Emberdagen van de lente
De Kerk heeft van oudsher de wisseling der jaargetijden geheiligd door vasten en gebed. Viermaal per jaar worden drie dagen onderhouden, woensdag, vrijdag en zaterdag, die men Quatertemper of Emberdagen noemt. In de Vastentijd vallen zij na de eerste Zondag. Deze instelling behoort tot de oude Romeinse traditie.
Bij het naderen van de lente richt de Kerk haar gebeden tot God om Zijn zegen over de vruchten der aarde. De arbeid van de mens wordt geplaatst onder de voorzienigheid van de Schepper. Het vasten van deze dagen is verbonden met dankzegging en met smeking om vruchtbaarheid van het land.

De 9e-eeuwse liturgist Amalarius van Metz schrijft in zijn werk De ecclesiasticis officiis dat de vier vastentijden zijn ingesteld opdat men in de kringloop van het jaar viermaal tot onthouding wordt teruggeroepen. Door de zichtbare tijden worden de onzichtbare werkelijkheden aangeduid. Zoals het jaar viermaal verandert, zo dient ook de innerlijke mens geordend te worden. De keuze van woensdag, vrijdag en zaterdag verwijst naar het verraad van de Heer, dat volgens de oude overlevering op woensdag plaatsvond (In de vroege Romeinse traditie was woensdag al een vaste vastendag ter herinnering aan het verraad van Judas), naar Zijn lijden en naar Zijn rust in het graf. In deze dagen wordt gevast opdat het vlees aan de geest wordt onderworpen. Het past dat in deze tijden dienaren van de Kerk worden gewijd, omdat door het vasten het volk wordt gereinigd en de genade door handoplegging wordt meegedeeld. Zoals de aarde op haar tijden vrucht voortbrengt, zo brengt de Kerk in deze tijden haar dienaren voort.