H. Thomas Becket, bisschop en martelaar

29 decemberHeilige Thomas Becket, bisschop en martelaar † 1170

De heilige Thomas van Canterbury werd in 1118 te Londen geboren, uit een adellijke en vrome familie. Hij ontving onderwijs in de kunsten en wetenschappen en onderscheidde zich daarin al vroeg. Hij verwierf zulk een aanzien bij zowel geestelijkheid als leken, dat koning Hendrik II hem in 1155 tot kanselier van het rijk aanstelde.

In deze waardigheid leefde Thomas in grote eer en pracht en stond hij in hoge gunst bij de koning. Hij was diens persoonlijke vriend en vertrouweling, deelde in het hofleven, vergezelde hem op reizen en behartigde met ijver de belangen van de kroon. Hij vervulde zijn ambt tot volle tevredenheid van koning en volk, totdat de bisschopszetel van Canterbury vacant werd. De koning droeg Thomas uit eigen beweging voor als opvolger van de overleden aartsbisschop, in de verwachting dat hij als aartsbisschop dezelfde trouw aan de kroon zou bewaren.

Thomas weigerde lange tijd aan deze wens te gehoorzamen, maar erkende tenslotte hierin de wil van de Almachtige en aanvaardde deze hoge, doch zware taak. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij verzaakte aan alle lichamelijke genoegens en legde de luister van het hof af. Gezien de gewichtige plichten van zijn ambt trachtte hij zijn leven zó te leiden dat het een lichtend voorbeeld zou zijn voor hen die aan hem waren toevertrouwd.

De ijver voor de eer van God en het heil van zijn kudde nam geheel bezit van zijn hart, zodat hij niets naliet om beide te bevorderen. Het grootste deel van zijn inkomsten besteedde hij aan de armen en behoeftigen; het overige gebruikte hij voor zijn eigen onderhoud, verre van zich te verlustigen in trots of weelde, maar voortdurend bezig met zelfverloochening. Deze stichtelijke levenswijze maakte de nieuwe aartsbisschop welgevallig bij God en bemind bij de mensen.

Toen hij echter kerkelijke goederen terugeiste die onrechtmatig aan de Kerk waren ontnomen, trachtten degenen die zich de bezittingen hadden toegeëigend het volk tegen hun bisschop op te zetten. Zij verspreidden lasterlijke geruchten over hem en probeerden de vriendschap en achting van de koning voor hem te ondermijnen. In diezelfde tijd hadden twee geestelijken zware misdrijven begaan; en toen de heilige Thomas hen wilde straffen, fluisterden hovelingen de koning in dat hij, als heer van het land, het recht had zowel geestelijken als leken te oordelen en te straffen, en dat het een schande voor hem was dat de geestelijkheid aan zijn gezag was onttrokken door het canonieke recht.

Zij wisten de koning ertoe te bewegen wetten uit te vaardigen die geheel strijdig waren met de rechten en vrijheden van de Kerk, maar die toch werden goedgekeurd door de hoogste adel van het rijk en zelfs door vele bisschoppen, die uit vrees hadden toegegeven. Sint Thomas verzette zich moedig tegen deze wetten en was bereid liever te sterven dan toe te stemmen in iets wat strijdig was met de gelofte die hij God en de Kerk had gedaan.

Hierdoor verloor hij de gunst van de koning. Daar hij voorzag dat zijn aanwezigheid in het land nog grotere onrust zou veroorzaken, verliet hij heimelijk het hof en begaf zich met twee geestelijken naar Rome. Daar legde hij aan de paus voor wat was voorgevallen en verzocht hem een andere aartsbisschop van Canterbury te benoemen. De paus prees zijn standvastigheid, maar wees dit verzoek af en raadde hem aan in afzondering te leven totdat de koning tot inzicht in zijn dwaling zou komen.

Daarop trok de heilige aartsbisschop zich terug in het cisterciënzerklooster van Pontigny in Frankrijk, waar hij in grote gestrengheid en heiligheid leefde. Toen hem echter werd meegedeeld dat de koning van Engeland had laten weten dat hij alle kloosters van deze orde in Engeland zou vernietigen indien Thomas niet werd weggestuurd, verliet de heilige man vrijwillig Pontigny, opdat zijn aanwezigheid geen kwaad zou berokkenen aan de orde. Koning Lodewijk van Frankrijk bracht hem daarop naar een klooster bij Sens, genoemd naar Sint Columba, waar hij verbleef totdat de koning van Engeland zich met hem verzoende.

De moord

Na zeven jaren ballingschap keerde Sint Thomas naar zijn zetel terug en werd door het volk met grote vreugde ontvangen. Hij vervulde zijn ambt opnieuw met grote ijver en klaagde in het geheel niet over het onrecht dat hem was aangedaan. Zijn vijanden gaven hem echter geen rust en beschuldigden hem ervan tegen het rijk en het algemeen welzijn samen te zweren, ja zelfs naar de kroon te dingen. Hoe overduidelijk vals deze beschuldigingen ook waren, zij maakten toch indruk op de koning, die in zijn woede meer dan eens uitriep: Kan ik in mijn rijk geen rust hebben omwille van één enkele priester? Is er dan niemand die mij van zo’n trotse en halsstarrige man kan verlossen?

Sommigen die deze woorden hoorden, meenden zich de gunst van de koning te verwerven indien zij hem van de bisschop verlosten. Zij begaven zich daarom naar Canterbury en drongen de kerk binnen, waar de heilige de Vespers bad. De aanwezige priesters wilden de kerkdeuren sluiten, maar Sint Thomas verhinderde dit en sprak: De Kerk is geen vesting waar men zich op een aanval voorbereidt. Ik ben bereid mijn leven te offeren voor de Kerk van God.

Toen de moordenaars binnendrongen en riepen: Waar is Thomas, de verrader?, antwoordde hij: Ik ben hier. Ik ben geen verrader, maar een priester van God, bereid mijn bloed te geven voor God en Zijn Kerk. In de naam van de Almachtige verbied ik u iemand van mijn volk kwaad te doen. Daarop knielde hij voor het altaar en beval zichzelf en zijn Kerk aan God, de Goddelijke Moeder, Sint Dionysius en andere patroonheiligen. Nauwelijks had hij zijn gebed beëindigd, of hij werd met zwaardhouwen getroffen. Zijn hoofd werd verbrijzeld, zijn hersenen over de treden naar het altaar verspreid en de vloer ervoor met bloed bedekt. Daarna vernielden de moordenaars het bisschoppelijk paleis en verwoestten alles wat zij konden bereiken.

Het martelaarschap van de heilige Thomas Becket in de kathedraal van Canterbury
Het martelaarschap van de heilige Thomas Becket.
Middeleeuwse miniatuur: de aartsbisschop wordt tijdens het uur van de Vespers in zijn kathedraal met zwaardhouwen getroffen.

De geestelijken keerden terug, begroeven met grote eerbied het lichaam van de vermoorde heilige en ontdekten bij het uittrekken van zijn kleding een haren boetekleed, dat hij altijd had gedragen. Deze droevige en tegelijk wrede gebeurtenis vond plaats op 29 december 1170.

De koning, die de moord niet had gewenst maar haar door zijn toornige woorden had veroorzaakt, deed zware en openbare boete. De moordenaars werden door God gestraft: één stierf in razernij en wanhoop, de anderen zwierven krankzinnig rond en eindigden hun leven in ellende, terwijl zij uitriepen: De straf van God heeft ons getroffen.

Grafschennis

Het graf van Sint Thomas werd door vele wonderen verheerlijkt en geheel Engeland vereerde hem als heilige. Reeds op 21 februari 1173 werd hij door paus Alexander III heiligverklaard. In 1220 werden de heilige relieken plechtig overgebracht naar een kostbaar schrijn en Canterbury werd een beroemd bedevaartsoord.

Deze verering duurde voort tot de tijd van Hendrik VIII, die zich van de katholieke Kerk afscheidde en zichzelf tot hoofd van de Engelse Kerk uitriep. Deze koning daagde op ongehoorde wijze de heilige Thomas, die reeds 490 jaar gestorven was, voor de rechtbank en veroordeelde hem als verrader. Vervolgens werden zijn heilige relieken opgegraven, tot as verbrand en aan de wind toevertrouwd. Bij koninklijk bevel werd bepaald dat men de aartsbisschop niet langer heilig mocht noemen of hem als heilige mocht aanroepen.

De ware reden van dit alles was dat Sint Thomas een onbevreesde verdediger was geweest van de rechten en voorrechten van de Kerk van God en van de Apostolische Stoel, waarop Hendrik VIII zijn voet wilde zetten. Zo ver reikte de razernij van Hendrik VIII.

De schennis van het graf van Sint Thomas Becket moet worden gezien in het bredere kader van de politiek van koning Hendrik VIII na zijn breuk met de Kerk van Rome. Reeds vóór 1538 was begonnen met de grootschalige onteigening van kerkelijk bezit: kloosters, abdijen, landerijen en inkomsten werden aan de Kerk ontnomen en overgedragen aan de kroon en aan de adel.

Deze verdeling van kerkelijke goederen had een duidelijk doel: zij bond de leidende lagen van de samenleving materieel aan de nieuwe kerkorde, omdat hun rijkdom en positie in belangrijke mate voortkwamen uit deze confiscaties. Een aanzienlijk deel van het grootgrondbezit van de Engelse adel vindt hierin zijn oorsprong.

Daarmee werd niet alleen een levende katholieke bouwtraditie abrupt afgebroken – geen kerken werden meer gebouwd maar landhuizen en buitenplaatsen – maar ook de sociale orde die daarmee was verbonden: onderwijs, armenzorg en zorg voor zieken, die eeuwenlang door de Kerk waren gedragen. H. Thomas Becket, bid voor ons.