24 februari — H. Matthias, Apostel († ca. 63)
De heilige apostel Matthias werd geboren te Bethlehem, een stad van Judea. Zijn ouders voedden hem zorgvuldig op en onderrichtten hem in de geboden en inzettingen Gods. Zodra Jezus Christus, de Zaligmaker der wereld, begonnen was het Evangelie te verkondigen, bevond Matthias zich onder zijn toehoorders. Hij nam diens leer diep ter harte, volgde de goddelijke Meester en werd aldus opgenomen onder de tweeënzeventig leerlingen van Christus.
Hij was getuige van de meeste wonderen die onze Heiland gedurende Zijn prediking verrichtte. Het kan niet betwijfeld worden dat Christus hem na Zijn verrijzenis verscheen, evenals aan de andere leerlingen, noch dat hij aanwezig was op de berg toen Christus in heerlijkheid ten hemel werd opgenomen.
Na de Hemelvaart van onze Heer begaf hij zich met de apostelen en de overige leerlingen naar de bovenzaal, waar zij zich, overeenkomstig het bevel van de Heer, voorbereidden om de Heilige Geest te ontvangen. De heilige Petrus stond in het midden van de vergadering op en sprak dat één van hen die voortdurend bij Christus geweest waren, gekozen moest worden in de plaats van Judas, die de Heer verraden had en ellendig was omgekomen.
Twee mannen werden voorgesteld: Jozef, bijgenaamd de Rechtvaardige, en Matthias, wiens naam betekent: gave Gods. Om te vernemen wie God tot apostel had uitverkoren, baden zij: “Heer, Gij die de harten van allen kent, toon ons wie van deze beiden Gij hebt gekozen om de plaats en het apostolisch ambt in te nemen dat Judas verlaten heeft.” Daarna wierpen zij het lot, en het viel op Matthias, die aldus bij de elf apostelen werd gevoegd.
Op de dag van Pinksteren ontving hij met de overige apostelen de Heilige Geest en begon terstond Jezus Christus als de ware Messias te verkondigen, getuigend van Zijn verrijzenis en hemelvaart. Toen de apostelen zich over de wereld verspreidden, werd Judea zijn arbeidsveld. Met apostolische ijver trok hij door steden en dorpen, predikte Christus en bevestigde zijn woorden door vele wonderen, zodat duizenden tot het geloof werden gebracht.
Hij onderwees de nieuwbekeerden in het bijzonder over de versterving: dat men, om Christus te volgen, het lichaam moet tuchtigen, het kruis opnemen en strijden tegen de kwade begeerten. “Tegen het vlees moeten wij strijden,” zo sprak hij, “en nooit toegeven aan zijn zinnelijke verlangens.”
Gedurende drieëndertig jaren zette hij zijn arbeid voort in Judea en Galilea. Maar de Joden, verhard in hun ongeloof, konden niet verdragen dat Jezus, die zij gekruisigd hadden, als Messias werd vereerd. Ananias, de hogepriester, liet Matthias voor zich brengen en dreigde hem met de dood indien hij niet ophield met prediken. De heilige toonde, vervuld van de Heilige Geest, aan dat Hij, die zij gekruisigd hadden, de Zoon van God en de beloofde Messias was, die zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden. Hij verklaarde dat hij in dit geloof wilde leven en sterven.
Toen niemand zijn woorden kon weerleggen, werd hij als godslasteraar ter dood veroordeeld. Men leidde hem buiten de stad en stenigde hem. Terwijl hij halfdood ter aarde lag, werd hij door een Romeins soldaat met een bijl onthoofd. Zo ontving hij de martelaarskroon.
De christenen begroeven zijn lichaam met grote eerbied. Later werd het, volgens de overlevering, door de heilige keizerin Helena naar Rome overgebracht en vervolgens naar Trier gezonden, waar het tot op heden in verering wordt bewaard. De heilige Matthias wordt daar aangeroepen als patroon van de stad. (Weninger, Lives of the Saints)

De verkiezing van de heilige Matthias
In die dagen stond Petrus op in het midden der broeders — er was een schare bijeen van ongeveer honderdtwintig personen — en sprak: Het is dan nodig, dat van de mannen die met ons zijn omgegaan al de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, te beginnen met het doopsel van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd opgenomen, één met ons getuige worde van zijn verrijzenis. En zij stelden er twee aan: Jozef, genaamd Barsabbas, bijgenaamd Justus, en Matthias. En zij baden en zeiden: Gij, Heer, die aller harten kent, wijs aan wie Gij van deze twee hebt uitverkoren om de plaats in te nemen van dit dienstwerk en apostelschap, waaruit Judas door overtreding is gevallen om heen te gaan naar zijn eigen plaats. En zij wierpen hun lot; en het lot viel op Matthias, en hij werd bij de elf apostelen gerekend. (Handelingen 1, 15; 21–26)