H. Cyrillus van Jeruzalem

18 maart – H. Cyrillus van Jeruzalem, bisschop, belijder en kerkleraar † 386

Cyrillus werd omstreeks het jaar 315 in of nabij Jeruzalem geboren. Hij werd tot priester gewijd door de heilige Maximus, die hem de belangrijke taak opdroeg de catechumenen te onderrichten en voor te bereiden op het heilig Doopsel. Deze taak vervulde hij verscheidene jaren, en uit de jaren 347 of 348 is een reeks van zijn onderrichtingen bewaard gebleven. Zij zijn van bijzonder belang, omdat zij het vroegste overgeleverde stelselmatige onderricht van de Kerk over geloofsbelijdenis en sacramenten bevatten, uitgesproken in de kerk die keizer Constantijn op Golgotha had laten bouwen. Zij zijn eenvoudig en krachtig, diep van inhoud, geheel doortrokken van de Heilige Schrift, en als getuigenis van het katholieke geloof van onschatbare waarde.

Na de dood van de heilige Maximus werd Cyrillus tot bisschop van Jeruzalem gekozen. In het begin van zijn episcopaat verscheen volgens oude berichten een lichtend kruis in de lucht, reikend van Golgotha tot aan de Olijfberg. Cyrillus berichtte daarvan aan de keizer, en de gelovigen beschouwden het als een teken van overwinning op de ariaanse ketterij. Terwijl Cyrillus bisschop was, besloot de afvallige keizer Julianus de tempel van Jeruzalem te herbouwen om de woorden van Onze Heer te logenstraffen. Hij zette de macht en de middelen van een Romeins keizer in, en de Joden stroomden hem vol ijver toe. Maar Cyrillus bleef onbewogen: het woord van God zou niet falen. Toen men begon te bouwen, vertellen oude schrijvers dat vlammen uit de aarde opkwamen en de werklieden verdreven, zodat het werk moest worden opgegeven.

Zoals andere grote bisschoppen van zijn tijd werd Cyrillus vervolgd en meer dan eens uit zijn bisschopszetel verdreven. Na de dood van de ariaanse keizer Valens kon hij naar Jeruzalem terugkeren. Hij was aanwezig op het tweede oecumenische concilie van Constantinopel en stierf in vrede in het jaar 386, na een bewogen episcopaat van vijfendertig jaren.

Paus Leo XIII riep hem in 1883 uit tot kerkleraar, omdat zijn catechesen tot de oudste en kostbaarste getuigenissen behoren van de leer van de Kerk over de geloofsbelijdenis, het Doopsel en de heilige Eucharistie, en omdat zij een helder beeld geven van de liturgie van het oude Jeruzalem.

Constantijnse basiliek van het Heilig Graf te Jeruzalem
Reconstructie van het heiligdom van het Heilig Graf te Jeruzalem in de vierde eeuw. In deze basiliek hield de heilige Cyrillus van Jeruzalem zijn beroemde catechesen tot de catechumenen.

Uit de catechese van de heilige Cyrillus van Jeruzalem

De heilige Cyrillus van Jeruzalem behoort tot de belangrijkste getuigen van de liturgie en de sacramentenleer van de oude Kerk. Zijn beroemde catechesen werden in de vierde eeuw uitgesproken in de basiliek van het Heilig Graf en waren bestemd voor de catechumenen en de pasgedoopten van Jeruzalem. Vooral zijn onderricht over de heilige Eucharistie is beroemd geworden, omdat het een van de oudste en duidelijkste patristische getuigenissen vormt van het geloof van de Kerk in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus.

Catechesis Mystagogica IV

Daar Hij zelf over het brood heeft uitgesproken: “Dit is mijn lichaam”, wie zou nog durven twijfelen? En daar Hij zelf heeft bevestigd en gezegd: “Dit is mijn bloed”, wie zou ooit nog aarzelen en zeggen dat het niet zijn bloed is?

Eertijds veranderde Hij te Kana in Galilea water in wijn, die op wijn leek; en zouden wij dan niet geloven dat Hij wijn in zijn bloed heeft veranderd? Toen Hij tot een bruiloft werd genodigd, verrichtte Hij dit wonderteken; hoeveel meer moeten wij dan geloven dat Hij aan de kinderen van de bruidegom zijn lichaam en bloed heeft geschonken.

Daarom moeten wij met volle zekerheid daaraan deelnemen als aan het lichaam en bloed van Christus. Onder de gedaante van brood wordt u het lichaam gegeven en onder de gedaante van wijn het bloed, opdat gij, door deel te hebben aan het lichaam en bloed van Christus, één lichaam en één bloed met Christus wordt.

Zo woont Christus ook in ons, zoals Hij zelf heeft gezegd: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.”

De mislukte herbouw van de tempel onder keizer Julianus & de voorspelling van de H. Cyrillus

In het jaar 362 gaf keizer Julianus, later bekend als de Afvallige, opdracht de tempel van Jeruzalem opnieuw te bouwen. Julianus was in zijn jeugd christelijk opgevoed maar had het geloof verlaten en probeerde tijdens zijn regering het heidendom te herstellen. Zijn vijandschap richtte zich vooral tegen het christendom. Tegenover de Joden stond hij persoonlijk niet gunstig, maar omdat zij eveneens het christelijk geloof verwierpen zag hij in hen een bondgenoot in zijn strijd tegen de Kerk.

Julianus en de poging tot herbouw van de tempel van Jeruzalem
Keizer Julianus houdt toezicht op de poging om de tempel van Jeruzalem te herbouwen in het jaar 363. Volgens tijdgenoten, onder wie de heidense historicus Ammianus Marcellinus en de kerkhistorici Socrates, Sozomenus en Theodoretus, werd het werk plotseling verijdeld toen vuur uit de fundamenten opsteeg en de arbeiders verdreef. Voor de christenen van Jeruzalem, onder leiding van bisschop Cyrillus, bevestigde dit het evangeliewoord dat van de tempel geen steen op de andere zou blijven.

Joodse leiders drongen er bij de keizer op aan de tempel te herstellen. Voor hen betekende de herbouw niet alleen het herstel van hun heiligdom maar ook een weerlegging van de christelijke prediking. De christenen beriepen zich immers op het evangeliewoord dat over de tempel was uitgesproken dat van het heiligdom geen steen op de andere zou blijven. Indien de tempel opnieuw werd opgericht meenden velen dat daarmee de profetie van Christus gelogenstraft zou zijn. De uitvoering van het plan werd toevertrouwd aan Alypius van Antiochië, een vriend van de keizer. Met grote ijver begon men de fundamenten van het oude heiligdom bloot te leggen en Joden uit verschillende streken namen volgens de oude schrijvers enthousiast aan het werk deel.

Maar terwijl men aan de fundamenten werkte gebeurde er iets dat de onderneming plotseling tot stilstand bracht. De Romeinse historicus Ammianus Marcellinus, een heiden en tijdgenoot van de gebeurtenissen, vertelt dat bij de fundamenten herhaaldelijk vlammen uit de grond losbraken zodat de arbeiders verschroeid werden en het werk niet konden voortzetten. Ook de kerkhistorici Socrates Scholasticus, Sozomenus en Theodoretus berichten dat vuur uit de fundamenten opsteeg en de arbeiders verdreef en dat de onderneming telkens opnieuw werd geprobeerd maar steeds opnieuw werd verhinderd.

Ten tijde van deze gebeurtenissen was Cyrillus bisschop van Jeruzalem. Volgens de kerkhistoricus Socrates herinnerde Cyrillus, toen hij hoorde dat men de tempel wilde herbouwen, aan de woorden van Christus dat van de tempel geen steen op de andere zou blijven. Toen de arbeiders vervolgens door vuur uit de fundamenten werden verdreven zagen de christenen van Jeruzalem hierin de bevestiging van het evangeliewoord.

De onderneming van Julianus mislukte volledig. Kort daarna sneuvelde de keizer tijdens een veldtocht tegen de Perzen in het jaar 363. De tempel van Jeruzalem werd nooit herbouwd. Voor de christelijke schrijvers van de oudheid was dit een zichtbaar teken dat de woorden van Christus onfeilbaar zijn en dat de offers van het oude verbond voorgoed hadden plaatsgemaakt voor het heilig Misoffer van het nieuwe verbond.