeliarium, 781
Christus in majesteit, uit het Godescalc-evangeliarium (781), vervaardigd in opdracht van Karel de Grote en koningin Hildegard. De voorstelling wijkt af van de Byzantijnse beeldtaal en toont een eigen Karolingische stijl. Klassieke Romeinse vormen worden hier verbonden met westerse invloeden, zichtbaar in het insulaire vlechtwerk en de knoopmotieven in de rand. Deze beeldtaal behoort tot dezelfde culturele wereld waarin ook de liturgie systematisch werd geordend en verklaard.

In de 8e en 9e eeuw ontstaat een meer systematische reflectie op de liturgie. Men vraagt naar de samenhang van de kerkelijke orde. Waarom staat een lezing op een bepaalde plaats? Waarom wordt een bepaald gezang gebruikt? Waarom volgt na de asoplegging het Evangelie van de verzoeking? Waarom wordt in deze tijd het Alleluia niet gezongen?

In deze periode wordt de Romeinse liturgie vanuit Rome overgenomen in het Frankische rijk. Men ontvangt niet alleen afzonderlijke teksten, maar een volledige structuur van jaar, feesten, lezingen en gezangen. Dat vraagt om uitleg en doordenking.

Amalarius van Metz (9e eeuw) behoort tot de eerste die deze ordening systematisch beschrijft. Hij verklaart niet alleen de Schrift, maar ook de plaats van de Schrift binnen het kerkelijk jaar. Voor hem vormt de Quadragesima een geordende weg naar Pasen.

De Kerkvaders, zoals Augustinus, Leo de Grote en Gregorius de Grote, verklaren vooral de Schrift en roepen op tot bekering. De karolingische liturgisten onderzoeken daarnaast de structuur van de liturgie zelf: de volgorde van lezingen, gezangen en riten. Het ene betreft de uitleg van de tekst; het andere de uitleg van de ordening.

De uiterlijke tekenen hebben betekenis. Amalarius schrijft: Exteriora sacramenta interiorem gratiam significant et excitant. De zichtbare tekenen betekenen en wekken de innerlijke genade. Zo wordt de liturgie verstaan als onderricht door ordening.