Vita Antonii

Het leven van de heilige Antonius

door Athanasius, bisschop van Alexandrië

Inleiding

Gij zijt een edele wedijver aangegaan met de monniken van Egypte, door uw vaste voornemen hen in de oefening van de deugd te evenaren, ja zelfs te overtreffen. Thans bestaan ook onder u kloosters, en de naam monnik geniet reeds openbare erkenning. Met recht zal dit voornemen door allen worden geprezen, en in antwoord op uw gebeden zal God het tot voltooiing brengen. Aangezien gij mij verzocht hebt u verslag te doen van de levenswijze van de zalige Antonius, en gij verlangt te vernemen hoe hij zijn ascetische oefening begon, wie en wat voor man hij tevoren was, hoe hij zijn leven heeft voleindigd, en of hetgeen over hem wordt verteld waarachtig is — opdat ook gij hem moogt navolgen — heb ik gaarne aan uw verzoek voldaan. Want ook voor mij is reeds de herinnering aan Antonius van grote geestelijke betekenis. Ik weet dat ook gij, wanneer gij dit hebt gehoord, niet alleen bewondering zult voelen voor de man, maar tevens zult verlangen zijn vastbeslotenheid te evenaren. Voor monniken immers is het leven van Antonius een voldoende voorbeeld van ascetische tucht. Weigert daarom geen geloof te hechten aan hetgeen gij van anderen over hem hebt vernomen; meent veeleer dat zij slechts weinig hebben meegedeeld, daar zij onmogelijk in bijzonderheden konden verhalen over zaken van zulk groot gewicht.

Geboorte en jeugd van Antonius

Antonius was van Egyptische afkomst. Zijn ouders waren van aanzienlijke familie en bezaten een groot vermogen; daar zij christenen waren, werd ook hij in hetzelfde geloof opgevoed. In zijn kinderjaren kende hij niets anders dan zijn ouders en het ouderlijk huis. Maar toen hij was opgegroeid en de knapenjaren had bereikt, en in leeftijd toenam, kon hij het niet verdragen letters te leren, daar hij geen lust had om met andere jongens om te gaan; al zijn verlangen was veeleer, zoals geschreven staat van Jakob, een eenvoudig man te zijn en thuis te blijven wonen. Met zijn ouders ging hij trouw naar het Huis des Heren; noch als kind was hij nalatig, noch minachtte hij hen toen hij ouder werd. Hij was gehoorzaam aan zijn vader en moeder en aandachtig bij hetgeen werd voorgelezen, waarbij hij in zijn hart bewaarde wat nuttig was van wat hij hoorde. En ofschoon hij als kind werd opgevoed in een zekere welstand, viel hij zijn ouders niet lastig met afwisselende of weelderige spijzen, noch vond hij daarin zijn genoegen; maar hij was tevreden met wat hij aantrof en zocht niets daarboven. Na de dood van zijn vader en moeder bleef hij alleen achter met een jongere zuster; zijn leeftijd was ongeveer achttien of twintig jaar, en op hem rustte zowel de zorg voor het huis als voor zijn zuster. Nog geen zes maanden waren verstreken na het overlijden van zijn ouders, of hij ging, volgens gewoonte, naar het Huis des Heren. Terwijl hij voortging, overlegde hij bij zichzelf hoe de Apostelen alles hadden verlaten en de Zaligmaker waren gevolgd, en hoe zij, zoals in de Handelingen wordt verhaald, hun bezittingen verkochten en aan de voeten der Apostelen neerlegden om aan de behoeftigen te worden uitgedeeld, en welk een hoop en hoe groot er voor hen in de hemel was weggelegd. Terwijl hij hierover nadacht, trad hij de kerk binnen; en het gebeurde dat juist het Evangelie werd voorgelezen, en hij de Heer hoorde zeggen: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop wat gij bezit en geef het aan de armen; en kom, volg Mij, en gij zult een schat hebben in de hemel. Antonius, alsof God hem aan de heiligen had herinnerd en alsof deze lezing speciaal om zijnentwil was geschied, ging terstond de kerk uit en schonk de bezittingen van zijn voorouders aan de dorpelingen — het waren driehonderd akkers, vruchtbaar en zeer schoon — opdat zij geen belemmering meer zouden zijn voor hemzelf en zijn zuster. Al het overige roerende goed verkocht hij, en nadat hij een grote som geld bijeen had gebracht, gaf hij die aan de armen, terwijl hij voor zijn zuster slechts een klein gedeelte voorbehield. En opnieuw, toen hij de kerk binnenging en in het Evangelie de Heer hoorde zeggen: Weest niet bezorgd voor de dag van morgen, kon hij niet langer blijven; hij ging naar buiten en gaf ook het overige aan de armen. Nadat hij zijn zuster had toevertrouwd aan bekende en betrouwbare maagden en haar in een klooster had ondergebracht om daar te worden opgevoed, wijdde hij zich voortaan, buiten zijn huis, geheel aan de oefening van de tucht, acht gevend op zichzelf en zich met geduld oefenend.

Zijn vroege ascetische leven

Er waren toen nog niet vele kloosters in Egypte, en geen enkele monnik kende de verre woestijn; maar allen die zich op zichzelf wilden bezinnen, beoefenden de ascese in afzondering, dicht bij hun eigen dorp. Nu was er in het naburige dorp een oude man die van jongs af aan het leven van een kluizenaar had geleid. Antonius, nadat hij deze man had gezien, volgde hem na in godsvrucht. Aanvankelijk verbleef hij op plaatsen buiten het dorp; en wanneer hij ergens van een goed man hoorde, ging hij, als een verstandige bij, op weg om hem te zoeken, en keerde niet terug naar zijn eigen woning voordat hij hem had gezien. Daarna keerde hij terug, alsof hij van die goede man proviand had ontvangen voor zijn reis op de weg der deugd. Zo daar eerst wonend, bevestigde hij zijn voornemen niet terug te keren naar de woning van zijn vaderen noch naar de herinnering aan zijn verwanten, maar al zijn verlangen en kracht te bewaren voor de vervolmaking van zijn oefening. Hij werkte echter met zijn handen, daar hij had gehoord: Wie niet wil werken, zal ook niet eten; een deel besteedde hij aan brood, een deel gaf hij aan de behoeftigen. En hij volhardde in het gebed, wetende dat een mens in het verborgene onophoudelijk behoort te bidden. Want hij had zó aandachtig geluisterd naar wat werd voorgelezen, dat niets van hetgeen geschreven stond voor hem verloren ging; hij bewaarde alles in zijn geheugen, en later diende dit hem tot boeken. Toen hij zo leefde, werd Antonius door allen bemind. In oprechtheid onderwierp hij zich aan de goede mannen die hij bezocht, en hij leerde grondig waarin ieder hem overtrof in ijver en tucht. Zo vervuld keerde hij terug naar zijn eigen plaats van oefening, en voortaan streefde hij ernaar de eigenschappen van ieder in zich te verenigen en toonde hij zich ijverig om in zichzelf de deugden van allen te laten uitblinken.

Vroege strijd met de duivel

Maar de duivel, die het goede haat en benijdt, kon het niet verdragen zulk een besluit bij een jongeman te zien. Hij trachtte hem af te brengen door herinneringen aan rijkdom, zorg voor zijn zuster, eerzucht, genot en de zwaarte van de deugd. Toen hij echter zag dat hij werd overwonnen door Antonius’ standvastigheid en geloof, nam hij zijn toevlucht tot vleselijke verzoeking. Doch Antonius weerde hem af door gebed, vasten en het overwegen van het komende oordeel. Toen de vijand hierin faalde, verscheen hij aan Antonius in de gedaante van een zwart jongetje en bekende zijn nederlaag. Antonius sprak tot hem met vrijmoedigheid, dankte de Heer en bleef voortaan nog waakzamer, wetende dat de listen van de duivel vele zijn.

Zijn leven in de grafspelonken

Daarom begaf hij zich naar de grafspelonken buiten het dorp. Daar werd hij door een menigte demonen zwaar mishandeld, zodat hij levenloos werd aangetroffen en naar de kerk werd gedragen. Maar hersteld zijnde keerde hij terug, bad en weerstond hen met onwankelbare ziel. Toen zij hem opnieuw aanvielen in de gedaanten van wilde dieren, bleef hij onbevreesd, vertrouwend op Christus. En de Heer verscheen hem, versterkte hem en beloofde hem voortaan bij te staan en zijn naam overal bekend te maken. Antonius was toen ongeveer vijfendertig jaar oud.

Hij gaat de woestijn in en overwint de verzoekingen onderweg

De volgende dag ging hij eropuit, nog vuriger gericht op de dienst van God. Toen hij de oude man ontmoette die hij eerder had gezien, vroeg hij hem met hem in de woestijn te wonen. Maar toen deze weigerde wegens zijn hoge leeftijd en omdat een dergelijke levenswijze toen nog geen gebruik was, vertrok Antonius zelf onmiddellijk naar de berg. En opnieuw, toen de vijand zijn ijver zag en die wilde tegenhouden, wierp hij hem op de weg iets voor wat op een grote zilveren schaal leek. Maar Antonius, die de list van de Boze herkende, bleef staan; en nadat hij de schaal had bekeken, stelde hij de duivel ermee te schande en zei dat deze plaats geen spoor van reizigers kende, dat zoiets hier niet verloren kon zijn zonder gezocht te worden, en dat dit niets anders was dan een list van de duivel. Hij verklaarde dat zijn voornemen hierdoor niet zou worden verhinderd en verachtte het als iets dat tot verderf moest terugkeren. Terwijl hij voortging, zag hij opnieuw iets dat ditmaal niet schijnbaar was, maar werkelijk goud, verspreid over de weg. Of de duivel dit vertoonde, dan wel een hogere macht het liet zien om Antonius te beproeven en te tonen dat hij waarlijk geen waarde hechtte aan geld, is niet bekend. Zeker is dat wat verscheen goud was. Antonius verwonderde zich over de hoeveelheid, maar ging eraan voorbij alsof hij over vuur liep; hij wendde zich zelfs niet om, maar haastte zich voort om de plaats uit het oog te verliezen. Steeds vaster in zijn voornemen spoedde hij zich naar de berg. Aan de overzijde van de rivier vond hij een vervallen vesting, zo lang verlaten dat zij vol kruipende dieren was. Hij stak over en nam daar zijn intrek. De reptielen verlieten terstond de plaats, alsof iemand hen achterna zat. Hij metselde de ingang geheel dicht, nadat hij voor zes maanden broden had opgeslagen — dit is een gebruik bij de Thebanen, en deze broden blijven vaak een heel jaar goed — en daar hij binnen water vond, daalde hij af als in een heiligdom en bleef daar alleen, zonder ooit naar buiten te gaan of iemand te zien die kwam. Zo bracht hij lange tijd door met zich te oefenen; tweemaal per jaar ontving hij broden, die van boven werden neergelaten. Zijn bekenden, die kwamen en wie hij geen toegang verleende, bleven dikwijls dagen en nachten buiten en hoorden als het ware menigten binnen rumoer maken, lawaai veroorzaken en jammerlijke stemmen laten klinken, die hem toeriepen dat hij moest vertrekken en dat hij hun aanval niet zou kunnen doorstaan. Aanvankelijk meenden zij dat er mensen met hem vochten en dat zij door ladders waren binnengedrongen; maar toen zij door een opening zagen dat er niemand was, werden zij bevreesd, hielden het voor demonen en riepen Antonius aan. Hij hoorde hen onmiddellijk en kwam naar de deur. Hij verzocht hen weg te gaan en niet bevreesd te zijn, en zei dat de demonen zo hun schijnaanvallen vertonen tegen de lafhartigen. Hij spoorde hen aan zich te tekenen met het kruis en moedig heen te gaan. Zo vertrokken zij, gesterkt door het teken van het Kruis. Hijzelf bleef echter in geen enkel opzicht door de boze geesten geschaad en werd niet moe van de strijd. Want hem kwamen visioenen van boven te hulp, en de zwakheid van de vijand bespaarde hem veel moeite en wapende hem met grotere ijver. Zijn bekenden kwamen dikwijls in de verwachting hem dood aan te treffen en hoorden hem zingen: Laat God opstaan en laat Zijn vijanden verstrooid worden; laat ook wie Hem haten vluchten voor Zijn aanschijn. Zoals rook verdwijnt, laat hen verdwijnen; zoals was smelt voor het vuur, zo vergaan de zondaars voor het aanschijn van God. En opnieuw: Alle volken omsingelden mij, maar in de Naam van de Heer heb ik hen overwonnen.

Hij verlaat de vesting — de bloei van het monnikenleven in Egypte

Zo bleef hij bijna twintig jaar lang in afzondering zichzelf oefenen, zonder ooit naar buiten te gaan en slechts zelden door iemand gezien te worden. Daarna, toen velen vurig verlangden zijn levenswijze na te volgen en zijn bekenden kwamen en met geweld de deur begonnen neer te halen, trad Antonius naar buiten, als uit een heiligdom tevoorschijn gekomen, ingewijd in de verborgenheden en vervuld van de Geest Gods. Toen werd hij voor het eerst buiten de vesting gezien. Zij die hem zagen, verwonderden zich, want hij had dezelfde lichaamsgesteldheid als tevoren: niet gezet als iemand zonder oefening, niet mager door overmatige versterving, maar gelijk aan wie zij vroeger hadden gekend. Ook zijn ziel was vrij van smet; zij was noch verkrampt door droefheid, noch verslapt door genot, noch beheerst door lachen of neerslachtigheid. Hij werd niet verontrust door de menigte en niet buitensporig verheugd door de groeten van velen, maar bleef gelijkmatig, geleid door de rede en verkerend in een natuurlijke staat. Door hem genas de Heer de lichamelijke kwalen van velen en reinigde Hij anderen van boze geesten. Hij schonk Antonius genade in het spreken, zodat hij bedroefden vertroostte en hen die in onenigheid leefden tot eensgezindheid bracht. Hij vermaande allen de liefde tot Christus te verkiezen boven alles wat in de wereld is en herinnerde hen aan de toekomstige goederen en aan de goedertierenheid Gods, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd. Zo wist hij velen te bewegen het eenzame leven te omhelzen. Daarom verrezen ook in de bergen cellen en werd de woestijn bevolkt door monniken, die uit hun eigen volk waren uitgegaan en zich hadden laten inschrijven als burgers van de hemel.

Waarom wij de demonen niet hoeven te vrezen

Plaats vormt geen belemmering voor hun plannen; zij beschouwen ons niet als vrienden om ons te sparen, noch zijn zij liefhebbers van het goede om zich te verbeteren. Integendeel, zij zijn boos en niets verlangen zij meer dan hen te verwonden die de deugd liefhebben en God vrezen. Maar omdat zij geen macht hebben om iets uit te richten, doen zij niets dan dreigen. Indien zij echter konden, zouden zij niet aarzelen, maar terstond kwaad doen; want heel hun verlangen is daarop gericht, vooral tegen ons. Zie, wij zijn hier bijeen en spreken tegen hen, en zij weten dat zij zwakker worden wanneer wij vooruitgaan. Indien zij dus macht hadden, zouden zij geen enkele christen laten leven; want godsvrucht is een gruwel voor de zondaar (vgl. Sir. 1, 25). Omdat zij echter niets kunnen, brengen zij des te grotere wonden aan zichzelf toe, daar zij geen van hun dreigementen kunnen volbrengen. Dit moet men vervolgens overwegen, opdat wij hen niet vrezen: indien zij macht hadden, zouden zij niet in menigten komen, noch schijnvertoningen opvoeren, noch door gedaanteverwisseling bedrog smeden. Eén enkele zou volstaan om te komen en te doen wat hij kon en wilde doen. Wie macht bezit, doodt niet met vertoon en boezemt geen vrees in door rumoer, maar gebruikt onmiddellijk zijn gezag zoals hij wil. De demonen daarentegen, die geen macht hebben, zijn als toneelspelers die van gedaante veranderen en kinderen met luidruchtige verschijningen en allerlei vormen bang maken; zij moeten daarom veeleer worden veracht, omdat zij hun zwakheid tonen. De ware engel van de Heer, die tegen de Assyriër werd gezonden, had geen rumoer nodig en geen uiterlijke vertoning, maar gebruikte in stilte zijn macht en verdelgde onmiddellijk honderdvijfentachtigduizend man (2 Kon. 19, 35). Zulke demonen echter, die geen macht bezitten, trachten ten minste door hun schijnvertoningen schrik aan te jagen. Maar als iemand, denkend aan de geschiedenis van Job, zou zeggen: waarom is de duivel dan uitgegaan en heeft hij alles tegen hem verricht, hem van al zijn bezittingen beroofd, zijn kinderen gedood en hem met boze zweren geslagen? — laat die dan erkennen dat niet de duivel de sterke was, maar God, die Job aan hem heeft overgeleverd om beproefd te worden. Zeker had hij zelf geen macht om iets te doen; hij heeft gevraagd, en nadat hem die macht was verleend, heeft hij gedaan wat hij deed. Zo blijkt ook hieruit dat de vijand des te meer te veroordelen is, omdat hij, hoewel hij het wilde, niet bij machte was één rechtvaardige te overwinnen. Dat hij niet éénmaal, maar zelfs een tweede maal moest vragen, toont zijn zwakheid en zijn gebrek aan macht. Het is geen wonder dat hij niets tegen Job kon uitrichten, daar zelfs over diens vee geen verderf zou zijn gekomen indien God het niet had toegelaten. Hij bezit zelfs geen macht over zwijnen; want, zoals in het Evangelie geschreven staat, smeekten zij de Heer en zeiden: Sta ons toe in de zwijnen te varen (Mt. 8, 31). Als zij zelfs over zwijnen geen macht hebben, hoeveel te minder dan over mensen die naar het beeld van God zijn gevormd. Zo behoren wij dan God alleen te vrezen en de demonen te verachten, en voor hen geen angst te hebben. En hoe meer zij zulke dingen doen, des te meer moeten wij onze oefening tegen hen verscherpen; want een goed leven en geloof in God zijn een machtig wapen. Zij vrezen immers het vasten, de slapeloosheid, het gebed, de zachtmoedigheid, de stilte, de minachting van geld en ijdele eer, de nederigheid, de liefde tot de armen, de aalmoezen, het vrij zijn van toorn van de asceten, en bovenal hun godsvrucht jegens Christus. Daarom doen zij alles om te verhinderen dat er mensen zijn die hen vertrappen, wetende welke genade door de Verlosser aan de gelovigen tegen hen is geschonken, wanneer Hij zegt: Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en op heel de macht van de vijand (Lc. 10, 19).

Hun schijn van toekomstkennis

Wanneer zij zich dus voordoen alsof zij de toekomst voorspellen, laat niemand hun gehoor geven. Want dikwijls kondigen zij van tevoren aan dat broeders na enkele dagen zullen komen — en zij komen ook. Maar de demonen doen dit niet uit zorg voor de hoorders, maar om hun vertrouwen te winnen en hen vervolgens, wanneer zij hen eenmaal in hun macht hebben, te verderven. Daarom moeten wij hun geen aandacht schenken, maar hen veeleer weerleggen wanneer zij spreken, aangezien wij hen niet nodig hebben. Wat is daar wonderlijks aan, dat zij, met lichtere lichamen dan mensen, wanneer zij hen op weg zien gaan, hen in snelheid overtreffen en hun aankomst vooraf aankondigen? Zoals een ruiter die een voorsprong heeft op een voetganger, diens aankomst tevoren meldt, zo is er hierin niets dat ons tot verwondering moet brengen. Want zij kennen niets van wat nog niet bestaat; God alleen is Hij die alle dingen kent vóór hun ontstaan. Maar zij lopen, als dieven, vooruit met wat zij hebben gezien en verkondigen het. Aan hoeveel mensen hebben zij reeds onze bezigheden aangekondigd — dat wij hier bijeen zijn en overleg plegen tegen hen — nog vóór iemand van ons dit had kunnen gaan vertellen. Dit kan in waarheid ook een vlugge jongen doen, die ver vooruitloopt op iemand die minder snel is. Wat ik bedoel is dit: als iemand begint te reizen uit de Thebaïs of uit een ander gewest, weten zij vóór hij op weg gaat niet of hij zal vertrekken. Maar wanneer zij hem hebben zien lopen, rennen zij vooruit en berichten zijn komst nog vóór hij zelf aankomt. Zo gebeurt het dat na enkele dagen de reizigers inderdaad verschijnen. Maar vaak keren de wandelaars terug, en dan blijken de demonen leugenaars te zijn. Zo ook met betrekking tot het water van de rivier doen zij soms dwaze uitspraken. Wanneer zij hebben gezien dat er veel regen is gevallen in de streken van Ethiopië, en weten dat dit de oorzaak zal zijn van de overstroming van de rivier nog vóór het water Egypte heeft bereikt, rennen zij vooruit en kondigen dit aan. Ook mensen zouden dit kunnen melden, als zij dezelfde snelheid van lopen hadden als de demonen. Zoals de wachter van David, die op een hoge plaats stond, de naderende man eerder zag dan degene die beneden bleef, en de bode zelf de aankomst aankondigde vóórdat de anderen aankwamen — niet dingen die nog niet waren gebeurd, maar wat reeds onderweg was en zich voltrok (vgl. 2 Sam. 18, 24) — zo verkiezen ook dezen zich in te spannen en aan anderen te verkondigen wat reeds geschiedt, enkel om hen te misleiden. Indien echter de Voorzienigheid intussen iets anders beschikt voor het water of voor de reizigers — want de Voorzienigheid kan dit doen — dan worden de demonen bedrogen en degenen die hun gehoor hebben gegeven misleid. Zo zijn in vroegere tijden de orakels van de Grieken ontstaan, en zo zijn zij door de demonen misleid. Maar zo is ook vervolgens hun bedrog ten einde gekomen door de komst van de Heer, die de demonen en hun listen teniet heeft gedaan. Want zij weten uit zichzelf niets, maar geven, als dieven, wat zij van anderen te weten komen door, en raden eerder dan dat zij iets werkelijk voorzeggen. Daarom, als zij soms de waarheid spreken, moet niemand zich daarover verwonderen. Ook ervaren geneesheren immers, wanneer zij bij verschillende mensen dezelfde ziekte waarnemen, voorspellen dikwijls wat het is, op grond van hun vertrouwdheid ermee. Zo ook zeevaarders en landbouwers oordelen, uit ervaring met het weer, terstond over de gesteldheid van de lucht en voorspellen of het stormachtig of helder zal worden. Niemand zal zeggen dat zij dit door ingeving doen, maar door ervaring en oefening. Als de demonen dus soms op gelijke wijze door gissing spreken, laat niemand zich daarover verbazen of hun aandacht schenken.

Wat wij wél moeten zoeken

Want welk nut heeft het voor de hoorders om van hen te weten wat vóór de tijd zal geschieden? Of wat gaat het ons aan zulke dingen te weten, zelfs al zou die kennis waar zijn? Zij bevordert immers de deugd niet en is geen teken van goedheid. Niemand wordt geoordeeld om wat hij niet weet, en niemand wordt zalig genoemd omdat hij geleerdheid en kennis bezit. Ieder zal geoordeeld worden op deze punten: of hij het geloof heeft bewaard en de geboden waarlijk heeft onderhouden. Daarom is het niet nodig hieraan grote waarde te hechten, noch omwille hiervan een leven van oefening en moeite te leiden, maar opdat wij door goed te leven God behagen. Wij behoren niet te bidden om de toekomst te kennen, noch haar te vragen als loon voor onze oefening; maar ons gebed moet zijn dat de Heer onze medearbeider is tot overwinning over de duivel. En als bij gelegenheid toch het verlangen in ons opkomt om de toekomst te kennen, laten wij dan zuiver van geest zijn. Want ik meen dat een ziel die volkomen rein is en in haar natuurlijke staat verkeert, scherpziender is en verder ziet dan de demonen — omdat zij de Heer heeft die haar openbaart — zoals de ziel van Elisa, die zag wat Gehazi had gedaan (2 Kon. 5, 26) en de legermachten aanschouwde die aan zijn zijde stonden (2 Kon. 6, 17).

Hoe men engelen en demonen onderscheidt

Wanneer zij dus ’s nachts tot u komen en de toekomst willen verkondigen, of zeggen: Wij zijn engelen, schenkt hun geen gehoor, want zij liegen. Ja zelfs wanneer zij uw oefening prijzen en u zalig noemen, luistert niet naar hen en hebt geen omgang met hen; maar tekent uzelf en uw woningen met het kruis en bidt, en gij zult zien dat zij verdwijnen. Want zij zijn lafhartig en vrezen ten zeerste het teken van het Kruis des Heren, omdat de Verlosser hen daarin werkelijk heeft ontwapend en openlijk te schande gemaakt (Kol. 2, 15). Indien zij echter schaamteloos standhouden, huppelen en hun gedaanten veranderen, vrees hen niet, wijk niet terug en schenk hun geen aandacht alsof het goede geesten waren. Want de tegenwoordigheid van het goede zowel als van het kwade kan, met Gods hulp, gemakkelijk worden onderscheiden. De verschijning van de heiligen gaat niet met verwarring gepaard: Hij zal niet twisten noch schreeuwen, en niemand zal Zijn stem op de straten horen. Zij komt integendeel zo stil en zacht, dat onmiddellijk vreugde, blijdschap en moed in de ziel ontstaan. Want de Heer, die onze vreugde is, is met hen, en de kracht van God de Vader. De gedachten van de ziel blijven rustig en onbewogen, zodat zij, als het ware door lichtstralen verlicht, uit zichzelf ziet wie verschijnen. De liefde tot het goddelijke en tot de toekomstige goederen vervult haar, en zij zou zich gaarne geheel met hen verenigen, indien zij met hen kon heengaan. Indien wij, als mensen, bij de verschijning van de goeden aanvankelijk vrezen, dan nemen zij die vrees onmiddellijk weg: zoals Gabriël deed bij Zacharias (Lc. 1, 13), en zoals de engel deed die verscheen aan de vrouwen bij het heilig graf (Mt. 28, 5), en zoals hij deed die tot de herders in het Evangelie zei: Vreest niet. Want hun vrees kwam niet voort uit lafhartigheid, maar uit het besef van de tegenwoordigheid van hogere wezens. Zódanig is de aard van de verschijningen van de heiligen. De inval en de vertoning van de boze geesten gaan daarentegen gepaard met verwarring, met rumoer, met geluiden en geschreeuw, zoals de onrust die door ruwe jongelingen of door rovers wordt veroorzaakt. Daaruit ontstaan vrees in het hart, onrust en verwarring van gedachten, moedeloosheid, afkeer van hen die een leven van oefening leiden, onverschilligheid, droefheid, herinnering aan verwanten en vrees voor de dood, en ten slotte begeerte naar kwade dingen, verachting van de deugd en wispelturigheid van levenswijze. Wanneer gij dus iets ziet en bevreesd wordt, maar die vrees onmiddellijk wordt weggenomen en in plaats daarvan onuitsprekelijke vreugde komt, opgewektheid, moed, hernieuwde kracht, rust van gedachte en al hetgeen ik eerder noemde — vrijmoedigheid en liefde tot God — vat dan moed en bid. Want vreugde en een vaste gesteldheid van de ziel tonen de heiligheid aan van Hem die aanwezig is. Zo verheugde Abraham zich toen hij de Heer zag (vgl. Joh. 8, 56); zo sprong ook Johannes op bij de stem van Maria, de Godsbarende, van vreugde (vgl. Lc. 1, 41). Maar wanneer bij de verschijning van iemand verwarring ontstaat, lawaai van buiten, wereldse praal, dreiging met de dood en de andere dingen die ik reeds heb genoemd, weet dan dat het een aanval van boze geesten is. En laat dit u eveneens tot teken zijn: wanneer de ziel in vrees blijft, is er de aanwezigheid van vijanden. Want de demonen nemen de vrees voor hun tegenwoordigheid niet weg, zoals de grote aartsengel Gabriël deed bij Maria en Zacharias, en zoals hij deed die aan de vrouwen bij het graf verscheen; maar wanneer zij zien dat mensen bevreesd zijn, vermeerderen zij hun bedrieglijke vertoningen, opdat de mensen des te meer verschrikt worden. Tenslotte vallen zij aan en bespotten hen, zeggende: Val neer en aanbid. Zo hebben zij de Grieken misleid en zijn zij door hen voor goden gehouden, ten onrechte zo genoemd. Maar de Heer heeft niet toegelaten dat wij door de duivel zouden worden misleid, want Hij heeft hem berispt telkens wanneer hij zulke bedrieglijke voorstellingen tegen Hem opvoerde, en zei: Ga weg van Mij, Satan; want er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen (Mt. 4, 10). Des te meer moeten wij dus de bedrieger verachten; want wat de Heer heeft gesproken, heeft Hij om onzentwil gedaan, opdat de demonen, wanneer zij dezelfde woorden van ons horen, op de vlucht zouden slaan door de Heer die hen met die woorden heeft bestraft.

Tekenen zijn niet het doel

Het past niet zich te beroemen op het uitdrijven van demonen, noch zich te verheffen op het genezen van ziekten; evenmin past het dat hij die demonen uitdrijft hoog wordt geacht, terwijl hij die dat niet doet voor niets wordt gehouden. Laat ieder veeleer de levenswijze van de ander leren kennen en die óf navolgen, óf evenaren, óf verbeteren. Want het verrichten van tekenen is niet ons werk, maar het werk van de Verlosser. Daarom zei Hij tot Zijn leerlingen: Verheugt u niet daarover dat de demonen u onderworpen zijn, maar verheugt u erover dat uw namen staan opgetekend in de hemelen (Lc. 10, 20). Dat onze namen in de hemel geschreven staan, is een teken van een deugdzaam leven; demonen uitdrijven daarentegen is een genadegave van de Verlosser, die Hij schenkt. Daarom antwoordde Hij aan hen die zich op tekenen beroemden maar niet op de deugd, en zeiden: Heer, hebben wij niet in Uw naam demonen uitgedreven en in Uw naam vele machtige werken verricht? (Mt. 7, 22): Voorwaar, Ik zeg u: Ik ken u niet. Want de Heer kent de wegen van de goddelozen niet. Wij moeten daarom altijd bidden, zoals ik hierboven heb gezegd, dat wij de gave ontvangen om de geesten te onderscheiden, opdat wij — zoals geschreven staat — niet iedere geest geloven (1 Joh. 4, 1).

Antonius’ eigen ervaringen met hun listen

Ik had liever niets meer gezegd en niets uit eigen aandrang toegevoegd, tevreden met wat ik reeds heb gesproken. Maar opdat gij niet zoudt menen dat ik willekeurig spreek en deze dingen zonder ervaring of waarheid uiteenzet, daarom — al zou ik mijzelf tot een dwaas maken — weet de Heer die hoort, de zuiverheid van mijn geweten, dat ik dit niet om mijzelf doe, maar omwille van uw genegenheid jegens mij en op uw verzoek, wanneer ik opnieuw vertel wat ik heb gezien van de praktijken van de boze geesten. Hoe dikwijls hebben zij mij zalig genoemd, en heb ik hen vervloekt in de Naam des Heren. Hoe dikwijls hebben zij de stijging van de rivier voorspeld, en ik zei tot hen: wat hebt gij hiermee van doen? Eens kwamen zij dreigend en omringden mij als soldaten in volle wapenrusting. Een andere keer vulden zij het huis met paarden, wilde dieren en kruipende wezens, en ik zong: Sommigen vertrouwen op wagens en anderen op paarden, maar wij beroemen ons op de Naam van de Heer, onze God (Ps. 20, 8); en door het gebed werden zij door de Heer op de vlucht gejaagd. Eens kwamen zij in de duisternis met de schijn van licht en zeiden: Wij zijn gekomen om u licht te brengen, Antonius. Maar ik sloot mijn ogen en bad, en onmiddellijk werd het licht van de bozen gedoofd. En enkele maanden later kwamen zij als het ware psalmen zingend en prevelend met woorden uit de Schrift; maar ik was als een dove en hoorde niet. Eens deden zij de cel schudden als door een aardbeving, maar ik bleef bidden met een onwankelbaar hart. Daarna kwamen zij opnieuw met lawaai, fluitend en dansend; maar toen ik bad en voor mijzelf psalmen zong, begonnen zij terstond te jammeren en te wenen, alsof hun kracht was gebroken. En ik gaf eer aan de Heer, die hun vermetelheid en waanzin had neergehaald en tot voorbeeld gesteld. Eens verscheen een demon van uitzonderlijke hoogte met grote praal, en hij durfde te zeggen: Ik ben de macht van God en ik ben de Voorzienigheid; wat wilt gij dat ik u zal geven? Maar toen ademde ik des te meer tegen hem in, sprak de Naam van Christus uit en begon hem te slaan. Onmiddellijk verdween hij, zo groot als hij was, samen met al zijn demonen, bij het noemen van de Naam van Christus. Een andere keer, terwijl ik vastte, kwam hij vol list, in de gedaante van een monnik, met wat brood leek te zijn, en gaf mij raad en zei dat ik moest eten en ophouden met mijn vele inspanningen, alsof ik anders ziek zou worden. Maar ik doorzag zijn list, stond op om te bidden, en hij kon het niet verdragen; hij vertrok, en het was alsof door de deur rook naar buiten ging. Hoe vaak heeft hij in de woestijn iets vertoond dat op goud leek, opdat ik het slechts zou aanraken en bezien; maar ik zong psalmen tegen hem, en hij verdween. Vaak sloegen zij mij met geselslagen, en ik herhaalde telkens weer: Niets zal ons scheiden van de liefde van Christus (Rom. 8, 35); en daarop begonnen zij elkaar eerder te slaan. Het was echter niet ik die hen tegenhield en hun macht vernietigde, maar de Heer, die heeft gezegd: Ik zag Satan als een bliksem uit de hemel vallen (Lc. 10, 18). Maar ik, kinderen, heb dit op mijzelf toegepast, indachtig het woord van de Apostel (vgl. 1 Kor. 4, 6), opdat gij zoudt leren niet te verslappen in de oefening en de duivel noch de bedrieglijke vertoningen van de demonen te vrezen. Eens klopte iemand aan de deur van mijn cel, en toen ik naar buiten ging, zag ik iemand die zeer groot en hoog van gestalte leek. Toen ik vroeg: Wie zijt gij? zei hij: Ik ben Satan. En toen ik zei: Waarom zijt gij hier? antwoordde hij: Waarom beschuldigen de monniken en alle andere christenen mij zonder reden? Waarom vervloeken zij mij ieder uur? Ik zei tot hem: Waarom kwelt gij hen dan? Hij antwoordde: Ik ben het niet die hen kwelt, maar zij kwellen zichzelf, want ik ben zwak geworden. Hebben zij niet gelezen: De zwaarden van de vijand zijn voor altijd verdwenen, en gij hebt de steden verwoest? Ik heb geen plaats meer, geen wapen, geen stad. De christenen zijn overal verspreid, en tenslotte is zelfs de woestijn met monniken gevuld. Laten zij acht geven op zichzelf en mij niet zonder reden vervloeken. Toen verwonderde ik mij over de genade van de Heer en zei tot hem: Gij die altijd een leugenaar zijt en nooit de waarheid spreekt, dit hebt gij nu, zelfs tegen uw wil, waarlijk gezegd. Want de komst van Christus heeft u zwak gemaakt, en Hij heeft u neergehaald en van uw macht beroofd. Maar toen hij de Naam van de Verlosser hoorde en de brand daarvan niet kon verdragen, verdween hij. Indien dus de duivel zelf belijdt dat zijn macht verdwenen is, dan behoren wij hem en zijn demonen geheel en al te verachten. En aangezien de vijand met zijn horden slechts over dit soort listen beschikt, kunnen wij, nu wij hun zwakheid hebben leren kennen, hen minachten.

Moed tegen vrees en verzoeking

Laat ons daarom niet moedeloos worden, en geen lafhartige gedachten in ons hart toelaten, noch voor onszelf angsten vormen door te zeggen: Ik vrees dat een demon zal komen en mij omverwerpen; dat hij mij zal opnemen en neerwerpen; of dat hij plotseling tegen mij zal opstaan en mij in verwarring zal brengen. Zulke gedachten moeten wij in het geheel niet koesteren, noch bedroefd zijn alsof wij te gronde gingen; maar veeleer moedig zijn en altijd verblijd, in het geloof dat wij veilig zijn. Laat ons in onze ziel overwegen dat de Heer met ons is, Hij die de boze geesten op de vlucht heeft gejaagd en hun macht heeft gebroken. Laat ons ter harte nemen dat, zolang de Heer met ons is, onze vijanden ons geen kwaad kunnen doen. Wanneer zij komen, naderen zij ons in een gedaante die overeenkomt met de toestand waarin zij ons aantreffen, en passen zij hun misleidingen aan aan de gesteldheid van de geest die zij bij ons vinden. Indien zij ons angstig en verward aantreffen, omsingelen zij terstond de plaats, als rovers die een onbewaakt huis hebben gevonden, en wat wij zelf vrezen, daarop spelen zij in — en nog meer. Vinden zij ons zwak van moed en bevreesd, dan vergroten zij onze angst door hun misleidingen en dreigementen; en hierdoor wordt de ongelukkige ziel voortaan gekweld. Maar wanneer zij zien dat wij ons verheugen in de Heer, de zaligheid van de toekomst overwegen, de Heer indachtig zijn, alles in Zijn hand achten, en weten dat geen boze geest enige kracht heeft tegen de christen, noch überhaupt macht over iemand — wanneer zij de ziel zo versterkt zien — dan raken zij ontmoedigd en wijken zij terug. Zo trok de vijand zich terug van Job, toen hij zag dat hij rondom beschermd was; maar Judas, die onbewaakt werd aangetroffen, nam hij gevangen. Indien wij dus de vijand willen verachten, laten wij dan altijd de dingen des Heren overwegen en de ziel voortdurend in hoop laten verblijden. Dan zullen wij zien dat de strikken van de demon zijn als rook, en dat de boze geesten zelf eerder vluchten dan achtervolgen. Want zij zijn, zoals ik eerder zei, uitermate bevreesd, daar zij voortdurend uitzien naar het vuur dat voor hen is bereid.

Hoe men een verschijning beproeft

En tot uw onbevreesdheid tegenover hen, houdt dit vaste teken voor ogen: wanneer er een verschijning is, werp u dan niet neer uit angst, maar wat het ook zij, vraag eerst vrijmoedig: Wie zijt gij? En vanwaar komt gij? Indien het een verschijning van heiligen is, zullen zij u geruststellen en uw vrees in vreugde veranderen. Maar indien de verschijning van de duivel is, wordt zij terstond zwak, zodra zij uw vastberadenheid van geest aanschouwt. Want reeds het enkel vragen: Wie zijt gij? en Vanwaar komt gij? is een teken van kalmte. Door zo te vragen heeft de zoon van Nun geleerd wie zijn helper was (vgl. Joz. 5, 13); en ook de vijand ontkwam niet aan de ondervraging van Daniël. Terwijl Antonius aldus sprak, verheugden allen zich. Bij sommigen nam de liefde tot de deugd toe, bij anderen werd de achteloosheid afgelegd, bij weer anderen werd de zelfgenoegzaamheid beteugeld; en allen werden ertoe gebracht de aanvallen van de Boze te verachten en zich te verwonderen over de genade die Antonius van de Heer had ontvangen tot onderscheiding der geesten.

De woestijn als land van monniken

Zo lagen hun cellen in de bergen als het ware vervuld van heilige scharen: mannen die psalmen zongen, de lezing liefhadden, vastten, baden, zich verheugden in de hoop op de toekomstige goederen, zich inspanden in de aalmoes en liefde en eendracht onder elkaar bewaarden. En waarlijk, men kon het bijna aanschouwen als een afzonderlijk land, vervuld van godsvrucht en gerechtigheid. Want er was daar geen boosdoener en geen benadeelde, geen smaad van de tollenaar; maar een menigte asceten, en het ene doel van allen was het streven naar de deugd. Zodat wie de cellen opnieuw zag en zulk een goede orde onder de monniken aanschouwde, zijn stem verhief en zei: Hoe schoon zijn uw tenten, Jakob, en uw woningen, Israël; als schaduwrijke dalen en als een tuin bij een rivier; als tenten die de Heer heeft opgeslagen, als ceders aan het water (Num. 24, 5–6).

Antonius’ soberheid en leer over het lichaam

Antonius echter keerde, overeenkomstig zijn gewoonte, alleen terug naar zijn eigen cel, verscherpte zijn oefening en zuchtte dagelijks bij de gedachte aan de woningen in de hemel. Zijn verlangen was daarop gericht, terwijl hij nadacht over de kortheid van het menselijk leven. En wanneer hij dacht aan de geestelijke vermogens van de ziel, schaamde hij zich bij eten en slapen en bij alle andere lichamelijke noden. Dikwijls, wanneer hij met andere kluizenaars zou gaan eten, verontschuldigde hij zich, de geestelijke spijs indachtig, en trok hij zich ver van hen terug, het beschamend achtend door anderen gezien te worden terwijl hij at. Alleen at hij wel uit lichamelijke noodzaak; soms ook met de broeders, daarbij met schaamte bedekt, maar vrijmoedig woorden van hulp sprekend. Hij placht te zeggen dat een mens al zijn tijd aan de ziel moest geven veeleer dan aan het lichaam, en dat men het lichaam slechts een korte tijd moest toestaan omwille van zijn noden, maar des te vuriger al het overige aan de ziel moest wijden en haar voordeel moest zoeken, opdat zij niet door de genoegens van het lichaam werd neergehaald, maar integendeel het lichaam aan de ziel onderworpen zou zijn. Want dit is wat de Verlosser heeft gezegd: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij zult eten, noch voor uw lichaam, wat gij zult aantrekken… Zoekt niet wat gij zult eten of drinken en zijt niet bezorgd. Want dit alles zoeken de volken der wereld; uw Vader weet dat gij dit nodig hebt. Zoekt echter eerst Zijn Koninkrijk, en dit alles zal u bovendien geschonken worden (Mt. 6, 31; Lc. 12, 29).

De vervolging onder Maximinus

Daarna werd de Kerk getroffen door de vervolging die toen onder Maximinus losbrak. Toen de heilige martelaren naar Alexandrië werden geleid, volgde ook Antonius hen; hij verliet zijn cel en zei: Laat ook ons gaan, opdat wij, indien wij geroepen worden, mogen strijden, of ten minste hen mogen aanschouwen die strijden. Hij verlangde ernaar het martelaarschap te ondergaan; maar daar hij zich niet uit eigen beweging wilde aangeven, diende hij de belijders in de mijnen en in de gevangenissen. Ook in de rechtszaal toonde hij grote ijver: hij spoorde hen die werden opgeroepen aan tot bereidheid in hun strijd, en hen die ter dood werden gebracht, ontving hij en begeleidde hij op hun weg, totdat zij hun voleinding bereikten. De rechter nu, ziende de onbevreesdheid van Antonius en van zijn metgezellen en hun ijver in deze zaken, gaf bevel dat geen enkele monnik in de rechtszaal mocht verschijnen, noch zich überhaupt in de stad mocht ophouden. Allen achtten het daarom goed zich die dag verborgen te houden; Antonius echter sloeg zo weinig acht op dit bevel, dat hij zijn gewaad waste en de gehele volgende dag op een verhoogde plaats vóór hen stond, in zijn beste kledij verschijnend voor de stadhouder. Terwijl allen zich daarover verwonderden en de stadhouder met zijn gevolg voorbijging, bleef hij onbevreesd staan en toonde hij de bereidheid van ons christenen. Daarom scheen hij bedroefd, alsof hij zijn getuigenis niet had mogen afleggen. Maar de Heer bewaarde hem tot nut van ons en van velen anderen, opdat hij voor velen een leermeester zou worden in de levenswijze die hij uit de Schriften had geleerd. Toen eindelijk de vervolging ophield en de zalige bisschop Petrus zijn getuigenis had afgelegd, vertrok Antonius en trok zich opnieuw terug in zijn cel. Daar was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en streed hij in de worstelingen van het geloof. Zijn oefening werd nog strenger: hij vastte voortdurend en droeg een haren kleed direct op het lichaam, met daarover een huid, die hij tot het einde toe behield. Hij waste zijn lichaam niet met water om zich van onreinheid te zuiveren, noch waste hij ooit zijn voeten; ja hij verdroeg het zelfs niet ze in water te steken, tenzij de noodzaak hem daartoe dwong. En niemand heeft hem ooit ongekleed gezien, noch zijn lichaam geheel naakt, behalve na zijn dood, toen hij werd begraven.

Een genezing op afstand

Toen hij zich dus had teruggetrokken en zich had voorgenomen een vaste tijd te bepalen, waarna hij zelf niet meer naar buiten zou gaan en ook niemand meer zou toelaten, kwam een krijgsoverste, Martinianus, Antonius lastigvallen. Hij had een dochter die door een boze geest werd gekweld. En toen hij lange tijd aan de deur bleef kloppen en hem smeekte naar buiten te komen om tot God voor zijn kind te bidden, kon Antonius het niet over zijn hart verkrijgen de deur te openen; maar hij keek van boven naar buiten en zei: Mens, waarom roept gij mij? Ook ik ben een mens, evenals gij. Maar indien gij gelooft in Christus, die ik dien, ga dan heen en bid tot God naar de maat van uw geloof, en het zal geschieden. Onmiddellijk ging hij weg, vol geloof en Christus aanroepend, en hij ontving zijn dochter, van de duivel gereinigd. Vele andere dingen verrichtte de Heer eveneens door Antonius, Hij die zegt: Zoekt en gij zult vinden (Lc. 11, 9).

De roeping naar de innerlijke woestijn

Maar toen Antonius zag dat hij door velen werd omringd en niet, zoals hij zich had voorgenomen, in stilte kon blijven — vrezend dat hij door de tekenen die de Heer door hem verrichtte óf zelf opgeblazen zou worden, óf dat anderen hoger van hem zouden denken dan betamelijk was — besloot hij naar de Opper-Thebaïs te gaan, naar mensen bij wie hij onbekend was. Nadat hij van de broeders broden had ontvangen, zette hij zich neer aan de oever van de rivier, om te zien of er een boot voorbij zou komen, zodat hij, wanneer hij die kon nemen, met hen stroomopwaarts zou varen. Terwijl hij hierover nadacht, kwam een stem tot hem van boven: Antonius, waar gaat gij heen en waarom? Hij werd daardoor geenszins verontrust, maar luisterde aandachtig en antwoordde: Omdat de menigte mij niet met rust laat, wil ik naar de Opper-Thebaïs gaan wegens de vele hinderpalen die mij hier overkomen, en vooral omdat men van mij dingen verlangt die mijn kracht te boven gaan. Maar de stem sprak tot hem: Ook al zoudt gij naar de Thebaïs gaan, of zelfs afdalen naar de Bucolia, gij zult er méér moeten verduren, ja, dubbel zoveel moeite. Maar indien gij werkelijk in rust wilt zijn, ga dan nu naar de innerlijke woestijn. En toen Antonius zei: Wie zal mij de weg wijzen? Want ik ken haar niet, wees de stem hem onmiddellijk Saracenen aan die op het punt stonden die kant op te gaan. Antonius begaf zich naar hen toe, naderde hen en vroeg of hij met hen mee mocht trekken naar de woestijn. En zij, als door de Voorzienigheid geleid, namen hem bereidwillig op. Nadat hij met hen drie dagen en drie nachten had gereisd, kwam hij aan bij een zeer hoge berg; aan de voet van de berg stroomde een heldere bron, waarvan het water zoet en zeer koud was; daarbuiten lag een vlakte en enkele verwaarloosde palmbomen. Antonius kreeg, als het ware door God bewogen, liefde voor die plaats; want dit was de plek die hem was aangewezen door Hem die tot hem had gesproken aan de oever van de rivier. Nadat hij eerst van zijn reisgezellen broden had ontvangen, verbleef hij alleen op de berg, zonder dat iemand anders bij hem was; en hij herkende die plaats als zijn eigen woonstede en bleef er voortaan wonen. De Saracenen echter, die de ijver van Antonius hadden gezien, plachten opzettelijk langs die weg te reizen en brachten hem met vreugde broden; en nu en dan boden ook de palmbomen hem een karige en sobere verkwikking. Later, toen de broeders van de plaats vernamen waar hij verbleef, droegen zij, als kinderen die hun vader niet vergeten, zorg om hem voedsel toe te zenden. Maar toen Antonius zag dat het brood voor sommigen aanleiding werd tot moeite en inspanning, besloot hij, om de monniken te ontzien, aan enkelen die tot hem kwamen te vragen een spade, een bijl en wat graan mee te brengen. Toen deze waren gebracht, ging hij het land rondom de berg verkennen; en toen hij een klein stuk geschikte grond had gevonden, bewerkte hij het. Daar hij overvloedig water had om te bevloeien, zaaide hij; en door dit jaar na jaar te doen, verkreeg hij daaruit zijn brood, verblijd dat hij zo niemand tot last was en zichzelf ervoor behoedde iemand tot last te zijn. Daarna, toen hij opnieuw zag dat mensen tot hem kwamen, verbouwde hij ook enige groenten, opdat wie tot hem kwam na de inspanning van die zware tocht enige kleine verkwikking zou hebben.

Dieren en demonen in de innerlijke woestijn

In het begin echter kwamen de wilde dieren van de woestijn, aangetrokken door het water, en richtten zij vaak schade aan zijn zaaigoed en akkerbouw aan. Maar hij nam één van hen zachtjes vast en zei tot hen allen: Waarom doet gij mij kwaad, daar ik niemand van u kwaad doe? Gaat heen en komt in de naam van de Heer niet meer nabij deze plaats. En vanaf dat moment, als uit vrees voor zijn gebod, kwamen zij niet meer in de buurt. Zo verbleef hij alleen op de innerlijke berg en bracht hij zijn tijd door in gebed en oefening. De broeders die hem dienden, vroegen of zij iedere maand mochten komen en hem olijven, peulvruchten en olie mochten brengen, want inmiddels was hij een oud man geworden. Daar leidde hij zijn leven en doorstond hij zulke zware worstelingen — niet tegen vlees en bloed (Ef. 6, 12), zoals geschreven staat — maar tegen de vijandige demonen, zoals wij vernamen van hen die hem bezochten. Want daar hoorden zij rumoer, vele stemmen en als het ware het gekletter van wapens. ’s Nachts zagen zij de berg vol wilde dieren, en hemzelf strijdend alsof hij tegen zichtbare wezens vocht en tegen hen bad. De bezoekers bemoedigde hij, terwijl hij knielend streed en tot de Heer bad. Waarlijk, het was iets wonderlijks dat een mens, alleen in zo’n woestijn, noch de demonen vreesde die tegen hem opstonden, noch de woestheid van de viervoetige dieren en kruipende wezens, hoe talrijk zij ook waren. Maar in waarheid, zoals geschreven staat, vertrouwde hij op de Heer als de berg Sion; met een geest die onwankelbaar en ongestoord was, zodat de demonen veeleer voor hem vluchtten en de wilde dieren, zoals geschreven staat (vgl. Job 5, 23), vrede met hem hielden. De duivel nu, zoals David in de psalmen zegt, hield Antonius in het oog en knarste zijn tanden tegen hem. Maar Antonius werd door de Verlosser getroost en bleef ongedeerd te midden van diens listen en velerlei bedriegerijen. Terwijl hij in de nacht waakte, zond de duivel wilde dieren tegen hem. En bijna alle hyena’s van die woestijn kwamen uit hun holen tevoorschijn en omsingelden hem; hij stond in hun midden, terwijl elk dreigde hem te bijten. Toen Antonius zag dat dit een list van de vijand was, zei hij tot hen allen: Indien u macht tegen mij is gegeven, ben ik bereid door u verslonden te worden; maar indien gij door demonen tegen mij zijt gezonden, blijft dan niet, maar vertrekt, want ik ben een dienaar van Christus. Toen Antonius dit zei, vluchtten zij, door dat woord als door een zweep verdreven. Enkele dagen later, terwijl hij aan het werk was — want hij was zeer nauwgezet in het verrichten van arbeid — stond er iemand aan de deur en trok aan het vlechtwerk waaraan hij bezig was; want hij placht manden te vlechten, die hij gaf aan hen die tot hem kwamen, in ruil voor wat zij hem brachten. Toen hij opstond, zag hij een wezen dat tot aan de dijen op een mens geleek, maar benen en voeten had als van een ezel. Antonius maakte slechts het kruisteken en zei: Ik ben een dienaar van Christus. Indien gij tegen mij gezonden zijt, zie, hier ben ik. Maar het beest vluchtte, samen met zijn boze geesten; en door zijn haast struikelde het en stierf. En de dood van het beest betekende de val van de demonen. Want zij spanden zich op allerlei wijze in om Antonius uit de woestijn weg te lokken, maar zij vermochten het niet.

Een reis met de broeders en water in de woestijn

Eens werd hij door de monniken verzocht om na verloop van tijd af te dalen en hen en hun woonplaatsen te bezoeken. Hij ging met hen die tot hem waren gekomen op weg. Een kameel droeg voor hen de broden en het water. Want heel die woestijn is dor, en er is daar geen water dat geschikt is om te drinken, behalve op die berg waar zij het water vandaan haalden en waar de cel van Antonius was. Toen onderweg het water opraakte en de hitte zeer groot werd, verkeerden zij allen in levensgevaar. Want nadat zij de omgeving hadden afgezocht en geen water hadden gevonden, konden zij niet verder gaan; zij wierpen zich ter aarde en gaven, aan zichzelf vertwijfelend, de kameel de vrije loop. Maar de oude man, ziende dat zij allen in nood verkeerden, ging, diep bedroefd zuchtend, een weinig van hen weg, knielde neer, strekte zijn handen uit en bad. En onmiddellijk deed de Heer water opspringen op de plaats waar hij had gebeden, zodat allen dronken en weer krachten kregen. Nadat zij hun kruiken hadden gevuld, zochten zij de kameel en vonden haar; want het touw was toevallig aan een steen blijven haken en hield haar vast. Zij leidden haar, lieten haar drinken, laadden de kruiken weer op haar rug en voltooiden hun reis in veiligheid. Toen hij bij de uiterlijke cellen kwam, begroetten allen hem en beschouwden hem als een vader. En hijzelf, als iemand die van de berg levensmiddelen had meegebracht, verkwikte hen met zijn woorden en gaf hun deel aan zijn geestelijke hulp. Opnieuw was er vreugde in de bergen: ijver tot vooruitgang en vertroosting door hun onderlinge geloof. Ook Antonius verheugde zich, toen hij de toewijding van de monniken zag, en zijn zuster, die oud was geworden in de maagdelijkheid, en dat ook zij zelf leiding gaf aan andere maagden.

Hoe hij met grote menselijkheid raad gaf aan hen die tot hem kwamen

Na verloop van dagen keerde hij opnieuw terug naar de berg. En van toen af kwamen velen tot hem, terwijl ook anderen die aan ziekten leden, het waagden tot hem door te dringen. Aan alle monniken die tot hem kwamen, gaf hij daarom voortdurend deze raad: Gelooft in de Heer en hebt Hem lief; bewaart u voor onreine gedachten en vleselijke lusten, en — zoals in de Spreuken geschreven staat — laat u niet misleiden door de volheid van de buik. Bidt onophoudelijk; mijdt de ijdele eer; zingt psalmen vóór het slapen en bij het ontwaken; bewaart de geboden van de Schrift in uw hart; houdt de werken der heiligen voor ogen, opdat uw zielen, door de geboden in herinnering gebracht, in overeenstemming worden gebracht met de ijver der heiligen. In het bijzonder raadde hij hun aan voortdurend te overwegen wat de apostel zegt: Laat de zon niet ondergaan over uw toorn (Ef. 4, 26). En hij meende dat dit woord op alle geboden in het algemeen betrekking heeft, en niet alleen op de toorn: dat over geen enkele zonde van ons de zon behoort onder te gaan. Want het is goed en noodzakelijk dat noch de zon ons veroordele om een kwaad van overdag, noch de maan om een zonde van de nacht, zelfs niet om een boze gedachte. Opdat deze staat in ons bewaard blijve, is het goed de apostel te horen en zijn woorden te bewaren; want hij zegt: Onderzoekt uzelf en stelt uzelf op de proef (2 Kor. 13, 5). Laat daarom ieder dagelijks bij zichzelf rekenschap afleggen van zijn daden, zowel overdag als ’s nachts. En indien hij gezondigd heeft, laat hij ermee ophouden; maar indien niet, laat hij zich niet verheffen. Laat hij volharden in het goede, zonder nalatig te zijn, zonder zijn naaste te veroordelen en zonder zichzelf te rechtvaardigen, totdat de Heer komt, die het verborgene aan het licht brengt, zoals de zalige apostel Paulus zegt. Want dikwijls doen wij ongemerkt dingen waarvan wij ons niet bewust zijn; maar de Heer ziet alles. Daarom, het oordeel aan Hem overlatend, laten wij medegevoel hebben met elkaar. Draagt elkanders lasten (Gal. 6, 2); maar laten wij onszelf onderzoeken en ons haasten aan te vullen wat ons ontbreekt. Als bescherming tegen de zonde moet het volgende worden onderhouden: laat ieder van ons zijn daden en de bewegingen van zijn ziel optekenen en opschrijven, alsof hij ze aan elkaar zou moeten meedelen. En weest ervan overtuigd dat, wanneer wij ons ten zeerste zouden schamen indien zij bekend werden, wij ons van de zonde zullen onthouden en geen lage gedachten in ons hart zullen koesteren. Want wie wil gezien worden terwijl hij zondigt? Of wie zal niet, na het begaan van een zonde, liever verbergen wat hij gedaan heeft, uit vrees ontdekt te worden? Zoals wij dus, wanneer wij elkaar in het oog houden, geen vleselijke zonde zouden begaan, zo zullen wij, wanneer wij onze gedachten opschrijven alsof wij ze aan elkaar moesten bekendmaken, des te gemakkelijker vrij blijven van verwerpelijke gedachten, uit schaamte dat zij bekend zouden worden.

Schriftelijke rekenschap als waakzaamheid

Laat daarom het geschrevene voor ons de plaats innemen van de ogen van onze mede-asceten, opdat wij, evenzeer blozend om te schrijven als wanneer wij betrapt zouden zijn, nooit zullen denken aan wat onbehoorlijk is. Door ons zo te vormen, zullen wij in staat zijn het lichaam aan de ziel te onderwerpen, de Heer te behagen en de listen van de vijand te vertrappen. Dit was de raad die hij gaf aan hen die tot hem kwamen. En met hen die leden, leefde hij mee en bad hij. En dikwijls verhoorde de Heer hem ten gunste van velen; toch beroemde hij zich niet wanneer hij verhoord werd, noch morde hij wanneer dit niet gebeurde. Maar altijd dankte hij de Heer en vermaande hij de lijdenden geduldig te zijn en te erkennen dat genezing noch aan hem noch aan enig mens toebehoort, maar alleen aan de Heer, die goed doet wanneer en aan wie Hij wil. Daarom ontvingen de lijdenden de woorden van de oude man alsof zij een genezing waren: zij leerden niet moedeloos te zijn, maar veeleer lankmoedig. En zij die genezen werden, leerden niet Antonius te danken, maar God alleen.

Fronto — genezen door geloof en gebed

Daarom kwam een man, Fronto geheten, een hoveling, die aan een verschrikkelijke kwaal leed — want hij beet voortdurend op zijn eigen tong en verkeerde zelfs in gevaar zijn ogen te beschadigen — naar de berg en verzocht Antonius voor hem te bidden. Maar Antonius zei tot hem: Ga heen, en gij zult genezen worden. Toen hij echter aandrong en enige dagen bleef, wachtte Antonius af en zei: Indien gij hier blijft, kunt gij niet genezen worden. Ga heen; wanneer gij in Egypte zijt aangekomen, zult gij het teken zien dat aan u wordt verricht. Hij geloofde en vertrok. En zodra hij Egypte weer zag, hield zijn lijden op, en de man werd geheel gezond, overeenkomstig het woord van Antonius, dat de Verlosser hem in het gebed had geopenbaard.

Een maagd uit Busiris — en Pafnutius de belijder

Er was ook een jonge maagd uit Busiris in Tripolitana, die leed aan een verschrikkelijke en uiterst afschuwelijke aandoening. Want de uitvloeiingen uit haar ogen, neus en oren vielen op de grond en werden onmiddellijk tot wormen. Zij was bovendien verlamd en scheelziend. Haar ouders, die hadden gehoord dat monniken tot Antonius gingen, en die geloofden in de Heer die de vrouw met de bloedvloeiing had genezen (vgl. Mt. 9, 20), verzochten dat ook zij met hun dochter met hen mochten meereizen. En toen dit hun werd toegestaan, bleven de ouders met het meisje buiten de berg, bij Pafnutius, de belijder en monnik; de monniken zelf gingen Antonius binnen. Toen zij hem slechts wilden berichten over het meisje, kwam hij hun reeds vóór en beschreef zowel het lijden van het kind als de wijze waarop zij met hen was meegereisd. En toen zij vroegen dat zij tot hem zou worden toegelaten, stond Antonius dit niet toe, maar zei: Ga heen; en indien zij niet gestorven is, zult gij haar genezen aantreffen. Want de volbrenging hiervan is niet van mij — opdat zij tot mij zou komen, ellendig mens die ik ben — maar haar genezing is het werk van de Verlosser, die overal Zijn ontferming betoont aan hen die Hem aanroepen. Daarom heeft de Heer zich tot haar gewend toen zij bad, en heeft Zijn goedertierenheid mij geopenbaard dat Hij het kind zal genezen op de plaats waar zij zich nu bevindt. Zo geschiedde het wonder; en toen zij naar buiten gingen, vonden zij de ouders in vreugde en het meisje geheel genezen.

De dood van Ammon — en Antonius’ visioen

En dit is inderdaad zo. Want eens, terwijl hij opnieuw op de berg zat en omhoog keek, zag hij in de lucht iemand omhoog gedragen worden, en er was grote vreugde onder hen die hem tegemoetkwamen. Verwonderd hierover, en menend dat zulk een gezelschap zalig was, bad hij om te mogen weten wat dit betekende. En onmiddellijk kwam er een stem tot hem: Dit is de ziel van Ammon, de monnik uit Nitria. Ammon had tot op hoge leeftijd volhard in de oefening; en de afstand van Nitria tot de berg waar Antonius verbleef, bedroeg dertien dagreizen. De metgezellen van Antonius, ziende dat de oude man verbaasd was, vroegen naar de reden, en vernamen dat Ammon juist gestorven was. Hij was zeer bekend, want hij had daar vaak verbleven en vele tekenen waren door hem verricht. Dit is er één van. Eens, toen hij de rivier moest oversteken die Lycus heet — het was de tijd van de overstroming — vroeg hij zijn metgezel Theodorus op afstand te blijven, opdat zij elkaar niet naakt zouden zien terwijl zij door het water zwommen. Nadat Theodorus was weggegaan, schaamde Ammon zich zelfs om zichzelf naakt te zien. Terwijl hij hierover nadacht, geheel vervuld van schaamte, werd hij plotseling naar de overzijde gedragen. Theodorus, zelf een goed man, kwam naderbij en zag dat Ammon reeds aan de overkant was, zonder dat er een druppel water op hem was gevallen. Hij vroeg hoe hij was overgestoken. Toen hij merkte dat Ammon het niet wilde vertellen, greep hij hem bij de voeten en verklaarde dat hij hem niet zou laten gaan voordat hij het van hem had vernomen. Ammon, ziende hoe vastberaden Theodorus was, en nadat hij hem had laten beloven dit aan niemand te vertellen vóór zijn dood, vertelde hem dat hij was gedragen en aan de overzijde was neergezet; dat hij zelfs geen voet in het water had gezet, en dat dit ook niet mogelijk was.

Wonderlijke verhalen over het uitdrijven van demonen

Later, bij een andere gelegenheid, toen hij was afgedaald naar de uiterlijke cellen, werd hij verzocht samen met de monniken in een schip te stappen en te bidden. Hij alleen bemerkte een uiterst onaangename stank. De opvarenden zeiden echter dat de stank afkomstig was van de vis en het gezouten vlees aan boord. Maar hij antwoordde dat de geur van een andere aard was; en terwijl hij nog sprak, begon een jongeman met een boze geest — die was meegekomen en zich in het schip had verborgen — te schreeuwen. Toen de demon in de Naam van de Heer Jezus Christus werd bestraft, verliet hij hem, en de man werd genezen. En allen begrepen dat de kwade geur van de demon afkomstig was. Ook kwam eens een man van aanzien tot hem, die door een demon bezeten was; en de demon was zo gruwelijk, dat de bezetene zelf niet wist dat hij naar Antonius toe ging. Hij at zelfs de uitwerpselen van zijn eigen lichaam. Zij die hem brachten, smeekten Antonius voor hem te bidden. Antonius, met medelijden bewogen, bad voor de jongeman en waakte de hele nacht bij hem. Tegen het aanbreken van de dag viel de jongeman plotseling Antonius aan en stootte hem omver. Toen degenen die met hem waren boos werden, zei Antonius: Weest niet boos op de jongeman; want niet hij is het, maar de demon die in hem is. Nu hij is bestraft en bevolen is naar dorre plaatsen te gaan, is hij razend geworden en heeft dit gedaan. Dankt daarom de Heer; want dat hij mij zo aanviel, is een teken dat de boze geest is geweken. Toen Antonius dit had gezegd, werd de jongeman terstond genezen; hij kwam weer tot zichzelf, begreep waar hij was, begroette de oude man en dankte God.

Antonius’ visioen over rekenschap en vergeving

Vele monniken hebben met de grootste eensgezindheid en overeenstemming verteld dat door hem nog vele andere dergelijke dingen zijn geschied. Toch lijken deze niet zo wonderlijk als sommige andere voorvallen. Want eens, toen hij wilde gaan eten en omstreeks het negende uur opstond om te bidden, bemerkte hij dat hij in de geest werd opgenomen; en — wonderlijk om te zeggen — hij stond en zag zichzelf als het ware van buitenaf, en dat hij door sommigen door de lucht werd geleid. Vervolgens stonden er in de lucht bepaalde bittere en verschrikkelijke wezens, die hem wilden beletten door te gaan. Toen zijn geleiders zich tegen hen verzetten, eisten zij te weten of hij hun geen rekenschap schuldig was. En toen zij een rekenschap wilden opmaken vanaf zijn geboorte, hielden de geleiders van Antonius hen tegen en zeiden: De Heer heeft de zonden vanaf zijn geboorte uitgewist; maar vanaf de tijd dat hij monnik werd en zich aan God wijdde, is het u toegestaan rekenschap te vragen. Toen zij hem beschuldigden maar niets tegen hem konden bewijzen, werd zijn weg vrij en onbelemmerd. En onmiddellijk zag hij zichzelf als het ware terugkeren en weer bij zichzelf staan, en opnieuw was hij Antonius zoals tevoren. Hij vergat toen het eten en bleef de rest van de dag en de hele nacht zuchtend en biddend. Want hij was diep getroffen toen hij zag tegen welke machtige tegenstanders onze worsteling is, en door welke moeiten wij door de lucht heen moeten gaan. En hij herinnerde zich het woord van de apostel: volgens de vorst van de macht der lucht (Ef. 2, 2). Want daarin heeft de vijand macht om te strijden en te trachten hen te hinderen die daar doorheen gaan. Daarom vermaande hij met des te grotere aandrang: Doet de volledige wapenrusting van God aan, opdat gij weerstand kunt bieden op de boze dag (Ef. 6, 13), opdat de vijand, nadat hij alles heeft verricht, niets kwaads tegen ons te zeggen zou hebben en beschaamd zou staan (Tit. 2, 8). En wij, die dit hebben geleerd, laten wij indachtig zijn wat de apostel zegt: Of het in het lichaam was weet ik niet, of buiten het lichaam weet ik niet; God weet het (2 Kor. 12, 2). Paulus werd immers opgenomen tot in de derde hemel en hoorde onuitsprekelijke woorden en keerde daarna terug; Antonius echter zag dat hij tot in de lucht was gekomen en daar worstelde totdat hij vrij werd.

De doorgang van de zielen

Ook deze genade was hem geschonken. Want wanneer hij, terwijl hij alleen op de berg zat, in zijn overwegingen ooit in onzekerheid verkeerde, werd dit hem door de Voorzienigheid in het gebed geopenbaard. En de zalige man werd, zoals geschreven staat, door God zelf onderricht. Daarna, toen hij eens met enkele mannen die tot hem waren gekomen sprak over de toestand van de ziel en over de aard van haar verblijf na dit leven, werd hij de volgende nacht van boven geroepen met de woorden: Antonius, sta op, ga naar buiten en kijk. Hij ging naar buiten — want hij wist wie hij moest gehoorzamen — en toen hij omhoog keek, zag hij iemand staan die tot aan de wolken reikte, groot, afzichtelijk en angstaanjagend; en anderen die als gevleugeld omhoog stegen. Deze gestalte strekte zijn handen uit, en sommigen van hen die opstegen werden door hem tegengehouden, terwijl anderen boven hem uit vlogen en, aan hem ontkomen, zorgeloos naar de hemel werden gedragen. Over dezen knarsetandde de reus; maar over hen die terugvielen verheugde hij zich. En onmiddellijk klonk er een stem tot Antonius: Begrijpt gij wat gij ziet? En zijn verstand werd geopend, en hij begreep dat het de doorgang van de zielen was, en dat de hoge gestalte die daar stond de vijand was die de gelovigen benijdt. En zij die hij greep en verhinderde door te gaan, stonden aan hem schuldig; maar zij die hij niet kon tegenhouden terwijl zij opstegen, waren hem niet dienstbaar geweest. Toen hij dit had gezien en als het ware was herinnerd, spande hij zich voortaan des te meer dagelijks in om te vorderen naar hetgeen vóór hem lag. Deze visioenen wilde hij niet meedelen; maar daar hij veel tijd in gebed doorbracht en vol verwondering was, en zij die bij hem waren hem met vragen bestormden en aandrongen, werd hij ertoe gedwongen te spreken, als een vader die niets kan onthouden voor zijn kinderen. En hij meende dat, daar zijn geweten zuiver was, dit verslag hun tot nut zou zijn, opdat zij zouden leren dat de oefening goede vruchten voortbrengt en dat visioenen vaak de vertroosting zijn van hun inspanningen.

Hoe hij alle gewijde personen eerbiedigde

Bovendien was hij verdraagzaam van aard en nederig van geest. Want hoewel hij zulk een man was, hield hij zich zeer strikt aan de regel van de Kerk en wilde hij dat alle geestelijken boven hemzelf werden geëerd. Hij schaamde zich er niet voor zijn hoofd te buigen voor bisschoppen en priesters; en wanneer een diaken tot hem kwam om raad, sprak hij met hem over wat nuttig was, maar gaf hij hem voorrang in het gebed, zonder zich te schamen zelf te leren. Want dikwijls stelde hij vragen en verlangde hij te luisteren naar hen die aanwezig waren; en wanneer iemand iets zei dat nuttig was, beleed hij openlijk dat hij erdoor was gebaat. Daarbij bezat zijn gelaat een grote en wonderlijke bekoorlijkheid. Ook deze gave had hij van de Verlosser ontvangen. Want wanneer hij in een grote kring van monniken aanwezig was en iemand die hem tevoren niet kende, hem wenste te zien, dan gebeurde het dat die persoon, de anderen voorbijgaand, zich rechtstreeks tot Antonius haastte, als door zijn verschijning aangetrokken. Toch was hij noch in lengte noch in breedte opvallender dan de anderen, maar wel door de rust van zijn houding en de zuiverheid van zijn ziel. Want zoals zijn ziel vrij was van onrust, zo was ook zijn uiterlijk kalm; en uit de vreugde van zijn ziel bezat hij een opgewekt gelaat, zodat uit zijn lichaamsbewegingen de gesteldheid van zijn innerlijk kon worden afgelezen, zoals geschreven staat: Een blij hart maakt het gelaat opgewekt, maar bij droefheid van hart wordt het gelaat bedrukt (Spr. 15, 13). Zo herkende Jakob wat er in het hart van Laban omging en zei hij tot zijn vrouwen: Het gelaat van uw vader is niet meer als gisteren en eergisteren. Zo herkende Samuel David, want hij had vrolijke ogen en tanden wit als melk. Zo werd ook Antonius herkend: hij was nooit verstoord, want zijn ziel was in vrede; hij was nooit neerslachtig, want zijn geest was vol vreugde.

Griekse filosofen op de uiterlijke berg

Antonius was ook buitengewoon verstandig; en het was verwonderlijk dat hij, hoewel hij geen letteronderwijs had genoten, toch snel van begrip en scherpzinnig was. Zo kwamen eens twee Griekse filosofen, in de mening dat zij hun kunde op Antonius konden beproeven. Hij was op de uiterlijke berg; en toen hij hen aan hun voorkomen herkende, ging hij hun tegemoet en zei hun via een tolk: Waarom, filosofen, hebt gij u zoveel moeite gegeven om tot een dwaas te komen? Toen zij antwoordden dat hij geen dwaas was, maar zeer verstandig, zei hij hun: Indien gij tot een dwaas zijt gekomen, is uw moeite vergeefs; maar indien gij mij verstandig acht, wordt dan zoals ik, want het goede behoort men na te volgen. En als ik tot u was gekomen, zou ik u hebben nagevolgd; maar nu gij tot mij zijt gekomen, wordt zoals ik, want ik ben een christen. Zij vertrokken vol verwondering, want zij zagen dat zelfs de demonen Antonius vreesden. Op een andere keer ontmoetten hem ook weer mensen van dit slag op de uiterlijke berg en wilden hem bespotten omdat hij geen letteren had geleerd. Antonius zei tot hen: Wat zegt gij? Wat is eerst: het verstand of de letters? En wat is de oorzaak waarvan: het verstand van de letters, of de letters van het verstand? Toen zij antwoordden dat het verstand het eerst is en de uitvinder van de letters, zei Antonius: Wie dus een gezond verstand heeft, heeft geen letters nodig. Dit antwoord bracht zowel de omstanders als de filosofen in verbazing; en zij vertrokken verwonderd dat zij zoveel inzicht hadden aangetroffen bij een man zonder geleerdheid. Want zijn manieren waren niet ruw, alsof hij op de berg was opgegroeid en daar oud geworden, maar beminnelijk en welvoeglijk, en zijn spreken was gekruid met gepaste maat en wijsheid, als met goddelijk zout, zodat niemand afgunstig was, maar allen zich veeleer verheugden over hem die hij bezocht.

Een antwoord op spot met het Kruis

Daarna kwamen opnieuw anderen; dit waren mannen die onder de Grieken voor wijs werden gehouden, en zij vroegen hem rekenschap van ons geloof in Christus. Toen zij echter een twistgesprek wilden beginnen over de prediking van het goddelijk Kruis en van plan waren te spotten, hield Antonius even stil en, eerst medelijden hebbend met hun onwetendheid, zei hij — door middel van een tolk die zijn woorden vaardig kon overbrengen: Wat is edeler: het Kruis te belijden, of aan hen die gij goden noemt overspel toe te schrijven en de verleiding van knapen? Wat wij kiezen is een teken van moed en een vast bewijs van verachting van de dood; wat gij voorhoudt zijn de hartstochten van losbandigheid. En verder: wat is beter, te zeggen dat het Woord Gods niet is veranderd, maar, terwijl Het hetzelfde bleef, een menselijk lichaam heeft aangenomen tot heil en redding van de mens, opdat Het door deel te nemen aan de menselijke geboorte de mens zou doen delen in de goddelijke en geestelijke natuur; of het goddelijke te vergelijken met redeloze dieren en vervolgens viervoetige beesten, kruipende dieren en mensengedaanten te vereren? Want dát zijn de voorwerpen van eerbied bij u, wijzen. Hoe durft gij ons bespotten, die zeggen dat Christus als mens is verschenen, terwijl gij — die de ziel uit de hemel laat komen — beweert dat zij is afgedwaald en uit het hemelgewelf is gevallen in een lichaam? En was het nog maar zo dat gij had gezegd dat zij alleen in een menselijk lichaam was gevallen, en niet had beweerd dat zij overgaat en verandert in viervoetige dieren en kruipend gedierte. Want ons geloof verkondigt dat de komst van Christus was tot heil van de mensen. Maar gij dwaalt, omdat gij over de ziel spreekt alsof zij niet geschapen is. Wij daarentegen, die de macht en de goedertierenheid van de goddelijke Voorzienigheid overwegen, achten de komst van Christus in het vlees niet onmogelijk voor God. Maar gij, hoewel gij de ziel de gelijkenis van het Nous noemt, verbindt haar met vallen en verzint in uw mythen dat zij veranderlijk is, en voert zo de gedachte in dat zelfs het Nous veranderlijk zou zijn omwille van de ziel. Want wat de aard is van een gelijkenis, zó is noodzakelijkerwijs ook de aard van datgene waarvan zij een gelijkenis is. En telkens wanneer gij zulk een gedachte over het Nous koestert, bedenk dan dat gij zelfs de Vader van het Nous lastert. Wat nu het Kruis betreft: wat zoudt gij beter noemen — het te dragen wanneer boze mensen een samenzwering smeden, en geen vrees te hebben voor de dood, hoe die ook komt; of te bazelen over de omzwervingen van Osiris en Isis, over de listen van Typhon, de vlucht van Kronos, het verslinden van zijn kinderen en de moord op zijn vader? Dát is uw wijsheid. Maar hoe komt het dat gij, terwijl gij het Kruis bespot, u niet verwondert over de verrijzenis? Want dezelfde mannen die ons over het laatste hebben bericht, hebben ook over het eerste geschreven. Of waarom zwijgt gij, wanneer gij het Kruis noemt, over de doden die werden opgewekt, de blinden die het gezicht terugkregen, de verlamden die genezen werden, de melaatsen die gereinigd werden, het wandelen over de zee en al de andere tekenen en wonderen, die tonen dat Christus niet meer slechts mens is, maar God? Het schijnt mij toe dat gij uzelf groot onrecht aandoet en onze Schriften niet zorgvuldig hebt gelezen. Lees ze, en zie dat de werken van Christus bewijzen dat Hij God is, die op aarde is gekomen tot heil van de mensen. Maar vertelt gij ons dan uw godsdienstige overtuigingen. Wat kunt gij van redeloze schepselen zeggen anders dan redeloosheid en woestheid? En als gij, zoals ik hoor, wilt zeggen dat deze dingen bij u als zinnebeelden worden voorgesteld, en gij de schaking van de maagd Persephone uitlegt als de aarde, de mankheid van Hefaïstos als het vuur, Hera als de lucht, Apollo als de zon, Artemis als de maan en Poseidon als de zee — dan nog vereert gij niet God Zelf, maar dient gij het schepsel in plaats van de Schepper van alle dingen. Want al ware het zo dat gij zulke verhalen hebt verzonnen omdat de schepping schoon is, dan had het u betaamd bij bewondering te blijven staan en geen goden te maken van wat geschapen is, opdat gij de eer van de Schepper niet zou geven aan het schepsel. Want als gij dat doet, is het tijd dat gij de eer van de bouwmeester overdraagt op het huis dat hij heeft gebouwd, en die van de veldheer op de soldaat. Wat kunt gij dan op deze dingen antwoorden, opdat wij weten of het Kruis iets heeft dat spot verdient?

Geloof en innerlijke werking tegenover betogende redenering

Toen zij echter geen antwoord wisten en zich heen en weer wendden, glimlachte Antonius en zei — opnieuw door middel van een tolk: Reeds het zien zelf draagt het bewijs van deze dingen in zich. Maar aangezien gij verkiest te steunen op betogende redeneringen, en gij, die deze kunst bezit, ook van ons verlangt dat wij God niet vereren voordat zulk een bewijs is geleverd, zeg gij dan eerst: hoe wordt in het algemeen, en in het bijzonder de kennis van God, betrouwbaar verkregen? Door betogende redenering, of door de werking van het geloof? En wat is sterker: het geloof dat voortkomt uit de innerlijke werking, of het bewijs door redeneringen? Toen zij antwoordden dat het geloof dat voortkomt uit de innerlijke werking sterker was en ware kennis gaf, zei Antonius: Gij hebt goed geantwoord. Want het geloof ontspringt uit de gezindheid van de ziel, maar de dialectiek uit de vaardigheid van haar uitvinders. Daarom is voor hen die de innerlijke werking door het geloof bezitten, betogende redenering overbodig, ja zelfs nutteloos. Want wat wij door het geloof kennen, dat tracht gij door woorden te bewijzen, en dikwijls zijt gij zelfs niet in staat onder woorden te brengen wat wij verstaan. Daarom is de innerlijke werking door het geloof beter en krachtiger dan uw vakmatige redeneringen. Wij christenen bewaren het mysterie dan ook niet in de wijsheid van Griekse betogen, maar in de kracht van het geloof dat ons rijkelijk door God is geschonken door Jezus Christus. En opdat gij ziet dat dit waar is: zie, zonder ooit letters te hebben geleerd, geloven wij in God en kennen wij door Zijn werken Zijn voorzienigheid over alle dingen. En om te tonen dat ons geloof werkzaam is: wij worden nu gedragen door het geloof in Christus, maar gij door vakmatige woordenstrijd. De wondertekenen van uw afgoden verdwijnen, maar ons geloof breidt zich overal uit. Gij hebt door uw redeneringen en spitsvondigheden niemand van het christendom tot het heidendom bekeerd; wij daarentegen, door het geloof in Christus te verkondigen, leggen uw bijgeloof bloot, daar allen erkennen dat Christus God is en de Zoon van God. Gij kunt door uw welsprekendheid de leer van Christus niet tegenhouden; maar wij, door slechts de gekruisigde Christus te noemen, verjagen alle demonen, die gij vreest alsof zij goden waren. Waar het teken van het Kruis is, daar verliest de magie haar kracht en is de toverij machteloos. Zegt ons dan: waar zijn nu uw orakels? Waar de bezweringen van de Egyptenaren? Waar de misleidingen der magiërs? Wanneer zijn al deze dingen opgehouden en krachteloos geworden, zo niet toen het Kruis van Christus verscheen? Is Het dan iets om te bespotten, en niet veeleer datgene wat erdoor teniet is gedaan en in zijn zwakheid is ontmaskerd? Want dit is werkelijk wonderbaarlijk: uw godsdienst is nooit vervolgd, maar werd zelfs door de mensen in elke stad geëerd; de volgelingen van Christus daarentegen worden vervolgd, en toch bloeit en groeit ons deel boven het uwe uit. Het uwe, al wordt het geprezen en geëerd, vergaat; maar het geloof en de leer van Christus, al bespot gij haar en wordt zij dikwijls door koningen vervolgd, heeft de hele wereld vervuld. Want wanneer heeft de kennis van God zo geschenen? Of wanneer zijn zelfbeheersing en de luister van de maagdelijkheid zo verschenen als nu? Of wanneer is de dood zo veracht, behalve sinds het Kruis van Christus is verschenen? En daaraan twijfelt niemand, wanneer hij de martelaar ziet die voor Christus de dood veracht, en wanneer hij ziet dat omwille van Christus de maagden van de Kerk zichzelf zuiver en ongeschonden bewaren.

De filosofen overtuigd door genezing van door demonen gekwelden

Antonius vervolgde zijn woorden en sprak: Deze tekenen zijn reeds voldoende om te tonen dat het geloof in Christus alléén de ware godsdienst is. Maar ziet, gij gelooft nog niet en zoekt naar redetwisten. Wij echter bewijzen niet door woorden, niet in overtuigende woorden van Griekse wijsheid (1 Kor. 2, 4), zoals onze leermeester zegt, maar wij overtuigen door het geloof, dat zichtbaar voorafgaat aan alle bewijsvoering. Ziet hier: er zijn onder ons mensen die door demonen gekweld worden. Er waren namelijk enkelen aanwezig die hevig door boze geesten geplaagd werden. Antonius liet hen in het midden brengen en zei: Reinigt gij hen dan, hetzij door redetwisten, hetzij door welke kunst of toverij gij maar wilt, en roept daarbij uw afgoden aan. Of, indien gij daartoe niet in staat zijt, laat dan uw strijd tegen ons varen, en gij zult de kracht van het Kruis van Christus aanschouwen. En nadat hij dit gezegd had, riep hij de Naam van Christus aan en tekende de lijdenden tweemaal of driemaal met het teken van het kruis. Terstond stonden zij gezond op, bij hun volle verstand, en zij dankten openlijk de Heer. De filosofen — zoals men hen noemde — stonden verbaasd en diep getroffen, zowel door het inzicht van de man als door het teken dat geschied was. Maar Antonius sprak tot hen: Waarom verwondert gij u hierover? Wij zijn het niet die dit doen, maar Christus, die door hen werkt die in Hem geloven. Gelooft daarom ook gij, en gij zult zien dat er bij ons geen woordenspel is, maar geloof dat door de liefde werkzaam is in Christus. Indien ook gij dit zoudt verkrijgen, zoudt gij geen redetwisten meer zoeken, maar het geloof in Christus voldoende achten. Dit waren de woorden van Antonius. En zij, nog meer verwonderd, begroetten hem eerbiedig en vertrokken, belijdend dat zij door hem weldaad hadden ontvangen.

Keizerlijke brieven — en Antonius’ antwoord

De faam van Antonius drong zelfs door tot de koningen. Want keizer Constantijn Augustus en zijn zonen Constantius en Constans, eveneens Augusti, schreven hem brieven als aan een vader, en verzochten om een antwoord. Maar Antonius hechtte weinig waarde aan de brieven en verheugde zich niet over de boodschappen, doch bleef geheel dezelfde als vóórdat de keizers hem schreven. Toen men hem de brieven bracht, riep hij de monniken bijeen en zei: Verwondert u niet dat een keizer ons schrijft, want ook hij is een mens; maar verwondert u erover dat God de wet aan de mensen heeft gegeven en tot ons gesproken heeft door Zijn eigen Zoon (vgl. Heb. 1, 2). En hij wilde de brieven aanvankelijk niet aannemen, zeggende dat hij niet wist hoe men zulke zaken moest beantwoorden. Maar toen de monniken hem aandrongen — omdat de keizers christenen waren en opdat zij zich niet miskend zouden voelen — stemde hij erin toe dat de brieven gelezen werden. Hij schreef hun daarop een antwoord, waarin hij hen prees omdat zij Christus vereerden, en hen vermaande in wat tot hun heil strekte: dat zij niet te zeer gehecht moesten zijn aan het tegenwoordige, maar de komende rechterstoel moesten gedenken; dat zij moesten weten dat Christus alléén de ware en eeuwige Koning is; en hij verzocht hen barmhartig te zijn, recht te doen en zorg te dragen voor de armen. Toen zij dit antwoord ontvingen, verheugden zij zich zeer. Zo was Antonius allen dierbaar, en ieder verlangde hem als een vader te beschouwen.

Een visioen over de Arianen en de ontwijding van het altaar

Daar Antonius als zo groot een man bekend was en aldus antwoord had gegeven aan hen die hem bezochten, keerde hij terug naar de innerlijke berg en volhardde hij in zijn gewone tucht. En dikwijls, wanneer mensen tot hem kwamen, gebeurde het — terwijl hij zat of wandelde — dat hij, zoals geschreven staat bij Daniël, plotseling verstomde; en na enige tijd nam hij de draad weer op van hetgeen hij tevoren tot de broeders had gesproken die bij hem waren. Zijn gezellen merkten dan dat hij een visioen zag. Want menigmaal aanschouwde hij op de berg wat er in Egypte voorviel, en hij deelde dit mee aan bisschop Serapion, die binnen bij hem was en zag dat Antonius geheel in een visioen verzonken was. Eens, terwijl hij zat te werken, geraakte hij als in een vervoering en zuchtte hij diep om hetgeen hij zag. Na verloop van tijd keerde hij zich met zuchten en beven tot de omstanders, bad, en bleef lange tijd op zijn knieën liggen. Toen hij was opgestaan, weende de grijsaard. Zijn gezellen, bevend en ontsteld, verlangden te vernemen wat dit te betekenen had, en zij drongen zozeer aan dat hij zich genoodzaakt zag te spreken. Met vele zuchten sprak hij aldus: O mijn kinderen, het ware beter te sterven vóórdat hetgeen in dit visioen verschenen is, werkelijkheid wordt. Toen zij opnieuw vroegen, barstte hij in tranen uit en zei: Toorn staat de Kerk te treffen, en zij is op het punt overgeleverd te worden aan mensen die gelijk zijn aan redeloze beesten. Want ik zag de tafel van het Huis des Heren, en rondom haar stonden muildieren in een kring, die alles wat daarop lag met hun hoeven vertrapten, zoals een kudde woest schopt wanneer zij in verwarring opspringt. En gij hebt gezien hoe ik zuchtte, want ik hoorde een stem zeggen: Mijn altaar zal ontwijd worden. Dit zag de oude man. En na twee jaren geschiedde de huidige inval der Arianen en de plundering der kerken: hoe zij met geweld de heilige vaten wegvoerden, de heidenen dwongen deze te dragen, en hoe zij hen uit de gevangenissen haalden om hen tot hun samenkomsten te dringen, en zelfs in hun tegenwoordigheid aan de Tafel deden wat hun goeddacht. Toen begrepen wij allen dat deze schoppende muildieren, die Antonius had gezien, beduidden wat de Arianen — redeloos als beesten — nu doen. Maar toen hij dit visioen had aanschouwd, troostte hij de aanwezigen en zei: Weest niet moedeloos, mijn kinderen. Want zoals de Heer toornig is geweest, zo zal Hij ons ook weer genezen. De Kerk zal spoedig opnieuw haar eigen orde ontvangen en weer stralen zoals zij placht te doen. Gij zult zien dat wie vervolgd werden, hersteld worden, dat de goddeloosheid zich opnieuw in haar schuilhoek terugtrekt, en dat het vrome geloof overal vrijmoedig en zonder vrees zal spreken. Verontreinigt u slechts niet met de Arianen; want hun leer is niet die van de Apostelen, maar die van de demonen en van hun vader, de duivel. Ja, zij is dor en redeloos en zonder het licht van waar inzicht, gelijk de stompzinnigheid van die muildieren.

Genezingen door gebed en de Naam van Christus

Dit zijn de woorden van Antonius, en wij mogen er niet aan twijfelen dat zulke wonderen zijn verricht — niet door de hand van een mens, maar door de macht van God. Want het is de belofte van de Heiland, wanneer Hij zegt: Indien gij geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen; en niets zal u onmogelijk zijn (Mt. 17, 20). En wederom: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: al wat gij de Vader zult vragen in Mijn Naam, Hij zal het u geven. Vraagt en gij zult ontvangen (Joh. 16, 23). En Hijzelf zegt tot Zijn leerlingen en tot allen die in Hem geloven: Geneest de zieken, drijft de demonen uit; om niet hebt gij ontvangen, om niet moet gij geven (Mt. 10, 8). Antonius dan genas niet door bevelen te geven, maar door gebed en door het uitspreken van de Naam van Christus. Zo werd voor allen duidelijk dat niet hijzelf het werk verrichtte, maar de Heer, die door Zijn dienstknecht barmhartigheid betoonde en de lijdenden genas. Antonius’ aandeel bestond slechts in gebed en ascese. Daarom verbleef hij op de berg, zich verheugend in de beschouwing van goddelijke dingen, maar bedroefd wanneer hij door de menigte werd verontrust en naar de uiterlijke berg werd getrokken.

Rechters op de berg — en Antonius’ woorden over gerechtigheid

Want alle rechters verzochten hem telkens weer af te dalen, daar het hun onmogelijk was tot hem door te dringen vanwege de menigte van procespartijen die hen vergezelden. Toch bleven zij hem verzoeken te komen, al was het slechts om hem te zien. Wanneer hij dit ontweek en weigerde tot hen af te dalen, hielden zij aan en zonden hem des te vaker gevangenen onder geleide van soldaten, opdat hij om hunnentwil zou komen. Door de nood gedwongen, en ziende hoe dezen klaagden, daalde hij af naar de uiterlijke berg. Ook ditmaal was zijn arbeid niet vruchteloos. Zijn komst was voor velen heilzaam en weldadig. Ook voor de rechters was hij tot nut, doordat hij hen vermaande de gerechtigheid boven alles te stellen, God te vrezen, en te bedenken: dat met het oordeel waarmee gij oordeelt, gij geoordeeld zult worden (Mt. 7, 2). Maar boven alles beminde hij zijn verblijf op de berg.

De hertog en de vergelijking met vissen

Eens, opnieuw door de nood van anderen gedwongen en na herhaald aandringen van de bevelhebber der soldaten, daalde Antonius af. Toen hij gekomen was, sprak hij kort tot hen over wat tot het heil strekt en over degenen die hem hadden laten roepen, en hij maakte aanstalten om weer te vertrekken. Maar de hertog — zoals men hem noemde — verzocht hem te blijven. Antonius antwoordde dat hij niet onder hen kon verwijlen en overtuigde hem met een eenvoudige vergelijking: Vissen sterven, wanneer zij lang op het droge blijven. Zo verliezen ook monniken hun kracht, wanneer zij onder u vertoeven en hun tijd bij u doorbrengen. Daarom moeten vissen zich haasten naar de zee, en wij naar de berg; opdat wij niet, door uitstel, vergeten wat ons innerlijk is toevertrouwd. De bevelhebber, dit en nog veel meer van hem horend, stond verbaasd en zei: Waarlijk, deze man is een dienaar van God. Want als hij niet door God bemind werd, vanwaar zou een ongeletterd man zulk groot inzicht bezitten?

Balacius — waarschuwing en oordeel

Er was ook een zekere veldheer, Balacius genaamd, die de christenen bitter vervolgde uit ijver voor de Arianen — een naam van slechte voortekenen. Zijn wreedheid ging zo ver dat hij maagden liet slaan en monniken ontkleden en geselen. Antonius schreef hem toen een brief en zond die aan hem, waarin hij zei: Ik zie toorn over u komen; houdt daarom op de christenen te vervolgen, opdat de toorn u niet aangrijpe, want zie, hij staat reeds voor de deur. Maar Balacius lachte, wierp de brief op de grond, bespuwde hem en beschimpte de boodschappers, terwijl hij hun opdroeg Antonius dit te zeggen: Aangezien gij u om de monniken bekommert, zal ik spoedig ook u zelf komen halen. Nog geen vijf dagen waren voorbij, of de toorn trof hem. Want Balacius en Nestorius, de prefect van Egypte, vertrokken samen te paard naar de eerste halteplaats buiten Alexandrië, die Chæreu genoemd wordt. Beiden reden op paarden die Balacius toebehoorden en die bekendstonden als de rustigste uit zijn stal. Zij waren echter nog niet ver op weg, toen de paarden onderling begonnen te spelen, zoals dat wel gebeurt; en plotseling wierp het rustigste paard — dat waarop Nestorius zat — met een beet Balacius van zijn paard, viel hem aan en verscheurde met zijn tanden zijn dij zo zwaar, dat men hem onmiddellijk terug naar de stad moest dragen. En na drie dagen stierf hij. Allen stonden verbaasd, omdat hetgeen Antonius had voorzegd zo spoedig in vervulling was gegaan.

Antonius’ zegen voor geheel Egypte

Zo vermaande hij de wreedaards. Maar hen die tot hem kwamen, onderrichtte hij zó, dat zij terstond hun rechtsgedingen vergaten en hen gelukzalig prezen die zich uit de wereld hadden teruggetrokken. Hij nam het op voor wie onrecht werd aangedaan op zulk een wijze, dat men zou menen dat hijzelf, en niet de ander, het slachtoffer was. Daarbij was hij voor allen van zulk nut, dat vele soldaten en mannen met grote bezittingen de lasten van het wereldse leven aflegden en voor de rest van hun dagen monnik werden. Het was alsof God Egypte een geneesheer had geschonken. Want wie kwam bedroefd tot Antonius en keerde niet verheugd terug? Wie kwam rouwend om zijn doden en legde niet terstond zijn droefheid af? Wie kwam in toorn en werd niet tot vriendschap bekeerd? Welke arme en neerslachtige man ontmoette hem en verachtte, na hem gehoord en gezien te hebben, niet de rijkdom, en vond geen troost in zijn armoede? Welke monnik, die verslapt was, kwam tot hem en werd niet opnieuw versterkt? Welke jongeman, die de berg beklom en Antonius zag, verzette zich niet terstond tegen het genot en leerde de matigheid lief te hebben? Wie, door een demon verzocht, kwam tot hem en vond geen rust? En wie kwam met innerlijke twijfel en ontving geen vrede van geest?

Onderschijding der geesten — Antonius als raadsman voor allen

Dit was namelijk het wonderlijke in de levenswijze van Antonius: dat hij, zoals reeds gezegd, de gave had om de geesten te onderscheiden. Hij kende hun bewegingen en wist niet alleen waarheen ieder van hen zijn kracht richtte en zijn aanval deed, maar hijzelf werd ook niet door hen misleid. Integendeel, hij bemoedigde hen die door twijfel werden gekweld en leerde hun hoe zij de plannen van de vijand konden verijdelen, door hun de zwakheid en de sluwheid van die geesten bloot te leggen. Zo daalde ieder, als het ware door hem voor de strijd toegerust, weer van de berg af, onbevreesd voor de listen van de duivel en zijn demonen. Hoeveel jonge vrouwen, die huwelijksaanzoeken hadden ontvangen, bleven, enkel doordat zij Antonius van verre hadden gezien, maagden om Christus’ wil. Ook uit verre streken kwamen mensen tot hem; en zoals allen ontvingen ook zij weldaden, en keerden terug alsof zij door een vader op weg waren geholpen. En zeker, toen hij gestorven was, troostten allen zich — als hadden zij een vader verloren — uitsluitend met de herinnering aan hem, terwijl zij zijn raadgevingen en vermaningen zorgvuldig bewaarden.

Het laatste bezoek — Antonius spreekt over zijn einde

Het is goed dat ik dit verhaal, en dat gij het, zoals gij verlangt, verneemt: hoe zijn einde is geweest. Want ook zijn sterven is waard om nagevolgd te worden. Naar zijn gewoonte bezocht hij nog eenmaal de monniken op de uiterlijke berg; en daar hij door goddelijke beschikking had vernomen dat zijn einde nabij was, sprak hij tot de broeders: Dit is het laatste bezoek dat ik u breng. En ik zou mij verwonderen, indien wij elkaar in dit leven nog zouden terugzien. Want de tijd van mijn heengaan is gekomen; ik ben nu bijna honderd en vijf jaar oud. Toen zij dit hoorden, weenden zij, omhelsden en kusten de grijsaard. Maar hij sprak met blijdschap, als iemand die van een vreemd land naar zijn eigen stad terugvaart, en hij vermaande hen: niet traag te worden in hun arbeid, noch te verslappen in hun oefening, maar te leven alsof zij dagelijks stierven; met ijver de ziel te bewaren voor onreine gedachten; de heiligen na te volgen; en zich verre te houden van de Meletiaanse scheurmakers, want — zo zei hij — hun boos en goddeloos karakter is u bekend. Ook moesten zij geen gemeenschap hebben met de Arianen, want hun goddeloosheid is voor allen duidelijk. En zij moesten zich niet laten verontrusten, indien zij zagen dat de rechters hen beschermden, want dit zou ophouden: hun pracht is sterfelijk en van korte duur. Daarom moesten zij zich des te meer onbesmet bewaren en vasthouden aan de overleveringen der vaderen, en vooral aan het heilig geloof in onze Heer Jezus Christus, dat zij uit de Schrift hadden geleerd en waarvan hij hen zo dikwijls had herinnerd.

Waarom hij niet in het bijzijn van allen wilde sterven

Maar toen de broeders hem aandrongen bij hen te blijven en daar te sterven, wilde hij dit niet toestaan, om vele redenen die hij deels door zwijgen aanduidde, maar vooral om deze: de Egyptenaren zijn gewoon de lichamen van voortreffelijke mannen, en vooral van de heilige martelaren, met uitvaartplechtigheden te eren, ze in linnen doeken te wikkelen en niet in de aarde te begraven, maar op rustbedden te leggen en in hun huizen te bewaren, in de mening dat zij aldus de gestorvenen eren. Tegen deze gewoonte had Antonius dikwijls de bisschoppen vermaand, opdat zij het volk hierover zouden onderrichten. Evenzo wees hij de leken terecht en bestrafte hij de vrouwen, zeggende dat deze handelwijze noch geoorloofd noch heilig was. Want — zo sprak hij — de lichamen van de patriarchen en profeten zijn tot op heden in graven bewaard; zelfs het lichaam van de Heer werd in een graf gelegd, en een steen werd ervoor gerold en het verborgen, totdat Hij op de derde dag verrees. Door aldus te spreken toonde hij aan dat wie de lichamen der doden na hun overlijden niet begraaft, de wet overtreedt, ook al zijn zij heilig. Want wat is groter of heiliger dan het lichaam van de Heer zelf? Velen die dit hoorden, begroeven voortaan de doden in de aarde en dankten de Heer dat zij recht waren onderwezen.

Laatste vermaningen en beschikking over zijn begrafenis

Maar hij, bekend met deze gewoonte en bevreesd dat zijn lichaam zo behandeld zou worden, haastte zich. Nadat hij afscheid had genomen van de monniken op de uiterlijke berg, begaf hij zich naar de innerlijke berg, waar hij gewoon was te verblijven. Na enkele maanden werd hij ziek. Hij liet toen de twee broeders bij zich roepen die daar waren — zij waren met z’n tweeën gebleven op de berg, hadden vijftien jaar lang de ascese beoefend en Antonius gediend omwille van zijn hoge leeftijd — en hij sprak tot hen: Ik ga, zoals geschreven staat, de weg van de vaderen, want ik bemerk dat de Heer mij roept. Weest gij waakzaam en verwoest uw lange oefening niet; maar bewaart uw voornemen met ijver, alsof gij juist nu opnieuw begint. Gij kent de listen der demonen: hoe woest zij zijn, maar hoe gering hun macht. Vreest hen daarom niet, maar ademt steeds Christus in en vertrouwt op Hem. Leeft alsof gij dagelijks sterft. Ziet toe op uzelf en gedenkt de vermaningen die gij van mij hebt gehoord. Hebt geen gemeenschap met de scheurmakers, noch ook maar enige omgang met de ketterse Arianen. Gij weet hoe ik hen steeds gemeden heb vanwege hun vijandschap tegen Christus en de vreemde leer van hun dwaling. Weest daarom des te ijveriger om allereerst navolgers van God te zijn, en vervolgens van de heiligen, opdat ook zij u na uw dood als bekende vrienden mogen ontvangen in de eeuwige woningen. Overweegt deze dingen en bewaart ze in uw hart. En indien gij zorg voor mij draagt en mij gedenkt als een vader, staat dan niet toe dat iemand mijn lichaam naar Egypte brengt, opdat men het niet in huizen neerlegt. Om dit te vermijden ben ik naar de berg gekomen en hierheen getrokken. Gij weet hoe ik hen die deze gewoonte volgden steeds berispte en aanspoorde daarvan af te zien. Begraaft daarom mijn lichaam zelf, verbergt het onder de aarde, en houdt mijn woorden in ere, zodat niemand de plaats kent dan gij alleen. Want bij de opstanding der doden zal ik het onvergankelijk van de Heiland ontvangen. Verdeelt ook mijn kleding. Geeft aan bisschop Athanasius de ene schapenvacht en het kleed waarop ik lig — dat hij mij zelf nieuw gegeven heeft, maar dat bij mij oud is geworden. Aan bisschop Serapion geeft de andere schapenvacht, en houdt zelf het haren kleed. En voor het overige: vaart wel, mijn kinderen. Antonius gaat heen en is voortaan niet meer bij u.

De dood van Antonius

Toen hij dit gezegd had en zij hem hadden gekust, hief hij zijn voeten op. En alsof hij vrienden zag die hem tegemoetkwamen en zich over hen verheugde — want terwijl hij daar lag, straalde zijn gelaat van blijdschap — stierf hij en werd hij verzameld bij zijn vaderen. Daarna wikkelden zij hem, overeenkomstig zijn bevel, in doeken en begroeven hem, zijn lichaam verborgen in de aarde. Tot op heden weet niemand waar hij begraven is, behalve die twee alleen. Maar ieder van hen die de schapenvacht van de zalige Antonius ontving en het door hem gedragen kleed, bewaart dit als een kostbare schat. Want zelfs het aanschouwen ervan is als het aanschouwen van Antonius zelf; en wie ermee bekleed is, schijnt met vreugde zijn vermaningen te dragen.

Zijn gezondheid tot het einde — en de verbreiding van zijn faam

Dit is het einde van het leven van Antonius in het lichaam; wat hier voorafging, was het begin van zijn ascese. Al is deze beschrijving gering in vergelijking met zijn verdiensten, toch kan men hieruit afleiden hoe groot Antonius was, de man Gods. Want vanaf zijn jeugd tot op zo hoge leeftijd bewaarde hij één en dezelfde ijver voor de levensdiscipline. Noch door de ouderdom werd hij overwonnen door verlangen naar kostelijke spijzen, noch veranderde hij wegens lichamelijke zwakte zijn wijze van kleden; zelfs zijn voeten waste hij niet met water, en toch bleef hij geheel vrij van enig letsel. Zijn ogen waren niet verduisterd, maar geheel gezond, en hij zag helder; van zijn tanden had hij er niet één verloren, al waren zij door de hoge ouderdom tot aan het tandvlees afgesleten. Hij bleef krachtig in handen en voeten. Terwijl allen zich bedienden van allerlei spijzen, wassingen en verschillende kleding, verscheen hij opgewekter en sterker dan zij. Dat zijn faam overal verkondigd is, dat allen hem met verwondering gedenken, en dat zelfs zij die hem nooit gezien hebben naar hem verlangen, is een duidelijk bewijs van zijn deugd en van Gods liefde voor zijn ziel. Want niet door geschriften, niet door wereldse wijsheid, noch door enige kunst is Antonius beroemd geworden, maar uitsluitend door zijn godsvrucht jegens God. Dat dit een gave van God was, zal niemand ontkennen. Want hoe anders zou de naam van een man, die verborgen leefde op een berg, zijn doorgedrongen tot in Spanje en Gallië, tot in Rome en Afrika, dan door Hem die de Zijnen overal bekend maakt — Hij die dit Antonius reeds bij het begin had beloofd? Want zelfs wanneer zij in het verborgene werken en in verborgenheid willen blijven, stelt de Heer hen toch als lampen opdat zij allen verlichten, opdat wie ervan horen, erkennen dat de geboden Gods machtig zijn om mensen tot bloei te brengen en hen aan te sporen tot ijver op de weg der deugd.

Slotwoord van Athanasius

Leest daarom deze woorden voor aan de overige broeders, opdat zij leren hoe het leven van monniken behoort te zijn, en opdat zij geloven dat onze Heer en Heiland Jezus Christus hen verheerlijkt die Hem verheerlijken, en hen die Hem dienen tot het einde toe leidt — niet alleen tot het rijk der hemelen, maar ook reeds hier: al verbergen zij zich en verlangen zij zich aan de wereld te onttrekken, maakt Hij hen om hun deugd en om de hulp die zij anderen verlenen overal beroemd en bekend.

En indien het nodig is, leest dit ook onder de heidenen, opdat ook zij op deze wijze leren dat onze Heer Jezus Christus niet alleen God is en de Zoon van God, maar dat ook de christenen die Hem waarlijk dienen en vroom in Hem geloven, bewijzen — niet alleen dat de demonen, die de Grieken zelf voor goden houden, geen goden zijn — maar dat zij hen ook onder de voeten treden en op de vlucht jagen als verleiders en verdervers van het menselijk geslacht, door Jezus Christus, onze Heer, aan wie de heerlijkheid zij in alle eeuwigheid. Amen.

© 2026 Katholieke Klassieken
Nederlandse vertaling en redactie