Een kerstverhaal van Dostojevski
Het hiervolgend Kerstverhaal van Dostojevski (1876) is van een aangrijpende schoonheid. De ,,Kelder”, door den schrijver vermeld, is blijkbaar een der vele, althans vroeger in de grote Russische steden voorkomende nachtholen voor onbehuisden en vagebonden waarin de zwervers, zonder, of tegen uiterst geringe vergoeding den nacht kannen doorbrengen. Ieder die de verhalen van Gorki kent, heeft wel iets over die nachtverblijven gelezen! In Dostojefski’s verhaal heeft echter de hoofdactie niet plaats in de kelder maar op straat.Het jongetje van ongeveer zesjarige leeftijd ontwaakte in de vochtige en kille kelder. Het was kerstdag. Hij was in haveloze kleertjes gehuld en rilde van de koude. Zijn adem zweefde in lichte wolkjes weg. Hij zette zich neer in een hoek, op een ruwe pakkist. Hij bracht telkens zijn verkleumde handjes voor de mond om ze te verwarmen en staarde de wegzwevende damp na.
Het ene uur na het andere verliep en er was niemand die zich met hem bemoeide. En hij had zó’n honger, de kleine dreumes! Enkele malen was hij al naar de plaats gelopen waar zijn moeder op wat lompen uitgestrekt lag. Maar zij antwoordde hem niet als hij haar iets vroeg.
Hoe was zij daar gekomen? Zij was met haar zoontje door gebrek en armoede gedrongen uit een naburig plaatsje naar de grote stad Petersburg getrokken, in de hoop daar werk en brood te vinden, en was plotseling ziek geworden in de kelder waarin zij de vorige avond, na een lange, vermoeiende tocht te midden van een sneeuwstorm, een rustplaats had gezocht.
De andere mensen die er ook de nacht hadden doorgebracht, waren al de straat opgegaan om te bedelen, te stelen, of op een of andere manier geld te verdienen. Alleen twee personen waren er, behalve de moeder en haar zoontje, nog gebleven: een dronkaard die zijn roes uitsliep, en een oude, misschien tachtigjarige vrouw, die kermde van de reumatiek en leefde van de liefdadigheid van degenen die ’s nachts in de kelder een nachtverblijf zochten. Zowel de snurkende en af en toe luid brommende dronkaard, als de kermende en soms zelfs schreeuwende vrouw, vervulden ons ventje met grote vrees. En daarbij die koude en die honger!
De avond begon al te vallen. Steeds weer was hij naar de legerstede van zijn moeder gelopen, maar ach, die was niet wakker te krijgen en zij gaf hem geen antwoord als hij haar iets vroeg. En toen hij zijn armpjes om haar heen sloeg, toen voelde hij dat haar gezicht klam en strak was, evenals de muren van de kelder. Hij begon stil te huilen.
Al enkele keren had hij in de schemer langs de trap naar boven willen klauteren, maar daarboven blafte een grote hond van een van de bewoners van het huis zó onheilspellend als hij de trap naderde, dat hij telkens vol angst weer terugkroop. Maar toen hij de hond al lang niet meer had gehoord en het niet langer kon uithouden, greep hij zijn mutsje en klauterde naar boven. De hond was gelukkig weg; hij was met zijn meester het pad opgegaan.
Hemeltje, wat een prachtige stad. Wat een zee van licht. In het plaatsje waar hij vandaan kwam was het ’s avonds donker; hoogstens één lantaarn hier en daar op de hoek van een straat! Maar zulk schitterend licht als hier had hij nog nooit gezien. Toch: als hij in dat kleine plaatsje huilde van de honger, kreeg hij van deze en gene wat te eten; maar hier, in dit prachtige licht, lette niemand op hem.
Wat een menigte mensen en paarden, rijtuigen en sleden met rinkelende bellen! En wat een heerlijke warmte stroomde er uit de keukens in de onderbouw van de huizen waar hij voorbij kwam; en wat een heerlijke geur van spijzen! Maar telkens als hij ook maar even stil bleef staan, liepen de mensen tegen hem aan en bromden dat hij hun in de weg stond. Niemand had tijd of lust zich te bekommeren om een hongerig of bibberend kind.
Zo voortslenterend kwam hij in een nóg bredere en nóg mooiere straat, met nóg meer drukte en nóg meer schitterend licht. Maar wat was dat nu achter de vensterruiten van dat schitterend verlichte huis? Een prachtige kerstboom tot aan het plafond van de kamer, vol schitterende kaarsen, vergulde versierselen en allerlei geschenken! En door de kamer huppelden verrukte kinderen, die lachten en vrolijk door elkaar liepen. En een meisje danste vrolijk met een jongetje op de tonen van de muziek.
En werkelijk: bij die aanblik kwam een blijde lach op het gezicht van ons knaapje. Maar dat duurde niet lang, want de pijn en de honger en de koude herinnerden hem eraan dat alles wat hij zag niet voor hem was. Zo liep hij weer huilend verder, tot hij ineens voor een huis stond waar een nog prachtiger kerstboom schitterde.
Bij die kerstboom zaten vier deftige dames die aan de kinderen die de kerstboom naderden allerlei lekkernijen uitdeelden. Ieder ogenblik kwamen er nieuwe gasten binnen. En in een ogenblik van onweerstaanbare aantrekkingskracht van al dat moois en die heerlijke spijzen sloop ons zwervertje onbemerkt het huis binnen en begaf zich ook naar die heerlijke, verwarmde, verlichte en van zulke aanlokkelijke dingen voorziene zaal.
Maar met welke verwonderde en stugge blikken werd hij daar begroet! Sommigen lachten hem zelfs uit, en de kinderen keken hem met schuwe en onvriendelijke ogen aan. En daar naderde een van de dames hem, greep hem bij de arm en zette hem de kamer uit; ja, zij opende zelfs de voordeur en duwde hem op straat, terwijl zij hem een kopeke in het verkleumde handje stopte.
Maar hij kon dat geldstukje niet vasthouden in zijn verkleumde handje; het viel in de sneeuw en werd eronder bedolven. En weer begon hij stil te huilen en o, hij voelde zich nu opnieuw dubbel ellendig en verlaten; zo liep hij verder, doelloos voort.
Maar kijk eens: wat stonden daar een massa mensen door een schitterend verlichte winkelruit te turen! Dat wilde hij toch ook wel zien. Hemeltje! Daar dansten kleine, keurig aangeklede poppetjes op de maat van muziek rond. Warempel, net of het levende mensen waren. Zoiets koddigs had hij nog nooit gezien!
Maar nauwelijks stond hij daar of hij voelde achter zich iemand die hem zijn mutsje van het hoofd trok, hem er een paar keer mee om het hoofd sloeg en hem daarna zo’n trap gaf dat hij op de grond in de sneeuw viel. Het was de ruwe “aardigheid” van een baldadige slungel. Een ogenblik was hij versuft, maar toen sprong hij op en liep luid wenend weg, als een opgejaagd hert.
En hij voelde het instinctmatig: in deze grote stad was er voor hem, de armzalige, eenzame zwerveling, geen plaats. Eén gedachte vulde hem: hij wilde wegvluchten uit de drukte en het licht en zich aan aller blikken onttrekken. En toen hij de deur van een donkere binnenplaats zag, sloop hij daar angstig en diep, diep ellendig naar binnen en ging, uitgeput van honger, koude en vermoeidheid, op een hoop takkenbossen liggen.
En opeens begon hij zich daar zo goed te voelen. De pijn hield op, hij voelde geen koude meer en hij had niet meer dat knagende gevoel van honger. Het was hem alsof hij gekoesterd en verwarmd werd. En hij begon zo heerlijk zacht in te dommelen. Hij dacht weer aan die koddige, dansende poppetjes die hij had gezien; net levende wezentjes, en nu had hij er volop plezier van. Het was hem alsof zij weer voor hem stonden. En het was hem alsof hij de lieve stem van zijn moeder hoorde, die hem in slaap zong. En hij sprak zacht: Moedertje, moedertje, ben je daar weer… och, wat zal ik nu heerlijk gaan slapen.
Kleine baas, ga jij maar mee met mij naar de kerstboom, fluisterde nu een lieflijke stem in zijn oren.
Hij dacht eerst dat het zijn lieve moedertje was die dit tot hem fluisterde. Maar het was toch niet haar stem. Maar wie was het dan? Hij kon in de duisternis niets onderscheiden. Maar opeens was het hem alsof hij een hand in de zijne voelde leggen… en plotseling zag hij een prachtige kerstboom. Welk een heerlijk licht! Nog veel, veel mooier dan de kerstbomen die hij die avond had bewonderd: één en al glans en schittering!
En hij hoorde opnieuw die liefdevolle stem: Laat de kinderkens tot Mij komen. En hij zag dat om die boom talloze blijde kinderen in witte klederen zweefden, die hem allen zo vrolijk toelachten en liefkoosden. En hij werd zelf als het ware opgenomen en zweefde in verrukking om de boom.
En daar zag hij ook weer zijn lieve moedertje en hij keek haar vol verrukking aan. Moedertje, moedertje! Wat is het hier heerlijk. Blijf je nu bij mij? En hij vroeg aan die lieve Man die hem hier had binnengeleid en hem niet weer in de koude en de sneeuw had buitengesloten: wat zijn dat allemaal voor kinderen hier?
Dit is de Kerstboom van Christus Zelf, hoorde hij jubelen. Bij Christus is er in de hemel op Zijn geboortedag een kerstboom voor de kinderen die op aarde geen kerstboom hadden en die op aarde geen vreugde hebben gekend. Verstoten, verwaarloosd en mishandeld op aarde, heeft Christus hun in de hemel een feest bereid! Christus heeft hen bij de hand genomen en hier binnengeleid en gezegend.
En ons knaapje begreep dat al die kinderen waren zoals hijzelf, voor wie de aarde niets te geven had; en dat Jezus, de kindervriend Zelf, in hun midden was, vol liefde en zorg.
En opnieuw voelde hij de warme adem van zijn moeder, die hem, haar lieveling, met kussen bedekte, nu zij samen verlost waren uit de ellende die deze wereld hun had gegeven, en samen waren bij de kerstboom van Christus in de hemel. En de tranen waren gedroogd en gejuich klonk overal. O, wat is het hier heerlijk!
Maar hier beneden op aarde, in de morgen na de kerstnacht, vond men, uitgestrekt op een hoop takkenbossen in een binnenplaats, het lijkje van een onbekend knaapje, in eenzaamheid gestorven van koude, honger en gebrek.