Katholieke Klassieken
Beknopt geschiedkundig verhaal van het beroemd Mirakel
Uit: Beknopt geschiedkundig verhaal van het beroemd Mirakel, waarmede God de stad Amsterdam heeft vereerd en verheven
Vierde druk, Amsterdam, ter drukkerij van C. L. van Langenhuysen, 1845

Inleiding
Het Mirakel, dat wij hier bedoelen, is gebeurd in het jaar onzes Heeren dertienhonderd vijf en veertig, dus vijf eeuwen geleden. Maar Gods grote daden verliezen, bij het verloop der tijden, niets van hun gewicht en waarde. Zij zijn altoos de sprekende bewijzen voor de waarheid, welke hierdoor wordt bekrachtigd. Zo zijn de wonderen, welke Jezus Christus voor achttienhonderd jaren op aarde heeft gewrocht, nog steeds de voortdurende en overtuigendste kenmerken zijner Godheid, en de onwedersprekelijkste bewijzen voor de waarheid der leer, door Hem verkondigd. Ja, zullen deze ook niet door alle eeuwen, tot het uiteinde der wereld, worden verhaald, waar het Evangelie zal worden gepredikt. Zijn zij niet geboekt, om tot de laatste nakomelingschap getrouwelijk te worden overgebracht. En zouden wij dan ook Gods grote wonderdaden niet mogen gedenken, welke te midden van ons dierbaar vaderland, in de beroemde wereldstad Amsterdam, zijn gebeurd, en waaraan dezelve haar eer, haar grootheid en haar roem ten dele schuldig is.
Zie hier dan de beknopte geschiedenis van dit roemruchtig Amstels wonder, ter overtuiging en bekrachtiging van de wezenlijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het aanbiddelijk Altaargeheim.
Het wonder in het huis van de zieke
In het jaar onzes Heeren dertienhonderd vijf en veertig werd een man te Amsterdam door een zware ziekte overvallen, welke hem in gevaar bracht van te sterven. Men roept de priester. Dit gebeurde in de voornacht, tussen dinsdag en woensdag vóór Palmzondag. Na de gewone voorbereiding ontvangt de zieke uit de hand van de priester de heilige Hostie, of het lichaam en bloed van Jezus Christus, gelijk de katholieke Kerk door alle eeuwen gewoon is tot op heden, om haar zieke kinderen met het brood des levens, het vlees en bloed van Jezus Christus, hun God en Zaligmaker, te voorzien, te troosten, te sterken tegen de doodstrijd en met dit onderpand hunner zaligheid de eeuwigheid in te zenden. Welk een bron van vertroosting voor een gelovige ziel in deze angstvolle ogenblikken. Welk een steun van hoop en vertrouwen bij de aannaderende eeuwigheid.
Enige ogenblikken nadat de priester was vertrokken, veroorzaakte de ziekte aan de lijder een kleine braking, waardoor hij de heilige Hostie overgeeft. Dit uitwerpsel werd door de vrouw, welke de zieke bediende, in het vuur geworpen, zonder te bezien of er ook iets van de zo-even genuttigde heilige Hostie onder gemengd was. Het vuur in de ziekenkamer brandde de gehele nacht, om deze ten beste van de zieke warm te houden. Het was ook nog in het ruwe voorjaar. Des anderen daags ’s morgens, de vrouw van het huis opgestaan zijnde en haar kind gekleed hebbende, werd door een zodanige koude rilling over haar gehele lichaam overvallen, dat zij genoodzaakt was bij het vuur te gaan zitten om zich te verwarmen.
Bij het vuur gezeten, roerde zij het om, teneinde zich spoediger te verwarmen. Toen zij het vuur aldus omroerde en opstookte, zag zij midden in het vuur een schone, witte Hostie, nog geheel ongeschonden, even zuiver als men haar ziet in de hand van de priester wanneer hij Mis doet. Zij scheen ook zo groot te zijn. Op dit gezicht wordt de vrouw verschrikt en ontsteld. Geen wonder. Welk godvruchtig katholiek mens zou niet ontstellen bij een dergelijke ontmoeting. Doch hetgeen misschien haar schrik en ontsteltenis vermeerderde, was dat zij zich herinnerde hoe onvoorzichtig en onbedacht zij de avond tevoren de door de zieke uitgebraakte stof in het vuur had geworpen, zonder nauwkeurig te hebben toegezien of ook de heilige Hostie, zo kort tevoren door de zieke genuttigd, er mede vermengd was. Dan, hoe dit zij, zij herstelde zich. Geloof en eerbied voor het heilig Sacrament ontvlamden haar hart. Zonder bedenken steekt zij moedig en onbevreesd haar hand in het vuur en neemt de heilige Hostie eruit. Natuurlijk moest haar hand deerlijk gebrand en beschadigd zijn, ten minste zwaar geschroeid en gezengd. Niets van dit al. Haar hand is ongebrand, ongezengd, geheel onbeschadigd uit het vuur gekomen. Het vuur heeft ook haar hand gespaard.
Ziet men hier niet, als men wil zien, twee zichtbare wonderen. Een dunne Hostie, welke in een zeer klein vuurtje op een ogenblik is verteerd, brandt midden in de vlam de gehele nacht in een goed onderhouden vuur zonder te verbranden, evenals het braambos dat Mozes in de woestijn Sinaï zag branden zonder te verbranden. Zo ik mij niet vergis, is dit Mirakel, zo men een gelijkenis van groot en klein tussen Mirakelen mag maken, groter dan hetgeen Mozes heeft gezien en nog onbegrijpelijker. Tevens, hoe zal men het verschijnsel noemen dat het vuur ook de hand van de vrouw heeft gespaard. De natuurlijke kracht van het vuur is om hetgeen brandbaar is en met het in aanraking komt te verbranden. De hand van de vrouw was zeker niet onbrandbaar. Zij kwam met het vuur in degelijke aanraking en om zich te branden is niet veel tijd nodig. Hoe spoedig en vlug ook de vrouw de heilige Hostie uit het vuur heeft genomen, het blijft onbegrijpelijk dat haar hand geheel onbeschadigd is gebleven. En als men nu het een met het ander in verband brengt, de ongebrande en ongeschonden Hostie midden in het brandende vuur, door de hand van de vrouw eruit genomen zonder dat haar hand beschadigd is, zal ieder onbevooroordeeld mens die aan rede en gevoel gehoor wil geven moeten erkennen dat men in beide deze gebeurtenissen de vinger Gods ziet.
Nieuwe tekenen
Deze reeds wonderdadige gebeurtenis werd nog door een reeks van wonderen gevolgd. Het eerste merkwaardige verschijnsel dat zich hier voordoet is dat de vrouw gevoelig gewaar werd dat de Hostie, zo op het ogenblik uit het vuur genomen en op haar hand gelegd, niet warm maar geheel koud was. Waarlijk iets zeldzaams. Men noeme het zoals men wil. Het is ten minste iets zonderlings en wellicht meer. Hierbij komt een niet minder merkwaardige omstandigheid. De heilige Hostie had midden in het vuur haar witte, heldere gedaante behouden, ook iets buiten de loop der natuurlijke dingen. De vrouw bezag deze, op haar hand liggende, nauwkeurig en verwonderde zich dat zij nog wit was. Maar zie, de vrouw wentelt haar van de ene hand in de andere, misschien, schoon niet eerbiedig, om haar nauwkeurig van beide zijden te bezien, en terwijl zij dit doet, ziet zij duidelijk en onderscheiden dat de heilige Hostie, zo-even nog wit en helder, begint te veranderen. Haar witte kleur verdwijnt zichtbaar en haar gedaante wordt donker, als door het vuur gezengd of verbrand. Deze zichtbare gedaanteverwisseling komt ons voor als wonderdadig, ten minste onbegrijpelijk, en haar door natuurkundige redenen te verklaren zal niet zonder bezwaren zijn, zodat wanneer men haar met hetgeen reeds is voorafgegaan en met hetgeen nog volgt overweegt en als onder één gezichtspunt beschouwt, de gezonde rede zal zeggen dat ook dit iets zeldzaams en wonderlijks is, iets dat buiten het natuurlijke ligt in deze gebeurtenis. Misschien was deze gedaanteverwisseling nodig ter bevestiging dat de Hostie werkelijk in het vuur had gelegen, hetgeen haar donkere, gezengde gedaante kon aanduiden.
Gemakkelijk kan men vermoeden dat deze gedaanteverwisseling, welke door de vrouw zo duidelijk werd opgemerkt, op dat ogenblik bij haar geen geringe ontsteltenis veroorzaakte. Verbaasd riep zij de andere vrouw, bij haar in huis zijnde, toe dat zij op haar hand het lichaam van onze Heer Jezus Christus had, dat zij het zelf met haar eigen hand uit het vuur had genomen zonder zich te branden, dat het koud en helder was geweest en dat nu op dit ogenblik de gedaante veranderd was. De schrik en ontsteltenis over deze zichtbare verandering deden haar de heilige Hostie aan de andere vrouw overgeven. Deze plaatste het heilig Sacrament in een kist op een wit kussen, waarover zij eerst nog een witte doek spreidde, en daarop sloot zij de kist. Tot zover is er niets bijzonders. Deze vrouw behandelde de heilige zaak met de eerbied waartoe ieder mens in zulke omstandigheden verplicht is. Maar hierop volgen nieuwe tekenen.
De man van deze godvruchtige vrouw komt een uur na dit alles te huis. Zijn vrouw verhaalt hem alles wat er was voorgevallen. De man, ook verlangend de heilige Hostie te zien, vraagt waar zij haar had geborgen. In mijn kist, zei zij, en toen zij deze opende, had de man de vermetelheid niet alleen om haar te bezien, maar ook om haar in zijn hand te nemen. En nu ziet hij duidelijk dat de heilige Hostie, op zijn hand liggende, zich naar beneden bewoog, en dit ontroerde en ontstelde hem zodanig dat hij haar spoedig aan zijn vrouw teruggaf om haar weer in de kist te leggen. Maar behalve deze zo duidelijk opgemerkte beweging doet zich een nieuw verschijnsel voor. Op de heilige Hostie vertoonden zich duidelijk de indruksels van de vingers waarmee hij haar had aangeraakt. Hoe men beide deze zaken, de zichtbare beweging en de indruksels van de vingers, door natuurlijke oorzaken zal verklaren weet ik niet. Maar de onbevooroordeelde mens zal ook hierin de vinger Gods erkennen. De man van het huis werd door deze tekenen tot betere gedachten gebracht.
Van zijn schrik en ontsteltenis bekomen, vertoeft hij niet om de priester, die de avond tevoren de zieke het heilig Sacrament had toegediend, onmiddellijk kennis te geven van alles wat in zijn huis had plaatsgevonden, wat aan de Hostie en wat aan de vrouw was overkomen, en wat hij zelf met zijn eigen ogen had gezien. Men kan met grond vermoeden dat de priester, na dit alles te hebben gehoord, niet talmde om zich naar het huis van de zieke te begeven, om alles nauwkeurig op te nemen en na te gaan hoe alles zich had toegedragen. Het gewicht van de zaak en zijn plicht als priester doen dit met reden veronderstellen.
De terugkeer van de heilige Hostie
De priester komt in het huis van de zieke. Hem wordt de gehele gebeurtenis met al haar wonderlijke omstandigheden verhaald, gelijk hij reeds van de man had gehoord. Men opent de kist en, alsof alles wat verteld was geen bijzondere betekenis had, handelt hij zoals men in dergelijke omstandigheden zou doen. Hij neemt eerbiedig de heilige Hostie uit de kist, legt haar in een gewijd doosje dat hij daartoe had meegebracht, en brengt haar in stilte, zonder enige ophef, naar de kerk terug. Hij spreekt er met niemand over. Waarlijk geen teken van lichtgelovigheid, zoals men zo vaak de katholieke priesters verwijt. Maar God, die alleen wonderen doet, heeft geen hulp van mensen nodig om zijn doel te bereiken.
De priester had nu de heilige Hostie weer in de kerk gebracht. Maar zie, de volgende dag, toen de vrouw haar kast of kist opende, lag dezelfde Hostie weer op dezelfde plaats in de kist, waarin zij deze de dag tevoren had nedergelegd en van waar de priester haar had opgenomen, in zijn gewijd doosje gelegd en naar de kerk teruggebracht. Welke naam zal men aan deze terugkeer geven. Is het betovering, bedriegerij of list, of is het een wonderwerk. Indien men geen spot of schimp wil stellen in plaats van gegronde redenen, en indien men eenvoudig en te goeder trouw wil oordelen zonder vooringenomenheid, dan zal ieder redelijk mens moeten zeggen dat dit het werk van God is.
Doch het bleef hier niet bij. God wil hier zijn krachtige arm tonen om de zwakken in het geloof te versterken en de ongelovigen, die zijn woorden niet willen geloven, te beschamen. Hij die heeft gesproken neemt en eet dit is mijn lichaam, wil dat men ten minste zijn wonderen gelooft en zich bekeert. Zie hier dan opnieuw een wonderteken. De priester wordt door de vrouw van het huis verwittigd van hetgeen zij weer had gezien, dat dezelfde Hostie, welke hij de dag tevoren had meegenomen en naar de kerk gebracht, weer op dezelfde plaats in haar kist lag als de vorige dag. Deze tweede terugkeer van de heilige Hostie schijnt aan te duiden dat God het licht van zijn wonderen niet onder de korenmaat wil houden, maar op de kandelaar plaatsen, opdat alle eeuwen het zouden zien, vooral wanneer Hij in zijn ondoorgrondelijke oordelen zou toelaten dat Nederland door de duisternis van dwaling en ketterij zou worden beneveld. O dat velen niet de duisternis van hun ouders zouden verkiezen boven het licht.
Intussen komt de priester voor de tweede maal met zijn gewijd busje naar het huis van de zieke om de teruggekeerde Hostie weer naar de kerk te brengen. Wat er bij deze gelegenheid in het gemoed van de priester is omgegaan weet God alleen. Uiterlijk schijnt hij zich er niet over bekommerd te hebben. De geschiedenis vermeldt geen onderzoek, geen bijzondere verwondering en geen mededeling aan anderen. Hij neemt, evenals op de vorige dag, de heilige Hostie uit de kist, legt haar in zijn gewijd doosje en brengt haar naar de kerk terug. Het schijnt alsof hij voornemens is al deze wonderen in stilte te laten verdwijnen.
Hoe men dit gedrag van de priester ook beoordeelt, men zal hem niet van lichtgelovigheid kunnen beschuldigen. Maar de oordelen van de mensen zijn niet als de oordelen van God. Indien zij zwijgen die geroepen zijn om Gods grote werken te verkondigen, dan ontbreekt het God niet aan middelen om hetgeen verborgen is geweest in volle licht te doen verschijnen. Ja, er zal een tijd komen dat de stenen zelf deze wonderen zullen verkondigen. De priesters zwegen. Intussen verspreidde het gerucht van deze gebeurtenis zich door de stad. De vrouwen van het huis konden deze wonderen niet verbergen. Zij hadden misschien gehoord dat het een eer is de werken van de Almachtige te verkondigen, gelijk geschreven staat. Iets dergelijks vindt men in de geschiedenis van de Verrijzenis van Jezus Christus. De apostelen zwijgen, maar de vrouwen verkondigen de wonderen van zijn opstanding. De priester die de zieke had bediend en het meest van nabij alles had meegemaakt, zal wellicht in stilte hebben gedacht wat hier nog gebeuren zou. Maar zo wordt God niet verheerlijkt en worden zijn waarheden niet openbaar gemaakt. Wij zullen zien hoe God zelf daarin heeft voorzien.
Op de derde dag opent de vrouw weer haar kast of kist en ziet, evenals op de vorige dagen, dezelfde Hostie, in dezelfde gedaante en op dezelfde plaats, op de doek over het witte kussen, het heilig Sacrament opnieuw aanwezig. Toen zij dit nu voor de derde maal zag, kan men zich voorstellen hoe haar hart bewogen werd, hoewel haar man reeds ontevreden op haar was geworden omdat zij deze dingen niet had verzwegen. Zij haastte zich dan dit nieuwe wonder weer aan de priester te berichten. Deze derde verschijning van het heilig Sacrament op dezelfde plaats scheen het hart van de priester te raken. Hij kon niet langer zwijgen. Hij maakte deze wonderlijke gebeurtenis bekend aan de voornaamsten van de stad. Men kwam overeen dat God door dit wonder de luister van de aanbiddelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het heilig Sacrament des Altaars wilde openbaren.
Openbare verering
Men besloot daarom alle geestelijken van de stad bijeen te roepen. Dit geschiedde. In hun schoonste gewaden gekleed, met brandende kaarsen in de hand, gingen de geestelijken in een plechtige optocht naar het huis van de zieke, waar de heilige Hostie berustte. Na haar met eerbied te hebben aanbeden, nam een van de priesters de wonderdadige Hostie, legde haar in een daartoe bestemde gewijde bus, en begon men de terugtocht naar de parochiekerk, onder heilige lof- en dankgezangen, ter verheerlijking van God en ter ere van Jezus Christus, die in het heilig Sacrament tegenwoordig is en door deze wonderen zijn aanbiddelijke tegenwoordigheid zo schitterend had getoond voor de ogen van het volk.
Deze plechtigheid was het eerste openbare gedenkteken van deze gebeurtenis, welke tot op heden jaarlijks plechtig wordt gevierd in de katholieke kerk op het Begijnhof te Amsterdam. Deze jaarlijkse godsdienstige herdenking is op zichzelf reeds een krachtig bewijs van dit wonder. Zo heeft God altijd gewild dat de grote gebeurtenissen en wonderen van zijn almacht en liefde onder zijn volk levend en dankbaar zouden worden herdacht. Wat zijn immers de feestdagen, zowel bij christenen als bij joden, anders dan gedenktekens van Gods weldaden. O dat zij die er een genoegen in schijnen te vinden de katholieke Kerk van lichtgelovigheid te beschuldigen, zouden proberen iets dergelijks te verzinnen en eeuwenlang als waarheid te doen aannemen, openbaar te laten belijden en godsdienstig te laten vieren. Indien hun dit zou gelukken en zij daarvan het bewijs zouden leveren, dan zouden wij zwijgen.
Maar waartoe zou een verzonnen wonder moeten dienen. Om onze afgedwaalde broeders alle moeite te besparen, zeggen wij eenvoudig dit. De katholieken geloven aan het onfeilbaar woord van Jezus Christus. Dit is mijn lichaam. Al was er nooit een wonder gebeurd om dit woord te bevestigen, dan zou het katholiek geloof even vast staan. Want het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het heilig Sacrament is niet gegrond op wonderen, maar op zijn onfeilbaar woord. Dit woord heeft de Kerk van de dagen der apostelen tot heden geloofd en zal tot het einde der wereld worden geloofd.
Waartoe dienen dan de wonderen. God doet geen wonderen zonder gewichtige redenen. De wonderen zijn voor hen die niet geloven. Voor u die het woord van Christus niet wilt aannemen wanneer Hij zegt dat dit zijn lichaam is. Wanneer gij zegt dat dit niet waar kan zijn, dat het slechts een teken is, dan antwoordt God met zijn wonderen. Zo gij Mij niet wilt geloven, gelooft dan de werken. De wonderen zijn genademiddelen tot bekering. Maar wie niet gelooft is reeds veroordeeld en wie niet gelooft zal verdoemd worden. Dit heeft Christus gezegd en zijn woord faalt niet.
De katholieke Kerk behoeft dus geen wonderen, zij gelooft Christus op zijn woord. Maar het is evenzeer waar dat één enkel waar wonder een krachtig bewijs is van de waarheid van zijn tegenwoordigheid in het heilig Sacrament en een weerlegging van het tegendeel. God kan geen wonder doen ter bevestiging van een dwaling, evenmin als Hij kan liegen. Daarom is het Mirakel waarvan wij de geschiedenis hebben gegeven een getuigenis van de waarheid. Maar is het werkelijk gebeurd. Is het een bewezen feit. Zonder vermetelheid kan men zeggen dat men eerder zou kunnen ontkennen dat er een stad Rome bestaat, dan dat het roemruchte Mirakel van de Heilige Stede te Amsterdam heeft plaatsgevonden.
Getuigen
Amsterdam zelf heeft door een verzegelde brief dit als waar en werkelijk gebeurd bevestigd, en deze oorspronkelijke brief berust bij de regering van de stad, waarvan men de kopie kan aantonen. Onmiddellijk na dit wonder bouwde men een kapel ter eeuwige gedachtenis, en deze werd genoemd de Kapel van Mirakel. In deze kapel werd het heilig Sacrament geplaatst. Deze kapel verbrandde, met het grootste deel van de stad, in het jaar 1452 op de feestdag van de heilige Ursula. Maar zie opnieuw de vinger Gods. De heilige, wonderbare Hostie stond in een monstrans, met een zijden doek bedekt, in het tabernakel. Het tabernakel verbrandde, maar de monstrans met de heilige Hostie bleef ongeschonden, en ook het zijden doek was niet door het vuur aangetast. Is dit niet zichtbaar de hand van God. Is dit geen wonder. En wordt het eerste wonder hierdoor niet bevestigd. Wat betekent de opbouw van de Kapel van Mirakel anders dan een blijvend gedenkteken van deze daadzaak.
De kapel verbrandde, en terstond werd er een nieuwe, fraaie kapel gebouwd ter ere van het heilig Sacrament van Mirakel, welke later, ten tijde van de hervorming, uit ijver tegen het katholieke geloof aan de katholieken werd ontnomen. In deze kapel richtte men altaren op en stichtte men fundaties. Wat zeggen deze kapel, deze altaren en deze stichtingen anders dan dat zij een blijvende herinnering zijn aan de wonderen die God in het jaar 1345 aan het heilig Sacrament heeft verricht en in 1452 opnieuw heeft bevestigd. Zij zijn een voortdurende en zichtbare getuigenis van dit wonder. Wie dit te Amsterdam niet wil geloven, kan men vergelijken met hen waarvan de profeet zegt dat zij ogen hebben en niet zien. De kapel, een van de schoonste kerkgebouwen, kan men nog met de ogen zien. En hoe heet de straat die erheen leidt. De Heilige Weg. Men heeft geprobeerd deze naam te veranderen en haar de Nieuwezijds Kapel te noemen, en zelfs de naam Heilige Weg te doen verdwijnen, maar tevergeefs. Ook zij die niet katholiek zijn, blijven gedwongen deze naam te gebruiken. De Heilige Weg blijft spreken. En indien de mens zwijgt, zullen de stenen spreken en zeggen dat dit heilige grond is. Vanwaar heeft zij deze naam. Van het Mirakel dat hier geschied is, om de gelovigen te versterken en om ons te leren wat onze voorouders hebben geloofd en wat men nu niet wil geloven.
De bisschop van Utrecht, onder wiens bestuur Amsterdam viel, liet dit wonder onderzoeken en deed in het jaar 1346 uitspraak. Hij stemde toe in het bouwen van de kapel en dat zij de Kapel van Mirakel zou worden genoemd. Niets kan men redelijkerwijze tegen deze verklaring inbrengen. Hij was de bevoegde rechter in deze zaak. Het onderzoek werd ter plaatse gedaan waar het wonder was gebeurd. De getuigen hadden het met eigen ogen gezien. Welk belang kon de bisschop hierbij hebben gehad. Het gehele land was katholiek en er was geen tegenstand. Geen enkel belang van welke aard ook kan hier worden verondersteld. Bovendien hebben niet één maar drie bisschoppen de waarheid bevestigd, namelijk Joannes, Frederik en Georgius van Egmond. De een heeft bijgedragen tot de opbouw van de kapel en de bekendmaking van het wonder, de ander heeft de altaren en fundaties bevestigd, en de derde heeft de jaarlijkse plechtige herdenking ingesteld en bevolen dat gedurende acht dagen het heilig Sacrament plechtig zou worden vereerd. Ook de regering van Amsterdam gaf in het jaar 1498 een ordonnantie uit waarin de orde van de jaarlijkse processie werd vastgesteld. Kan hier nog twijfel over bestaan. Kan men de zon ontkennen. God kan niet liegen, noch in woorden noch in daden.
Keizer Maximiliaan, koning der Romeinen en graaf van Holland, lag in het jaar 1482 te ’s-Gravenhage ziek. Toen zijn ziekte verergerde, beloofde hij de Heilige Stede te bezoeken indien hij zou genezen. Hij werd terstond hersteld en begaf zich naar Amsterdam om God te danken en om de stad te eren. Als blijvend teken van dankbaarheid verleende hij aan Amsterdam het recht haar wapen met de keizerlijke kroon te versieren. Sindsdien draagt het wapen van Amsterdam deze kroon. Ook dit is een getuigenis dat nog zichtbaar is. Zo spreken zelfs de wapens en de stenen van dit wonder.
Onder de onkatholieke geschiedschrijvers noemen wij Pontanus, Dapper en Commelin. Geen van hen durft het wonder openlijk te ontkennen. Pontanus erkent de geschiedenis zonder moeite. Dapper, hoewel hij het niet gelooft, brengt zodanige bewijzen dat een eerlijk lezer tot aanvaarding wordt gebracht. Commelin tracht het te betwijfelen, maar zijn bezwaren hebben geen kracht. Wanneer zelfs deze schrijvers het niet durven ontkennen, dan moeten de bewijzen van dit wonder sterk en overtuigend zijn. Men kan gerust zeggen dat er in ons land geen gebeurtenis is die zo goed bevestigd is als dit Mirakel van de Heilige Stede.
Wie verder overtuigd wil worden, kan het werk raadplegen waaruit deze beschrijving is genomen, getiteld Amsterdams Eer en Opkomen door de denkwaardige Mirakelen aldaar geschied, geschreven door Leonardus Marius, pastoor van het Begijnhof te Amsterdam, overleden in 1652, een schrijver op wie Amsterdam mag roemen.
Slot
Hiermee eindigen wij deze geschiedenis van het roemruchte Mirakel, Amsterdam ten luister, de katholieke godsdienst tot eer en onze medemensen tot een voortdurende aansporing tot geloof. Want God alleen doet wonderen en doet deze slechts ter bevestiging van de waarheid. De barmhartige en ontfermende God, aan wie alleen eer en aanbidding toekomt, geve dat wij eensgezind zijn in het geloof, opdat wij eendrachtig verheerlijken de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die met de Vader en de Heilige Geest God is in eeuwigheid. Het zij zo.
Noten
De katholieken waren van ouds gewoon hun dagtekeningen naar de feestdagen te rekenen, waarvan nog enkele overblijfselen bestaan.
In dergelijke gevallen was men uit eerbied gewoon hetgeen met het heilig Sacrament in aanraking kwam in het vuur te werpen, terwijl ook omtrent de as voorzichtigheid werd betracht.
BEWERKING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN
