30 juni – Gedachtenis van de H. Paulus, apostel † 67
Vandaag viert de Kerk de gedachtenis van de heilige apostel Paulus. De Handelingen der Apostelen stellen zijn leven levendig voor ogen: zijn aanwezigheid bij de steniging van de heilige Stefanus, zijn wonderbare bekering, zijn apostolaat onder de heidenen, zijn reizen, vervolgingen en aankomst te Rome. Daar werkte hij voor Christus en verbreidde hij het geloof, totdat hij in het jaar 67, op dezelfde dag als de heilige Petrus, 29 juni, de martelaarskroon ontving. Hij werd buiten de muren van Rome, aan de Via Ostiense, onthoofd. Zijn graf werd vanouds door pelgrims bezocht en wordt overdekt door de basiliek van Sint-Paulus buiten de Muren.
God, die de menigte der heidenvolkeren hebt onderricht door de geloofsverkondiging van de heilige apostel Paulus, geef, bidden wij U, dat wij, die heden zijn geboorte in de hemel vieren, zijn voorspraak bij U ervaren.
Lees ook de beroemde homilie van de heilige Johannes Chrysostomus over de H. Paulus
Het leven van de H. apostel Paulus
De heilige Paulus, de grote Apostel en Leraar der heidenen, werd geboren als Jood uit de stam Benjamin. Zijn geboorteplaats was Tarsus, een beroemde stad in Cilicië. Zijn vader zond hem naar Jeruzalem, waar hij werd onderwezen door de beroemde Gamaliël, niet alleen in de wet, maar ook in de ceremoniën van de Hebreeën.
Hij overtrof spoedig al zijn medeleerlingen in kennis, en werd ijverig in het onderhouden en verdedigen van de wetten. Daarom werd hij een van de wreedste vervolgers van het christendom. Hij was het die de kleren bewaarde van hen die Stefanus stenigden. Hoe ouder hij werd, des te dieper werd zijn haat tegen de christenen. Niet alleen te Jeruzalem, maar ook elders zocht hij allen die Christus beleden. Hij leverde hen over in de handen van de overheid om gevangen te worden gezet.
Op zekere dag vroeg hij aan de hogepriester te Jeruzalem brieven om naar de Joden te Damascus te gaan, opdat zij hem zouden helpen alle christenen die daar verbleven gevangen te nemen. Met dit bevel ging hij, vol woede en haat, naar Damascus. Toen hij de stad naderde, omstraalde hem plotseling een licht uit de hemel. Saulus, zoals hij vóór zijn bekering heette, viel verschrikt ter aarde en hoorde een stem zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Hij vroeg: Wie zijt Gij, Heer? En de stem antwoordde: Ik ben Jezus, Die gij vervolgt. Saulus beefde en zei: Heer, wat wilt Gij dat ik doe? De Heer antwoordde: Sta op en ga de stad binnen, en daar zal u gezegd worden wat gij moet doen.
De gezellen van Saulus hoorden de stem, maar zagen niemand. Saulus stond van de grond op, opende zijn ogen, maar zag niets, want hij had zijn gezicht verloren. Men leidde hem naar Damascus. Daar bleef hij drie dagen en nachten in gebed, zonder spijs of drank te nemen.

Intussen werd Ananias, een leerling van de Heer, in een visioen onderricht over alles wat had plaatsgevonden. Hij ging naar het huis waar Saulus was, onderwees hem, herstelde zijn gezicht door hem de handen op te leggen, en doopte hem.
Kort nadat Saulus het heilig doopsel had ontvangen, ging hij, nu Paulus genoemd, de synagoge binnen en predikte met vrijmoedigheid dat Christus de ware en lang beloofde Messias was. Hij bewees de waarheid van zijn woorden zo helder, dat niemand hem kon tegenspreken. Allen stonden verbaasd over de verandering die in hem had plaatsgevonden. Omdat zij zijn leer niet konden weerleggen, beraadslaagden zij om hem te doden. De gelovigen lieten hem echter in een mand over de muren van de stad neer, en zo ontkwam hij aan de dood.
Daarna ging hij naar Jeruzalem en verlangde zich bij de christenen aldaar te voegen. Maar omdat zij niets wisten van zijn bekering, vreesden zij hem en wilden zij hem niet opnemen. Paulus vond de heilige Barnabas, die zijn vroegere medeleerling was geweest. Deze verhaalde hem wat had plaatsgevonden en bracht hem bij de apostelen. Zij verheugden zich zeer over zijn bekering en brachten God dank en lof.
Van toen af predikte de heilige Paulus het Evangelie overal met grote ijver. Hij trok door vele steden, landen en koninkrijken, bracht vele duizenden tot het christendom, en zond vele apostolische mannen naar verschillende landen om hun bewoners te bekeren.
Wie kan verslag doen van zijn zorgen en arbeid, van de schande en bespotting, de ellende en vervolging die hij voor het ware geloof heeft geleden? Hijzelf verhaalt het in zijn brieven, vooral in hoofdstuk elf van de tweede brief aan de Korinthiërs. Ook de heilige Lucas doet dit in de Handelingen.
Onder andere zegt hij dat een profeet aan Paulus had voorzegd dat hij, wanneer hij later van Caesarea naar Jeruzalem zou gaan, daar gegrepen en aan de heidenen overgeleverd zou worden. Zijn leerlingen wilden hem daarom niet laten vertrekken. Maar noch tranen, noch gebeden konden hem tegenhouden. Ik ben bereid, zei hij, niet alleen gebonden te worden te Jeruzalem, maar ook te sterven voor de naam van Jezus.
Hij bewees zijn woorden door zijn daden. Toen hij te Jeruzalem aankwam, ging hij onmiddellijk de tempel binnen om te bidden. Nauwelijks hadden de Joden hem gezien, of zij grepen hem, sleepten hem uit de tempel en zouden hem zeker met hun slagen hebben gedood, indien niet de tribuun Claudius Lysias haastig met zijn soldaten was verschenen en hem uit hun woede had bevrijd.
Hij nam Paulus gevangen en zond hem naar Caesarea, naar de landvoogd Felix. Deze hield hem in de gevangenis, hoewel hij hem onschuldig bevond. Festus, zijn opvolger, wilde hem naar Jeruzalem terugzenden om hem daar te laten oordelen, maar Paulus beriep zich op de keizer en werd naar Rome gezonden. Daar werd hij na twee jaren gevangenschap in vrijheid gesteld.
De heilige trok opnieuw uit op zijn apostolische arbeid. Hij reisde door Italië en Frankrijk, waagde zich zelfs tot in Spanje, predikte overal het Evangelie en bekeerde een groot aantal mensen. Ten slotte keerde hij naar Rome terug. Daar spoorde hij, onder anderen, enkele bijzitten van de goddeloze keizer Nero aan hun slecht leven te verlaten. Toen hij zover geslaagd was hen te bekeren dat zij, in hun liefde tot de kuisheid, zich niet langer aan de wellust van de tiran wilden onderwerpen, gaf de woedende Nero bevel de heilige Paulus gevangen te nemen, evenals de heilige Petrus.
Enige tijd later werden beiden ter dood veroordeeld: Petrus tot het kruis, Paulus tot het zwaard. De heilige Chrysostomus verhaalt dat het bloed dat uit de wonden van de heilige Paulus vloeide toen hij onthoofd werd, niet rood was, maar melkwit. Ook wordt gezegd dat zijn hoofd, toen het van zijn lichaam gescheiden was, driemaal van de grond opsprong, en dat telkens water opwelde. Tot op heden worden drie bronnen aangewezen op de plaats waar volgens de overlevering zijn terechtstelling plaatsvond.
De heilige Paulus werd ongetwijfeld begunstigd met bijzondere genaden en deugden. Hij verrichtte vele en grote wonderen. Door de aanraking van zijn zweetdoek werden zieken onmiddellijk genezen en bezetenen bevrijd. Hij had vele gezichten, zowel van engelen als van Christus, de Heer Zelf. Eens, tijdens een storm op zee, verscheen een engel aan hem en kondigde hem aan dat de Almachtige om zijnentwil het leven zou sparen van allen die op het schip waren. Te Korinthe verscheen de Heer aan hem en zei: Vrees niet, maar spreek en zwijg niet. Te Jeruzalem verscheen Hij hem opnieuw en zei: Haast u, verlaat Jeruzalem spoedig. Een andere keer zei de Zaligmaker tot hem: Wees standvastig, want zoals gij van Mij getuigenis hebt afgelegd te Jeruzalem, zo moet gij ook getuigenis afleggen te Rome.
Naast deze vertroostende verschijningen had de heilige Apostel de genade om tot de derde hemel te worden opgevoerd, in een verrukking, om daar zulke grote verborgenheden te zien dat hij niet in staat was erover te spreken. Zijn hemelse wijsheid en welsprekendheid blijken duidelijk uit zijn brieven, waarvan de lezing vele wonderbare bekeringen heeft bewerkt.
Zijn brieven getuigen ook van de grote deugd van deze heilige Apostel, vooral van zijn vurige liefde tot de Zaligmaker en tot zijn naaste, van de zuiverheid van zijn leven, van zijn nederigheid, strenge boete en onoverwinnelijk geduld. Hij beminde zijn gekruisigde Verlosser zozeer dat hij kon schrijven: Ik leef, maar niet meer ik; Christus leeft in mij. Christus is mijn leven. Ik ben aan het kruis gehecht met Christus. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Ik ben overtuigd dat noch leven, noch dood, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons kan scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus onze Heer is.
In niets wilde hij roemen dan in het kruis van de Zaligmaker. De heilige naam van Jezus was voortdurend in zijn mond en kwam onophoudelijk uit zijn pen. Evenzeer bewees hij zijn liefde tot de naaste. De vele en zware reizen die hij ondernam, de vele grote gevaren en vervolgingen die hij leed, de onuitsprekelijke arbeid en zorg die hij op zich nam, tonen hoe onbaatzuchtig hij zijn naaste beminde.
Zijn ijver om zielen te redden was onvermoeibaar, en zijn zorg voor het welzijn van anderen meer dan vaderlijk. Hij beminde de pas bekeerden als dierbare kinderen en droeg hen allen, zoals hij zelf zegt, in zijn hart voor God. Hij bewaarde zijn kuisheid ongeschonden, ried ook anderen daartoe aan, en toonde door zijn werken hoe men tegen onreine bekoringen moet strijden: door zijn toevlucht te nemen tot God in gebed, door het lichaam te kastijden met honger en dorst, hitte en koude, vasten en waken.
Met al zijn grote daden en met de vele genaden die hij van de Almachtige had ontvangen, was hij zo nederig dat hij zich meer dan eens de goddeloze noemde met wie hij de christenen vóór zijn bekering had behandeld. En hoewel hij meer gearbeid had dan alle anderen, noemde hij zich de minste der Apostelen.
Zijn grote liefde tot Christus en zijn hoop op een eeuwige beloning moedigden hem aan, zoals hij schrijft, in alles wat hij leed. Om deze en andere deugden, waarvan het verhaal vele boeken zou vullen, kan er geen twijfel zijn dat de heilige Paulus in de hemel tot grote heerlijkheid is verheven. Ten tijde van zijn dood was hij achtenzestig jaar oud. Zijn heilige relieken rusten te Rome naast die van de heilige Petrus. (Weninger)

De heilige Johannes Chrysostomus over de H. Paulus
De heilige Johannes Chrysostomus († 407), aartsbisschop van Constantinopel en kerkleraar, wijdde zeven homilieën aan de heilige apostel Paulus. Daarin bezingt hij diens deugden en apostolische ijver.
In de eerste homilie vergelijkt hij Paulus achtereenvolgens met Abel, Noach, Abraham, Isaak, Jakob, Jozef, Job, Mozes, David, Elia, Johannes de Doper en ten slotte met de engelen. Steeds toont hij hoe in de apostel de deugden van deze heiligen op bijzondere wijze samenkomen.
Hier volgt deze eerste homilie in Nederlandse vertaling, naar de oude Latijnse vertaling die is opgenomen in de Patrologia Graeca van J.-P. Migne, deel 50.
Een van de mooiste lofredenen op de heilige apostel Paulus uit de christelijke oudheid.
De zalige Paulus, die ons heden heeft samengebracht en die ook de gehele aarde heeft verlicht, werd ten tijde van zijn roeping een tijdlang met blindheid geslagen. Maar zijn blindheid werd de verlichting van de gehele wereld. Want omdat hij verkeerd zag, maakte God hem goed blind, opdat hij daarna op nuttige wijze zou zien.
Tegelijk gaf God hem daardoor een bewijs van Zijn macht, beeldde Hij in wat later met Paulus zou geschieden, en leerde Hij hem de wijze van zijn prediking kennen. Hij moest zijn vroegere inzichten geheel afleggen, en als het ware met gesloten ogen zichzelf van alle kanten in toom houden. Daarom roept hij zelf later: Indien iemand onder u wijs meent te zijn, laat hij dwaas worden, opdat hij wijs worde.
Hij had dus niet opnieuw goed kunnen zien, indien hij niet eerst blind was geworden. Door zijn eigen wijsheid, waardoor hij verward werd, prijs te geven, moest hij zich in alles aan het geloof overgeven. Maar laat niemand die dit hoort menen dat deze roeping een dwang was. Hij had immers kunnen terugkeren van waar hij gekomen was. Velen hebben in het Oude en in het Nieuwe Testament grotere wonderen gezien en zijn toch, zoals wij lezen, teruggekeerd: Nabuchodonosor, Judas, Elymas de tovenaar, Simon, Ananias en Sapphira, en het gehele Joodse volk. Maar Paulus niet. Nadat het oog van zijn geest verlicht was, snelde hij naar dat zuiverste licht en verhief hij zich spoedig tot de hemel.
Vraagt men waarom hij blind werd, dan hoort men hem zelf spreken: Gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het jodendom, hoe ik de Kerk Gods bovenmate vervolgde en haar bestreed, en hoe ik in het jodendom vorderde boven velen van mijn leeftijd onder mijn volk, daar ik overvloediger ijverde voor de overleveringen van mijn vaderen. Omdat hij zo hevig en vurig was, had hij ook krachtiger teugels nodig, opdat hij niet, door de vaart van zijn eigen vurigheid meegesleept, de woorden die tot hem gesproken werden zou verachten.
Daarom bedwingt God eerst zijn ongetemde woede. De opgejaagde en onstuimige golven van zijn toorn brengt Hij door het middel van de blindheid tot rust. Pas daarna schenkt Hij hem het hemelse woord. Zo toont Hij hem de ontoegankelijke wijsheid en de alles overtreffende goedheid van de goddelijke kennis, opdat Paulus zou leren tegen Wie hij voortaan streed: Hem Die hij niet alleen niet kon verdragen wanneer Hij strafte, maar zelfs niet wanneer Hij weldaden schonk. Want Paulus werd niet verblind door de duisternis, maar door de overvloed van het licht.
En vraagt gij waarom dit niet eerder is geschied, onderzoek dat dan niet verder en wees niet nieuwsgieriger dan past. Laat de onbegrijpelijke Voorzienigheid Gods de zaligheid der mensen beschikken volgens de tijden die Hijzelf kent. Zo belijdt Paulus het ook: Toen het Hem behaagde, Die mij van de moederschoot af heeft afgezonderd en mij door Zijn genade heeft geroepen, Zijn Zoon in mij te openbaren. Onderzoek dus niets verder wanneer Paulus zo spreekt.
Dit moest toen gebeuren, toen de hinderpalen overal waren weggenomen. Laten wij daarom van Paulus zelf leren dat niemand vóór Paulus, en ook Paulus niet uit zichzelf alleen, Christus heeft gevonden, maar dat Christus Zichzelf heeft geopenbaard. Daarom zegt de Heer: Niet gij hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren.
Maar waarom geloofde hij eerder niet, toen hij zag dat in de naam van Christus doden verrezen, kreupelen wandelden, verlamden werden opgericht en duivelen werden uitgedreven? Uit al deze dingen ontving hij geen vrucht, hoewel hij ze niet onwetend kon zijn, hij die zo nauwkeurig op de apostelen lette. Hij stond immers erbij toen Stefanus gestenigd werd, en hij zag diens gelaat stralen als het gelaat van een engel. Waarom won hij daaruit dan niets? Omdat hij toen nog niet door Christus geroepen was.
Maar gij, die dit hoort, moet niet menen dat deze roeping dwang meebrengt. God dwingt de mensen niet wanneer Hij hen roept, maar laat hen ook na de roeping meester blijven over hun eigen wil. Ook aan de Joden heeft Hij Zich geopenbaard toen het passend was. Maar omdat zij de roem zochten die van mensen komt, wilden zij Hem niet aannemen toen Hij Zich aanbood.
Maar hier zal misschien iemand zeggen: Waarom heeft Hij mij dan ook niet uit de hemel geroepen? Waaruit weet gij, o mens, dat Hij Paulus uit de hemel heeft geroepen? Gelooft gij het? Dan is juist dat geloof u genoeg tot teken. Gelooft gij niet dat Hij Paulus uit de hemel geroepen heeft, hoe kunt gij dan zeggen: waarom heeft Hij mij ook niet geroepen? Gelooft gij dat Hij geroepen heeft, dan is dit, zoals ik zei, genoeg tot teken. Geloof dus. Want ook u roept God uit de hemel, wanneer gij een ziel hebt die bereid is te gehoorzamen.
Maar indien gij ongehoorzaam zijt, en uw oordeel bedorven en verkeerd is, dan zou zelfs een stem uit de hemel u niet tot heil genoeg zijn. Hoe dikwijls hebben de Joden niet een stem uit de hemel gehoord, in het Oude en in het Nieuwe Testament, en zijn zij daardoor toch niet beter geworden? In het Oude Testament aanbaden de Joden na duizend wonderen het kalf dat zij hadden gemaakt. De hoer van Jericho daarentegen had niets van die wonderen gezien en toonde toch een bewonderenswaardig geloof door de verspieders op te nemen. In het beloofde land zagen de Joden tekenen en bleven harder dan steen. De Ninivieten zagen alleen Jonas, geloofden, deden boete, en keerden door hun bekering de komende toorn Gods van zich af. In het Nieuwe Testament aanbad de rover de gekruisigde Christus, terwijl de Joden, die Hem doden hadden zien opwekken, Hem boeiden en aan het kruis sloegen.
En wat is er in onze eigen tijd gebeurd? Is er niet uit de fundamenten van de tempel te Jeruzalem vuur opgesprongen, dat hen verteerde die het waagden de tempel te herbouwen? Zo zagen de overigen van hun goddeloze onderneming af, zonder zich toch van hun goddeloosheid en blindheid te bekeren.
Hoeveel andere wonderen zijn daarna niet geschied? De bliksem sloeg in op het dak van de tempel van Apollo. Het orakel van de demon werd tot zwijgen gebracht, omdat naast hem het lichaam van een martelaar begraven lag. De demon verklaarde dat hij niet kon spreken zolang hij de kist van de martelaar zo nabij zich had. Daarna stierf de oom van de goddeloze keizer, die met onheilige hand de aan God gewijde vaten had aangeraakt, door wormen verteerd. Ook de beheerder van de keizerlijke schatkist werd, wegens een andere belediging die hij de Kerk had aangedaan, plotseling in het midden opengereten. Toen trokken ook de bronnen van onze streek zich terug, bronnen die vroeger de rivieren in overvloed overtroffen. Nooit was dat eerder gebeurd, totdat de keizer die plaatsen met offers en slachtoffers had verontreinigd.
Wat zal ik nog zeggen over de hongersnood die onder die goddeloze keizer over de gehele wereld heerste, over zijn dood in het land der Perzen, over de verdwazing van zijn geest vóór zijn dood, over het leger dat midden onder de barbaren werd achtergelaten en van alle kanten als in een net was ingesloten, en over de onverwachte en wonderbare terugkeer uit die streken? Toen de goddeloze keizer jammerlijk was omgekomen en een vrome man hem in het rijk opvolgde, vielen de tegenslagen onmiddellijk weg. Het leger, dat als midden in een net verstrikt was en niet meer dacht ooit een uitweg te vinden, keerde op Gods beschikking veilig terug.
Wie zouden zulke dingen niet tot de godsvrucht kunnen trekken? En wat dan van de tegenwoordige tekenen? Zijn die niet nog wonderlijker? Wordt het kruis niet gepredikt, en snelt niet de gehele wereld toe om te geloven? Wordt niet een smadelijke dood verkondigd, en komen allen niet toegelopen? Zijn er niet ontelbaren gekruisigd? Hebben niet twee rovers met de Heer gehangen? Zijn er niet vele wijzen geweest? Zijn er niet vele machtigen opgestaan? Wiens naam heeft ooit zo overwonnen? En wat zeg ik: machtigen en wijzen? Zijn er niet beroemde koningen geweest? Wie heeft zich in zo korte tijd de wereld onderworpen?
Zo bewondert iedereen Abraham omdat hij, toen hij hoorde: Trek weg uit uw land, uit uw verwanten en uit het huis van uw vader, zijn vaderland, zijn huis en zijn bloedverwanten verliet. Het verlies van al deze dingen achtte hij gering omwille van de liefde tot Gods gebod. Daarom prijzen ook wij hem terecht.
Maar wie kan met Paulus worden vergeleken? Hij verliet niet alleen zijn vaderland, zijn verwanten en zijn huis, maar de gehele wereld. Ja, zelfs de hemel en de hoogste hemel achtte hij gering om Christus’ wil. Eén ding alleen zocht hij boven alles: de liefde van Christus. Daarom zegt hij: Noch het tegenwoordige, noch het toekomstige, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus, onze Heer.
Abraham stelde zijn eigen leven in gevaar om de zoon van zijn broer te redden uit de handen van zijn vijanden. Paulus echter bevrijdde niet één bloedverwant en ook niet drie of vijf steden, maar de gehele wereld uit de macht van de duivelen. Dag na dag doorstond hij ontelbare gevaren, en door telkens opnieuw zijn eigen leven prijs te geven schonk hij anderen de grootste veiligheid.
Men ziet in Abraham het hoogtepunt van de deugd omdat hij bereid was zijn zoon te offeren. Maar ook hierin gaat Paulus hem vooraf. Want hij offerde niet zijn zoon, maar zichzelf, en niet eenmaal, maar duizendmaal.
Ook Isaak wordt bewonderd, vooral om zijn geduld. Hij groef putten en verdroeg dat anderen ze telkens weer dichtwierpen. Hij verzette zich niet, maar week steeds uit naar een andere plaats, zonder zijn dienaren bijeen te roepen om zich te wreken. Hij gaf liever zijn bezit prijs dan twist te zoeken.
Maar Paulus zag geen putten met stenen gevuld, hij zag zijn eigen lichaam met stenen bestookt. Toch week hij niet alleen geduldig terug, maar beijverde hij zich zelfs degenen die hem stenigden naar de hemel te voeren. Hoe meer deze bron werd toegestopt, des te overvloediger brak zij weer door en des te rijker vloeiden haar stromen uit.
De Schrift bewondert ook Jakob om zijn lankmoedigheid en zijn geduld. Maar welke ziel, hoe sterk ook als diamant, zou het geduld van Paulus kunnen evenaren? Niet tweemaal zeven jaren diende hij voor de bruid van Christus, maar zijn gehele leven. Hij verdroeg niet alleen de hitte van de dag en de koude van de nacht, maar ontelbare beproevingen. Nu werd hij gegeseld, dan weer gestenigd en mishandeld; nu streed hij met wilde dieren, dan weer met de golven der zee; nu leed hij dagen en nachten honger en gebrek. Midden in al deze strijd rukte hij telkens opnieuw de schapen uit de muil van de duivel.
Ook Jozef schitterde door zijn kuisheid. Maar ik vrees dat het bijna belachelijk wordt Paulus nog langs deze weg te willen prijzen. Hij had zichzelf immers met Christus voor de wereld gekruisigd. Daarom achtte hij niet alleen de schoonheid van het menselijk lichaam, maar alle aardse dingen even verachtelijk als wij as en stof verachten. Als een dode voor de wereld bleef hij onbeweeglijk tegenover alles wat de begeerlijkheid kon opwekken. Omdat hij de hartstochten en de driften van de menselijke natuur zo zorgvuldig bedwong, heeft hij zich nooit door iets menselijks laten overwinnen.
Alle mensen bewonderen Job, en terecht. Hij was een bewonderenswaardige kampvechter. Door zijn geduld, zijn zuiver leven, het getuigenis dat God Zelf over hem gaf, zijn strijd met de duivel en zijn overwinning behoort hij tot de grootste der heiligen.
Maar Paulus hield niet slechts enkele maanden stand, doch vele jaren. Hij schitterde nog heerlijker. Hij schraapte geen etter van zijn lichaam af op een mesthoop, maar trad telkens opnieuw de muil van de geestelijke leeuw tegemoet. Hij vocht tegen ontelbare bekoringen en was harder dan iedere steen. Niet drie of vier vrienden brachten hem smaad aan, maar alle ongelovigen en zelfs de valse broeders. Door allen werd hij gehoond, bespot en vervloekt.
Men prijst Job om zijn gastvrijheid en zijn zorg voor de armen. Ook dat ontkennen wij niet. Maar de milddadigheid van Paulus was groter, zoals de ziel hoger staat dan het lichaam. Wat Job deed voor hen die lichamelijk leden, deed Paulus voor hen die ziek waren naar de ziel. Hij richtte de kreupelen van geest op de rechte weg, en hen die naakt waren van de deugd bekleedde hij met het gewaad van de hemelse wijsheid.
Ook in stoffelijke weldaden overtrof hij Job. Want het is groter de behoeftigen te helpen terwijl men zelf honger en armoede lijdt, dan overvloed uit te delen vanuit rijkdom. Jobs huis stond open voor iedere vreemdeling; maar de ziel van Paulus stond open voor de gehele wereld. Hij ontving alle gelovigen met vaderlijke liefde en zei: Gij hebt bij ons geen enge plaats, maar gij sluit uzelf op in uw eigen hart. Zelfs bezat hij niets dan zijn eigen lichaam, en toch diende hij de behoeftigen daarmee. Daarom zegt hij: Deze handen hebben voorzien in mijn eigen behoeften en in die van hen die bij mij waren.
Daarmee bedoelt hij dat hij door de arbeid van zijn eigen handen de hongerigen ondersteunde. Terwijl Job door wormen en zweren hevige smarten leed, onderging Paulus jarenlang geselingen, honger, naaktheid, ketenen, gevangenschap, hinderlagen en gevaren, afkomstig van verwanten, vreemdelingen, machthebbers en uiteindelijk van bijna de gehele wereld. Maar nog zwaarder dan dit alles drukte hem de zorg voor de Kerken en het verdriet om allen die ten val kwamen. Daarom vloeiden dag en nacht de tranen uit zijn ogen, en daarom riep hij uit: Mijn kinderen, om wie ik opnieuw barensweeën doorsta.
Wie zal men na Job nog bewonderen, zo niet Mozes? Ook hem overtreft Paulus door de verhevenheid van zijn deugd. Mozes heeft vele grote dingen verricht, maar het hoogtepunt van zijn heilige ziel was dat hij liever uit het boek des levens geschrapt wilde worden dan zijn volk verloren te zien gaan. Paulus echter ging nog verder. Mozes wilde met zijn volk verloren gaan; Paulus was bereid zelf de eeuwige heerlijkheid prijs te geven, opdat anderen behouden zouden worden. Mozes streed tegen Farao, Paulus streed dagelijks tegen de duivel. Mozes vocht voor één volk, Paulus voor de gehele wereld, niet met het zweet van zijn arbeid alleen, maar met zijn bloed, dat als zweet onophoudelijk vloeide. Hij bracht niet alleen de Grieken, maar ook de barbaren, niet alleen de steden, maar zelfs de woestijnen tot de dienst van Christus.
Ik zou ook Jozua, Samuël en de overige profeten kunnen noemen. Maar om mijn rede niet eindeloos te maken, ga ik liever onmiddellijk over tot hen die onder allen de hoogste plaats innemen. Indien Paulus ook hen overtreft, behoeft men over de anderen niet meer te twijfelen.
Wie zijn dat anders dan David, Elia en Johannes de Doper? David munt uit door zijn nederigheid en zijn vurige liefde tot God. Maar wie heeft deze beide deugden in hogere mate bezeten dan Paulus? Elia bewonder ik niet in de eerste plaats omdat hij de hemel sloot, de hongersnood bracht of vuur uit de hemel afriep, maar omdat hij brandde van ijver voor God. Toch zal ieder die de ijver van Paulus aandachtig beschouwt erkennen dat deze nog groter was. Welke woorden zijn te vergelijken met zijn uitroep: Ik zou zelf wel verbannen willen zijn van Christus ten bate van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees. Om hun behoud stelde hij zelfs de hemelse heerlijkheid uit en schreef hij: In het vlees te blijven is noodzakelijk om uwentwil. Zijn liefde tot Christus en tot de mensen was zo groot, dat geen geschapen werkelijkheid haar kon uitdrukken. Daarom moest hij woorden zoeken die boven de gewone menselijke taal uitgaan.
Johannes de Doper leefde van sprinkhanen en wilde honing. Paulus leefde midden in het rumoer van de wereld alsof hij in de stilte van de woestijn verbleef. Zijn voedsel was nog eenvoudiger, want dikwijls gunde hij zich niet eens het noodzakelijke brood, geheel opgenomen als hij was in de arbeid van het Evangelie. Johannes toonde grote moed tegenover Herodes; Paulus berispte niet één, twee of drie machthebbers, maar talloze vorsten en tirannen, die nog veel wreder waren dan Herodes.
Nu moeten wij Paulus zelfs met de engelen vergelijken en onze blik van de aarde naar de hemel verheffen. Laat niemand dit vermetel noemen. Wanneer de Schrift Johannes de Doper en ook de priesters engelen noemt, waarom zouden wij Paulus dan niet naast de engelen plaatsen?
Waarin bestaat de grootheid van de engelen? Daarin dat zij Gods wil volmaakt volbrengen. Daarom zingt de psalmist: Gij machtige helden, die Zijn woord volbrengt. Juist daarin blinkt ook Paulus uit. Hij vervulde niet alleen Gods geboden, maar ging zelfs verder dan wat hem bevolen was. Daarom zegt hij: Welke is dan mijn beloning? Dat ik het Evangelie kosteloos verkondig. En wanneer de Schrift de engelen noemt geesten en een verterend vuur, dan vinden wij ook dat in Paulus terug. Als een vuur trok hij over de gehele aarde en zuiverde haar door zijn prediking. Als een geest snelde hij overal heen en bracht hij overal het licht van Christus. Hoewel hij nog op aarde leefde en een sterfelijk lichaam droeg, wedijverde hij reeds met de hemelse machten.
Hoe groot zal dan onze veroordeling zijn, indien één mens alle deugden in zich verenigde en wij niet eens proberen ook maar een klein deel daarvan na te volgen? Laten wij daarom deze dingen voortdurend overwegen. Laten wij ons beijveren Paulus na te volgen in zijn ijver, zijn liefde en zijn volharding, opdat ook wij eenmaal de goederen mogen verkrijgen die hem ten deel zijn gevallen, door de genade en barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, aan Wie heerlijkheid en heerschappij toekomen in de eeuwen der eeuwen. Amen.