Het Arianisme

Katholieke Klassieken

De Ariaanse ketterij

HOOFDSTUK III

uit: The Great Heresies, Hilaire Belloc

Over het Arianisme, de eerste grote ketterij en haar strijd tegen de Godheid van onze Heer Jezus Christus

Het Arianisme was de eerste van de grote ketterijen. Vanaf de stichting van de Kerk op Pinksteren, in het jaar 29 tot 33 na Christus, was er een menigte ketterse bewegingen die de eerste drie eeuwen vulden. Zij hadden bijna alle betrekking op de natuur van Christus. Het gevolg van de prediking van onze Heer, van Zijn Persoon, en van Zijn wonderen, maar vooral van Zijn verrijzenis, was dat allen die enig geloof hadden in het voorgelegde wonder, werden gebracht tot het besef van een goddelijke kracht die door het geheel heen werkte.

De centrale overlevering van de Kerk was hier, evenals in ieder ander geval van betwiste leer, van het begin af sterk en duidelijk. Onze Heer was ongetwijfeld een mens. Hij was geboren zoals mensen geboren worden, Hij stierf zoals mensen sterven. Hij leefde als mens en was als mens gekend door een kring van naaste metgezellen en door een zeer groot aantal mannen en vrouwen die Hem volgden, Hem hoorden en Zijn daden aanschouwden. Maar, zo zei de Kerk, Hij was ook God. God was neergedaald op aarde en vlees geworden als mens. Hij was niet slechts een mens die door de Godheid beïnvloed werd, noch een verschijning van de Godheid onder de gedaante van een mens. Hij was tegelijk volkomen God en volkomen mens. In dit punt heeft de centrale overlevering van de Kerk nooit gewankeld. Het wordt van het begin af als vanzelfsprekend aangenomen door hen die het gezag hebben te spreken.

Maar een mysterie is noodzakelijk, juist omdat het een mysterie is, onbegrijpelijk; daarom tracht de mens, als redelijk wezen, het voortdurend te rationaliseren. Zo ging het ook met dit mysterie. De één zei dat Christus slechts een mens was, zij het een mens met bijzondere vermogens. Een ander, aan het tegenovergestelde uiterste, zei dat Hij een verschijning van het goddelijke was, en dat Zijn menselijke natuur slechts schijn was. Tussen deze twee uitersten wisselde men eindeloos.

De Ariaanse ketterij was als het ware de samenvatting en het eindpunt van al deze bewegingen aan de onrechtzinnige zijde, dat wil zeggen van al die bewegingen die het volle mysterie van de twee naturen niet aanvaardden. Aangezien het zeer moeilijk is de vereniging van het oneindige met het eindige te rationaliseren, en er een schijnbare tegenspraak bestaat tussen beide begrippen, kwam deze laatste vorm waarin de verwarring van ketterijen zich vestigde hierop neer: men verklaarde dat onze Heer zoveel deel had aan de goddelijke Wezenheid als voor een schepsel mogelijk was, maar dat Hij niettemin een schepsel bleef. Hij was niet de oneindige en almachtige God, die naar Zijn natuur één en ondeelbaar moet zijn, en niet, zo zeiden zij, tegelijk een begrensde mens kon zijn, die zich bewoog en zijn bestaan had binnen de tijd.

Het Arianisme (ik zal later de oorsprong van de naam uiteenzetten) was bereid onze Heer elke eer en majesteit toe te kennen, behalve de volle natuur van de Godheid. Hij was geschapen (of, indien men het woord geschapen niet wenste te gebruiken, dan zei men dat Hij was voortgekomen) uit de Godheid vóór alle andere voortbrengselen daarvan. Door Hem werd de wereld geschapen. Men kende Hem, als het ware paradoxaal gesproken, alle goddelijke eigenschappen toe, behalve de goddelijkheid zelf.

Deze beweging ontsproot in wezen uit precies dezelfde bron als elke andere rationalistische beweging, van het begin af tot op onze eigen tijd. Zij ontsproot aan het verlangen om iets wat het menselijk zicht en begrip te boven gaat, helder en eenvoudig voor te stellen. Daarom, hoewel zij begon met aan onze Heer elke mogelijke eer en heerlijkheid toe te kennen, behalve de eigenlijke Godheid, zou zij op den duur noodzakelijk uitgelopen zijn op een louter unitarisme en uiteindelijk onze Heer behandeld hebben als een profeet, en, hoe verheven ook, niet meer dan een profeet.

Zoals alle ketterijen noodzakelijk de geest van hun tijd inademen en noodzakelijk een weerspiegeling zijn van de niet-katholieke denkbeelden die op het ogenblik van hun ontstaan gangbaar zijn, zo sprak het Arianisme in de termen van zijn tijd. Het begon niet, zoals een soortgelijke beweging heden zou beginnen, met onze Heer tot een louter mens en niets meer te maken. Nog minder ontkende het het bovennatuurlijke in zijn geheel. De tijd waarin het ontstond, de jaren omstreeks 300 na Christus, was een tijd waarin de gehele samenleving het bovennatuurlijke als vanzelfsprekend aannam. Maar het sprak over onze Heer als een hoogste werktuig van God, een demiurg, en beschouwde Hem als de eerste en grootste van die emanaties van de centrale Godheid, door welke emanaties de modieuze filosofie van die dagen de moeilijkheid trachtte te overwinnen om de oneindige en eenvoudige Schepper te verzoenen met een samengesteld en eindig heelal.

Dit dan aangaande de leer en aangaande datgene waartoe haar rationalistische neigingen zouden hebben geleid, indien zij had gezegevierd. Zij zou de nieuwe godsdienst hebben gemaakt tot iets als het Mohammedanisme, of misschien, gezien de aard van de Griekse en Romeinse samenleving, tot iets als een oosters Calvinisme. In ieder geval was dit de toestand van deze leer zolang zij bloeide: een ontkenning van de volle Godheid van onze Heer, verbonden met de erkenning van al Zijn overige eigenschappen.

Wanneer wij nu spreken over de oude, gestorven ketterijen, dan moeten wij meer letten op hun geestelijke en dus maatschappelijke uitwerkingen dan op hun louter leerstellige dwaling, hoewel die leerstellige dwaling de uiteindelijke oorzaak was van al hun geestelijke en maatschappelijke gevolgen. Wij moeten dit doen omdat, wanneer een ketterij lange tijd dood is, haar eigen karakter vergeten wordt. De bijzondere toon en de onmiskenbare indruk die zij op de samenleving drukte, wordt niet meer ervaren en is voor ons als het ware niet aanwezig, en moet opnieuw tot leven worden gewekt door wie de ware geschiedenis wil beschrijven. Het zou onmogelijk zijn, zonder een verklaring als deze, een katholiek uit Béarn van heden, een boer uit de streek van Lourdes waar het Calvinisme eens heerste maar nu verdwenen is, het karakter en de eigen aard van het Calvinisme te doen begrijpen zoals het nog voortleeft in Schotland en in delen van de Verenigde Staten. Maar wij moeten trachten deze nu vergeten ariaanse atmosfeer te verstaan, want zolang wij haar geestelijke en dus maatschappelijke karakter niet begrijpen, kan men niet zeggen dat wij haar werkelijk kennen.

Voorts moet men deze geur, dit innerlijk persoonlijk karakter van de beweging, en haar eigen uitwerking op de samenleving verstaan om haar belang te begrijpen. Er is geen grotere dwaling in het geheel van slechte geschiedschrijving dan te menen dat leerstellige verschillen, omdat zij abstract zijn en schijnbaar ver verwijderd van het praktische leven, daarom geen diepe maatschappelijke gevolgen zouden hebben. Beschrijf aan een Chinees van heden het leerstellig geschil van de Hervorming, en zeg hem dat het bovenal een ontkenning was van de leer van de ene zichtbare Kerk en van het bijzondere gezag van haar ambtsdragers. Dat zou waar zijn. Hij zou aldus zover begrijpen wat er bij die Hervorming gebeurde, als men een wiskundige stelling kan begrijpen. Maar zou dit hem doen begrijpen wie de Franse hugenoten van heden zijn, of de Pruisische geest in oorlog en politiek, of het wezen van Engeland en zijn geschiedenis sinds het puritanisme in dat land opkwam? Zou het hem doen begrijpen wat de Oranjelogen zijn, of de zedelijke en politieke stelsels van bijvoorbeeld de heer H. G. Wells of de heer Bernard Shaw? Zeker niet. Iemand de geschiedenis van de tabak geven, hem de chemische formule van nicotine geven, is hem niet doen begrijpen wat de geur van tabak en de werking van het roken betekenen. Zo is het ook met het Arianisme. Enkel zeggen wat het leerstellig was, is een formule uitspreken, maar niet de zaak zelf geven.

Toen het Arianisme opkwam, trad het binnen in een samenleving die reeds lang de ene universele staatsorde was, waarvan alle beschaafde mensen burgers waren. Er bestonden geen afzonderlijke naties. Het Romeinse Rijk was één staat, van de Eufraat tot de Atlantische Oceaan en van de Sahara tot de Schotse Hooglanden. Het werd op monarchische wijze bestuurd door de opperbevelhebber, of de opperbevelhebbers, van de legers. De titel van opperbevelhebber was Imperator, waaruit ons woord keizer is ontstaan, en daarom spreken wij van die staat als het Romeinse Rijk. Wat de keizer of de gezamenlijke keizers verklaarden te zijn, dat was de officiële houding van het gehele rijk.

De keizers, en daarmee het gehele officiële bestel dat van hen afhankelijk was, waren anti-christelijk geweest gedurende de groei van de katholieke Kerk te midden van de Romeinse en Griekse heidense samenleving. Gedurende bijna driehonderd jaren hadden zij en het officiële bestel van die samenleving de steeds machtiger wordende katholieke Kerk beschouwd als een vreemde en zeer gevaarlijke bedreiging voor de overlevering en daarmee voor de kracht van de oude Grieks-Romeinse heidense wereld. De Kerk was als het ware een staat binnen de staat, met haar eigen hoogste gezagsdragers, de bisschoppen, en haar eigen organisatie, die van een hoog ontwikkelde en krachtige aard was. Zij was overal aanwezig. Zij stond in scherp contrast met de oude wereld waarin zij zich had ingevoegd. Wat het leven van de ene zou zijn, zou de dood van de andere zijn. De oude wereld verdedigde zich door het optreden van de laatste heidense keizers. Zij ontketenden vele vervolgingen tegen de Kerk, eindigend in één laatste en zeer zware vervolging, die mislukte.

De katholieke zaak werd aanvankelijk gesteund door, en werd uiteindelijk openlijk omhelsd door, een man die al zijn rivalen overwon en zich vestigde als de opperste monarch over de gehele staat: de keizer Constantijn de Grote, regerend vanuit Constantinopel, de stad die hij had gesticht en die hij Nieuw Rome noemde. Daarna werd het centrale bestuur van het Rijk christelijk. Tegen het beslissende jaar 325 na Christus, nog geen drie eeuwen na Pinksteren, was de katholieke Kerk de officiële, of althans de hofgodsdienst van het Rijk geworden, en zij bleef dit, met één zeer korte uitzondering, zolang het Rijk bestond. Men moet echter niet menen dat de meerderheid van de mensen reeds tot het christelijk geloof behoorde, zelfs niet in het Griekssprekende Oosten. Zeker was dit niet het geval, bij lange na niet, in het Latijnssprekende Westen.

Zoals bij alle grote omwentelingen in de geschiedenis, bestonden de strijdende partijen uit minderheden, bezield met verschillende graden van ijver of gebrek daaraan. Deze minderheden hadden uiteenlopende beweegredenen en streden elk om hun geesteshouding op te leggen aan de weifelende en onbesliste massa. Van deze minderheden waren de christenen de talrijksten en, wat belangrijker was, de meest vurigen, de meest overtuigden en de enigen die volledig en streng georganiseerd waren. De bekering van de keizer bracht grote en steeds groeiende aantallen van de onbesliste meerderheid tot hen over. Deze begrepen wellicht voor het grootste deel nauwelijks wat het nieuwe was waarvoor zij zich schaarden, en waren er zeker meestal niet innerlijk aan gehecht. Maar het had tenslotte politiek gezegevierd, en dat was hun voldoende. Velen betreurden de oude goden, maar achtten het niet de moeite waard iets voor hun verdediging te wagen. Zeer velen gaven niets om wat van de oude goden overbleef en evenmin om de nieuwe christelijke vormen. Intussen bleef er een sterke minderheid over van zeer bekwame en vastberaden heidenen. Zij hadden aan hun zijde niet alleen de tradities van een rijke regerende klasse, maar ook het grootste deel van de beste schrijvers, en bovendien de nog verse herinnering aan hun langdurige heerschappij over de samenleving.

Er was nog een ander element in die wereld, onderscheiden van al het overige, en een dat voor ons van het hoogste belang is om te begrijpen: het leger. Waarom het zo belangrijk is de positie van het leger te verstaan, zal terstond worden uiteengezet. Toen de macht van het Arianisme zich openbaarde in die eerste jaren van het officieel christelijke Rijk en zijn universele regering over de Grieks-Romeinse wereld, werd het Arianisme het middelpunt van vele krachten die op zichzelf onverschillig stonden tegenover zijn leer. Het werd het verzamelpunt van talrijke nog krachtige tradities uit de oude wereld: tradities niet zozeer godsdienstig, maar intellectueel, maatschappelijk, zedelijk, literair en van allerlei andere aard.

Men zou het levendig kunnen uitdrukken in hedendaagse taal door te zeggen dat het Arianisme, aldus krachtig aanwezig in de nieuwe grote discussies binnen het lichaam van de christelijke Kerk, toen deze Kerk voor het eerst officiële steun verkreeg en de godsdienst van het Rijk werd, alle zogenoemde fijngeesten aantrok, ten minste de helft van de snobs en bijna alle oprechte, idealistische behoudzuchtigen, de onverzettelijken, of zij zich nu christen noemden of niet. Het trok, zoals wij weten, ook grote aantallen van hen die werkelijk christen waren. Maar het was tevens het verzamelpunt van die niet-christelijke krachten die in de samenleving van die dagen van zo groot gewicht waren.

Een groot aantal van de oude adellijke families was terughoudend om de maatschappelijke omwenteling te aanvaarden die besloten lag in de zegepraal van de christelijke Kerk. Zij schaarden zich vanzelf aan de zijde van een beweging waarvan zij instinctief voelden dat zij geestelijk gekant was tegen het leven en het voortbestaan van die Kerk en die bovendien een zekere sfeer van maatschappelijke superioriteit boven het volk met zich bracht. De Kerk steunde uiteindelijk op en werd gedragen door de massa. Mannen van oude afkomst en rijkdom vonden de Ariaan meer verwant aan hun gevoelens dan de gewone katholiek en een geschikter bondgenoot voor heren.

Vele intellectuelen bevonden zich in dezelfde positie. Zij hadden niet de trots van geslacht en oude maatschappelijke tradities, maar zij hadden de trots van cultuur. Zij herinnerden zich met spijt het vroegere aanzien van de heidense wijsgeren. Zij meenden dat deze grote omwenteling van het heidendom naar het katholicisme de oude culturele overleveringen en hun eigen culturele positie zou vernietigen. De loutere snobs, die in elke samenleving altijd een talrijk lichaam vormen, dat wil zeggen mensen zonder eigen overtuiging, die volgen wat zij menen dat op het ogenblik aanzien geeft, zouden verdeeld zijn. Misschien zou de meerderheid de officiële beweging van het hof volgen en zich openlijk bij de nieuwe godsdienst aansluiten. Maar er zou altijd een bepaald aantal zijn dat het chiquer, meer in de geest van de tijd achtte om sympathie te betuigen met de oude heidense tradities, de grote oude heidense families, de eerbiedwaardige en lang overgeleverde heidense cultuur en letterkunde en al het overige. Al deze groepen versterkten de ariaanse beweging, omdat zij het katholicisme ondermijnde.

Het Arianisme had nog een andere bondgenoot, en de aard van dit bondgenootschap is zo subtiel dat zij een zeer zorgvuldige beschouwing vereist. Het had tot bondgenoot de neiging van de regering in een absolute monarchie om enigszins bevreesd te zijn voor de gemoedsbewegingen die onder het volk leven, vooral onder de armere klassen, gemoedsbewegingen die, indien zij zich verbreidden, bezieling kregen en de massa aangrepen, te machtig zouden kunnen worden om nog beheerst te worden en waaraan men zich dan zou moeten onderwerpen. Hier is een moeilijke maar belangrijke paradox.

Een absoluut bestuur, vooral in de handen van één man, schijnt oppervlakkig beschouwd tegenover volksbestuur te staan. Voor hen die het niet in werking hebben gezien, klinken beide als tegenstrijdig. Voor wie het wel heeft gezien, is het juist omgekeerd. Het absolute bestuur is de steun van de massa tegen de macht van rijkdom in handen van enkelen of tegen de macht van legers in handen van enkelen. Men zou dus kunnen menen dat de keizerlijke macht van Constantinopel eerder sympathie zou hebben gehad met de katholieke volksmassa dan met de intellectuelen en de anderen die het Arianisme volgden. Maar men moet bedenken dat, hoewel het absolute bestuur zijn bestaansreden juist vindt in de verdediging van de massa tegen de machtigen, het toch wil heersen. Het duldt niet gaarne dat er in de staat een mededinger is voor zijn eigen macht. Het duldt niet gaarne dat grote beslissingen worden opgelegd door organisaties buiten zijn eigen officiële organisatie. Daarom hadden zelfs de meest christelijke keizers en hun ambtenaren, gedurende de eerste levensperiode van de ariaanse beweging, in hun achterhoofd een zekere mogelijke sympathie voor het Arianisme, en daarom treedt deze mogelijke sympathie in sommige gevallen naar voren als werkelijke sympathie en zelfs als een openlijke belijdenis van het Arianisme.

Er was nog een laatste bondgenoot van het Arianisme, waardoor het bijna de overwinning behaalde, namelijk het leger. Om te begrijpen hoe machtig zulk een bondgenoot was, moeten wij beseffen wat het Romeinse leger in die dagen betekende en waaruit het was samengesteld.

Het leger vormde, wat het aantal betreft, natuurlijk slechts een fractie van de samenleving. Wij weten niet zeker hoe groot dat aantal was; op zijn hoogst kan het een half miljoen hebben bedragen, waarschijnlijk was het aanzienlijk minder. Maar in deze zaak naar aantallen oordelen zou dwaas zijn. Het leger was gewoonlijk de helft, of meer dan de helft, van de staat. Het leger was, om één beeld te gebruiken, het cement, en om een ander beeld te gebruiken, het geraamte, de bindende kracht, de steun en als het ware het eigen wezen van het Romeinse Rijk in die vierde eeuw; het was dat reeds eeuwen tevoren geweest en zou het nog vele geslachten blijven.

Het is volstrekt noodzakelijk dit punt te begrijpen, want het verklaart driekwart van wat er gebeurde, niet alleen in het geval van de ariaanse ketterij, maar van alles wat zich voordeed tussen de dagen van Marius, onder wiens bestuur het Romeinse leger voor het eerst een beroepsleger werd, en de Mohammedaanse aanval op Europa, dat wil zeggen van meer dan een eeuw vóór Christus tot het begin van de zevende eeuw. De maatschappelijke en politieke positie van het leger verklaart die zevenhonderd jaren en meer.

Het Romeinse Rijk was een militaire staat, geen burgerlijke staat. De weg naar de macht liep door het leger. De opvatting van roem en succes, het verwerven van rijkdom in vele gevallen, en in bijna alle gevallen het verkrijgen van politieke macht, hing in die dagen af van het leger, zoals het tegenwoordig afhangt van geldlening, speculatie, partijorganisaties, manipulatie van stemmen, machthebbers en kranten.

Het leger had oorspronkelijk bestaan uit Romeinse burgers, die allen Italianen waren. Toen de macht van de Romeinse staat zich uitbreidde, nam het hulpsoldaten op, mensen die lokale aanvoerders volgden en bij het Romeinse militaire stelsel werden ingelijfd, en het wierf zelfs zijn vaste rangen uit het gehele Rijk, uit elke provincie. Reeds vóór de eerste honderd jaren van het Rijk waren verstreken, waren er vele Galliërs, dat wil zeggen Fransen, in het leger, vele Spanjaarden, en zo voort. In de volgende tweehonderd jaren, dat wil zeggen van 100 tot 300 na Christus, die voorafgaan aan de ariaanse ketterij, werd het leger steeds meer gerekruteerd uit wat men barbaren noemt, een term die niet wilden betekende, maar mensen buiten de strikte grenzen van het Romeinse Rijk. Zij waren gemakkelijker te disciplineren en veel goedkoper in dienst te nemen dan de burgers. Zij waren ook minder gewend aan de kunsten en gemakken van de beschaving dan de burgers binnen de grenzen. Grote aantallen van hen waren Germanen, maar er waren ook vele Slaven en niet weinig Moren en Arabieren en Saracenen en zelfs niet weinig Mongolen, die uit het Oosten binnendrongen.

Dit grote lichaam van het Romeinse leger werd streng samengehouden door zijn tucht, maar nog meer door zijn beroepsfierheid. Het was een leger van lange dienst. Een man behoorde ertoe van zijn jeugd tot zijn middelbare leeftijd. Niemand anders dan het leger bezat enige lichamelijke macht. Er kon geen sprake zijn van het met geweld weerstaan ervan, en het was in zekere zin de regering zelf. Zijn opperbevelhebber was de absolute monarch van de gehele staat. Nu werd het leger in zijn geheel ariaans.

Dit is het voornaamste kenmerk van het geheel. Zonder het leger zou het Arianisme nooit hebben betekend wat het heeft betekend. Met het leger, en met het leger geheel aan zijn zijde, heeft het Arianisme bijna gezegevierd en wist het zelfs te blijven voortbestaan, ook toen het nauwelijks meer vertegenwoordigde dan de troepen en hun voornaamste officieren. Het is waar dat een zeker aantal Germaanse troepen van buiten het Rijk door ariaanse missionarissen was bekeerd in een tijd waarin de hogere kringen ariaans waren. Maar dit was niet de voornaamste reden waarom het leger als geheel ariaans werd. Het leger werd ariaans omdat het het Arianisme beschouwde als datgene wat het onderscheidde en het een gevoel van superioriteit gaf boven de burgerlijke massa, zoals het Arianisme ook voor de intellectueel een middel was om zich boven de volksmassa te verheffen. De soldaten, of zij nu uit barbaarse of uit burgerlijke kring waren gerekruteerd, voelden sympathie voor het Arianisme om dezelfde reden als de oude heidense families dit deden. Het leger dan, en vooral de legeraanvoerders, steunden de nieuwe ketterij met al hun kracht, en zij werd als het ware een toetssteen om te bepalen of men iemand was, een soldaat tegenover de verachte burgers, of niet. Men zou kunnen zeggen dat er een strijd was ontstaan tussen de legeraanvoerders enerzijds en de katholieke bisschoppen anderzijds. Zeker was er een scheiding, een feitelijke scheuring tussen de katholieke bevolking in de steden, de katholieke boeren op het land en de vrijwel geheel ariaanse soldaat; en de enorme uitwerking van deze verbinding tussen de nieuwe ketterij en het leger zullen wij zien in alles wat volgt.

Nu wij hebben gezien wat de geest van het Arianisme was en welke krachten het steunden, laat ons bezien hoe het zijn naam heeft gekregen. De beweging die de volle Godheid van Christus ontkende en Hem tot een schepsel maakte, ontleende haar naam aan een zekere Areios, in het Latijn Arius, een Grieks sprekende Afrikaanse geestelijke, iets ouder dan Constantijn en reeds enige jaren vóór diens overwinningen en eerste keizerlijke macht bekend als een religieuze kracht.

Men bedenke dat Arius slechts het hoogtepunt was van een lange ontwikkeling. Wat was de oorzaak van zijn succes? Twee zaken kwamen samen. Ten eerste het momentum van alles wat hem voorafging. Ten tweede de plotselinge bevrijding van de Kerk door Constantijn. Daarbij moet ongetwijfeld iets in de persoon van Arius zelf worden gevoegd. Mensen van dit soort, die leiders worden, doen dat omdat zij een zekere innerlijke kracht bezitten die hen voortdrijft. Zonder iets eigens zouden zij niet zulk een rol spelen. Men kan aannemen dat Arius zijn invloed ontleende aan een samenvloeiing van krachten. Er was veel eerzucht in hem, zoals men die aantreft bij alle ketterstichters. Er was een sterke neiging tot rationalisme. Er was ook in hem een zekere ijver voor wat hij als waarheid beschouwde.

Zijn leer was zeker niet zijn eigen oorspronkelijke ontdekking, maar hij maakte haar tot de zijne en verbond haar met zijn naam. Daarbij kwam een hardnekkig verzet tegen hen die hij meende dat hem vervolgden. Hij leed aan veel ijdelheid, zoals bijna alle hervormers. Daarbovenop kwam een zekere oppervlakkige eenvoud, een zogenaamd gezond verstand, dat onmiddellijk een beroep doet op velen. Maar hij zou nooit zulk een succes hebben gehad zonder een zekere welsprekendheid en een krachtige drijfveer.

Hij was reeds een man van aanzien, waarschijnlijk afkomstig uit Cyrenaica, thans een streek in Noord-Afrika ten oosten van Tripoli, maar hij werd als Alexandrijn beschouwd omdat hij in Alexandrië leefde. Hij was een leerling geweest van de grootste criticus van zijn tijd, de martelaar Lucianus van Antiochië. In het jaar 318 stond hij aan het hoofd van de kerk van Bucalis te Alexandrië en genoot hij de bijzondere gunst van de bisschop van de stad, Alexander.

Arius ging van Egypte naar Caesarea in Palestina en verbreidde daar met ijver zijn reeds bekende reeks rationalistische, unitarische denkbeelden. Enkele oosterse bisschoppen begonnen hem bij te vallen. Het is waar dat de twee voornaamste Syrische bisschopszetels, Antiochië en Jeruzalem, zich verzetten, maar het schijnt dat het grootste deel van de Syrische hiërarchie geneigd was naar Arius te luisteren. Toen Constantijn in 325 heer werd over het gehele Rijk, wendde Arius zich tot deze nieuwe meester van de wereld. De grote bisschop van Alexandrië, Alexander, had hem geëxcommuniceerd, maar met tegenzin. De oude heidense keizer Licinius had de nieuwe beweging beschermd.

Een strijd van het hoogste gewicht begon. Men wist niet hoe groot dit gewicht was, hoezeer ook de gemoederen werden bewogen. Indien deze beweging, die de volle goddelijkheid van onze Heer verwierp, de overwinning had behaald, zou onze gehele beschaving anders zijn geweest dan zij vanaf die tijd is geweest. Wij weten allen wat er gebeurt wanneer een poging om de mysteries van het geloof te vereenvoudigen en te rationaliseren in een samenleving slaagt. Wij hebben voor ogen het eindstadium van de Hervorming en de oude maar nog steeds krachtige Mohammedaanse ketterij, die wellicht in de toekomst opnieuw met kracht kan optreden. Zulke rationalistische pogingen tegen de geloofsbelijdenis brengen een geleidelijke maatschappelijke verzwakking voort, die volgt op het verlies van de directe band tussen de menselijke natuur en God, welke door de Menswording wordt gegeven. De waardigheid van de mens wordt verminderd. Het gezag van onze Heer wordt verzwakt. Hij verschijnt meer en meer als een mens, misschien zelfs als een mythe. De kern van het christelijk leven wordt verdund en verzwakt. Wat begint als unitarisme eindigt als heidendom.

Om het geschil te beslechten waardoor de gehele christelijke samenleving verdeeld was, beval de keizer dat er in het jaar 325 een concilie zou worden gehouden in de stad Nicea, vijftig mijl van de hoofdstad, aan de Aziatische zijde van de zeestraat. De bisschoppen werden uit het gehele Rijk daarheen ontboden, zelfs uit streken buiten het Rijk waar christelijke missionarissen het geloof hadden geplant. Het grootste deel van hen die kwamen, was afkomstig uit het oostelijke Rijk, maar ook het Westen was vertegenwoordigd, en, wat van het hoogste belang was, er kwamen gezanten van de primaatszetel van Rome; zonder hun instemming zouden de besluiten van het concilie geen kracht hebben gehad. Zoals het was, gaf hun aanwezigheid volle geldigheid aan deze besluiten. De reactie tegen de nieuwigheid van Arius was zo krachtig dat hij op dit concilie van Nicea werd overweldigd.

In deze eerste grote nederlaag, toen de sterke en levende overlevering van het katholicisme zich had doen gelden en Arius werd veroordeeld, werd de geloofsbelijdenis die zijn aanhangers hadden opgesteld als een godslastering met voeten getreden, maar de geest die achter die belijdenis en achter die opstand stond, zou opnieuw opstaan. Zij stond onmiddellijk weer op, en men kan zeggen dat het Arianisme in feite werd versterkt door zijn eerste oppervlakkige nederlaag. Deze paradox had een oorzaak die men in vele vormen van strijd terugvindt. De overwonnen tegenstander leert uit zijn eerste terugslag de aard van hetgeen hij heeft aangevallen; hij ontdekt de zwakke punten ervan; hij leert hoe zijn tegenstander kan worden verward en tot welke toegevingen deze kan worden gebracht. Hij is daarom na zijn tegenslag beter voorbereid dan bij de eerste aanval. Zo was het met het Arianisme.

Om de toestand te begrijpen, moeten wij beseffen dat het Arianisme, zoals alle ketterijen gegrond op een leerstellige dwaling, dat wil zeggen op iets dat kan worden uitgedrukt in een dode formule van woorden, spoedig begon te leven met een eigen krachtige nieuwe levensvorm, een eigen karakter en een eigen geest. De strijd die vanaf 325 gedurende een mensenleven de eeuw vulde, was na de eerste jaren niet meer een strijd tussen verschillende formuleringen, waarvan het onderscheid gering kan schijnen; zij werd zeer spoedig een strijd tussen tegengestelde geesten en karakters: een strijd tussen twee tegenovergestelde persoonlijkheden, zoals menselijke persoonlijkheden zijn, aan de ene zijde het katholieke gemoed en de katholieke overlevering, aan de andere zijde een verbitterd en hoogmoedig gemoed dat het geloof zou hebben vernietigd.

Het Arianisme leerde uit zijn eerste zware nederlaag te Nicea te schikken in de formuleringen, in de bewoordingen van de leer, opdat het zijn ketterse geest zou kunnen behouden en met minder tegenstand verbreiden. Het eerste conflict had betrekking gehad op het gebruik van een Grieks woord dat betekent van hetzelfde wezen. De katholieken, die de volle Godheid van onze Heer beleden, stonden op het gebruik van dit woord, dat inhield dat de Zoon van hetzelfde goddelijke wezen was als de Vader, dat Hij van hetzelfde zijn was, dat wil zeggen waarlijk God. Men meende dat het voldoende was dit woord als toetssteen voor te stellen. Men dacht dat de Arianen het altijd zouden weigeren te aanvaarden en zo van de rechtgelovigen onderscheiden en verworpen konden worden.

Maar vele Arianen waren bereid tot een compromis door het woord zelf te aanvaarden en de geest waarin het moest worden verstaan te ontkennen. Zij waren bereid toe te geven dat Christus van de goddelijke wezenheid was, maar niet ten volle God, niet ongeschapen. Toen de Arianen deze nieuwe politiek van woordelijk compromis begonnen, beschouwden keizer Constantijn en zijn opvolgers deze politiek als een oprechte gelegenheid tot verzoening en hereniging. De weigering van de katholieken om zich te laten misleiden werd in de ogen van hen die zo dachten louter halsstarrigheid, en in de ogen van de keizer een oproerige geest en niet te verontschuldigen ongehoorzaamheid. Hier zijt gij, zo zei men, die u de enige ware katholieken noemt, en gij rekt en verbittert een louter partijstrijd zonder noodzaak. Omdat gij de populaire namen achter u hebt, acht gij uzelf meesters over uw medemensen. Zulk een hoogmoed is onverdraaglijk.

De andere zijde heeft uw hoofdstelling aanvaard; waarom kunt gij dan het geschil niet beëindigen en wederom tot eenheid komen? Door vol te houden verdeelt gij de samenleving in twee kampen; gij verstoort de vrede van het Rijk en zijt even misdadig als gij dweepzuchtig zijt. Dit was hetgeen de officiële wereld naar voren bracht en oprecht meende. De katholieken antwoordden: de ketters hebben onze hoofdstelling niet aanvaard. Zij hebben een orthodoxe uitdrukking onderschreven, maar zij leggen die uitdrukking uit op ketterse wijze. Zij zullen herhalen dat onze Heer van goddelijke natuur is, maar niet dat Hij ten volle God is, want zij blijven zeggen dat Hij geschapen is. Daarom zullen wij hen niet toelaten tot onze gemeenschap. Dit zou het levensbeginsel waardoor de Kerk bestaat, het beginsel van de Menswording, in gevaar brengen, en de Kerk is noodzakelijk voor het Rijk en voor de mensheid.

Op dit punt trad in de strijd die persoonlijke kracht binnen die uiteindelijk de overwinning voor het katholicisme zou behalen: Heilige Athanasius van Alexandrië. Het was de standvastigheid en de eenheid van doel van Athanasius, patriarch van Alexandrië, de grote metropolitane zetel van Egypte, die de uitkomst besliste. Hij bezat een gunstige positie, want Alexandrië was de tweede stad van het oostelijke Rijk en als bisschopszetel een van de voornaamste van de wereld. Hij genoot bovendien de steun van het volk, die hem nooit ontbrak en die zijn vijanden deed aarzelen om uiterste maatregelen tegen hem te nemen. Maar dit alles zou niet voldoende zijn geweest indien de man zelf niet was geweest wie hij was. Toen hij in 325 zitting had op het concilie van Nicea, was hij nog een jong man, waarschijnlijk nog geen dertig jaar oud, en hij zat daar slechts als diaken, hoewel zijn kracht en welsprekendheid reeds opmerkelijk waren. Hij leefde tot de leeftijd van zes en zeventig of zeven en zeventig jaar en stierf in 373, en gedurende bijna zijn gehele lange leven verdedigde hij met onwrikbare kracht de volle katholieke leer van de Drie-eenheid.

Toen het eerste compromis van het Arianisme werd voorgesteld, was Athanasius reeds aartsbisschop van Alexandrië. Constantijn beval hem Arius opnieuw tot de communie toe te laten. Hij weigerde. Dit was een uiterst gevaarlijke stap, omdat allen de volle macht van de monarch over leven en dood erkenden en opstand beschouwden als het zwaarste misdrijf. Athanasius werd bovendien als buitensporig en onredelijk beschouwd, omdat de mening in de officiële wereld, onder mannen van invloed en in het gehele leger, waarop toen alles steunde, sterk was dat het compromis moest worden aanvaard. Athanasius werd naar Gallië verbannen, maar Athanasius in ballingschap was nog geduchter dan Athanasius te Alexandrië. Zijn aanwezigheid in het Westen versterkte het sterke katholieke gevoel in dat deel van het Rijk.

Hij werd teruggeroepen. De zonen van Constantijn, die hem achtereenvolgens in het Rijk opvolgden, aarzelden tussen het zoeken van steun bij het volk, dat katholiek was, en het zoeken van steun bij het leger, dat ariaans was. Vooral het hof neigde tot het Arianisme, omdat het de groeiende macht van de georganiseerde katholieke geestelijkheid, als een rivaal van de wereldlijke macht van de staat, wantrouwde. De laatste en langst regerende zoon en opvolger van Constantijn, Constantius, werd duidelijk ariaans. Athanasius werd herhaaldelijk verbannen, maar de zaak waarvan hij de kampioen was, nam steeds in kracht toe.

Toen Constantius in 361 stierf, werd hij opgevolgd door een neef van Constantijn, Julianus de Afvallige. Deze keizer sloot zich aan bij de nog aanzienlijke heidense partij en kwam er dicht bij het heidendom te herstellen, want de macht van een individuele keizer was in die dagen overweldigend. Maar hij sneuvelde in de strijd tegen de Perzen, en zijn opvolger Jovianus was uitdrukkelijk katholiek. Toch ging het schommelen voort. In 367 verbande keizer Valens de heilige Athanasius, toen reeds een oud man van minstens zeventig jaar, voor de vijfde maal. Toen hij bemerkte dat de katholieke krachten nu te sterk waren, riep hij hem later terug. Tegen die tijd had Athanasius zijn strijd gewonnen. Hij stierf als de grootste man van de Romeinse wereld. Zulk is de waarde van oprechtheid en standvastigheid, verbonden met genialiteit.

Maar het leger bleef ariaans, en wat wij in de volgende generaties moeten volgen is het langzame uitsterven van het Arianisme in het Latijnssprekende westelijke deel van het Rijk; langzaam, omdat het gesteund werd door de opperbevelhebbers van de westelijke gebieden, maar ten dode opgeschreven, omdat het volk als geheel het had verlaten. Hoe het aldus verdween zal ik nu uiteenzetten. Men zegt vaak dat alle ketterijen uitsterven. Dit moge op zeer lange termijn waar zijn, maar het is niet noodzakelijk waar binnen een bepaalde tijdsperiode. Het is zelfs niet waar dat het levensbeginsel van een ketterij noodzakelijkerwijs met de tijd verzwakt. Het lot van de verschillende ketterijen is zeer verschillend geweest; en de grootste onder hen, het Mohammedanisme, is niet alleen nog krachtig, maar is in de gebieden die het oorspronkelijk innam krachtiger dan zijn christelijke tegenhanger, en veel krachtiger en veel meer in overeenstemming met zijn eigen samenleving dan de katholieke Kerk met onze westerse beschaving, die een vrucht is van het katholicisme.

Het Arianisme echter was een van die ketterijen die wél zijn gestorven. Hetzelfde lot heeft in onze tijd het Calvinisme getroffen. Dit betekent niet dat de algemene zedelijke uitwerking of atmosfeer van de ketterij uit de samenleving verdwijnt, maar dat haar scheppende leerstellingen niet meer worden geloofd, zodat haar levenskracht verloren gaat en zij uiteindelijk moet verdwijnen. Genève bijvoorbeeld is heden ten dage zedelijk een calvinistische stad, hoewel zij een katholieke minderheid bezit die soms bijna de helft van de bevolking uitmaakt en soms zelfs, naar men zegt, een lichte meerderheid vormt. Maar er is geen één man op honderd in Genève die heden de scherp omlijnde theologie van Calvijn aanvaardt. De leer is dood; haar uitwerking op de samenleving blijft bestaan.

Het Arianisme stierf op twee wijzen, overeenkomstig de twee delen waarin het Romeinse Rijk, dat voor zijn burgers de gehele beschaafde wereld vormde, was verdeeld. Het oostelijke deel had het Grieks als officiële taal en werd bestuurd vanuit Constantinopel, dat ook Byzantium werd genoemd. Het omvatte Egypte, Noord-Afrika tot aan Cyrene, de oostkust van de Adriatische Zee, de Balkan, Klein-Azië en Syrië tot ongeveer aan de Eufraat. In dit deel van het Rijk was het Arianisme ontstaan en had het zulk een kracht ontwikkeld dat het tussen het jaar 300 en 400 bijna de overwinning behaalde.

Het keizerlijk hof had gewankeld tussen Arianisme en katholicisme, met een kortstondige terugval in het heidendom. Maar nog vóór het einde van de eeuw, ruim vóór het jaar 400, was het hof definitief katholiek en scheen het dit te zullen blijven. Zoals reeds is uiteengezet, was, hoewel de keizer en zijn ambtenaren theoretisch almachtig waren, het leger, waarop de gehele samenleving rustte, minstens even machtig en minder veranderlijk. En het leger betekende de generaals; de generaals waren grotendeels en blijvend ariaans. Toen de centrale macht katholiek werd, bleef de geest van het leger overwegend ariaans, en daarom bleven de onderliggende denkbeelden van het Arianisme, namelijk de twijfel of onze Heer werkelijk God was of kon zijn, voortbestaan, ook nadat het openlijke Arianisme onder het volk was verdwenen.

Om deze reden ontstonden, uit de geest die aan het Arianisme ten grondslag lag, verschillende afgeleide vormen, of secundaire gestalten ervan. Men bleef suggereren dat er slechts één natuur in Christus was, hetgeen noodzakelijk zou leiden tot de opvatting dat Christus slechts een mens was. Toen dit geen ingang vond bij het officiële gezag, al bleef het miljoenen beïnvloeden, stelde men een andere leer voor, namelijk dat er slechts één wil in Christus was, niet een menselijke en een goddelijke wil, maar één enkele wil. Daarvóór was er reeds een herleving geweest van de oude opvatting, die aan het Arianisme voorafging en door vroege ketters in Syrië werd aangehangen, dat de goddelijkheid eerst tijdens het leven van onze Heer tot Hem kwam, dat Hij niet meer dan een mens werd geboren en dat Onze Lieve Vrouw slechts de moeder van een mens was, en zo voort. In al hun verschillende vormen en onder al hun technische benamingen, Monofysieten, Monotheleten, Nestorianen en vele andere, waren deze bewegingen in het oostelijke deel van het Rijk pogingen om te ontsnappen aan of het te rationaliseren volle mysterie van de Menswording; en hun voortbestaan hing samen met de afkeer van het leger jegens de burgerlijke samenleving en met de overblijvende heidense vijandschap tegen de christelijke mysteries als zodanig. Zij steunden bovendien op de blijvende menselijke neiging om te rationaliseren en te verwerpen wat het verstand te boven gaat.

Maar er was nog een andere factor in het voortbestaan van de secundaire uitwerkingen van het Arianisme in het Oosten. Dit was de factor die men in de Europese politiek van heden particularisme noemt, dat wil zeggen de neiging van een deel van de staat om zich van het geheel los te maken en een eigen leven te leiden. Wanneer dit gevoel zo sterk wordt dat men bereid is ervoor te lijden en te sterven, neemt het de vorm aan van een nationale revolutie. Een voorbeeld hiervan was het gevoel van de zuidelijke Slaven tegenover het Oostenrijkse Rijk, dat aanleiding gaf tot de Grote Oorlog. Welnu, deze ontevredenheid van provincies en gewesten jegens de centrale macht waaronder zij bestuurd werden, nam in het oostelijke Rijk toe naarmate de tijd vorderde, en een gemakkelijke wijze om haar te uiten was het begunstigen van elke vorm van kritiek op de officiële godsdienst van het Rijk. Daarom steunden grote groepen in het Oosten, en in het bijzonder een aanzienlijk deel van de bevolking van Egypte, de monofysitische ketterij. Zij gaf uitdrukking aan hun onvrede met het despotische bestuur van Constantinopel, met de belastingen die hun werden opgelegd en met de bevoordeling van hen die dicht bij het hof stonden ten nadele van de provinciebewoners, en met al hun overige grieven.

Zo bleven de verschillende afgeleide vormen van het Arianisme voortbestaan in het Griekse oostelijke deel van het Rijk, hoewel de officiële wereld reeds lang tot het katholicisme was teruggekeerd. Dit verklaart ook waarom men in het Oosten tot op heden grote aantallen afgescheiden christenen aantreft, voornamelijk monofysieten, soms nestorianen, soms behorend tot kleinere gemeenschappen, die zelfs door eeuwen van Mohammedaanse onderdrukking niet met het hoofdlichaam van de Kerk zijn verenigd. Wat een einde maakte, niet aan deze sekten, want zij bestaan nog, maar aan hun betekenis, was de plotselinge opkomst van die geweldige kracht die vijandig stond tegenover de gehele Griekse wereld, namelijk de islam, de nieuwe Mohammedaanse ketterij uit de woestijn, die snel uitgroeide tot een tegenreligie, de onverzoenlijke vijand van alle oudere christelijke gemeenschappen. De dood van het Arianisme in het Oosten bestond hierin dat het grootste deel van het christelijke oostelijke Rijk werd overspoeld door Arabische veroveraars. Tegenover dit onheil keerden de christenen die onafhankelijk bleven zich tot de orthodoxie als hun enige kans op overleving, en zo verdwenen zelfs de secundaire uitwerkingen van het Arianisme in de gebieden die vrij bleven van Mohammedaanse overheersing.

In het Westen verliep het lot van het Arianisme geheel anders. In het Westen stierf het Arianisme volledig uit. Het hield op te bestaan en liet geen afgeleide vormen na die een voortbestaan konden verzekeren. Het verhaal van deze ondergang in het Westen wordt gewoonlijk verkeerd begrepen, omdat het grootste deel van onze geschiedschrijving berust op een onjuiste voorstelling van wat de christelijke samenleving in West-Europa was gedurende de vierde, vijfde en zesde eeuw, dat wil zeggen tussen de tijd waarin Constantijn Rome verliet en de nieuwe hoofdstad van het Rijk, Byzantium, stichtte, en de tijd, in het begin van de zevende eeuw, waarin de Mohammedaanse invasie over de wereld losbarstte.

Men vertelt gewoonlijk dat het Westelijke Rijk werd overspoeld door wilde stammen die men Goten, Visigoten, Vandalen, Sueven en Franken noemt, en dat zij het West-Romeinse Rijk veroverden, dat wil zeggen Brittannië, Gallië en het beschaafde deel van Duitsland langs de Rijn en de bovenloop van de Donau, Italië, Noord-Afrika en Spanje. De officiële taal van dit gehele gebied was het Latijn. De Mis werd in het Latijn opgedragen, terwijl zij in het grootste deel van het oostelijke Rijk in het Grieks werd gevierd. De wetten waren in het Latijn gesteld en alle handelingen van bestuur werden in het Latijn verricht. Er was geen barbaarse verovering, maar een voortzetting van wat reeds eeuwen gaande was, namelijk een geleidelijke instroom van volkeren van buiten het Rijk in het Rijk, omdat zij daar de voordelen van de beschaving konden genieten. Daarbij kwam dat het leger, waarop alles rustte, tenslotte vrijwel geheel uit barbaren werd gerekruteerd. Naarmate de samenleving verouderde en het moeilijker werd om verre gebieden te besturen, belastingen uit afgelegen streken te innen of bevelen in verafgelegen gebieden te doen uitvoeren, werd het bestuur van die streken meer en meer overgenomen door de leidende officieren van de barbaarse stammen, die nu Romeinse soldaten waren, dat wil zeggen hun aanvoerders en leiders.

Op deze wijze ontstonden plaatselijke regeringen in Gallië en Spanje en zelfs in Italië zelf, die, hoewel zij zich nog als deel van het Rijk beschouwden, in feite onafhankelijk waren. Zo werd, toen het moeilijk werd Italië vanuit het verre Constantinopel te besturen, door de keizer een generaal gezonden om in zijn plaats te regeren, en wanneer deze te machtig werd, zond men een ander om hem te vervangen. Deze tweede generaal, Theoderik, was evenals de anderen van geboorte een barbaarse aanvoerder, hoewel hij de zoon was van iemand die reeds in Romeinse dienst was opgenomen en hijzelf aan het keizerlijk hof was opgevoed. Ook deze tweede generaal werd op zijn beurt feitelijk onafhankelijk. Hetzelfde gebeurde in Zuid-Gallië en in Spanje. De plaatselijke generaals namen de macht over. Zij waren barbaarse aanvoerders die deze macht, dat wil zeggen het benoemen in ambten en het innen van belastingen, overdroegen aan hun nakomelingen. Dan was er nog het geval van Noord-Afrika, het gebied dat wij thans Marokko, Algerije en Tunis noemen. Daar riepen de twistende partijen, die geen van allen rechtstreeks van Byzantium afhankelijk waren, een groep Slavische soldaten te hulp, die in het Rijk waren binnengedrongen en als militaire macht waren opgenomen. Zij werden Vandalen genoemd en namen het bestuur van de provincie over, dat vanuit Carthago werd uitgeoefend.

Al deze plaatselijke regeringen van het Westen, de Frankische generaal en zijn troepen in het noorden van Gallië, de Visigotische in het zuiden van Gallië en in Spanje, de Bourgondische in het zuidoosten van Gallië, de andere Gotische in Italië en de Vandalen in Noord-Afrika, stonden tegenover het officiële bestuur van het Rijk op het punt van de godsdienst. De Frankische macht in het noordoosten van Gallië en in wat wij thans België noemen, was nog heidens. Alle andere waren ariaans. Zoals reeds uiteengezet, had dit minder een leerstellig dan een maatschappelijk karakter. De Gotische en Vandalen-aanvoerders, die over hun eigen troepen heersten, meenden dat het verhevener was ariaan te zijn dan katholiek zoals de massa van het volk. Zij vormden het leger, en het leger achtte zich te verheven om de algemene godsdienst van het volk te aanvaarden. Het was een gevoel dat nog lang in Ierland is blijven voortleven en daar tot voor kort algemeen was, namelijk dat maatschappelijke voorrang gepaard ging met anti-katholicisme.

Aangezien er in de politiek geen sterkere kracht is dan deze drang naar maatschappelijke superioriteit, duurde het zeer lang voordat deze kleine hoven hun Arianisme opgaven. Ik noem ze klein, omdat zij, hoewel zij belastingen hieven over uitgestrekte gebieden, dit slechts deden als bestuurders; hun werkelijke aantallen waren gering in vergelijking met de massa van de katholieke bevolking. Terwijl de bestuurders en hun hoven in Italië, Spanje, Gallië en Afrika met trots vasthielden aan hun oude ariaanse naam en karakter, werkten twee factoren tegen hun macht en tegen hun Arianisme, de ene plotseling, de andere geleidelijk.

De eerste, plotselinge factor was dat de Frankische generaal die in het gebied van het huidige België heerste, met een zeer kleine strijdmacht een andere plaatselijke generaal in Noord-Gallië overwon, die een gebied ten westen van hem bestuurde. Beide legers waren uiterst klein, elk ongeveer vierduizend man, en het is kenmerkend voor die tijd dat het verslagen leger zich na de slag onmiddellijk bij de overwinnaars aansloot. Evenzeer toont dit hoe de omstandigheden waren dat een Romeins generaal met niet meer dan vierduizend man, en na zijn eerste overwinning slechts achtduizend, het bestuur, belastingen, rechtspraak en alle keizerlijke vormen, over een zeer uitgestrekt gebied op zich kon nemen. Hij nam het grootste deel van Noord-Gallië over, zoals zijn gelijken met soortgelijke krachten het bestuur in Spanje, Italië en elders overnamen.

Nu was het zo dat deze Frankische generaal, wiens naam in verschillende vervormingen is overgeleverd maar die het best bekend is als Clovis, een heiden was, iets uitzonderlijks en zelfs aanstootgevends in een tijd waarin bijna alle aanzienlijke personen christen waren geworden. Maar dit schijnbare nadeel werd een zegen voor de Kerk, want omdat Clovis een heiden was en nooit ariaan was geweest, kon hij rechtstreeks tot het katholicisme, de godsdienst van het volk, worden bekeerd. Toen hij dit aannam, had hij onmiddellijk de steun van de miljoenen burgers en van de georganiseerde priesterschap en bisschoppelijke hiërarchie van de Kerk. Hij was de enige populaire generaal; alle anderen stonden tegenover hun onderdanen. Hij kon gemakkelijk grote aantallen gewapende mannen verzamelen omdat hij de sympathie van het volk bezat. Hij nam het bestuur van de ariaanse generaals in het zuiden over en versloeg hen zonder moeite, en zijn troepen werden de grootste militaire macht in het Latijnssprekende Westen. Hij was niet sterk genoeg om Italië, Spanje of Afrika te veroveren, maar hij verlegde het zwaartepunt weg van de tanende ariaanse traditie van het Romeinse leger, die inmiddels was geslonken tot kleine en afnemende groepen.

Dit was de plotselinge slag die het Arianisme in het Westen trof. Het geleidelijke proces dat zijn verval versnelde was van andere aard. Met elk jaar werd het, naarmate de samenleving verzwakte, moeilijker om belastingen te innen, inkomsten te behouden en dus wegen, havens en openbare gebouwen te onderhouden, orde te bewaren en al het overige openbare bestuur te verzorgen.

Met dit financiële verval van het bestuur en de daarmee gepaard gaande maatschappelijke ontbinding verloren de kleine groepen die in naam de plaatselijke regeringen vormden hun aanzien. Omstreeks het jaar 450 was het nog een voornaam ding ariaan te zijn in Parijs of Toledo of Carthago of Arles of Toulouse of Ravenna; maar honderd jaar later, omstreeks 550, was het maatschappelijke aanzien van het Arianisme verdwenen. Voor ieder die vooruit wilde komen was het voordelig katholiek te zijn, en de kleine, slinkende ariaanse bestuursgroepen werden veracht, zelfs wanneer zij uit teleurstelling hard optraden, zoals zij in Afrika deden. Zij verloren terrein.

Het gevolg was dat, na enige vertraging, alle ariaanse regeringen in het Westen óf katholiek werden, zoals in Spanje, óf, zoals in een groot deel van Italië en in geheel Noord-Afrika, opnieuw onder rechtstreeks bestuur van het Romeinse Rijk vanuit Byzantium kwamen. Dit laatste stelsel hield echter niet lang stand. Een nieuwe groep barbaarse soldaten, nog ariaans, trok uit de noordoostelijke gebieden binnen en nam het bestuur in Noord- en Midden-Italië over, en kort daarop overspoelde de Mohammedaanse invasie Noord-Afrika en vervolgens Spanje en drong zelfs door tot in Gallië.

Het rechtstreekse Romeinse bestuur verdween in West-Europa en hield geen stand; zijn laatste werkelijke bestaan in het zuiden werd door de islam overspoeld. Maar lang vóór dit geschiedde was het Arianisme in het Westen reeds gestorven. Zo verdween de eerste van de grote ketterijen die eens dreigde de gehele katholieke samenleving te ondermijnen en te vernietigen. Het proces had bijna driehonderd jaar geduurd, en het is opmerkelijk dat, wat de leer betreft, een dergelijke tijdsduur voldoende was om ook de kern uit de voornaamste ketterijen van de protestantse hervormers weg te nemen.

Ook zij hadden in het midden van de zestiende eeuw bijna gezegevierd, toen Calvijn, hun voornaamste vertegenwoordiger, het Franse koningschap bijna ten val bracht. Ook zij hadden tegen het midden van de negentiende eeuw hun levenskracht verloren, na ongeveer driehonderd jaar.

VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN

Embleem van Sint-Michaël met het motto Defende nos in praelio