Beurtzang tempore Quadragesimae
Latijn
Attende, Domine, et miserere,
quia peccavimus tibi.
Ad te, Rex summe, omnium redemptor,
oculos nostros sublevamus flentes;
exaudi, Christe, supplicantum preces.
Attende, Domine, et miserere,
quia peccavimus tibi.
Dextera Patris, lapis angularis, via salutis,
janua caelestis, ablue nostri maculas delicti.
Attende, Domine, et miserere,
quia peccavimus tibi.
Rogamus, Deus, tuam maiestatem:
auribus sacris gemitus exaudi:
crimina nostra placidus indulge.
Attende, Domine, et miserere,
quia peccavimus tibi.
Nederlands
Wend U tot ons Heer, en ontferm U over ons
want wij hebben tegen U gezondigd.
Tot U, hoogste Koning, Verlosser van allen,
heffen wij wenend onze ogen;
verhoor, Christus, de gebeden van hen die U smeken.
Wend U tot ons Heer, en ontferm U over ons
want wij hebben tegen U gezondigd.
Rechterhand des Vaders, hoeksteen, weg des heils,
poort des hemels, was de smetten onzer boosheid af.
Wend U tot ons Heer, en ontferm U over ons
want wij hebben tegen U gezondigd.
Wij smeken U, o God, in uwe majesteit:
hoor met heilige oren onze verzuchtingen;
vergeef genadig onze misdaden.
Wend U tot ons Heer, en ontferm U over ons
want wij hebben tegen U gezondigd.
Attende Domine — ontstaan en inhoud
Attende Domine is een middeleeuwse beurtzang voor de vastentijd, in gregoriaanse handschriften aangeduid als Tempore Quadragesimae. De tekst wordt overgeleverd in Zuid-Franse bronnen uit de 10e en 11e eeuw en is anoniem. Zij behoort tot het vastenrepertoire dat in kloosters en parochies werd gezongen tijdens boeteoefeningen en processies.
De vorm is die van een beurtzang: een kort refrein dat door allen kan worden herhaald, afgewisseld met strofen.
De inhoud is een schuldbelijdenis. Het refrein — Attende, Domine, et miserere, quia peccavimus tibi — spreekt de kern uit: wij hebben gezondigd en vragen ontferming. De strofen richten zich tot Christus met titels die aan de Heilige Schrift zijn ontleend: Dextera Patris (vgl. Ps. 117, 22), Lapis angularis (vgl. Ps. 117,22; Mt. 21), Janua caelestis (vgl. Gen. 28). Daarmee wordt Hij aangeroepen als Hoeksteen en Poort des hemels, van Wie vergeving wordt afgesmeekt.