IN DIE TIJD ging Jezus naar een stad, die Naïm heette, en Hij was vergezeld van zijn leerlingen en een talrijke menigte. Toen Hij nu de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, een enige zoon van zijn moeder, en deze was weduwe, en een grote menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, kreeg Hij innig medelijden met haar en zei tot haar: Ween niet! Dan kwam Hij naderbij en raakte de lijkbaar aan. De dragers bleven stilstaan. Vervolgens sprak Hij: Jongeling, Ik zeg u: sta op! En de dode ging overeind zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem terug aan zijn moeder. En vrees greep allen aan, en zij verheerlijkten God en zeiden: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft zijn volk bezocht.
Deze echter was reeds niet meer in het huis, maar toch nog niet in het graf. Hij was buiten de muren gedragen, maar nog niet aan de aarde toevertrouwd. H. Augustinus, Sermo 98. De opwekking van de jongeling van Naïn, Meester van de Darmstädter Passion, ca. 1435, Bayerische Staatsgemäldesammlungen.
H. Augustinus over de drie doden die Christus opwekte
Laten wij dan zien wat Hij ons wilde leren in de drie doden die Hij heeft opgewekt. Hij wekte de gestorven dochter van de overste der synagoge op, tot wie Hij, toen zij ziek was, werd geroepen om haar van haar ziekte te bevrijden. En terwijl Hij onderweg was, werd bericht dat zij gestorven was. Alsof Hij nu tevergeefs nog moeite zou doen, werd aan haar vader gezegd: Het meisje is gestorven, waarom valt gij de Meester nog lastig? Maar Hij ging verder en zei tot de vader van het meisje: Vrees niet, geloof slechts. Hij kwam bij het huis en vond dat de voorbereidingen voor de begrafenis reeds waren getroffen. En Hij zei tot hen: Weent niet, want het meisje is niet gestorven, maar slaapt. Hij sprak de waarheid. Zij sliep, maar voor Hem door wie zij kon worden gewekt. Hij wekte haar op en gaf haar levend aan haar ouders terug. Hij wekte ook deze jongeling op, de zoon van de weduwe, over wie wij nu zijn vermaand, opdat wij naar aanleiding hiervan met uw Liefde zouden spreken over hetgeen Hijzelf ons verwaardigt te schenken. Zojuist hebt gij gehoord hoe hij werd opgewekt. De Heer naderde de stad en zie, een dode werd reeds buiten de poort gedragen. Bewogen door medelijden, omdat zijn moeder, een weduwe en van haar enige zoon beroofd, weende, deed Hij wat gij gehoord hebt en sprak: Jongeling, tot u zeg Ik, sta op. Die dode stond op, begon te spreken en Hij gaf hem aan zijn moeder terug. Hij wekte ook Lazarus uit het graf op. Toen de leerlingen met wie Hij sprak wisten dat Lazarus ziek was, hij was Hem immers dierbaar, zei Hij: Lazarus, onze vriend, slaapt. Zij meenden dat de slaap de zieke tot heil zou zijn en zeiden: Heer, indien hij slaapt, zal hij genezen. En Hij zei, nu duidelijker sprekend: Lazarus, onze vriend, is gestorven. Beide waren waar: voor u is hij gestorven, voor Mij slaapt hij. Deze drie soorten doden zijn drie soorten zondaars, die Christus ook heden nog opwekt. De gestorven dochter van de overste der synagoge was binnen in het huis. Zij was nog niet vanuit de beslotenheid van de muren naar buiten in het openbaar gedragen. Daar binnen werd zij opgewekt en levend aan haar ouders teruggegeven. Deze echter was reeds niet meer in het huis, maar toch nog niet in het graf. Hij was buiten de muren gedragen, maar nog niet aan de aarde toevertrouwd. Hij die de gestorvene opwekte die nog niet naar buiten was gedragen, wekte ook de gestorvene op die reeds naar buiten was gedragen, maar nog niet begraven. Er bleef nog een derde over, namelijk dat Hij ook een begravene zou opwekken. En dit deed Hij met Lazarus. Er zijn dus mensen die de zonde binnen in hun hart hebben, maar nog niet in de daad. Iemand is bewogen door een zekere begeerte. De Heer zelf zegt immers: Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft reeds overspel met haar gepleegd in zijn hart. Hij is haar lichamelijk nog niet genaderd, maar heeft in zijn hart toegestemd. Hij heeft de dode binnen in zich, maar heeft hem nog niet naar buiten gedragen. En zoals het gebeurt, zoals wij weten en zoals de mensen het dagelijks in zichzelf ervaren, wordt soms, wanneer het woord van God wordt gehoord, als het ware wanneer de Heer zegt: Sta op, de instemming met de ongerechtigheid veroordeeld en herleeft men tot heil en gerechtigheid. De dode staat op in het huis, het hart herleeft in het verborgene van de gedachte. Deze verrijzenis van de gestorven ziel heeft binnen, in de verborgenheid van het geweten, als het ware binnen de muren van het huis, plaatsgevonden. Anderen gaan na hun instemming over tot de daad, als het ware de dode naar buiten dragend, zodat hetgeen in het verborgene verborgen lag, in het openbaar verschijnt. Zijn dan zij die reeds tot de daad zijn overgegaan zonder hoop? Werd ook tot die jongeling niet gezegd: Tot u zeg Ik, sta op? Werd ook hij niet aan zijn moeder teruggegeven? Zo wordt ook hij die de daad reeds heeft bedreven, indien hij, vermaand en bewogen door het woord der waarheid, op de stem van Christus verrijst, levend teruggegeven. Hij kon verder voortgaan, maar voor eeuwig verloren gaan kon hij niet. Maar zij die, door het kwade te doen, zich ook in een slechte gewoonte verstrikken, zodat die gewoonte van het kwaad hun niet meer toestaat te zien dat het kwaad is, worden verdedigers van hun slechte daden. Zij worden toornig wanneer zij worden berispt, zozeer dat de inwoners van Sodom eens tot de rechtvaardige man die hun zeer slechte wil berispte, zeiden: Gij zijt hier komen wonen, niet om wetten te stellen. Zo groot was daar de gewoonte van de schandelijke verdorvenheid, dat de slechtheid reeds voor gerechtigheid gold en eerder degene die haar verbood werd berispt dan degene die haar bedreef. Zulke mensen, neergedrukt door een slechte gewoonte, zijn als het ware begraven. Maar wat zal ik zeggen, broeders? Zo begraven dat van Lazarus werd gezegd: Hij riekt reeds. De steen die op het graf was gelegd, is de harde macht van de gewoonte zelf, waardoor de ziel wordt neergedrukt en haar niet wordt toegestaan op te staan of adem te halen. (H. Augustinus, Sermo 98, 4 tot 5)