H. Thomas van Aquino, doctor Angelicus

7 maart – Heilige Thomas van Aquino, belijder en kerkleraar † 1274

De heilige Thomas van Aquino werd geboren uit adellijke ouders te Aquino in Italië, in het jaar 1226. Op negentienjarige leeftijd ontving hij het habijt van de Orde der Predikheren te Napels, waar hij studeerde. Door zijn broeders onderweg naar Parijs aangehouden, onderging hij een gevangenschap van twee jaren in hun kasteel van Rocca-Secca; maar noch de liefkozingen van zijn moeder en zusters, noch de bedreigingen en listen van zijn broeders konden hem in zijn roeping doen wankelen.

Terwijl hij daar in opsluiting verbleef, trachtten zij hem tot zonde te verleiden; maar deze poging eindigde slechts in de overwinning van zijn zuiverheid. Hij greep een brandend stuk hout uit de haard en joeg daarmee de vrouw uit zijn kamer die men daar verborgen had gehouden. Daarna tekende hij met dat vuur een kruis op de muur, knielde neer om te bidden en werd, in vervoering opgenomen, door een engel omgord met een gordel, als teken van de blijvende gave der kuisheid die God hem schonk. De pijn van deze hemelse omgording was zo scherp dat hij een kreet slaakte die de wachters deed toesnellen; maar hij sprak hierover tot niemand, behalve tot zijn biechtvader kort voor zijn dood.

Na zijn bevrijding begaf Thomas zich naar Keulen om onder de zalige Albertus de Grote te studeren, en vervolgens naar Parijs, waar hij vele jaren filosofie en theologie onderwees. De Kerk heeft zijn talrijke geschriften steeds vereerd als een schatkamer van heilige leer; en door hem de Engelachtige Leraar te noemen, heeft zij aangeduid dat zijn wetenschap meer dan menselijk was. De zeldzaamste gaven van verstand waren in hem verenigd met een diepe godsvrucht. Het gebed, zo zei hij, had hem meer geleerd dan de studie.

Zijn bijzondere devotie tot het Allerheiligst Sacrament schittert in het Officie en de hymnen voor Sacramentsdag, die hij heeft samengesteld. Toen een kruisbeeld te Napels hem op wonderbare wijze toesprak, Gij hebt wel over Mij geschreven, Thomas; welke beloning zult gij ontvangen?, antwoordde hij, Niets dan Uzelf, Heer. H. Thomas van Aquino, bid voor ons.

Op weg naar het Algemeen Concilie van Lyon, waartoe paus Gregorius X hem had ontboden, werd hij ziek en bereikte het cisterciënzerklooster van Fossanova. Daar ontsliep hij in de Heer in het jaar 1274.
H. Thomas van Aquino, bid voor ons

Heilige Thomas van Aquino in gebed, Sassetta, 15e eeuw
Heilige Thomas van Aquino in gebed, ca. 1430–1440, predellapaneel, dat is een onderpaneel uit een altaarstuk, voor het wolkoopliedengilde van Siena. Volgens de overlevering sprak Christus tot de heilige, Gij hebt wel over Mij geschreven, Thomas, terwijl de duif van de Heilige Geest tot hem neerdaalt. Het tafereel speelt zich af in het kloosterinterieur, met openliggende codices en zicht op tuin en fontein, het hart van het monastieke leven. Het altaarstuk werd jaarlijks op Sacramentsdag voor het gildegebouw opgesteld bij de openluchtmis en werd later ontmanteld.

“Mijn werk komt mij voor als stro”

Onder de vele levensbeschrijvingen van de heilige Thomas van Aquino neemt het boek van G.K. Chesterton, Saint Thomas Aquinas (1933), een bijzondere plaats in. Het is een klein boek, maar van grote kracht. Met helderheid en geestdrift tekent Chesterton het portret van de Engelachtige Leraar als verdediger van de werkelijkheid, vriend van de rede en aanbidder van het mysterie.

Bijzonder verhelderend is zijn bespreking van Thomas’ laatste woorden, dat alles wat hij geschreven had hem als stro voorkwam. Deze uitspraak is vaak verkeerd begrepen. Sommigen menen dat Thomas daarmee zijn levenswerk verwierp, alsof zijn theologie instortte onder het gewicht van een mystieke ervaring.

Chesterton bestrijdt dit krachtig. Volgens hem betekent deze uitspraak geen afkeer van de rede, maar juist haar voltooiing. Thomas verwerpt zijn werk niet; hij plaatst het in de juiste verhouding. Theologie is waar en kostbaar, maar zij is niet God zelf. De rede wijst de weg, maar zij is niet de aanschouwing.

Met die gedachte beschrijft Chesterton het laatste stadium van het leven van de heilige Thomas van Aquino.

Hier volgt het fragment

Aan het einde van zijn leven komt dat merkwaardige en grootse verhaal, dat tot veel misverstand heeft geleid. Nadat hij de Mis had opgedragen in de kapel van Sint-Nicolaas, onderging Thomas een ervaring die wij, bij gebrek aan een beter woord, mystiek noemen. Wat het ook geweest is, het trof hem zó diep dat hij ophield met schrijven; en toen zijn secretaris hem aandrong het grote werk dat hij onafgemaakt had achtergelaten voort te zetten, antwoordde hij met een soort verraste ontwaking, Ik kan niet meer schrijven. Ik heb dingen gezien die maken dat alles wat ik geschreven heb mij als stro voorkomt.

Velen zullen dit verhaal zo verstaan dat hij zijn eigen redeneringen verachtte; dat hij ontdekt had dat zijn uitvoerige betogen slechts een web van woorden waren; dat een mystiek visioen de moeizame logica van zijn leven had verbrijzeld. Dat is een volkomen misverstand van de man.

Men zou de waarheid dichter benaderen door te zeggen dat hij de rede zó hoog achtte, dat hij precies wist hoever zij reikt; en dat hij de eerste zou zijn geweest om te protesteren tegen het verwarren van rede met openbaring, of van logisch betoog met de onmiddellijke aanschouwing van de waarheid. Juist omdat hij zo hard gewerkt had om een rationele theologie op te bouwen, kon hij erkennen dat theologie niet hetzelfde is als God. De kaart is niet het landschap.

Er is niets tegenstrijdigs in het feit dat iemand zijn leven besteedt aan het tekenen van een kaart van een land, en vervolgens, wanneer hij het land zelf aanschouwt, zegt dat de kaart iets heel anders is. De kaart is niet onwaar; zij is niet nutteloos; zij is zelfs niet onbelangrijk. Zij is slechts niet hetzelfde als de werkelijkheid.

En juist omdat Thomas in de beste zin van het woord een rationalist was, kon hij zo waarachtig een mysticus blijven. Hij verwarde de twee nooit; hij gebruikte de ene niet om de andere te vernietigen. Hij wist dat de rede de weg is naar de waarheid; maar hij wist ook dat zij een weg is, en niet de stad.

Daarom was er aan het einde van zijn leven geen instorting van de rede. Er was veeleer haar voltooiing. Het verstand dat zo lang en zo trouw in dienst van de waarheid had gearbeid, werd voor een ogenblik toegelaten tot de aanschouwing van de waarheid zelf. Dat is niet de instorting van een kathedraal; het is het oplichten van de sluier vóór het altaar.