Vrijdagmeditatie IV

Heilig Hart van Jezus

Overzicht Vrijdagmeditaties

Vrijdagmeditatie over het Heilig Hart van Onze Heer Jezus Christus
door Alexis M. Lepicier O.S.M.

HOOFDSTUK IV

Heer der heren, Koning der koningen, Apoc. XVII, 14

Jezus Christus, geboren als ware Koning van het menselijk geslacht

Het is niet aan ieder die het wenst gegeven koning te zijn. Koninklijke waardigheid wordt geschonken, hetzij door de keuze van kiezers, hetzij door het recht van geboorte. De Zaligmaker van de wereld was Koning, zowel door de verkiezing van Zijn eeuwige Vader, als omwille van Zijn wonderbare geboorte.

Van alle eeuwigheid had God beschikt dat Zijn eniggeboren Zoon mens zou worden, krachtens die strikte vereniging die men hypostatisch noemt, waardoor de menselijke natuur van Jezus Christus, op het ogenblik van haar vorming in de schoot van de Allerheiligste Maagd Maria, werd verenigd met het eeuwige Woord in de eenheid van Persoon, zodat in de Persoon van onze Verlosser, God en Mens samen zijn.

Daarmee tevens heeft God besloten dat het volmaakte heerschappijrecht over heel de schepping toekwam aan deze Heilige Mensheid van onze Verlosser, en dat de Godmens, Jezus Christus, een waarachtige, onderscheiden en opperste heerschappij over heel het mensdom zou bezitten. Daarom wordt onze goddelijke Zaligmaker, het Lam Gods, dat tot aan het einde der wereld strijd voert tegen de antichrist en al zijn trawanten en hen overwint, door de heilige Johannes genoemd, Heer der heren, Koning der koningen.

Zó groot immers was de waardigheid die toekwam aan deze allerheiligste Mensheid, ontvangen door de kracht van de Heilige Geest in de maagdelijke schoot van Maria, dat zij, voor zover een schepsel kan delen, mocht delen in die hoogste heerschappij die God uitoefent over al de werken van Zijn handen. Luisteren wij naar de geïnspireerde woorden die de koninklijke Profeet in de mond legt van de toekomstige Messias,

Ik ben door Hem aangesteld tot Koning over Sion, Zijn heilige berg, om Zijn bevel te verkondigen. De Heer heeft tot Mij gezegd, Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt. Vraag het Mij, en Ik zal U de heidenen geven tot erfdeel, en de uiterste grenzen der aarde tot Uw bezit.
Ps. II, 6-8

Dit is dus de grond van de koninklijke waardigheid van Jezus Christus. Omdat Hij de ware Zoon van God was, ontving Hij van Zijn Vader de heerschappij over heel het mensdom, dat Hem eerbied, gehoorzaamheid en hulde verschuldigd is. Dit was als het ware een passende bruidsschat van Zijn Mensheid in haar mystieke huwelijk met de Godheid.

Maar het was niet voldoende dat de eeuwige Vader Jezus Christus van alle eeuwigheid had voorbestemd om de opperste Koning van heel het menselijk geslacht te zijn. Hij, wiens werken het stempel dragen van oneindige wijsheid, wilde bovendien aan de tijdelijke geboorte van Zijn Zoon zulk een zegel van eer en waardigheid geven, dat dit pasgeboren Kind in de ogen van hemel en aarde zou verschijnen als de ware Koning en Heer van de mensheid.

Vooreerst, toen de engel Gabriël aan de Allerheiligste Maagd verscheen om haar van Godswege aan te kondigen dat het mysterie van de Menswording spoedig in haar maagdelijke schoot zou worden voltrokken, schilderde hij haar de voorrechten van haar toekomstige Zoon aldus voor,

Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. De Heer God zal Hem de troon van Zijn vader David geven, Hij zal heersen over het huis van Jakob in eeuwigheid, en aan Zijn koninkrijk zal geen einde zijn.
Luc. I, 32-33

Dit betekent dat de Zoon die uit de Maagd Maria geboren zou worden, de Koning van Israël was, lang verwacht en verlangd, dat Hij naar het vlees de zoon van David was en diens koninklijke troon zou erven. Maar die aardse troon bestond niet meer, de scepter van Juda was in vreemde handen overgegaan en zou niet terugkeren tot het Hebreeuwse volk. Hoe dan zou de toekomstige Messias heersen over het huis van Jakob.

Het antwoord is dit, Hij zou heersen niet op tijdelijke maar op geestelijke wijze, niet slechts over de lichamelijke afstammelingen van Jakob, maar over zijn geestelijk nageslacht, over de gehele Kerk, bestaande uit Joden en heidenen, verenigd in de eenheid van het geloof, en over hen zou Hij heersen tot in eeuwigheid.

Deze gedachte van het geestelijk koningschap van Christus over de mensheid wordt steeds duidelijker ontvouwd in de geïnspireerde boeken van het Nieuwe Testament.

Lezen wij de geslachtslijst van onze Heer, geplaatst door de heilige Matteüs aan het begin van zijn Evangelie, dan vinden wij dat de eerste persoon die onder de koningen wordt genoemd als voorvader van Jezus Christus, David is, uitdrukkelijk genoemd, David, de koning. Dit betekent dat de toekomstige Messias, uitdrukkelijk Zoon van David genoemd en door het volk zo toegejuicht, de scepter van koninklijke waardigheid zou erven, zoals de beroemde profetie van Jesaja hem toeschrijft,

Hij zal zitten op de troon van David en over zijn koninkrijk.
Is. IX, 7

Tevens moeten wij opmerken dat alleen aan David, in de gehele reeks der koningen, deze koninklijke titel wordt gegeven, omdat David meer dan de anderen de macht, de zachtmoedigheid en de bijzondere goedheid voorafbeeldde van de toekomstige Koning van onze harten. Daarom wilde God dat Jezus uit een Maagd geboren zou worden uit de tak van het koninklijk huis van David, om ons te doen verstaan dat Hij Hem had bestemd tot de liefderijke Koning en Vorst van allen die verlost zouden worden.

Wat voor wieg, met kostbare kleden getooid en met fijn goud versierd, kan worden vergeleken met de kribbe waarin Maria haar pasgeboren Zoon neerlegde. Welk wapenschild, hoe rijk ook geblazoeneerd en hoe roemrijk in de geschiedenis, kan worden vergeleken met dat van de Zoon van Maria, dat slechts de drie letters draagt, I.H.S., Iesus Hominum Salvator, Jezus, Verlosser der mensen.

Welke kroon, al was zij bezet met de kostbaarste diamanten, kan naast die worden geplaatst welke Zijn Vader op het hoofd van het goddelijk Kind heeft gezet,

Gij hebt Hem gekroond met heerlijkheid en eer, en Hem gesteld over de werken Uwer handen.
Ps. VIII, 6-7

Hoewel Jezus Christus bij Zijn geboorte nederig en verborgen verscheen, werd Hij reeds bij Zijn komst in de wereld door Zijn Vader voorgesteld als Koning en Heer van het heelal, zoals de Profeet het uitdrukkelijk zegt,

Ik zal Hem maken tot Mijn eerstgeborene, hoog boven de koningen der aarde, en Zijn troon zal zijn als de zon vóór Mij, en als de maan die volmaakt blijft in eeuwigheid.
Ps. LXXXVIII, 28, 38

Toch wilde God de majesteit en heerlijkheid van Zijn Zoon verbergen voor onze ogen en ze bedekken met de mantel van zachtmoedigheid en tederheid. Hij wilde doen verstaan dat Jezus Christus niet zou heersen door geweld of door rijkdom, maar dat Hij de mensen zou besturen en overwinnen door liefde.

Zo werd Hij door de profeten aangekondigd als de Zaligmaker van de wereld, en David jubelde in zijn verre aanschouwing, terwijl hij hymnen uitstortte ter ere van Zijn zachte heerschappij. Daarom heeft de Vader gewild dat wij met één stem Jezus erkennen en uitroepen als de Koning van onze harten, onze zoete Vorst, onze geliefde Keizer, wiens scepter geen teken is van tirannie of onderdrukking, maar van liefde en heil,

De Heer is onze Koning, Hij zal ons redden. Is. XXXIII, 22

Maar welke naam zou Hem gegeven worden, zo niet een naam die dit voorrecht aanduidt van Koning van onze harten. Zijn Naam, voor het eerst uitgesproken in de goddelijke raadsbesluiten, in de tijd geopenbaard door de engelen, aan Hem gegeven door Maria en Jozef en verzegeld door Zijn eigen Bloed, is de zoete Naam van Jezus, die betekent, Zaligmaker.

Deze onuitsprekelijke Naam drukt reeds in zichzelf het doel uit waarvoor Hij Mens is geworden, en al wat Hij voor ons heeft gedaan en geleden, en hij herinnert ons eraan dat Hij onze liefderijke Koning is en de zoete Vorst van onze harten.

Smeken wij onze dierbare Koning Jezus dat Hij onze harten vervulle met de zoete balsem van Zijn allerheiligste Naam. Moge de zoetheid van haar geur zich verspreiden door al onze vermogens en al onze daden bezielen. Moge zij de verzuchting zijn van onze ziel en het onderpand van onze eeuwige zaligheid.

En laten wij ook Onze Lieve Vrouw smeken dat, zoals zij de eerste was die deze beminnelijke Naam van leven en heil uitsprak, en nooit anders dan met de levendigste geloofsovertuiging en vurige liefde, ook wij hem uitspreken met diepe eerbied en innige liefde, opdat hij in onze mond worde wat hij in ons hart behoort te zijn, een balsem van allerzoetste geur,

Uw Naam is als uitgegoten olie (Hoogl. I, 2).

De auteur, Alexis M. Lepicier O.S.M. (1863–1936), was priester van de Orde der Servieten en een vooraanstaand theoloog en marioloog. Zijn werk werd goedgekeurd en aanbevolen door paus Benedictus XV en kenmerkt zich door een sobere, kerkelijke toon en een sterke verankering in Schrift en Traditie.

Katholieke Klassieken — Defende nos in praelio