Evangelie van de zondag (Marcus 8, 1–9)
IN DIE TIJD was er opnieuw een grote menigte bij Jezus. Omdat zij niets meer te eten hadden, riep Hij zijn leerlingen bij Zich en sprak: Ik heb medelijden met deze mensen. Zij zijn nu al drie dagen bij Mij en hebben niets meer te eten. Als Ik hen zonder voedsel naar huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken want sommigen van hen zijn van ver gekomen. Zijn leerlingen antwoordden Hem: Hoe zou men hun hier in deze eenzaamheid voldoende brood kunnen geven? Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij? Zij antwoordden: Zeven. Toen liet Hij het volk op de grond plaatsnemen. Hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om uit te delen. Zij deelden ze uit aan het volk. Ook hadden zij enkele visjes. Daarover sprak Hij de zegen uit en ook die liet Hij uitdelen. Allen aten en werden verzadigd. Daarna verzamelden zij de overgebleven brokken, zeven manden vol. Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen liet Hij hen heengaan.
De wonderbare broodvermenigvuldiging
Toen de roem van Christus’ wonderen zich verder verbreidde, begon ook Herodes op Hem te letten. Hij meende dat Johannes de Doper uit de doden was opgestaan. Daarom trok Jezus zich terug in een eenzame plaats. Tegelijk gaf Hij zijn apostelen, die vermoeid waren teruggekeerd van hun eerste prediking, de rust die zij nodig hadden.
Maar de menigten volgden Hem te voet. Toen Hij aan land ging, zag Hij een grote menigte. Marcus voegt eraan toe: Zij waren als schapen die geen herder hebben. Christus stelt het welzijn van anderen boven zijn eigen rust en leert zijn leerlingen hetzelfde te doen.
Tegen de avond wilden de leerlingen de menigte wegzenden om voedsel te kopen. Maar Jezus antwoordde: Zij behoeven niet weg te gaan. Geeft gij hun te eten. Zo bereidde Hij het wonder voor. Eerst moest duidelijk worden dat menselijke middelen tekortschoten, opdat Gods almacht des te helderder zou uitblinken.
De heilige Johannes verhaalt dat Jezus vervolgens tot Filippus zei: Waar zullen wij brood kopen, zodat dezen kunnen eten? Dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist Zelf wat Hij zou doen. Filippus antwoordde: Voor tweehonderd denarii brood is niet genoeg om ieder ook maar een weinig te geven. Andreas wees slechts op een jongen met vijf gerstebroden en twee kleine vissen: Maar wat betekent dat voor zovelen? Toch brachten de apostelen alles wat zij hadden tot Christus. Hun gehoorzaamheid en vertrouwen gingen aan het wonder vooraf.
Christus liet de menigte in groepen plaatsnemen op het groene gras, opdat alles ordelijk zou verlopen en niemand zou worden overgeslagen.
Hij sloeg de ogen op naar de hemel, zegende de broden, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen.
Cornelius a Lapide merkt op dat Christus niet alleen zijn hemelse Vader dankte, maar ook de broden zelf zegende. Door die goddelijke zegen werden zij bestemd tot de wonderbare vermenigvuldiging en ontvingen zij de kracht om duizenden mensen te voeden.
Deze vermenigvuldiging van de broden was volgens a Lapide een voorafbeelding van de heilige Eucharistie. Kort daarna hield Christus immers de grote rede over het Brood des levens, die de heilige Johannes in het zesde hoofdstuk heeft opgetekend: Niet zoals uw vaderen het manna hebben gegeten en gestorven zijn. Wie dit Brood eet, zal leven in eeuwigheid.
De heilige Augustinus zegt: Waaruit God uit enkele graankorrels rijke oogsten voortbrengt, daaruit heeft Hij ook de broden in zijn handen vermenigvuldigd. Die macht lag in de handen van Christus. De vijf broden waren als zaad, niet aan de aarde toevertrouwd, maar vermenigvuldigd door Hem die de aarde heeft geschapen.
De heilige Johannes Chrysostomus zegt: De vijf broden werden in de handen van de leerlingen vermenigvuldigd en stroomden uit als uit een bron.
De heilige Hilarius zegt: Steeds volgden nieuwe stukken op de afgebroken stukken en wat werd afgebroken ontglipte voortdurend aan de hand die het brak.
De heilige Hiëronymus zegt: Terwijl zij het brood braken, was het alsof zij voedsel uitzaaiden.
Brood en rijkdom verminderen niet wanneer men er aalmoezen van geeft, maar worden honderd- en duizendvoudig vermeerderd.
In zedelijke zin leert Christus hier dat brood en rijkdom, zowel stoffelijk als geestelijk, niet verminderen wanneer men er aalmoezen van geeft, maar onder Gods zegen overvloedig worden vermeerderd.
De heilige Johannes de Aalmoezenier placht daarom te zeggen: Ik zal zien, Heer, wie het eerst ophoudt: Gij met geven of ik met uitdelen aan de armen.
Paus Adrianus II ontving eens veertig denarii ten geschenke. Hoewel zijn rentmeester meende dat dit voor de grote menigte armen onmogelijk voldoende kon zijn, deelde Adrianus het geld uit en sprak daarna: Zie je hoe goed en mild de Heer is, vooral jegens hen die zelf goed en mild zijn voor de armen?
Ook de heilige Lidwina van Schiedam gaf, ondanks haar eigen armoede, steeds aan de behoeftigen. Haar beurs scheen nooit leeg te raken en werd daarom de Jezusbeurs genoemd.
Daarom schrijft de Apostel: Wie karig zaait, zal ook karig oogsten en wie overvloedig zaait, zal ook overvloedig oogsten. Wie dus een brood of een muntstuk aan een arme geeft, verliest het niet, maar zaait het uit.
Allen aten en werden verzadigd. Cornelius a Lapide merkt op dat Christus hun geen wijn gaf. Water was voldoende. God geeft voedsel voor de noodzaak, niet voor weelde. Daarom noemt hij matigheid de moeder van gezondheid, wijsheid en heiligheid.
Na afloop verzamelden de apostelen twaalf volle korven met overgebleven brokken. Terwijl zij het brood uitdeelden, bleef het zich vermenigvuldigen. Zo openbaarde Christus zijn goddelijke macht over de schepping.
Uit vijf broden voedt Hij duizenden en toch blijft er overvloed over. Daarom heeft de Kerk in dit grote wonder altijd een voorafbeelding gezien van de heilige Eucharistie, waardoor Christus zijn gelovigen blijft voeden tot het eeuwige leven.