Quamquam Pluries

Katholieke Klassieken

Quamquam Pluries

ENCYCLIEK

van Z.H. Leo XIII

Over het inroepen van het beschermheerschap van de heilige Jozef, samen met dat van de Maagd, Moeder van God, in de moeilijkheden van deze tijd

Aan alle Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en andere Ordinarii die in vrede en gemeenschap zijn met de H. Stoel.

Eerbiedwaardige Broeders,

Heil en Apostolische Zegen.

Hoewel Wij reeds herhaaldelijk hebben bevolen dat over de gehele wereld bijzondere smeekbeden zouden worden verricht en dat de katholieke zaak op bijzondere wijze aan God zou worden aanbevolen, zal het toch niemand verwonderen dat Wij menen deze plicht thans opnieuw aan de harten te moeten inscherpen. In moeilijke omstandigheden, vooral wanneer de machten der duisternis schijnen te durven alles te ondernemen tot verderf van de christelijke naam, heeft de Kerk de gewoonte God, haar Schepper en verdediger, met nog grotere ijver en volharding smekend aan te roepen. Daarbij wendt zij zich ook tot de heilige bewoners van de hemel, en vooral tot de verheven Maagd, de Moeder van God, van wier bescherming zij de krachtigste steun voor haar zaken verwacht. Uit vrome gebeden en uit het vertrouwen dat op de goddelijke goedheid wordt gesteld, verschijnt vroeg of laat ook de vrucht. Gij kent echter de tijden, eerbiedwaardige broeders. Zij zijn voor de christelijke samenleving nauwelijks minder rampzalig dan de rampzaligste tijden die ooit zijn geweest. Wij zien bij velen het beginsel van alle christelijke deugden, namelijk het geloof, verdwijnen, de liefde verkillen, de jeugd opgroeien in verdorven zeden en verkeerde meningen, de Kerk van Jezus Christus van alle kanten met geweld en list bestreden worden, er wordt een bittere strijd gevoerd tegen het pausdom, en de fundamenten van de godsdienst zelf worden met toenemende stoutmoedigheid ondermijnd. Hoe ver men in de laatste tijd is afgedaald en wat er nog in de harten wordt beraamd, is reeds te bekend dan dat het nog met woorden behoeft te worden uiteengezet.

In zo’n moeilijke en ellendige toestand, waarin de kwalen groter zijn dan de menselijke middelen, blijft het over dat men van de goddelijke macht het geneesmiddel vraagt. Daarom hebben Wij gemeend dat het Onze plicht was de godsvrucht van het christenvolk op te wekken om met meer ijver en standvastigheid de hulp van de almachtige God af te smeken. Nu immers de maand oktober nadert, die Wij reeds vroeger aan de heilige Maagd Maria door het gebed van de rozenkrans hebben toegewijd, sporen Wij met klem aan dat deze maand geheel, dit jaar met de grootste eerbied, godsvrucht en toewijding wordt gevierd. Wij weten dat er een gereed toevluchtsoord is in de moederlijke goedheid van de Maagd, en Wij weten zeker dat Onze hoop op haar niet tevergeefs is gesteld. Als zij immers reeds zo dikwijls in grote tijden van nood voor de christelijke wereld haar hulp heeft betoond, waarom zou men dan twijfelen dat zij opnieuw blijken van haar macht en genade zal geven, indien men haar nederige en volhardende gebeden aanbiedt. Ja, Wij geloven zelfs dat zij des te wonderbaarlijker zal helpen naarmate zij langer heeft gewild dat men haar zou aanroepen.

Maar Wij hebben nog een ander doel voor ogen. Daarbij zult gij, eerbiedwaardige broeders, zoals gij gewoon zijt, met ijver met Ons samenwerken. Wij achten het namelijk zeer nuttig dat, opdat God zich nog welwillender door onze gebeden laat vermurwen en Hij zijn Kerk des te sneller en overvloediger te hulp komt door het groter aantal voorbidders, het christenvolk eraan gewend raakt om samen met de Maagd, de Moeder van God, ook haar allerkuisste Bruidegom, de zalige Jozef, met bijzondere godsvrucht en vol vertrouwen aan te roepen. Wij zijn overtuigd dat dit verlangen ook aangenaam zal zijn aan de Maagd zelf. In deze zaak, waarover Wij nu voor het eerst in het openbaar spreken, hebben Wij reeds gezien dat de volksdevotie niet alleen bereidwillig is, maar zelfs als het ware vanzelf voortschrijdt. Want de verering van Sint-Jozef, die de Romeinse pausen reeds in vroegere tijden geleidelijk hebben bevorderd en verder hebben verbreid, hebben Wij in onze dagen overal zien toenemen, vooral sinds Onze voorganger Pius IX, op verzoek van vele bisschoppen, de heilige patriarch tot patroon van de katholieke Kerk heeft uitgeroepen. Niettemin, omdat het van groot belang is dat zijn verering diep wortel schiet in het leven en de gewoonten van de katholieken, willen Wij het christenvolk vooral door Onze stem en Ons gezag daartoe aansporen.

Waarom de zalige Jozef in het bijzonder als patroon van de Kerk wordt beschouwd en waarom de Kerk op haar beurt zo veel verwacht van zijn bescherming, ligt in bijzondere redenen. Hij was immers de echtgenoot van Maria en de vader, zoals men meende, van Jezus Christus. Hieruit zijn al zijn waardigheid, genade, heiligheid en heerlijkheid voortgekomen. De waardigheid van de Moeder van God is zo verheven dat niets groter kan worden gedacht. Maar omdat tussen Jozef en de allerzaligste Maagd de huwelijksband bestond, staat het vast dat hij dichter bij die hoogste waardigheid kwam dan enig ander schepsel. Het huwelijk is immers de grootste gemeenschap en de innigste band, die van nature ook een gemeenschap van goederen met zich meebrengt. Toen God dus Jozef aan de Maagd tot echtgenoot gaf, gaf Hij hem niet alleen als levensgezel, als getuige van haar maagdelijkheid en als beschermer van haar eer, maar ook als deelgenoot in haar verheven waardigheid door de huwelijksband zelf. Evenzo blinkt hij onder allen uit door een hoogst verheven waardigheid, omdat hij door goddelijke beschikking de bewaker was van de Zoon van God en naar de mening der mensen diens vader. Daaruit volgde dat het Woord van God zich aan Jozef onderwierp, hem gehoorzaam was en hem alle eer en eerbied bewees die kinderen hun vader verschuldigd zijn.

Uit deze dubbele waardigheid vloeiden vanzelf de plichten voort die de natuur aan vaders van een gezin oplegt, zodat Jozef de wettige en natuurlijke bewaker, verzorger en verdediger van het goddelijke huisgezin werd. Zolang zijn sterfelijk leven duurde heeft hij deze taken en ambten werkelijk vervuld. Met de grootste liefde en met dagelijkse zorg heeft hij zijn echtgenote en het goddelijke Kind beschermd. Door zijn arbeid verschafte hij hun gewoonlijk het nodige voor levensonderhoud en verzorging. Hij redde het Kind van het levensgevaar dat door de jaloezie van een koning was ontstaan door een toevluchtsoord te zoeken. In de moeilijkheden van de reis en in de bitterheid van de ballingschap was hij voor Maria en Jezus voortdurend metgezel, helper en trooster.

Welnu, het goddelijke huisgezin dat Jozef met vaderlijk gezag bestuurde bevatte reeds het begin van de ontluikende Kerk. Zoals de allerheiligste Maagd de moeder is van Jezus Christus, zo is zij ook de moeder van alle christenen, aangezien zij hen op de berg van Calvarië te midden van de hoogste smarten van de Verlosser heeft gebaard. En Jezus Christus is als het ware de eerstgeborene van de christenen, die Hem door aanneming en verlossing tot broeders hebben. Daarom beschouwt de zalige patriarch de menigte van de christenen, waaruit de Kerk bestaat, als op bijzondere wijze aan hem toevertrouwd, namelijk deze ontelbare familie, over alle landen verspreid, waarover hij, omdat hij de echtgenoot van Maria en de vader van Jezus Christus is, bijna vaderlijk gezag uitoefent. Het is dus passend en de zalige Jozef ten volle waardig dat hij, zoals hij eertijds de familie van Nazareth bij alle gebeurtenissen op heilige wijze placht te beschermen, zo nu door zijn hemelse bescherming de Kerk van Christus beschutte en verdedige.

Gij begrijpt gemakkelijk, eerbiedwaardige broeders, dat deze dingen ook hierdoor worden bevestigd, dat niet weinige kerkvaders, in overeenstemming met de heilige liturgie, de overtuiging hebben gehad dat die oude Jozef, geboren uit de patriarch Jakob, een voorafbeelding was van deze onze Jozef, en dat hij door zijn taak en door zijn roem reeds de grootheid heeft aangeduid van hem die de bewaker van de goddelijke Familie zou zijn. Behalve dat hun naam dezelfde is, wat niet zonder betekenis is, kent gij ook de andere en duidelijke overeenkomsten tussen beiden. In de eerste plaats verwierf de oude Jozef de gunst en bijzondere welwillendheid van zijn heer, en toen hij door hem over het huis was aangesteld, stroomden overvloedige voorspoed en zegen over het huis van zijn heer om Jozefs wil. Vervolgens werd hij op bevel van de koning met de hoogste macht over het hele rijk aangesteld, en toen hongersnood en gebrek aan koren ontstonden, voorzag hij met zulk een voortreffelijke zorg in de nood van de Egyptenaren en de naburige volken, dat de koning besloot hem de redder van de wereld te noemen. Zo mag men in die oude patriarch het beeld van deze onze Jozef herkennen. Zoals de eerste de welvaart van het huis van zijn heer bevorderde en daarna op wonderlijke wijze het hele rijk ten goede kwam, zo moet ook de andere, die tot beschermer van het christelijke volk is aangesteld, de Kerk beschermen en verdedigen, die waarlijk het huis van de Heer is en het koninkrijk van God op aarde.

Er is dus reden dat allen, van welke stand of levensstaat zij ook zijn, zich vol vertrouwen toewijden en toevertrouwen aan de bescherming van de zalige Jozef. In hem hebben vaders van gezinnen het voortreffelijkste voorbeeld van vaderlijke waakzaamheid en zorg, echtgenoten hebben in hem het volmaakte voorbeeld van liefde, eensgezindheid en huwelijkse trouw, maagden hebben in hem tegelijk het voorbeeld en de beschermer van de maagdelijke reinheid. Zij die van edele afkomst zijn, moeten, met Jozef als voorbeeld voor ogen, leren ook in tegenspoed hun waardigheid te bewaren. De rijken moeten begrijpen welke goederen zij vooral behoren te verlangen en met al hun krachten bijeen te brengen. Maar proletariërs, arbeiders en allen die door een mindere levensstaat worden gedrukt, mogen zich met een bijzonder eigen recht tot Jozef wenden en van hem ontvangen wat zij moeten navolgen. Want ofschoon hij van koninklijk bloed was, verbonden in het huwelijk met de grootste en heiligste van alle vrouwen, en vader, naar men meende, van de Zoon van God, bracht hij toch zijn leven door in arbeid, en door handwerk en vakbekwaamheid verwierf hij wat nodig was voor de bescherming van de zijnen. Waarlijk, de toestand van wie weinig bezit is dus niet verachtelijk, wanneer men de waarheid zoekt, en de arbeid van de werkman is niet alleen vrij van schande, maar kan, wanneer de deugd ermee verbonden is, in hoge mate veredeld worden. Jozef, tevreden met het zijne en met weinig, droeg de benauwdheden die noodzakelijk met zulk een bescheiden levensstaat verbonden zijn met een gelijkmoedig en edel hart, naar het voorbeeld van zijn Zoon, die, ofschoon Heer van alles, de gestalte van een dienaar aannam en vrijwillig de uiterste armoede en behoeftigheid op zich nam.

Door deze overwegingen moeten de armen en allen die door hun handenarbeid in hun onderhoud voorzien, hun geest opheffen en leren met gelatenheid te denken. Indien het hun geoorloofd is, zonder strijd met de rechtvaardigheid, aan de armoede te ontkomen en een betere toestand te zoeken, dan laten rede noch rechtvaardigheid toe dat men de orde omverwerpt die door Gods voorzienigheid is ingesteld. Ja, zijn toevlucht nemen tot geweld en in deze zaken iets ondernemen door oproer en onlusten, is een dwaas voornemen dat veelal nog zwaardere rampen veroorzaakt dan de rampen die men wil verlichten. Laten de armen dus, als zij wijs zijn, geen vertrouwen stellen in de beloften van oproerige mensen, maar in het voorbeeld en de bescherming van de zalige Jozef en eveneens in de moederlijke liefde van de Kerk, die dagelijks meer zorg draagt voor hun toestand.

Daarom, eerbiedwaardige broeders, daar Wij veel verwachten van uw gezag en uw bisschoppelijke ijver, en geenszins twijfelen dat de goede en vrome gelovigen uit eigen beweging en vrijwillig meer en grotere dingen zullen doen dan bevolen wordt, bepalen Wij dat gedurende de gehele maand oktober bij de rozenkrans, waarover Wij vroeger voorschriften hebben gegeven, een gebed tot de heilige Jozef moet worden toegevoegd, waarvan de formule u samen met deze brief zal worden toegezonden, en dat dit voortaan ieder jaar op dezelfde wijze moet worden onderhouden. Aan hen die dit bovengenoemde gebed vroom bidden verlenen Wij telkens een aflaat van zeven jaren en zeven quadragenen. Het is bovendien zeer heilzaam en hoogst prijzenswaardig, en op sommige plaatsen reeds ingevoerd, de maand maart door dagelijkse oefeningen van godsvrucht aan de eer van de heilige patriarch toe te wijden. Waar dit niet gemakkelijk kan worden ingesteld, is het ten minste wenselijk dat vóór zijn feestdag in de voornaamste kerk van iedere stad een driedaagse smeekbede wordt gehouden. En op plaatsen waar de negentiende maart, aan de zalige Jozef gewijd, niet behoort tot de verplichte feestdagen, sporen Wij de afzonderlijke gelovigen aan die dag toch, voor zover mogelijk, door een bijzondere godsvrucht ter ere van hun hemelse patroon heilig te houden, als ware het een verplichte feestdag.

Intussen verlenen Wij u, eerbiedwaardige broeders, en uw geestelijkheid en volk, als onderpand van hemelse gaven en als teken van Onze welwillendheid, met grote liefde in de Heer de apostolische zegen.

Gegeven te Rome, bij Sint-Pieter, op 15 augustus van het jaar 1889, in het twaalfde jaar van Ons pontificaat.

LEO XIII

Gebed tot de heilige Jozef

Tot u nemen wij onze toevlucht, o heilige Jozef, in onze nood. Na de hulp van uw allerheiligste Bruid te hebben afgesmeekt, vragen wij ook vol vertrouwen uw bescherming. Om de liefde die u verbonden heeft met de onbevlekte Maagd, Moeder van God, en om de vaderlijke genegenheid waarmee gij het Kind Jezus hebt omhelsd, smeken wij u ootmoedig: zie genadig neer op de erfenis die Jezus Christus met zijn bloed heeft verworven en sta ons in onze nood bij met uw machtige voorspraak.

Bescherm, o zorgzame behoeder van de goddelijke Familie, het uitverkoren geslacht van Jezus Christus. Houd ver van ons, o zeer liefhebbende vader, alle besmetting van dwaling en verderf.

Sta ons genadig bij uit de hemel, o sterke beschermer, in de strijd tegen de machten van de duisternis. En zoals gij eens het Kind Jezus uit het doodsgevaar hebt gered, zo bescherm nu de heilige Kerk van God tegen vijandige aanslagen en tegen alle tegenspoed.

Neem ons allen onder uw voortdurende bescherming, opdat wij, naar uw voorbeeld en door uw hulp gesteund, heilig mogen leven, zalig mogen sterven en de eeuwige gelukzaligheid in de hemel mogen verkrijgen. Amen.

VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN

Embleem van Sint-Michaël met het motto Defende nos in praelio