Pascendi Dominici Gregis
ENCYCLIEK
van Z.H. Pius X
over de leerstellingen der modernisten
Aan alle Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en andere Ordinarii die in vrede en gemeenschap zijn met de H. Stoel.
Eerbiedwaardige Broeders,
Heil en Apostolische Zegen.
Over de belangrijkheid van de moderne dwalingen
Aan de zending die Ons uit de hoge is toevertrouwd om de kudde van de Heer te weiden heeft Jezus Christus als eerste plicht verbonden dat met de uiterste zorg de overgeleverde schat van het geloof wordt bewaard, zowel tegen de aanvallen van profane nieuwigheden in zegswijze als tegen de opwerping van een vals zogenoemde wetenschap.
Ongetwijfeld is er geen eeuw geweest waarin het katholieke volk behoefte had aan een dergelijke waakzaamheid; want nooit heeft het onder inwerking van de vijand van het menselijk geslacht ontbroken aan lieden van verderfelijke taal, verspreiders van nieuwigheden en verleiders, slaven van de dwaling en verleiders tot dwaling. Wij moeten echter bekennen dat in de laatste tijden op verwonderlijke wijze het aantal vijanden van Christus’ Kruis is vermeerderd. Met een geheel nieuwe en uiterst verraderlijke behendigheid leggen zij zich erop toe de levenskrachten van de Kerk te vernietigen en, indien hun dit mogelijk was, het rijk van Christus geheel omver te werpen. Het gaat daarom niet aan langer te zwijgen, willen Wij niet de schijn van ontrouw op Ons laden jegens de allerheiligste van onze plichten en willen Wij niet dat de goedertierenheid waarmee Wij tot nu toe te werk zijn gegaan in de hoop op verbetering, wordt beschouwd als een verwaarlozing van Onze taak.
Wat Ons voornamelijk noodzaakt zonder vertraging Onze stem te verheffen is het feit dat de dwaalleraren heden ten dage niet enkel moeten worden gezocht onder de erkende vijanden. Zij schuilen, gelijk reeds werd opgemerkt, in de schoot zelf en in het hart van de Kerk, en zijn des te geduchter naarmate zij minder openlijk optreden. Wij spreken hier, Eerwaarde Broeders, over velen die behoren tot het getal van katholieke leken en, wat nog meer te betreuren valt, tot de schare van priesters. Onder de schijn van liefde voor de Kerk, zonder ernstige kennis van wijsbegeerte en theologie, maar integendeel doordrongen van het venijn van de dwaling dat zij hebben geput bij de tegenstanders van de Kerk, werpen zij zich met verachting van alle bescheidenheid op als vernieuwers van diezelfde Kerk. In aaneengesloten rijen vallen zij onbeschaamd het heiligste aan in het werk van Jezus Christus, zonder eerbied voor de Persoon van de goddelijke Verlosser Zelf, die zij in heiligschennende vermetelheid verlagen tot een gewoon mens.
Deze lieden mogen zich erover verwonderen dat Wij hen rangschikken onder de vijanden van de Kerk. Maar niemand zal zich daarover met reden verwonderen die, met terzijdestelling van hun bedoelingen waarover alleen God het oordeel toekomt, hun leerstellingen onderzoekt en hun wijze van spreken en handelen beziet.
Waarlijk, wie zegt dat zij de gevaarlijkste vijanden van de Kerk zijn wijkt niet van de waarheid af. Want niet van buiten maar van binnen arbeiden zij aan de ondergang van de Kerk. Het gevaar zetelt als het ware in haar ingewanden en aderen, en het onheil dat zij aanrichten is des te zekerder naarmate zij de Kerk beter kennen. Zij hebben niet aan de takken of de loten maar aan de wortel zelf, dat wil zeggen aan het geloof en aan zijn diepste vezels, de bijl geslagen. Is eenmaal deze wortel van onsterfelijk leven aangetast, dan trachten zij het vergif door de gehele boom te verspreiden. Geen onderdeel van het katholieke geloof is veilig voor hun hand, geen onderdeel dat zij niet trachten te bederven.
Terwijl zij langs duizend wegen hun heilloos doel nastreven is niets zo listig en zo trouweloos als hun handelwijze. De rationalist en de katholiek verenigen zij in zich, en dit doen zij met zulk een sluwe behendigheid dat zij niet waakzame geesten gemakkelijk op een dwaalspoor brengen. Vol vermetelheid in hun optreden deinzen zij voor geen gevolgtrekking terug, maar houden deze op hoge toon en met hardnekkigheid staande.
Daarbij leiden zij een uiterst werkzaam leven en tonen zij een buitengewone toewijding en ijver in de studie van allerlei wetenschappen. Hun zeden verdienen doorgaans lof wegens hun gestrengheid. Tenslotte, en dit neemt bijna alle hoop op genezing weg, zijn zij zó overtuigd van de voortreffelijkheid van hun leerstellingen dat zij verachters zijn geworden van alle gezag en weerspannig tegen ieder juk. Door een vals geweten geleid schrijven zij aan louter ijver voor de waarheid toe wat in werkelijkheid het werk is van koppigheid en hoogmoed.
Wij hadden gehoopt deze mensen te eniger tijd tot betere inzichten te brengen. Daarom hebben Wij te hunnen opzichte eerst zachtheid gebruikt als jegens kinderen, vervolgens gestrengheid, en tenslotte, zij het zeer tegen Onze zin, openbare bestraffingen.
De onvruchtbaarheid van Onze pogingen is u niet onbekend gebleven, Eerwaarde Broeders. Zij buigen een ogenblik het hoofd om het spoedig weer met nog grotere hoogmoed op te heffen. Indien het slechts hun eigen belangen gold zouden Wij wellicht kunnen zwijgen. Maar de katholieke godsdienst en zijn veiligheid staan op het spel. Daarom is het nodig het stilzwijgen, dat van nu af aan een misdaad zou zijn, te verbreken en het masker van deze lieden af te nemen, opdat de gehele Kerk hen zie zoals zij werkelijk zijn.
Indeling van de Encycliek
Daar het behoort tot de tactiek, in waarheid een zeer listige tactiek, der modernisten, zo worden zij gewoonlijk en niet zonder reden genoemd, hun leerstellingen niet geordend en tot één geheel samengevoegd te verkondigen maar haar te splitsen en stukgewijs voor te dragen, hetgeen ertoe strekt haar voor zwevend en onbepaald te doen doorgaan terwijl zij integendeel zeer bepaald en beslist zijn, is het vóór alles noodzakelijk dezelfde leerstellingen onder één enkel gezichtspunt te beschouwen en de logische lijn te tonen die ze alle met elkaar verbindt, om vervolgens de oorzaken van de dwalingen te onderzoeken en de middelen voor te schrijven die geschikt zijn om het kwaad te genezen.
EERSTE DEEL
Analyse van de leerstellingen van het modernisme
Ten einde met meer duidelijkheid een stof te behandelen die inderdaad zeer ingewikkeld is, moet allereerst worden opgemerkt dat de modernisten in zich meerdere personen verenigen en als het ware vermengen, namelijk de wijsgeer, de gelovige, de godgeleerde, de geschiedkundige, de criticus, de geloofsverdediger en de hervormer. Het is van belang deze personen wel te onderscheiden indien men hun stelsel grondig wil leren kennen en zich rekenschap wil geven van de beginselen en de gevolgen van hun leerstellingen.
Het modernisme en de wijsbegeerte
Agnosticisme
Om met de wijsbegeerte te beginnen, de modernisten nemen tot grondslag van hun godsdienstfilosofie de leer die algemeen met de naam van agnosticisme wordt aangeduid. Krachtens deze leer wordt de menselijke rede geheel omsloten door de kring van de verschijnselen, dat wil zeggen van de dingen die zichtbaar zijn en juist zoals zij zichtbaar zijn, en zij heeft noch het vermogen noch het recht haar grenzen te overschrijden. Zij is dus niet in staat zich tot God te verheffen, zelfs niet om door middel van de schepselen Gods bestaan te kennen.
Hieruit leiden zij twee dingen af: dat God niet een onmiddellijk onderwerp van wetenschap kan zijn en dat Hij, wat de geschiedenis betreft, niet als een historisch persoon kan worden beschouwd. Wat wordt dan van de natuurlijke Godskennis, wat van de redenen waarop het geloof steunt, wat van de uitwendige openbaring? Het valt gemakkelijk te begrijpen. Zij schrappen het een en het ander en verwijzen het naar het intellectualisme, een stelsel dat, naar hun zeggen, slechts een medelijdend lachje opwekt en reeds lang is verouderd.
Niets houdt hen tegen, zelfs niet de veroordelingen waarmee de Kerk deze dwalingen heeft getroffen; want het Vaticaans Concilie heeft verklaard dat indien iemand zou zeggen dat het natuurlijke licht van de menselijke rede onbekwaam is om door middel van de geschapen dingen de ene en ware God, onze Schepper en Heer, te leren kennen, hij vervloekt zij. En verder dat indien iemand zou zeggen dat het onmogelijk of niet nuttig is dat de mens langs de weg van de goddelijke openbaring wordt onderricht betreffende de eredienst. En eindelijk dat indien iemand zou zeggen dat de goddelijke openbaring door uitwendige tekenen niet geloofwaardig kan worden gemaakt en dat de mens alleen door persoonlijke ervaring of bijzondere ingeving tot geloof kan worden gebracht, hij vervloekt zij.
Hoe gaan de modernisten nu van het agnosticisme, dat bestaat in het niet weten, over tot het wetenschappelijke en historische atheïsme, dat bestaat in ontkennen? Door welke redenering komen zij ertoe, indien zij niet weten of God heeft ingegrepen in de geschiedenis van het menselijk geslacht, deze geschiedenis geheel te verklaren buiten God om, alsof Hij er in werkelijkheid geen aandeel in heeft gehad? Wie dit vermag te begrijpen, hij trachte het.
Voor hen staat in elk geval één zaak vast: dat de wetenschap atheïstisch moet zijn evenals de geschiedenis. In de ene als in de andere is slechts plaats voor verschijnselen; God en het goddelijke zijn eruit verbannen. Welke gevolgtrekkingen hieruit voortvloeien ten aanzien van de heilige Persoon van de Verlosser, van de mysteriën van Zijn leven en dood, van Zijn Verrijzenis en glorierijke Hemelvaart, zullen wij aanstonds zien.
De immanentieleer
Het agnosticisme is slechts de negatieve zijde van de leer der modernisten; de positieve zijde wordt gevormd door hetgeen de vitale immanentie wordt genoemd. Langs deze weg gaan zij van het ene tot het andere over.
Of de godsdienst natuurlijk is of bovennatuurlijk, hij eist, gelijk elk ander feit, een verklaring. Maar wanneer de natuurlijke Godskennis is verworpen en iedere toegang tot de openbaring is afgesloten door de verwerping van de gronden waarop het geloof steunt, ja zelfs iedere uitwendige openbaring volstrekt wordt geloochend, dan is het duidelijk dat deze verklaring niet buiten de mens kan worden gezocht. Zij moet zich derhalve in de mens bevinden, en daar de godsdienst een levensvorm is, in het leven zelf van de mens. Zie daar de godsdienstige immanentie.
Van elk levensverschijnsel, en dat is de godsdienst, gelijk reeds gezegd werd, is de eerste drijfkracht een noodzakelijkheid, een behoefte; en de eerste uiting is een beweging van het hart die gevoel wordt genoemd. Daar het voorwerp van de godsdienst God is, volgt hieruit dat het geloof, begin en grondslag van elke godsdienst, bestaat in een innerlijk gevoel dat zelf door de behoefte aan het goddelijke is voortgebracht.
Deze behoefte, die zich slechts verraadt in bepaalde en gunstige omstandigheden, behoort uit zichzelf niet tot het domein van het bewustzijn; in beginsel ligt zij daaronder en, volgens een term uit de moderne wijsbegeerte, in de subconscientie , waar haar wortel verborgen blijft en ontoegankelijk is voor de geest.
Wil men nu weten langs welke weg deze behoefte aan het goddelijke, indien de mens haar ondervindt, zich in godsdienst omzet?
De modernisten antwoorden dat de wetenschap en de geschiedenis worden omsloten door twee grenzen, de ene uitwendig, die van de zichtbare wereld, de andere inwendig, die van het geweten. Wanneer zij deze grenzen hebben bereikt is het haar onmogelijk verder te gaan, want aan gene zijde ligt het onkenbare. Tegenover dit onkenbare, dat volgens hen buiten de mens bestaat aan de overzijde van de zichtbare natuur, en tevens tegenover hetgeen in de mens zelf ligt in de diepten van zijn subconscientie, wekt de behoefte aan het goddelijke zonder enig voorafgaand oordeel in de tot godsdienst geneigde ziel een bijzonder gevoel op.
Dit gevoel heeft het eigenaardige dat het God omvat als voorwerp en innerlijke oorzaak, en dat het in zekere zin de mens met God verenigt. Dit gevoel is, volgens de modernisten, het geloof; en in dit aldus opgevatte geloof zien zij het beginsel van elke godsdienst.
Doch hierbij blijft hun wijsbegeerte niet staan. In het aangeduide gevoel vinden zij niet alleen het geloof maar ook de openbaring. Wat zou men immers meer kunnen verlangen voor de openbaring? Is het gevoel dat zich aan het bewustzijn kenbaar maakt, en God die zich, zij het vaag, in dit gevoel aan de ziel doet kennen, geen openbaring of althans een begin van openbaring? Ja zelfs leert een nadere beschouwing dat, zodra God oorzaak en voorwerp tegelijk is van het geloof, in datzelfde geloof de openbaring tegelijk van God uitgaat en tot God terugkeert, zodat God tegelijk openbaarder en geopenbaarde is.
Hieruit volgt, eerwaarde broeders, het ongerijmde beweren der modernisten dat elke godsdienst tegelijk natuurlijk en bovennatuurlijk zou zijn, naar gelang van het ingenomen gezichtspunt. Hieruit volgt de gelijkstelling van bewustzijn en openbaring. Hieruit tenslotte de wet die van het godsdienstig bewustzijn een algemene regel maakt, gelijkgesteld aan de openbaring zelf, waaraan alles zich moet onderwerpen, zelfs het hoogste gezag in zijn drievoudige uiting op het gebied van leer, eredienst en tucht.
Gevolgen: Misvorming van de geschiedenis van de godsdienst
In geheel dit proces waaruit volgens de leer der modernisten het geloof en de openbaring voortkomen moet vooral één punt van groot gewicht worden opgemerkt wegens de historisch-kritische gevolgen die zij daaruit trekken. Men meent niet dat het onkenbare zich geïsoleerd en van alles ontdaan aan het geloof aanbiedt. Het is integendeel innig verbonden met een verschijnsel dat, al behoort het tot het domein van wetenschap en geschiedenis, toch op enige wijze daarboven uitgaat. Dit kan een feit uit de natuur zijn waarachter enig geheim is verborgen; het kan een mens zijn wiens karakter, daden en woorden schijnen af te wijken van de algemene wetten der geschiedenis.
Wanneer het onkenbare in verbinding met een verschijnsel het geloof heeft opgewekt, strekt dit geloof zich ook over het verschijnsel zelf uit om het als het ware met eigen leven te doordringen. Hieruit vloeien twee gevolgen voort. Ten eerste ondergaat het verschijnsel een zekere transfiguratie doordat het door het geloof boven zichzelf en zijn eigen werkelijkheid wordt verheven. Het geloof past het verschijnsel aan aan de goddelijke vorm die het eraan wil geven.
Ten tweede treedt een zekere vervorming van het verschijnsel op. Het geloof onttrekt het aan de wetten van tijd en ruimte en kent eraan toe wat het in werkelijkheid niet bezit. Dit geschiedt vooral wanneer het een verschijnsel uit het verleden betreft, en des te gemakkelijker naarmate dit verschijnsel verder in de tijd is verwijderd.
Uit deze dubbele werkwijze leiden de modernisten twee wetten af, die, gevoegd bij een derde welke het agnosticisme reeds leverde, als het ware de grondslag vormen van hun historische kritiek. Een voorbeeld moge dit verduidelijken, en Christus zal dit voorbeeld zijn.
In de persoon van Christus vinden wetenschap en geschiedenis, zo zeggen zij, niets anders dan een mens. Uit zijn geschiedenis moet dus krachtens de eerste wet, die op het agnosticisme berust, elk karakter van goddelijkheid worden verwijderd.
Krachtens de tweede wet is de historische persoon van Christus door het geloof getransfigureerd; dus moet ook uit zijn geschiedenis worden geschrapt al wat hem boven de historische wetten verheft.
Tenslotte is de persoon van Christus volgens hen door het geloof vervormd; uit zijn geschiedenis moeten daarom, krachtens de derde wet, ook zijn woorden, zijn daden, ja alles wat niet in overeenstemming wordt geacht met zijn karakter, zijn omstandigheden, zijn opvoeding en met de plaats en de tijd waarin hij leefde, worden verwijderd.
Deze redenering moge vreemd schijnen, maar zo luidt de kritiek der modernisten.
Het godsdienstig gevoel dat aldus langs de weg der vitale immanentie uit de diepten van de subconscientie naar boven komt is de kiem van alle godsdienst, gelijk het de oorzaak is geweest van alles wat in enige godsdienst ooit is geweest of nog zal zijn.
Oorspronkelijk duister en bijna vormeloos heeft dit gevoel zich ontwikkeld onder de geheimzinnige invloed van het beginsel waaraan het zijn ontstaan dankt, en tegelijk met het menselijk leven dat, naar hun leer, zelf een verschijningsvorm is.
Zo zijn alle godsdiensten ontstaan, ook de bovennatuurlijke; alle zijn zij slechts ontwikkelingen van dit godsdienstig gevoel.
Men verwachtte wellicht een uitzondering ten gunste van de katholieke godsdienst. Doch ook deze wordt met de overige op gelijke voet gesteld. Haar oorsprong zou gelegen hebben in het bewustzijn van Jezus Christus, een mens van uitnemende natuur, gelijk er nooit een geleefd heeft en nooit meer een zal komen. Ook bij Hem zou zij zijn geboren uit geen ander beginsel dan de vitale immanentie.
Men staat verbaasd over zulk een vermetelheid in bewering en over zulk een lichtvaardigheid in grondstelling. En het zijn niet uitsluitend ongelovigen, eerbiedwaardige broeders, die dergelijke stellingen verkondigen; het zijn katholieken, het zijn zelfs priesters, en nog wel talrijke priesters, die haar openlijk verdedigen.
En toch verwonderen zij zich dat Wij hen rangschikken onder de vijanden der Kerk. Niemand zal zich daarover met reden verwonderen die, afgezien van hun bedoelingen waarover alleen God oordeelt, hun leerstellingen onderzoekt en hun wijze van spreken en handelen beziet.
Waarlijk, wie zegt dat zij de gevaarlijkste vijanden der Kerk zijn wijkt niet van de waarheid af. Want niet van buiten maar van binnen arbeiden zij aan de ondergang der Kerk. Het gevaar zetelt als het ware in haar ingewanden en aderen en het onheil dat zij aanrichten is des te zekerder naarmate zij de Kerk beter kennen.
Zij hebben niet aan de takken of de loten maar aan de wortel zelf, dat is aan het geloof en zijn diepste vezels, de bijl geslagen. Nadat zij deze wortel van onsterfelijk leven hebben aangetast leggen zij er zich op toe het vergif door de gehele boom te verspreiden. Geen deel van het katholiek geloof is veilig voor hun hand, geen deel dat zij niet trachten te bederven.
Terwijl zij langs duizend wegen hun heilloos doel vervolgen is niets zo listig en zo trouweloos als hun handelwijze. De rationalist en de katholiek verenigen zij in zich en doen dit met zulk een sluwe behendigheid dat zij niet waakzame geesten gemakkelijk op een dwaalspoor brengen.
Vol eerzucht en vermetelheid deinzen zij voor geen gevolgtrekking terug en houden deze met hardnekkigheid staande. Daarbij leiden zij een uiterst werkzaam leven en tonen zij een grote toewijding en ijver in de studie van vele wetenschappen, terwijl hun zeden doorgaans lof verdienen wegens hun gestrengheid.
Tenslotte, en dit ontneemt bijna alle hoop op genezing, zijn zij zo overtuigd van de voortreffelijkheid van hun eigen leerstellingen dat zij verachters zijn geworden van alle gezag en weerbarstig tegen elke tucht. Door een vals geweten geleid schrijven zij aan louter ijver voor de waarheid toe wat in werkelijkheid het werk is van koppigheid en hoogmoed.
Wij hadden gehoopt deze mensen te eniger tijd tot betere inzichten te brengen. Daarom hebben Wij jegens hen eerst zachtheid gebruikt als jegens kinderen, daarna gestrengheid, en tenslotte, zeer tegen Onze zin, openlijke bestraffingen.
De onvruchtbaarheid van Onze pogingen is u niet onbekend gebleven, eerbiedwaardige broeders. Zij buigen een ogenblik het hoofd om het spoedig weer met nog grotere hoogmoed op te heffen. Indien het slechts hun eigen belang gold zouden Wij wellicht kunnen zwijgen. Maar de katholieke godsdienst en zijn veiligheid staan op het spel.
Daarom is het nodig het stilzwijgen, dat van nu af een misdaad zou zijn, te verbreken en het masker van deze lieden af te nemen opdat de gehele Kerk hen zie zoals zij zijn.
Indeling der Encycliek
Daar het behoort tot de tactiek, in waarheid een zeer listige tactiek, der modernisten hun leerstellingen niet geordend en als één geheel voor te dragen maar ze te verdelen en stuk voor stuk te verspreiden, is het noodzakelijk ook dit punt nauwkeurig te onderzoeken.
Dit betreft de dogmatische formules. Zij zijn volgens de modernisten niet anders dan uitdrukkingen van het godsdienstig gevoel. Dit is niet moeilijk te begrijpen wanneer men let op hun doel, namelijk de gelovige een middel te verschaffen om zich van zijn geloof rekenschap te geven. Zij vormen daarom tussen de gelovige en zijn geloof een tussenschakel. Met betrekking tot het geloof zijn zij slechts ontoereikende tekenen van hun voorwerp, of eenvoudiger gezegd symbolen. Met betrekking tot de gelovige zijn zij slechts hulpmiddelen.
Hieruit volgt dat zij geen volstrekte waarheid bevatten. Als symbolen zijn zij voorstellingen van de waarheid die zich moeten aanpassen aan het godsdienstig gevoel in zijn verhouding tot de mens. Als hulpmiddelen moeten zij zich wederzijds aanpassen aan de mens in zijn verhouding tot datzelfde godsdienstig gevoel.
Daar het absolute dat het voorwerp van dit gevoel uitmaakt onder oneindig vele vormen kan verschijnen en de gelovige zich onder verschillende omstandigheden kan ontwikkelen, volgt dat ook de dogmatische formules aan dezelfde veranderlijkheid onderworpen zijn. Zij delen in die onbestendigheid. Zo wordt de weg geopend tot de wezenlijke verandering van kerkelijke leerstukken. Een opeenstapeling van sofismen waarin elke godsdienst zijn ondergang vindt.
Niet alleen kan het dogma zich ontwikkelen en veranderen, het moet dit zelfs, zo beweren de modernisten met nadruk, en dit vloeit noodzakelijk voort uit hun beginselen.
De formules van de godsdienst moeten, om werkelijk godsdienstig te zijn en niet louter theologische bespiegelingen, leven bezitten, en wel het leven van het godsdienstig gevoel. Dit is een hoofdstelling van hun leer en volgt uit het beginsel van de vitale immanentie.
Dit betekent niet dat de formules noodzakelijkerwijze uit het gevoel zelf moeten worden voortgebracht, noch dat zij hun oorsprong in de verbeelding moeten vinden. Hun oorsprong, hun aantal en zelfs tot op zekere hoogte hun aard doen weinig ter zake. Wat noodzakelijk is, is dat het gevoel, nadat het de formules naar behoefte heeft gewijzigd, ze levend in zich opneemt.
Dit houdt in dat de oorspronkelijke formule moet worden aangenomen en bekrachtigd door het hart en dat ook de daaropvolgende werkzaamheid waaruit nieuwe hulpformules ontstaan onder de drang van het hart geschiedt.
Juist om levend te zijn en te blijven is het nodig dat de formules zich aanpassen aan de gelovige en aan zijn geloof. Zodra deze aanpassing ophoudt verliezen zij hun oorspronkelijke inhoud en blijft er niets anders over dan ze te veranderen.
Gegeven dit onzekere en veranderlijke karakter van de dogmatische formules is het begrijpelijk dat de modernisten ze gering achten en zelfs verachten. Onophoudelijk spreken zij over het godsdienstig gevoel en het godsdienstig leven en prijzen dit zonder ophouden.
Tegelijk verwijten zij de Kerk dat zij een verkeerde weg volgt, omdat zij geen onderscheid zou maken tussen de uiterlijke betekenis van de dogma’s en hun godsdienstige en zedelijke zin, en halsstarrig zou vasthouden aan ijdele formules terwijl zij de godsdienst zelf laat ondergaan.
Zij noemen haar blind, opgeblazen door een hoogmoedige wetenschap, tot dwaasheid gekomen door het eeuwig begrip der waarheid omver te werpen samen met de wezenlijke aard van het godsdienstig gevoel. Zij noemen haar uitvindster van een stelsel dat toont hoe zij, beheerst door een blinde en teugelloze liefde voor nieuwigheden, geen vast steunpunt in de waarheid zoekt maar met verachting van de heilige en apostolische traditie andere wisselvallige leerstellingen aanhangt, welke door de Kerk veroordeeld zijn en waarop zij, vol zelfgenoegzaamheid, beweert dat de waarheid rust en standhoudt.
Het geloof bij de modernist
De individuele ervaring als bron der godsdienstige zekerheid
Zodanig, eerbiedwaardige broeders, is de modernistische wijsgeer. Gaan wij nu over tot de gelovige en willen wij weten waarin hij zich bij de modernist onderscheidt van de wijsgeer, dan valt allereerst op te merken dat de wijsgeer wel de goddelijke werkelijkheid toekent als voorwerp van het geloof, maar dat voor hem deze werkelijkheid nergens anders bestaat dan in de ziel van de gelovige, dat wil zeggen als voorwerp van gevoel en bevestiging, hetgeen in feite niet buiten de wereld der verschijnselen treedt.
Of God in Zich bestaat, buiten het gevoel en buiten de bevestigingen, daarom bekommert hij zich niet; hij laat dit geheel buiten beschouwing.
Voor de gelovige daarentegen bestaat God in Zich, onafhankelijk van hem. Hij heeft daarvan de zekerheid, en hierin onderscheidt hij zich van de wijsgeer.
Vraagt men waarop deze zekerheid uiteindelijk berust, dan antwoorden de modernisten dat zij berust op de individuele ervaring. Zo verwijderen zij zich van de rationalisten, maar hellen over naar de leer der protestanten en der pseudo-mystieken. Aldus verklaren zij hun standpunt.
Dringt men door in het godsdienstig gevoel, dan ontdekt men, zo zeggen zij, een zekere intuïtie van het hart waardoor de mens zonder tussenmiddel geraakt tot de werkelijkheid van God zelf. Vandaar een zekerheid die elke wetenschappelijke zekerheid verre overtreft.
Dat is volgens hen een ware ervaring, verheven boven alle verstandelijke ervaring. Velen miskennen en loochenen haar, zoals de rationalisten, maar dit geschiedt eenvoudig omdat zij weigeren zich te plaatsen onder de morele voorwaarden die zij vereist. Wie deze ervaring bezit, wordt daardoor wezenlijk en waarachtig gelovige.
Hoezeer dit alles strijdig is met het katholieke geloof hebben wij reeds gezien in een decreet van het Vaticaans Concilie. Hoezeer hierdoor de weg naar het atheïsme wordt geopend, gelijk ook door andere reeds uiteengezette dwalingen, zullen Wij later aantonen.
Wat hier moet worden opgemerkt is dit: dat de leer van de ervaring, gevoegd bij die van het symbolisme, ertoe leidt elke godsdienst als waar te erkennen, zonder zelfs de heidense godsdiensten uit te sluiten.
Treft men niet in alle godsdiensten ervaringen van deze aard aan? Velen beweren het. Met welk recht zouden de modernisten dan de waarheid ontzeggen aan de godsdienstige ervaringen die bijvoorbeeld in de islam worden aangetroffen? En krachtens welk beginsel zouden zij aan de katholieken het alleenbezit van ware ervaringen toekennen? Zij wachten zich daarvoor. Sommigen doen dit half bedektelijk, anderen openlijk; allen houden in feite alle godsdiensten voor waar. Dat is een noodzakelijk gevolg van hun stelsel.
Want hoe zouden zij, uitgaande van hun beginselen, een godsdienst van valsheid kunnen beschuldigen? Slechts indien het gevoel vals was of de formule onjuist. Maar volgens hen is het gevoel altijd en overal hetzelfde, in wezen identiek. Wat de godsdienstige formule betreft, daarvan wordt slechts verlangd dat zij zich aanpast aan de gelovige, dat wil zeggen aan zijn verstandelijk peil, en tevens aan zijn geloof.
In deze vermenging der godsdiensten zouden zij hoogstens ten gunste van de katholieke godsdienst kunnen aanvoeren dat hij meer waar is omdat hij meer levend is, en dat hij de naam van christelijk meer verdient omdat hij beter dan andere beantwoordt aan de oorsprong van het christendom.
Dergelijke gevolgtrekkingen kunnen niet verwonderen; zij vloeien noodzakelijk voort uit de beginselen. Het is echter zonderling dat katholieken, dat priesters zelfs, van wie men mocht verwachten dat zij voor zulke leerstellingen afgrijzen zouden hebben, zich in de praktijk gedragen alsof zij deze goedkeurden; dat zij lof en hulde brengen aan de leiders der dwaling, zodat men zou kunnen menen dat zij minder de personen zelf willen eren dan wel de dwalingen waarvan dezen de openlijke verdedigers zijn.
De godsdienstige ervaring en de overlevering
Een ander punt waarop de modernisten in duidelijke tegenspraak komen met het katholieke geloof is hun toepassing van het beginsel der godsdienstige ervaring op de traditie. De traditie zoals de Kerk die verstaat wordt daardoor geheel ondermijnd.
Wat is volgens hen de traditie? De mededeling aan anderen van een oorspronkelijke ervaring door middel van prediking en door de verstandelijke formule. Aan deze formule schrijven zij behalve een voorstellende ook een suggestieve kracht toe. Zij werkt in op de gelovige om het godsdienstig gevoel, misschien verzwakt, opnieuw op te wekken en om het herhalen van eerdere ervaringen te vergemakkelijken. Zij werkt ook in op de niet-gelovige om in hem het godsdienstig gevoel te doen ontstaan en hem te brengen tot de ervaring die men verlangt.
Zo plant de godsdienstige ervaring zich voort onder de volken, niet alleen door de prediking onder tijdgenoten, maar ook van geslacht tot geslacht, door geschrift of door mondelinge overlevering.
Deze mededeling van ervaringen ondergaat wisselende lotgevallen. Soms wortelt zij en blijft zij bestaan; soms verzwakt zij en sterft zij weg.
Aan deze proef, want voor de modernisten vallen leven en waarheid samen, toetsen zij de waarheid der godsdiensten. Leeft een godsdienst, dan is hij waar; ware hij niet waar, dan zou hij niet leven. En zo besluiten zij dat alle bestaande godsdiensten waar zijn.
De modernistische godgeleerde
Wat de immanentie betreft is het moeilijk de ware gedachte der modernisten te bepalen, zo uiteenlopend zijn hun opvattingen. Sommigen verstaan haar aldus dat God meer aanwezig is in de mens dan deze in zichzelf, hetgeen bij juiste uitleg onberispelijk kan zijn. Anderen willen dat Gods werkzaamheid één is met die van de natuur, zodat de eerste oorzaak de tweede doordringt, wat in werkelijkheid de ondergang van de bovennatuurlijke orde betekent. Weer anderen drukken zich zo uit dat zij verdacht worden van pantheïsme; dezen zijn in hun stelsel ten minste logisch.
Aan dit beginsel van immanentie verbinden zij een ander dat men de goddelijke permanentie kan noemen. Het verschilt van het eerste ongeveer zoals de door traditie overgeleverde ervaring verschilt van de gewone persoonlijke ervaring.
Een voorbeeld zal dit verduidelijken, genomen uit de Kerk en de Sacramenten. Men moet zich niet voorstellen, zeggen zij, dat de Sacramenten en de Kerk rechtstreeks door Jezus Christus zijn ingesteld. Dit zou in strijd zijn met het agnosticisme dat in Jezus Christus slechts een mens ziet, wiens godsdienstig bewustzijn zich geleidelijk heeft ontwikkeld; met de wet van immanentie die elke uitwendige toevoeging verwerpt; met de wet van evolutie die tijd vereist voor de ontplooiing van kiemen; en met de geschiedenis die volgens hen getuigt dat de feiten zich hebben voltrokken overeenkomstig deze wetten.
Niettemin moet worden erkend dat de Kerk en de Sacramenten middellijk van Jezus Christus uitgaan. Alle christelijke gewetens waren op zekere wijze begrepen in het geweten van Christus, zoals de plant aanwezig is in haar kiem. Gelijk de takken leven uit het leven van de kiem, zo leven alle christenen uit het leven van Jezus Christus; en aangezien dit leven volgens het geloof goddelijk is, zal ook het leven der christenen goddelijk zijn. Indien nu het christelijke leven in de loop der tijden aanleiding gaf tot het ontstaan van de Sacramenten en van de Kerk, dan kan men verklaren dat hun oorsprong uit Jezus Christus voortkomt en dat deze oorsprong goddelijk is.
Op dezelfde wijze wordt ook aan de Heilige Schrift en aan de dogma’s een goddelijke oorsprong toegekend. Daarop beperkt zich vrijwel de theologie der modernisten, lichte bagage ongetwijfeld, maar voldoende voor wie oordeelt dat het geloof zich steeds aan de wetenschap moet onderwerpen.
Wat van het dogma en de Sacramenten wordt
Tot dusver hebben wij vooral gesproken over de oorsprong en de aard van het geloof. In het stelsel der modernisten heeft het geloof echter verschillende uitwerkingen: de Kerk, het dogma, de eredienst en de Heilige Schrift. Wat het dogma betreft, dit hangt zo nauw samen met het geloof dat wij reeds zijn oorsprong en aard hebben moeten uiteenzetten. Het ontstaat uit de behoefte van de gelovige om zich rekenschap te geven van zijn godsdienstige gedachte en om zijn eigen bewustzijn en dat van anderen meer en meer te verhelderen. Deze arbeid bestaat niet in een louter logische ontwikkeling, maar wordt geheel beheerst door de omstandigheden; zij noemen dit een vitaal proces.
Rond de oorspronkelijke formule ontstaan geleidelijk bijkomende formules. Wanneer deze later worden samengevoegd tot een leerstellige constructie en door het openbaar magisterium worden bekrachtigd als overeenstemmend met het gemeenschappelijk bewustzijn, ontvangen zij de naam van dogma. Van het dogma moeten de zuivere theologische bespiegelingen worden onderscheiden. Deze bezitten niet het eigen leven van het dogma, maar hebben volgens hen toch nut: zij dienen om de godsdienst met de wetenschap te verzoenen en botsingen te voorkomen; zij kunnen zelfs voorbereiding zijn voor een toekomstig dogma.
Wat de eredienst betreft, daarin zijn ook de Sacramenten begrepen, en hier verkondigen de modernisten ernstige dwalingen. De eredienst ontstaat uit een dubbele behoefte: om aan de godsdienst een tastbare vorm te geven en om hem te verspreiden, wat niet mogelijk zou zijn zonder zichtbare vormen en heilige handelingen die men Sacramenten noemt.
Voor de modernisten zijn de Sacramenten niets anders dan tekenen of symbolen, die weliswaar een uitwerking hebben, maar slechts in zoverre zij het godsdienstig gevoel opwekken en versterken. Zij vergelijken ze met woorden die krachtig inwerken doordat zij diepe denkbeelden doen uitstralen en de ziel in beweging brengen. Wat zulke woorden zijn voor deze denkbeelden, zijn de Sacramenten voor het godsdienstig gevoel. Niets meer.
Men zou dus kunnen zeggen dat de Sacramenten slechts zijn ingesteld om het geloof te voeden. Deze stelling is veroordeeld door het Concilie van Trente, dat verklaarde dat indien iemand zegt dat de Sacramenten slechts zijn ingesteld om het geloof te voeden, hij vervloekt zij.
De Heilige Boeken
Over de oorsprong en de aard van de Heilige Boeken hebben Wij reeds iets gezegd. Ook zij zijn niet anders dan eenvoudige loten van het geloof. Wil men ze nauwkeurig omschrijven, dan kan men zeggen dat zij de verzameling zijn van de ervaringen die in een bepaalde godsdienst zijn opgedaan: geen ervaringen binnen ieders bereik, geen gewone, maar buitengewone en uitnemende.
Dit wordt gezegd van onze Heilige Boeken van het Oude en het Nieuwe Testament, evenals van andere. En zij voegen er, vanuit hun standpunt, een voorzichtige opmerking aan toe, namelijk dat de ervaring, hoewel zij altijd het tegenwoordige betreft, toch haar stof kan halen uit het verleden en uit de toekomst, aangezien de gelovige onder de vorm van het tegenwoordige leeft en het verleden doet herleven door de herinnering en de toekomst vooruitloopt door een voorziende blik. Vandaar in de Heilige Boeken het historische en het apocalyptische.
God spreekt in die Boeken door het orgaan van de gelovige, maar volgens de moderne theologie langs de weg van immanentie en vitale permanentie. Vraagt men wat ingeving is, dan antwoorden zij dat ingeving niet verschilt, behalve in intensiteit, van de behoefte die iedere gelovige voelt om zijn geloof, schriftelijk of mondeling, aan anderen mee te delen.
Men vindt iets dergelijks in de poëtische bezieling. Men herinnert zich het bekende woord: Een God is in ons; van Hem die ons beweegt, komt deze vlam. Zo verstaan zij dat God het beginsel is van de ingeving der Heilige Boeken. Er is niets in deze Boeken dat aan die ingeving ontsnapt, voegen zij eraan toe; en daarom zoudt gij hen voor orthodoxer kunnen houden dan sommigen van onze tijd die de inspiratie beperken door er bijvoorbeeld van uit te sluiten wat zij zwijgende citaten noemen. Dit is woordenspel en pure schijn.
Als men immers, krachtens het agnosticisme, verklaart dat de Bijbel een menselijk werk is, geschreven door en voor mensen, en hem slechts in theologische zin goddelijk noemt door immanentie, hoe zou men dan nog de ingeving kunnen beperken? Universeel is de ingeving, zo opgevat, in modernistische zin, maar zonder waarde in katholieke zin.
De Kerk
Thans komen Wij tot de Kerk, waarover hun verbeelding overvloediger stof biedt. De Kerk is geboren uit een dubbele behoefte: uit de behoefte die iedere gelovige voelt, vooral wanneer hij een eigen ervaring heeft gehad, om zijn geloof mee te delen; en vervolgens, wanneer het geloof gemeenschappelijk is geworden, uit de behoefte om het te organiseren en te bewaren. Daarom, zeggen zij, moet de Kerk in haar oorsprong niets anders zijn dan de veruitwendiging van het collectieve bewustzijn, dat wil zeggen de uitdrukking van de gemeenschap van gewetens die in eenzelfde geloof samenkomen.
Uit deze oorsprong leiden zij allerlei gevolgtrekkingen af, onder meer omtrent de verhouding tussen Kerk en Staat. Zoals geloof en wetenschap aan elkaar vreemd zijn wegens het verschil van object, zo, zeggen zij, is het ook met Kerk en Staat wegens het verschil van doel: geestelijk voor de Kerk, tijdelijk voor de Staat.
Vroeger heeft men het tijdelijke aan het geestelijke kunnen onderwerpen en heeft men kunnen spreken van gemengde vraagstukken waarin de Kerk als meesteres optreedt. Dat kwam, zeggen zij, doordat men meende dat de Kerk rechtstreeks door God was ingesteld als behorend tot de bovennatuurlijke orde. Maar tegenwoordig, zo luidt hun bewering, verwerpen wijsbegeerte en geschiedenis deze leer. Daarom eisen zij de scheiding van Kerk en Staat, en zelfs, in hun gevolgtrekkingen, de scheiding van de katholiek en de burger.
Ieder katholiek, omdat hij tegelijk burger is, heeft volgens hen het recht en de plicht het publieke welzijn te bevorderen op de wijze die hij het beste acht, zonder zich te bekommeren om het gezag der Kerk, zonder rekening te houden met haar wensen, raadgevingen en voorschriften, zelfs met miskenning van haar waarschuwingen. De burger een gedragslijn voor te schrijven, onder welk voorwendsel ook, noemen zij misbruik van kerkelijke macht, waartegen men met alle kracht moet opkomen.
De beginselen waaruit deze leer voortkomt, zijn plechtig veroordeeld door Onze Voorganger Pius VI in zijn constitutie Auctorem Fidei. Voor de moderne school is het echter niet genoeg dat de Staat van de Kerk wordt gescheiden; zij voegen eraan toe dat, zoals het geloof zich in de wereld der verschijnselen aan de wetenschap moet onderwerpen, zo ook in de tijdelijke zaken de Kerk zich aan de Staat moet onderwerpen.
Zij zeggen dit misschien niet altijd openlijk, maar zodra zij logisch willen zijn, zullen zij het zeggen. Want als in tijdelijke zaken de Staat meester is, dan volgt daaruit dat, zodra de gelovige aan inwendige godsdienstige handelingen een uitwendige wil toevoegt, zoals bij het toedienen of ontvangen van de Sacramenten, deze handelingen onder de heerschappij van de Staat zouden vallen. En wat zou er dan overblijven van het kerkelijk gezag, waarvan bijna geen handeling zich niet naar buiten uit? Het zou aan de Staat onderworpen moeten worden.
De duidelijkheid van deze gevolgtrekkingen heeft vele liberale protestanten ertoe gebracht alle uitwendige eredienst en zelfs iedere uitwendige godsdienstige gemeenschap te verwerpen en een zuiver individuele godsdienst te propageren. Als de modernisten nog niet zover zijn gegaan, vragen zij toch dat de Kerk uit eigen beweging hun wenken volgt en zich met de burgerlijke vormen verstaat. Ziedaar hun denkbeelden over het disciplinaire gezag.
Wat het leergezag betreft, zijn hun opvattingen nog verdergaand en schadelijker. Geen godsdienstige gemeenschap, zeggen zij, bezit ware eenheid tenzij het godsdienstig gevoel van haar leden één is en ook de formule die zij aannemen één is. Deze dubbele eenheid vergt een soort algemene intelligentie die tot taak heeft de formule te zoeken en af te bakenen die het best beantwoordt aan het gemeenschappelijk bewustzijn, en die bovendien voldoende gezag heeft om, zodra de formule is vastgesteld, haar aan de gemeenschap op te leggen.
Uit de verbinding van deze twee elementen, de intelligentie die de formule kiest en het gezag dat haar oplegt, ontstaat volgens hen het kerkelijk magisterie. En omdat het magisterie volgens hen zijn eerste oorsprong heeft in de individuele gewetens en een openbare dienst vervult tot hun nut, menen zij dat het zich aan die gewetens moet onderwerpen en zich dus moet voegen naar populaire vormen.
Daarom, zeggen zij, is het verbieden dat de individuele gewetens hun behoeften openlijk uitspreken en het het zwijgen opleggen aan de kritiek die tot noodzakelijke evoluties drijft, geen nuttig gebruik van macht, maar misbruik van gezag. Ook moet het gezag in zijn handelen gematigd zijn; veroordelen en verbieden zonder kennis van de schrijver, zonder toelichting van zijn kant en zonder bespreking noemen zij een daad die aan dwingelandij grenst.
Ook hier, zeggen zij, moet een middenweg worden gevonden waarop zowel de rechten van het gezag als die van de vrijheid worden veiliggesteld. Wat zal de katholiek intussen doen? Hij zal zich luid eerbiedig verklaren tegenover het gezag, maar zonder zich ooit te verloochenen en zonder iets prijs te geven van zijn karakter of van zijn denkbeelden.
In het algemeen leggen zij de Kerk dit op: omdat haar doel geheel geestelijk is, moet het religieus gezag zich ontdoen van alle uitwendige praal en van de sieraden waarmee het zich naar buiten vertoont. Men vergeet daarbij dat de godsdienst, hoewel hij op de zielen gericht is, daartoe niet beperkt blijft, en dat de eer die aan het gezag wordt gegeven teruggaat op Jezus Christus, die het heeft ingesteld.
Kapitaal punt van het stelsel: de evolutie
Om geheel deze materie van het geloof en van zijn verschillende uitspuitselen uit te putten, rest Ons nog te zien hoe de modernen de ontwikkeling ervan verstaan. Zij stellen allereerst dit algemene beginsel dat in een levenden godsdienst niets is dat niet veranderlijk is, niets dat niet veranderen moet. Van dat beginsel uit gaan zij over tot hetgeen men kan beschouwen als het kapitaal punt van hun stelsel, te weten de evolutie.
Dogma, Kerk, eredienst, de Heilige Boeken, het geloof zelf — alles is schatplichtig aan de wetten der evolutie, op straffe des doods. Men ga over elk dezer zaken in het bijzonder de leerstellingen der modernisten na, en dit beginsel zal niet kunnen verbazen.
Wat de toepassing en het in werking stellen van de wetten der evolutie aangaat, is het volgende hun leer, en wel allereerst met betrekking tot het geloof. Gemeenschappelijk voor alle mensen en duister, zeggen zij, was de primitieve vorm van het geloof, omdat het ontstond in de natuur zelve en in het leven van den mens. Vervolgens vorderde het, en dat geschiedde door vitale evolutie, dat wil zeggen niet door toevoeging van nieuwe vormen, van buiten gekomen en van toevallige aard, maar door toenemend doordringen van het godsdienstig gevoel in het geweten.
En die vorming was tweesporig: negatief, door uitwerping van alle vreemde elementen, zoals het familie- of nationaal gevoel; positief, door de solidariteit met de verstandelijke en zedelijke vervolmaking van den mens, daar deze vervolmaking tot doel heeft meer en meer de kennis van het goddelijke te verbreden en te verlichten, en tevens het godsdienstig gevoel te verheffen en te verfijnen.
Om deze vordering van het geloof te verklaren, behoeft men geen toevlucht te nemen tot andere oorzaken dan die welke aan het ontstaan ervan hebben bijgedragen, behalve dan de actie van zekere buitengewone mensen, die wij profeten noemen, en van wie de doorluchtigste Jezus Christus is geweest. Zij dragen bij tot den vooruitgang van het geloof, hetzij zij in hun leven en hun woorden iets geheimzinnigs bieden waarvan het geloof zich meester maakt en het ten slotte aan de godheid toeschrijft, hetzij zij worden begunstigd met oorspronkelijke ervaringen, in overeenstemming met de godsdienstige behoeften der tijden waarin zij leven.
De vooruitgang van het dogma is vooral te danken aan de hinderpalen die het geloof moet te boven komen, aan de vijanden die het moet overwinnen, aan de tegenstrijdigheden die het moet uit den weg ruimen, en bovendien aan een voortdurend pogen om steeds dieper in zijn eigen mysteriën door te dringen. Zo is het geschied — om Ons tot een enkel voorbeeld te bepalen — dat dat goddelijk iets, hetwelk het geloof in Jezus Christus erkende, Hem allengs heeft verheven en vergroot, totdat het ten leste van Hem een God heeft gemaakt.
De voornaamste factor der evolutie van den eredienst is de noodzakelijkheid van aanpassing aan de volksgewoonten en volkstradities, en eveneens de behoefte om voordeel te doen met de waarde die zekere handelingen door de gewoonte verkrijgen. Voor de Kerk eindelijk is het de behoefte om zich te plooien naar historische omstandigheden en overeen te stemmen met de bestaande vormen der burgerlijke maatschappijen. Zó verstaan zij de evolutie in de bijzonderheden.
Op geheel bijzondere wijze willen Wij hier de aandacht vestigen op de theorie der noodwendigheden of behoeften. Zij is tot nu toe de grondslag van alles geweest, en daarop berust ook die fameuze methode welke zij de historische noemen.
Wij hebben nog niet gedaan met de evolutie. De evolutie wordt ongetwijfeld veroorzaakt door deze prikkels, namelijk de behoeften; maar onder hun uitsluitend invloed, buiten de traditionele lijn gevoerd en gescheiden van de oorsprongskern, zou zij veeleer naar den ondergang dan naar den vooruitgang leiden. Men moet dus, om de gedachte der modernisten volledig weer te geven, zeggen dat de evolutie voortkomt uit de botsing van twee krachten, waarvan de ene stuwt naar den vooruitgang, terwijl de andere streeft naar het behoud.
De behoudende kracht in de Kerk is de traditie, en de traditie wordt vertegenwoordigd door het gezag. Dat is rechtens en feitelijk het geval: rechtens, omdat de verdediging der traditie als een natuurlijk instinct van het gezag wordt beschouwd; feitelijk, omdat het gezag, verheven boven de gebeurlijkheden van het leven, niet of slechts weinig de prikkels van den vooruitgang ondervindt.
De vooruitstrevende kracht daarentegen, die welke beantwoordt aan de behoeften, broedt en gist in de individuele gewetens, vooral in die welke in nauwere aanraking met het leven staan. Ziet gij hier opduiken, eerbiedwaardige Broeders, die verderfelijke leer welke van de leken in de Kerk een factor van vooruitgang wil maken?
Krachtens een soort van vergelijk en transactie tussen de behoudende en de vooruitstrevende kracht geschieden de veranderingen en heeft de vooruitgang plaats. Het gebeurt dat individuele gewetens, zekere althans, reageren tegen het collectieve geweten; dit oefent op zijn beurt druk uit op de bewaarders van het gezag, totdat het eindelijk tot een schikking komt; en is het verdrag gesloten, dan waakt het collectieve geweten over de handhaving ervan.
Men begrijpt thans de verbazing der modernen wanneer zij worden berispt en gestraft. Wat hun als een fout wordt verweten, beschouwen zij integendeel als een heilige plicht. In nauwere aanraking met de gewetens, meer dan iemand — zeker beter dan het kerkelijk gezag — menen zij de behoeften te kennen; zij belichamen die, naar zij zeggen, in zich. Over woord en pen beschikkend, maken zij er aanstonds gebruik van — dat is, volgens hen, hun plicht.
Het gezag moge hen berispen zoveel het wil — zij hebben voor zich hun geweten en een intieme ervaring die hun met zekerheid zegt dat zij lof verdienen, geen berispingen. Zij overwegen bovendien dat vorderingen niet geschieden zonder strijd, noch strijd plaats heeft zonder slachtoffers. Slachtoffers, het zij zo! Zij zullen het zijn, naar het voorbeeld der profeten, naar het voorbeeld van Jezus Christus.
Tegen het gezag dat hen mishandelt voelen zij geen verbittering — het doet, naar hun oordeel, slechts zijn plicht van gezag. Alleen betreuren zij dat het niet naar hen wil luisteren, omdat daardoor de vooruitgang der geesten wordt vertraagd. Maar de ure zal komen — zij zal zeker komen — waarop men niet meer zal mogen achteruitgaan; want men kan de evolutie tegenwerken, maar men kan haar geen geweld aandoen.
En zij gaan hun weg; berispt en veroordeeld gaan zij voort, onder een leugenachtige schijn van onderwerping, met onbegrensde driestheid. Huichelachtig buigen zij het hoofd, terwijl zij met al hun gedachten en met hun gehele wilskracht het eenmaal opgevatte plan blijven volgen. Dat is bij hen opzet en tactiek: het gezag moet geprikkeld worden, niet vernietigd; en zij moeten in den schoot der Kerk blijven om er te arbeiden en allengs het gemeenschappelijk geweten te wijzigen, zonder zich ervan bewust te zijn dat dit gemeenschappelijk geweten niet het hunne is en dat zij tegen alle recht in beweren er de tolken van te zijn.
Derhalve, eerbiedwaardige Broeders, is het streven der modernisten dat er niets bestendigs, niets onveranderlijks in de Kerk zij.
Zij hebben voorlopers gehad, over wie Pius IX, Onze Voorganger, schreef: Deze vijanden der goddelijke openbaring verheffen den menselijken vooruitgang en beweren, met waarlijk heiligschennende vermetelheid en driestheid, hem over te brengen in den katholieke godsdienst, alsof die godsdienst niet het werk van God was, maar het werk der mensen, een filosofische vinding, vatbaar voor menselijke vervolmakingen. (14)
Over de openbaring en het dogma in het bijzonder biedt de leer der modernisten niets nieuws. Wij vinden haar veroordeeld in den Syllabus van Pius IX, waarin zij aldus wordt aangeduid: De goddelijke openbaring is onvolmaakt en derhalve onderworpen aan een voortdurenden en onbepaalden vooruitgang, overeenkomstig den vooruitgang der menselijke rede. (15)
Nog plechtiger werd zij verworpen op het Vaticaans Concilie: De geloofsleer, welke God heeft geopenbaard, is niet aan het verstand voorgesteld als een filosofische vinding die door mensen moest worden vervolmaakt; zij is toevertrouwd als een goddelijk onderpand aan de Bruid van Christus, om door haar getrouw te worden bewaard en getrouw te worden vertolkt. Daarom moet ook de zin der dogma’s worden vastgehouden zoals de H. Kerk die eenmaal heeft vastgesteld, en nimmer mag men daarvan afwijken onder voorwendsel of naam van een dieper inzicht. (16)
Daardoor wordt zelfs in zaken van geloof de ontwikkeling van onze kennis niet tegengewerkt, maar integendeel ondersteund en bevorderd. Want, zo vervolgt het Concilie: Dat het verstand, de wetenschap, de wijsheid toenemen en krachtig groeien in ieder en in allen, in den gelovige zowel als in de gehele Kerk, van geslacht tot geslacht en van eeuw tot eeuw; maar alleen overeenkomstig zijn aard, dat wil zeggen volgens hetzelfde dogma, in denzelfden zin en dezelfde betekenis.
Het modernisme in geschiedenis en kritiek
Na de modernisten te hebben leren kennen als wijsgeren, gelovigen en godgeleerden, blijft Ons nog over hen te beschouwen als geschiedkundigen, critici, apologeten en hervormers.
Opzettelijke verminking der geschiedenis
Sommigen onder de modernisten die zich met geschiedkundige studiën bezighouden, schijnen zeer te vrezen dat men hen voor wijsgeren zal houden; van de wijsbegeerte, zeggen zij, hebben zij niet het geringste begrip. Welke geslepenheid! Wat zij vrezen is het vermoeden dat zij door vooropgezette wijsgerige denkbeelden worden beïnvloed en dat men hen niet voldoende objectief zal achten, zoals men tegenwoordig zegt.
Nochtans is niets gemakkelijker aan te tonen dan dat hun geschiedbeschouwing en hun kritiek van zuiver wijsgerigen aard zijn en dat hun geschiedkundig-kritische gevolgtrekkingen rechtstreeks voortvloeien uit hun wijsgerige grondstellingen. Hun drie eerste wetten berusten op de drie beginselen die Wij reeds hebben uiteengezet: het agnosticisme, de gedaantewisseling der dingen door het geloof, en het beginsel dat Wij dat der vervorming hebben genoemd.
Krachtens het agnosticisme handelt de geschiedenis, niet minder dan de wetenschap, slechts over verschijnselen. God en iedere goddelijke inwerking in de menselijke dingen moeten daarom worden teruggebracht tot het geloof, waaruit zij volgens hen zijn voortgekomen. Zodra dan een zaak ter sprake komt waarin het goddelijke en het menselijke zich vermengen, bijvoorbeeld Jezus Christus, de Kerk of de Sacramenten, moet men deze samenvoeging splitsen en de beide elementen scheiden: het menselijke behoort tot de geschiedenis, het goddelijke tot het geloof.
Vandaar die bij de modernisten zo gangbare onderscheiding van een Christus der geschiedenis en een Christus naar het geloof; van een Kerk der geschiedenis en een Kerk naar het geloof; van Sacramenten der geschiedenis en Sacramenten naar het geloof, en zo voort.
Vervolgens wordt het menselijk element, zoals het in de overlevering verschijnt, door het geloof bij wijze van gedaantewisseling verheven boven de geschiedkundige waarneming. Men moet dus uit de geschiedenis verwijderen alle bijvoegsels die het geloof eraan heeft verbonden en deze terugvoeren naar het terrein van het geloof zelf. Zo wordt, wat Jezus Christus betreft, alles wat boven de mens uitgaat in zijn natuurlijke gesteldheid en boven hetgeen psychologisch van Hem kon worden voorgesteld in zijn tijd en omgeving, uit de werkelijke geschiedenis geweerd.
Eindelijk worden, krachtens het derde beginsel, alle zaken die niet binnen de sfeer der historie liggen, gezuiverd. Alles wat volgens het oordeel der modernisten niet past binnen de logica der feiten of niet strookt met het karakter van de betrokken personen, wordt uit de geschiedenis verwijderd en overgebracht naar het geloof.
Zo beweren zij dat Onze Heer nooit een woord heeft gesproken dat niet door de volksmenigte kon worden begrepen. Daaruit leiden zij af dat alle gelijkenissen uit Zijn leerredenen uit Zijn werkelijke geschiedenis moeten worden verwijderd en naar het geloof overgebracht.
En krachtens welke maatstaf worden zulke onderscheidingen gemaakt? Door de bestudering van het karakter van de mens, zijn maatschappelijke verhoudingen, zijn opvoeding en de omstandigheden waarin zijn daden zich ontwikkelen: kortom door een zuiver subjectieve maatstaf. Zij trachten zich te verplaatsen in de persoonlijkheid van Jezus Christus en schrijven Hem, eenmaal zover gekomen, zonder aarzeling toe wat zijzelf in gelijke omstandigheden zouden hebben gezegd.
Aldus ontzeggen zij, a priori en krachtens wijsgerige beginselen die zij liever ontkennen maar die de grondslag van hun stelsel vormen, aan de Christus der werkelijke geschiedenis de godheid en aan Zijn handelingen ieder goddelijk karakter. Als mens heeft Hij volgens hen niets gedaan of gezegd dan wat zij Hem toestaan te doen of te zeggen overeenkomstig den tijd waarin Hij leefde.
Met behulp der kritiek
Zoals de geschiedenis haar gereedliggende conclusies ontvangt van de wijsbegeerte, zo ontvangt de kritiek ze van de geschiedenis. Van de gegevens die de geschiedschrijver verschaft, maakt de criticus een tweevoudig gebruik.
Wat onder de drievoudige eliminatie valt, wordt overgebracht naar de geschiedenis van het geloof of naar die van het innerlijk leven; wat overblijft, behoort tot de geschiedenis der werkelijkheid. Zij onderscheiden namelijk scherp tussen deze tweevoudige geschiedenis en stellen de geschiedenis van het geloof tegenover die der werkelijkheid, juist voor zover deze de werkelijkheid betreft.
Daaruit volgt dat van de twee Christussen waarvan Wij spraken, de ene — de werkelijke — in de werkelijkheid nooit heeft bestaan; hij heeft slechts geleefd in een omlijsting van tijd en ruimte; de andere heeft nooit anders bestaan dan in de vrome beschouwingen van het geloof. Zo geschiedt het bijvoorbeeld met de Christus van het Evangelie van den H. Johannes, dat zij van begin tot einde als een zuiver beschouwende voorstelling bestempelen.
Maar daartoe beperkt zich niet de voogdijschap die de wijsbegeerte over de geschiedenis uitoefent. Wanneer de bewijsvoeringen zich in twee richtingen splitsen, treedt de wijsgeer opnieuw naar voren met zijn beginsel van het leven dat in zich zelf werkzaam is. Dit beginsel, zo verklaart hij, verheldert alles in de geschiedenis der Kerk; en aangezien elke levensuiting voortvloeit uit een behoefte, volgt dat geen enkele gebeurtenis eerder verschijnt dan de daarmee samenhangende behoefte; historisch kan zij slechts daarna optreden.
De geschiedschrijver gaat aldus te werk: hij verzamelt de documenten uit de Heilige Boeken of elders en stelt een soort inventaris op van de opeenvolgende behoeften die de Kerk heeft gekend. Is deze lijst opgesteld, dan wordt zij aan de criticus overgedragen.
De criticus ordent de documenten volgens de behoeften en plaatst ze langs de tijdlijn in een volgorde die nauwkeurig aan de vermeende ontwikkeling beantwoordt, geleid door het beginsel dat het verhaal de gebeurtenis moet volgen, zoals de gebeurtenis de behoefte volgt. Al moge het waar zijn dat sommige delen der Schrift, bijvoorbeeld de Brieven, het ontstaan van bepaalde feiten vermelden, toch, zo menen zij, kan het tijdstip van een document slechts worden vastgesteld op grond van de behoefte die eraan voorafging.
Vervolgens maakt men onderscheid tussen oorsprong en ontwikkeling. Wat in één ogenblik ontstaat, groeit slechts in de loop van den tijd. De criticus keert terug tot de documenten, scheidt ze in twee groepen — die welke betrekking hebben op den oorsprong en die welke de ontwikkeling betreffen — en rangschikt ze opnieuw volgens een veronderstelde ontwikkelingsorde.
Het beginsel dat hem daarbij leidt, wordt hem wederom door den wijsgeer aangereikt: er is slechts één wet die de geschiedenis beheerst, namelijk de wet der ontwikkeling. Aan den geschiedschrijver blijft dan de taak om de documenten opnieuw te onderzoeken, de omstandigheden te bestuderen waarin de Kerk heeft geleefd, haar behoudende kracht en haar behoeften tot vooruitgang te onderscheiden, de hindernissen te wegen en aldus te verklaren hoe de wet der ontwikkeling zich bij haar zou hebben voltrokken.
Is dit voltooid, dan wordt een ontwerp van kerkelijke geschiedenis opgesteld; de criticus voegt zijn laatste documenten toe; de hand van den wijsgeer voltooit het werk — en de geschiedenis is geschreven.
Wie is dus de ware bewerker van dit alles, de geschiedschrijver of de criticus? Geen van beiden, maar de wijsgeer. Van het begin tot het einde was hier een a priori werkzaam, en wel een a priori geheel doordrenkt van ketterij.
Deze lieden wekken Ons medelijden; van hen zou de Apostel zeggen: IJdel zijn zij geworden in hunne gedachten… zich wijs noemende, zijn zij dwaas geworden.
Maar bovenal verontwaardigen zij Ons wanneer zij de Kerk beschuldigen alsof zij de teksten geweld aandoet en ze naar willekeur rangschikt en vermengt naar gelang haar behoeften. Wat zij der Kerk verwijten, is juist wat hun eigen geweten hun verwijt.
Deze methode toegepast op de H. Schrift
Bij deze rangschikking, bij deze verspreiding langs de loop der tijden, zou het een natuurlijk gevolg zijn dat de Heilige Boeken niet meer konden worden toegeschreven aan de auteurs wier naam zij dragen.
En wat houdt zulks in? Zij aarzelen niet met het grootste gemak te bevestigen dat de bedoelde boeken, vooral de Pentateuch en de eerste drie Evangeliën, gaandeweg zijn samengesteld uit toevoegsels aan een oorspronkelijk, kort geschiedverhaal: invoegingen in de trant van godgeleerde en zinnebeeldige verklaringen, of eenvoudig als overgangen en aaneenschakelingen.
Er is, om de zaak in één woord aan te duiden, in de Heilige Boeken een levensontwikkeling te herkennen, gelijklopend aan, ja zelfs volgend op de ontwikkeling van het geloof. Zo duidelijk, voegen zij erbij, zijn de sporen van die ontwikkeling daarin zichtbaar, dat men er bijna de geschiedenis van zou kunnen schrijven.
En zij schrijven die geschiedenis, en doen het zo rustig dat men zou zeggen: zij hebben met eigen ogen de schrijvers aan het werk gezien, toen zij in de loop der tijden aan de afwerking der Heilige Boeken hebben gearbeid.
De tekstkritiek komt hun te hulp: om hun geschiedenis van de gewijde tekst te bevestigen, beijveren zij zich aan te tonen dat dit of dat feit, dit of dat woord niet op zijn plaats staat, en voegen er andere bemerkingen bij van gelijke aard. Men zou waarlijk gaan geloven dat zij voor zich zekere vormen van verhalen en gesprekken hebben vastgesteld, waaraan zij beoordelen of iets al dan niet op zijn plaats staat.
En in hoeverre zijn zij tot die kritiek bevoegd? Als zij u spreken van hun arbeid in de Heilige Boeken, waarbij zij daarin zoveel gebrekkige zaken hebben kunnen ontdekken, heeft men bijna de indruk alsof vóór hen geen menigte geleerden zich met het doorzoeken in alle richtingen heeft beziggehouden, geleerden die oneindig hoger stonden dan zij in vernuft, geleerdheid en heiligheid; welke, verre van iets erin te berispen, naarmate zij dieper doordrongen, integendeel hun dankbaarheid jegens de goddelijke goedertierenheid verdubbelden, die zich verwaardigde op zulk een wijze tot de mens te spreken.
Dit komt omdat zij ongelukkigerwijze niet beschikken over dezelfde hulpmiddelen als de modernisten, namelijk als gids en leidsman een wijsbegeerte uit het agnosticisme voortgekomen, en als maatstaf zichzelf.
Het schijnt Ons dat Wij duidelijk genoeg de geschiedkundige methoden der modernisten hebben uiteengezet. De wijsgeer gaat voorop, daarop volgt de geschiedschrijver, en dan, naar rangorde, komt de tekstkritiek. En daar het eerste eigen is zijn invloed te oefenen op wat na hem komt, is het duidelijk dat wij ons hier geplaatst zien niet tegenover een algemene kritiek, maar tegenover de agnostische, immanentistische en evolutionistische kritiek.
Daarom legt ieder die haar huldigt en toepast daardoor vanzelf getuigenis af dat hij de daarin vervatte dwalingen aanneemt en zich tegenover het katholieke geloof stelt. Dit zo zijnde, kan men zich niets dan in hoge mate verbazen over de waarde welke door zekere katholieken eraan wordt gehecht.
Daarvoor zijn twee redenen: enerzijds bestaat er een nauwe aaneensluiting tussen de geschiedschrijvers en de critici van deze school, die alle verschil van landaard en godsdienst te boven gaat; anderzijds vindt men bij dezelfde mensen een grenzeloze overmoed. Wanneer een van hen de mond opent, dan juichen de anderen hem toe en roemen de vorderingen der wetenschap; heeft iemand het ongeluk een van hun nieuwigheden te kritiseren, hoe onzinnig ook, dan vallen zij in gesloten gelederen op hem aan; wie zich er niet mee inlaat, wordt behandeld als een onwetende; wie haar aanhangt en verdedigt, wordt verheven tot in de wolken.
Daardoor komen velen tot hen die, wanneer zij zich van deze dingen rekenschap gaven, vol schrik zouden terugdeinzen. Dank zij de vermetelheid en de overmoed van de enen, en de lichtzinnigheid en de onvoorzichtigheid van de anderen, is er een verderfelijke atmosfeer ontstaan, die steeds groter wordt, alles doordringt en de besmetting overbrengt.
De modernistische apologetiek
Bij de modernisten is ook de apologeet afhankelijk van de wijsgeer, en wel op dubbele wijze: vooreerst middellijk, voor zover hij de geschiedenis aanvat als een thema dat, gelijk wij gezien hebben, door de wijsgeer wordt gedicteerd; vervolgens onmiddellijk, voor zover hij aan hem zijn wetten ontleent.
Vandaar die opzet, zo gangbaar bij de modernisten, dat de nieuwe apologetiek zich moet voeden aan de zielkundige en historische bronnen. Daarom maken de moderne apologeten de rationalisten opmerkzaam op dat zij, wanneer zij de godsdienst verdedigen, dit niet doen met de gegevens der H. Schrift, noch met geschiedverhalen die in de Kerk omgaan en die volgens oude methoden zijn geschreven, maar met een geschiedenis der werkelijkheid, geleid door het licht van moderne beginselen en volgens de strenge eisen der moderne methoden.
En niet als bewijsvoering ad hominem spreken zij aldus; geenszins, maar omdat zij inderdaad deze laatste geschiedbeschouwing voor de ware houden. De rationalisten achten hen dan ook openhartig: zouden zij hen niet erkennen, nu zij hen zien strijden aan hun zijde, onder hetzelfde vaandel? En bestaat hun loon niet in de lofprijzingen die zij hun geven, lofprijzingen die een ware katholiek zouden doen huiveren, maar waarmee zij zich gelukkig voelen en die zij stellen tegenover de vermaningen van de Kerk?
Laat Ons nu hun optreden in de apologetiek bezien. Het doel dat zij zich voorstellen, is de niet-gelovige ertoe te brengen dat hij de ervaring (experientia) van de katholieke godsdienst verkrijgt, een ervaring die volgens hun beginselen de enige ware grondslag is van al het geloof. Daarop lopen twee wegen uit: de objectieve en de subjectieve.
De eerste begint bij het agnosticisme. Daarlangs tracht men het bewijs te leveren dat de katholieke godsdienst, en deze in het bijzonder, met zulk een levenskracht is toegerust dat zijn geschiedenis voor iedere zielkundige en voor iedere historicus van goede trouw iets ongekends in zich bevat. Het is dan nodig aan te tonen dat deze godsdienst, zoals hij heden bestaat, dezelfde is als die door Jezus Christus is gesticht, dat wil zeggen: de vrucht van een voortgaande ontwikkeling van de kiem die Hij op de wereld heeft gebracht.
Men moet dus vóór alles die kiem omschrijven, en zij geven daartoe de volgende formule: Christus heeft de komst van het Rijk Gods aangekondigd als tot werkelijkheid moeten geraken binnen een kort tijdsverloop, een Rijk waarvan Hijzelf, naar goddelijke wil, de voortbrenger en regelaar moest zijn.
Vervolgens moet worden aangetoond hoe dit levensbeginsel, altijd immanent en permanent in de schoot van de katholieke godsdienst, zich langzaam in de loop der geschiedenis heeft ontwikkeld, zich achtereenvolgens schikkend naar de verschillende omstandigheden waarin het zich bewoog, daaraan door zijn levend aanpassingsvermogen ontlenend alle leerstellingen, culturele en kerkelijke vormen waarnaar het zich kon voegen, terwijl het alle hindernissen te boven kwam, alle vijanden nederwierp, alle aanvallen en alle strijd overleefde.
Al wie nauwgezet en plichtmatig dit geheel van hindernissen, tegenstanders, aanvallers en bestrijders zal hebben in aanmerking genomen, en tegelijk de levenskracht en de vruchtbaarheid zal hebben gezien welke de Kerk hierbij aan de dag legt, zal moeten erkennen dat, al zijn de wetten der ontwikkeling in haar leven zichtbaar, zij niettemin niet heel haar geschiedenis verklaren, en dat zich daarin het ongekende openbaart dat zich aan de geest voordoet.
Zo redeneren zij, zonder te bemerken dat de omschrijving van de oorspronkelijke kiem een a priori is van de agnostische en evolutionistische wijsbegeerte, en dat de formule zonder grond in het leven is geroepen omdat hun standpunt zulks vordert.
Zich beijverend door dergelijke bewijsvoeringen de katholieke godsdienst toegang te verschaffen tot de geesten, geven de nieuwe apologeten overigens zeer gemakkelijk toe dat er tal van zaken bestaan waaraan men zich zou kunnen stoten. Zij gaan zelfs zo ver, niet zonder kwalijk verholen voldoening, luid te verkondigen dat het dogma, naar hun zeggen, niet vrij is van dwaling en tegenspraak.
Weliswaar voegen zij er dadelijk bij dat dit niet alleen te verontschuldigen is, maar bovendien, waarlijk bevreemdend, dat het ook rechtmatig en wettig is. In de H. Schrift, zo zeggen zij, zijn meerdere plaatsen te vinden betreffende wetenschap of geschiedenis waar klaarblijkelijke dwalingen aan het licht komen; maar het is geen geschiedenis of wetenschap die in deze Boeken wordt behandeld, alleen godsdienst en zedenleer.
Geschiedenis en wetenschap vormen daarbij een soort omhulsel waarin de godsdienstige en zedelijke ervaringsleer zich verbergt om gemakkelijker tot de massa door te dringen. Wanneer immers het volk deze dingen niet ook op andere wijze verstond, dan is het duidelijk dat een meer volmaakte wetenschap en geschiedenis eerder hinderpalen dan hulpmiddelen zouden zijn geweest.
Ten overvloede: de Heilige Boeken, die uiteraard een godsdienstige strekking hebben, zijn daardoor noodzakelijkerwijze levend. Het leven heeft immers zijn eigen waarheid en logica, wel te onderscheiden van de waarheid en logica der rede; het is waarheid van aanpassing en evenredigheid, hetzij met de omgeving waarin het leven zich beweegt, hetzij met het doel waarnaar het is gericht. Ten slotte drijven zij het zo ver dat zij, alle beperking uit het oog verliezend, voor waar en wettig verklaren wat het leven als zodanig aanwijst.
Wij, Eerwaarde Broeders, die slechts één enkele en enige waarheid erkennen en die houden dat de Heilige Boeken, geschreven onder ingeving van den H. Geest, God tot Maker hebben, verklaren dat dit gelijkstaat met aan God Zelf de nuttigheids- of gelegenheidsleugen toe te schrijven. En Wij zeggen met den H. Augustinus dat, indien men bij zulk een hoogstaand gezag één enkele gelegenheidsleugen toelaat, er geen deel meer van deze Boeken recht overeind blijft waarin men niet, wanneer het moeilijk schijnt te geloven of te volbrengen, een opzettelijke leugen van den auteur zou kunnen vermoeden; en aldus zal het geschieden dat men gelooft wat men wil en niet gelooft wat men niet wil.
Maar de nieuwe apologeten gaan nog verder. Zij geven toe dat in de Heilige Boeken zekere redeneringen, aangevoerd om deze of gene leer te rechtvaardigen, op geen geldige grondslag berusten, onder meer die welke op de profetieën steunen; doch zij verdedigen deze als rhetorische kunstgrepen, door het leven gewettigd.
Wat wil men meer? Wat Jezus Christus betreft, erkennen en verklaren zij dat Hij klaarblijkelijk heeft gedwaald in de bepaling van den tijd waarop het Rijk Gods zich moest verwezenlijken; en daarin, zeggen zij, ligt niets verwonderlijks, daar ook Hij onderworpen was aan de wetten des levens.
Wat zullen zij hierna zeggen over de dogma’s der Kerk? De dogma’s, zo beweren zij, vloeien over van kennelijke tegenspraken; maar behalve dat de logica des levens ze aanneemt, verzet ook de waarheid der symboliek zich er niet tegen. Geldt het hier immers niet het oneindige, en heeft het oneindige niet oneindige gezichtspunten? Zij hechten zóveel waarde aan het handhaven van deze contradicties dat zij niet terugschrikken voor de verklaring dat men den schoonsten lof brengt aan het oneindige wanneer men het tot voorwerp maakt van zichzelf tegensprekende stellingen. Wanneer men eenmaal de tegenspraak heeft gewettigd, wat blijft er dan nog over dat men niet zou kunnen wettigen?
Niet alleen met objectieve redenen, zo zeggen zij, kan men den niet-gelovige voor het geloof ontvankelijk maken, maar ook door subjectieve bewijzen. Terugkerend tot de leer der immanentie menen zij hem te kunnen overtuigen dat in de diepte van zijn natuur en van zijn leven de behoefte aan en het verlangen naar een godsdienst verborgen ligt; niet naar een willekeurige godsdienst, maar naar dien bepaalden godsdienst die Katholicisme heet, welke volgens hen door de volle ontplooiing van het leven wordt gevorderd.
Hier kunnen Wij niet nalaten nogmaals levendig te betreuren dat men Katholieken ontmoet die, de leer der immanentie verwerpende, haar nochtans als apologetische methode gebruiken, en dat met zo weinig bezadigdheid dat zij in de menselijke natuur ten aanzien van de bovennatuurlijke orde niet slechts een geschiktheid en overeenstemming schijnen toe te laten — hetgeen katholieke apologeten steeds met zorg hebben verdedigd — maar een ware en gebiedende noodzakelijkheid.
Om recht te doen, moeten Wij zeggen dat de modernisten die aldus tot de noodzakelijkheid van den katholieken godsdienst besluiten, de gematigden zijn. Anderen, die men integralisten zou kunnen noemen, trachten den niet-gelovige te tonen dat op den bodem van zijn wezen dezelfde kiem verborgen ligt die Jezus Christus in Zich droeg en aan de wereld heeft nagelaten.
Alzo, Eerbiedwaardige Broeders, is hier vluchtig geschetst de apologetische methode der modernisten: geheel in overeenstemming met hun leerstellingen, doorzaaid van dwalingen, niet tot stichting maar tot verwoesting, niet om Katholieken te verwekken maar om Katholieken in de ketterij te storten, ja zelfs dodend voor iedere godsdienst.
Hervormingswoede
Ons blijft over enige woorden te spreken over den hervormer. Reeds uit al hetgeen Wij tot dusverre hebben betoogd, kon men zich een denkbeeld vormen van de hervormingswoede die de modernisten bezielt: niets, volstrekt niets in het Katholicisme blijft ervan verschoond.
Hervorming van de wijsbegeerte, vooral in de seminaries: de scholastieke wijsbegeerte moet naar de geschiedenis der stelsels worden verwezen, als iets verouderds; aan de jongelieden moet de moderne wijsbegeerte worden onderwezen, de enige ware, de enige die past bij onze tijd. Hervorming van de godgeleerdheid: de rationele theologie moet haar grondslag vinden in de moderne wijsbegeerte; de positieve theologie in de geschiedenis der dogma’s. De geschiedenis mag niet geschreven of onderwezen worden dan volgens hun moderne methoden en beginselen; de dogma’s en de kennis van hun ontwikkeling moeten in overeenstemming worden gebracht met wetenschap en geschiedenis; in de catechismus mogen geen andere dogma’s worden opgenomen dan die welke hervormd zijn en binnen het bereik van het publiek liggen.
Wat de eredienst betreft: de uitwendige devoties moeten in aantal worden verminderd of althans hun toeneming moet worden tegengegaan, al zijn er sommigen die, in geestdrift voor het symbolisme, hier enigszins toegeeflijk blijken. Het geestelijk bestuur moet hervormd worden in al zijn vertakkingen, vooral op het gebied van tucht en leer; zijn geest en zijn uitwendige maatregelen moeten zich aanpassen aan gemoederen die naar democratie neigen; ook de lagere geestelijkheid en zelfs de leken moeten aandeel krijgen in het bestuur der Kerk; het gezag moet worden gedecentraliseerd.
Hervorming verlangen zij eveneens van de Romeinse Congregaties, vooral van het H. Officie en van den Index. Het geestelijk gezag moet zijn gedragslijn op sociaal en politiek gebied wijzigen, zich weliswaar buiten staatkundige en sociale organisaties houden, maar zich toch eraan aanpassen om ze van zijn geest te doordringen. Op het gebied der zedenleer nemen zij het beginsel der Amerikanisten over, dat de actieve deugden voorrang moeten hebben boven de passieve, zowel in beoefening als in praktijk.
Aan de geestelijkheid vragen zij terug te keren tot de nederigheid en armoede van vroeger tijden en haar denkbeelden en werkzaamheden te regelen naar de beginselen van het modernisme. Sommigen, als echo van hun protestantse meesters, verlangen zelfs de afschaffing van het celibaat voor de geestelijkheid. Wat blijft er nog over waarop zij, bij toepassing van hun beginselen, geen hervorming eisen?
BESLUIT VAN HET EERSTE GEDEELTE
Het modernisme: de opeenhoping van alle dwalingen
Misschien zal iemand menen, Eerbiedwaardige Broeders, dat deze uiteenzetting van de leerstellingen der modernisten Ons te lang heeft beziggehouden. Toch was zij noodzakelijk, zowel om hun gewoon verwijt te weerleggen dat Wij hun ware denkbeelden niet kennen, als om aan te tonen dat hun stelsel niet bestaat uit losse theorieën zonder verband, maar uit een wel degelijk georganiseerd geheel, waarvan de delen zo nauw samenhangen dat men niet één kan aannemen zonder ze alle te aanvaarden. Daarom hebben Wij aan deze uiteenzetting een enigszins didactische wending moeten geven, zonder te schromen sommige bij hen gebruikelijke uitdrukkingen over te nemen.
Wanneer men nu met één blik het gehele stelsel overziet, wie zal zich dan verwonderen dat Wij het de opeenhoping van alle dwalingen hebben genoemd? Had iemand zich voorgenomen alle dwalingen bijeen te zoeken die ooit tegen het geloof zijn gezaaid, en hun kern en merg tot één geheel samen te voegen, hij had het niet beter kunnen doen. En nog is dit niet genoeg gezegd: zij vernietigen niet slechts den katholieke godsdienst, maar, zoals Wij reeds hebben aangeduid, elke godsdienst. De rationalisten juichen hen toe, en niet zonder reden; de meest openhartigen onder hen begroeten de modernisten als hun krachtigste helpers.
Laten Wij een ogenblik terugkeren tot die verderfelijke leer van het agnosticisme. Nadat zij elke toegang tot God langs de weg van het verstand hebben afgesloten, menen zij een andere te openen langs het gevoel en de daad. IJdel pogen. Wat is het gevoel anders dan een reactie der ziel op de werking van geest of zinnen? Neem het verstand weg, en de mens, reeds zozeer geneigd de zinnen te volgen, wordt hun slaaf.
Ook in ander opzicht is het een ijdel pogen. Al deze beschouwingen over het godsdienstig gevoel nemen het gezond verstand niet weg, en dat zegt dat ontroering en alles wat de ziel meesleept, de ontdekking der waarheid eerder bemoeilijken dan bevorderen. Wat de zuiver subjectieve waarheid betreft, voortkomend uit gevoel en daad, zij kan dienen tot woordenspel, maar zij helpt den mens niet, voor wien het er vooral op aankomt te weten of er buiten hem een God bestaat in wiens handen hij eenmaal zal vallen.
Om aan het gevoel enige grondslag te geven, nemen de modernisten hun toevlucht tot de ondervinding. Maar wat voegt deze toe? Niets anders dan een zekere intensiteit, die een overtuiging voortbrengt naar evenredigheid van de ervaren werkelijkheid. Dit maakt het gevoel niet waar en ontneemt het niet zijn misleidend karakter, indien het verstand niet als gids optreedt; integendeel, hoe intenser het gevoel, des te meer blijft het gevoel.
In zaken van godsdienstig gevoel en ervaring weet gij, Eerbiedwaardige Broeders, welke voorzichtigheid en welke leiding der wetenschap nodig zijn. Gij weet dit uit de zorg voor de zielen, vooral voor hen bij wie het gevoel overheerst; gij weet het ook uit de ascetische werken, die de modernisten gering achten, maar die een veel degelijker wetenschap tonen dan de hunne. Is het geen dwaasheid, of althans een uiterste onvoorzichtigheid, zonder enige toetsing te vertrouwen op ervaringen zoals zij die verkondigen?
En zo deze ervaringen zoveel waarde hebben, waarom hechten zij dan geen gelijke waarde aan die van duizenden Katholieken die uit hun ervaring de overtuiging putten dat de modernisten dwalen? Zijn dan alleen deze laatste ervaringen vals en bedrieglijk? De overgrote meerderheid der mensen houdt vast aan de overtuiging dat gevoel en ervaring op zich zelf, zonder verlicht en geleid te worden door de rede, niet tot God voeren. Wat blijft er dan anders over dan de vernietiging van elke godsdienst en het atheïsme?
Ook het symbolisme zal dit niet kunnen voorkomen. Indien alle elementen van de godsdienst niets anders zijn dan zuivere symbolen van God, waarom zouden dan ook de naam van God en die van goddelijke persoonlijkheid geen symbolen zijn? Wordt dit toegegeven, dan wordt de persoonlijkheid van God zelf betwistbaar en staat de weg open naar het pantheïsme. En tot hetzelfde pantheïsme leidt de leer van de goddelijke immanentie, indien zij God niet werkelijk onderscheidt van den mens. Want indien elke gewetensuiting voortkomt uit den mens als mens, dan is de strenge gevolgtrekking de identiteit van mens en God.
Dezelfde uitkomst volgt uit hun onderscheiding tussen wetenschap en geloof. Het voorwerp van de wetenschap is het kenbare; dat van het geloof het onkenbare. Wat het onkenbaar maakt, is de wanverhouding tot het verstand, en deze kan door niets worden opgeheven. Bijgevolg blijft het onkenbare eeuwig onkenbaar, zowel voor gelovige als voor wetenschapper. De eredienst van een onkenbare werkelijkheid blijft dan het enige wat overblijft, en niets belet dat deze werkelijkheid de algemene wereldziel zou zijn waarvan sommige rationalisten spreken.
Zo is overvloedig aangetoond langs hoeveel wegen het modernisme voert tot vernietiging van elke godsdienst. De eerste stap werd gedaan door het Protestantisme; de tweede door het modernisme; de volgende zal leiden tot het atheïsme.
TWEEDE DEEL
Oorzaak van het modernisme — Zedelijke oorzaken: nieuwsgierigheid en hoogmoed
Om dieper in het modernisme door te dringen en met meer zekerheid het passende geneesmiddel te vinden voor een zo diepe wonde, is het van belang, Eerbiedwaardige Broeders, de oorzaken op te sporen die het hebben voortgebracht en voeden. De naaste en onmiddellijke oorzaak ligt ongetwijfeld in een afdwaling van den geest; de verwijderde oorzaken kunnen, naar Ons voorkomt, worden teruggebracht tot twee: nieuwsgierigheid en hoogmoed.
De nieuwsgierigheid op zichzelf is reeds, wanneer zij niet wijselijk geleid wordt, in staat alle dwalingen te verklaren. Dit is de mening van Onze Voorganger Gregorius XVI, die schreef dat het een droevig schouwspel is te zien hoe ver de afdwalingen van den menselijken geest gaan zodra men toegeeft aan den geest van nieuwsgierigheid, wanneer men, in strijd met de vermaning van den Apostel, meer wil weten dan men behoort te weten en, te veel op zich zelf vertrouwend, meent de waarheid buiten de Kerk te kunnen vinden, waar zij zonder schaduw van dwaling wordt gevonden.
Maar wat onvergelijkelijk meer invloed uitoefent op de ziel om haar te verblinden en tot dwaling te brengen, is de hoogmoed. In de leer der modernisten is hij als in zijn element; hoe men zich ook keert of wendt, overal vindt hij voedsel en vertoont hij zich van alle kanten. Hoogmoed is dat zelfvertrouwen waardoor zij zich opwerpen als algemene maatstaf; hoogmoed is die ijdele eerzucht die hen in hun eigen ogen doet doorgaan voor de enigen die de waarheid bezitten, die hen doet zeggen dat zij niet zijn als de overige mensen, en die hen, om niets met anderen gemeen te hebben, drijft tot de meest absurde nieuwigheden.
Hoogmoed is die geest van verzet die om een verzoening tussen gezag en vrijheid roept; hoogmoed is die aanmatiging die, terwijl zij de zelfhervorming uit het oog verliest, anderen wil hervormen; dat volstrekte gemis aan eerbied voor het gezag, zelfs voor het hoogste gezag. Neen, in waarheid, geen weg voert rechter en sneller tot het modernisme dan de hoogmoed.
Neem een katholieke leek, neem een priester die het fundamentele gebod van het christelijk leven uit het oog heeft verloren — te weten dat wij onszelf moeten verloochenen indien wij Jezus Christus willen volgen — en die den hoogmoed niet uit zijn hart heeft uitgerukt: die leek, die priester is rijp voor alle dwalingen van het modernisme.
Daarom is het Uw plicht, Eerbiedwaardige Broeders, die hoogmoedigen tegen te houden en hun ambten van minder betekenis toe te wijzen, opdat zij des te lager worden gesteld naarmate zij hoger pogen te stijgen, en hun lagere plaats hun de mogelijkheid beneme schade aan te richten. Stelt bovendien, zelf of door de oversten der seminaries, een nauwgezet onderzoek in naar de gezindheid van de jeugdige clerici; wie bij hen den geest van hoogmoed opmerkt, sluite hen onverwijld van het priesterschap uit. God geve dat men in het verleden altijd zo te werk was gegaan, met de vereiste waakzaamheid en standvastigheid.
Verstandelijke oorzaken: onbekendheid met de scholastieke wijsbegeerte
Wanneer Wij van de zedelijke oorzaken overgaan tot de verstandelijke, dan is de eerste en voornaamste die zich voordoet de onwetendheid. Ja, de modernisten, die kerkleraars willen zijn en de moderne wijsbegeerte tot in de wolken verheffen terwijl zij uit de hoogte neerzien op de scholastiek, hebben, misleid door een bedrieglijke schijn, de eerste omhelsd juist omdat zij de tweede niet kenden; hun ontbrak het aan inzicht om de verwarde begrippen te ontwarren en de sofismen te ontmaskeren. Doordat de valse wijsbegeerte met het geloof werd verbonden, is hun systeem, doorkneed met dwaling, geboren.
Verspreiding van het modernisme
Mochten zij althans minder ijver en werkzaamheid tonen bij de verspreiding ervan. Maar zo groot is hun vurigheid, zo hardnekkig hun werklust, dat men niet zonder droefheid kan zien hoe zij bij het bewerken van den ondergang der Kerk zo heerlijke krachten verspillen, die, goed aangewend, haar zo voordelig hadden kunnen zijn.
Hun kunstgrepen om de geesten te misleiden zijn tweevoudig: zij trachten eerst de hinderpalen uit de weg te ruimen en sporen vervolgens met zorg alles op wat hun van nut kan zijn, om het even ijverig als volhardend aan te wenden. Drie dingen versperren hun den weg: de scholastieke wijsbegeerte, het gezag der Vaders en de Overlevering, en het leergezag der Kerk; aan deze drie hebben zij een verbeten oorlog verklaard. Of zij dit doen uit onwetendheid of uit vrees, of uit beide — het feit blijft dat met de lust naar nieuwigheden altijd de haat tegen de scholastieke methode gepaard gaat.
Laat hen zich de door Pius IX veroordeelde stelling herinneren dat de methode en de beginselen die den ouden scholastieken leraren dienden in de beoefening der theologie niet meer beantwoorden aan de behoeften van onze tijd en aan den vooruitgang der wetenschappen.
Van de Overlevering trachten zij op verraderlijke wijze het karakter te vervalsen en het gezag te ondermijnen om haar aldus alle waarde te ontnemen. Maar het tweede Concilie van Nicea behoudt kracht van wet voor de Katholieken, wanneer het degenen veroordeelt die de kerkelijke overleveringen durven minachten, nieuwigheden uitvinden of trachten omver te werpen wat tot de wettige overleveringen der Kerk behoort. Eveneens blijft de belijdenis van het vierde Concilie van Constantinopel gelden, waarin wordt verklaard dat men de regels behoudt en bewaart die aan de heilige Katholieke Kerk zijn overgeleverd door de heilige Apostelen, door de orthodoxe Concilies en door de heilige Vaders als goddelijke verklaarders en leraars der Kerk.
De Pausen Pius IV en Pius IX hebben daarom bevolen dat in de geloofsbelijdenis wordt opgenomen dat men vastelijk aanneemt en omhelst de apostolische en kerkelijke overleveringen en alle andere gebruiken en verordeningen der Kerk.
Natuurlijk passen de modernisten hun oordeel over de Overlevering ook toe op de heilige Vaders. Met ongehoorde stoutmoedigheid verklaren zij dat de Vaders persoonlijk alle verering waardig zijn, maar behept waren met ongelooflijke onkunde in zake geschiedenis en kritiek — een onkunde die, zo zeggen zij, kan worden verontschuldigd door de tijd waarin zij leefden.
Eindelijk scheppen zij er behagen in het kerkelijk leerambt te verkleinen en het gezag ervan te verzwakken, hetzij door heiligschennend den oorsprong, het karakter en de rechten ervan te verdraaien, hetzij door met de grootst mogelijke vrijmoedigheid de lasteringen der tegenstanders te herhalen.
Op de schare der modernisten is van toepassing wat Onze Voorganger met droefheid schreef: om de mystieke Bruid van Christus verachtelijk te maken, hebben de kinderen der duisternis de gewoonte aangenomen haar verraderlijk te belasteren en, door de betekenis van woorden om te keren, haar voor te stellen als vriendin van de duisternis en vijandin van het licht en van den vooruitgang.
Daarna behoeft men zich niet te verwonderen dat de modernisten met al hun bitterheid de Katholieken aanvallen die moedig voor de Kerk strijden. Geen soort van belediging wordt hun gespaard; onwetendheid en stijfhoofdigheid zijn hun geliefkoosde verwijten. Geldt het een tegenstander wiens geleerdheid en scherpte zij vrezen, dan trachten zij hem te treffen door rondom hem de samenzwering van het doodzwijgen te organiseren — een gedrag dat des te laakbaarder is daar zij hun lof overvloedig schenken aan wie zich aan hun zijde scharen.
Een werk dat van nieuwigheden uitwasemt, wordt met toejuichingen ontvangen; hoe groter de stoutmoedigheid waarmee de oudheid, de Overlevering en het leergezag worden aangevallen, des te geleerder acht men den schrijver. En wanneer een van hen door de Kerk wordt veroordeeld, scharen de anderen zich om hem heen, overladen hem met lof en vereren hem als martelaar van de waarheid.
… slotte voor den stroom en werpen zich in de armen van het modernisme, uit vrees om als onwetend te worden bestempeld en uit zucht naar den titel van geleerde, alsook gedreven door de inwendige prikkel van nieuwsgierigheid en hoogmoed.
Dit alles past in het kader van de kunstgrepen die de modernisten gebruiken om hun voortbrengselen een ruime verspreiding te verzekeren. Wat doen zij niet om nieuwe aanhangers te winnen? Zij maken zich meester van leerstoelen in seminaries en universiteiten en maken daarvan leerstoelen des verderfs. Bedektelijk misschien verspreiden zij het zaad hunner leer vanaf het gewijde spreekgestoelte; openlijk belijden zij die leer op congressen; zij doen haar doordringen en ingang vinden in sociale instellingen. Onder hun eigen naam en onder schuilnamen geven zij boeken, dagbladen en tijdschriften uit; één en dezelfde persoon schrijft onder verschillende namen om den onnadenkenden lezer te misleiden door de schijnbare veelheid van auteurs. Kortom, in daad, in woord, in geschrift laten zij niets ongebruikt; men zou zeggen dat zij door een soort van waanzin zijn aangegrepen.
En wat is de vrucht van dit alles? Ons hart krimpt ineen wanneer Wij zien dat zovele jonge mannen, die de hoop der Kerk waren en haar voortreffelijke diensten beloofden, het rechte spoor verliezen. Nog een ander schouwspel bedroeft Ons: dat zovele andere Katholieken, die niet zó ver gaan, toch de gewoonte hebben aangenomen met meer vrijmoedigheid dan aan Katholieken betaamt te denken, te spreken en te schrijven, alsof zij een besmette lucht hadden ingeademd. Men vindt hen onder de leken, in de rijen der geestelijkheid, en zelfs daar waar men ze het minst verwacht, in religieuze instellingen.
Behandelen zij bijbelse vraagstukken, dan doen zij dit volgens modernistische beginselen; schrijven zij geschiedenis, dan zoeken zij gretig naar alles wat hun schijnt een smet te werpen op het verleden der Kerk en brengen dit, onder voorwendsel van volle waarheidsliefde en met kwalijk verborgen leedvermaak, aan het licht. Door aprioristische vooringenomenheid breken zij vrome volksoverleveringen af, maken relieken eerbiedwaardig door hun ouderdom belachelijk en worden bezeten door het ijdel verlangen om van zich te doen spreken, wat, naar zij zeer goed begrijpen, niet zou geschieden indien zij zeiden wat tot dusverre is gezegd.
Misschien menen zij God en de Kerk op deze wijze te dienen; in werkelijkheid beledigen zij deze minder door hun daden dan door den geest die hen bezielt en door hun toegeeflijkheid tegenover de stoutmoedigheden der modernisten.
De Kerk en de vooruitgang op wetenschappelijk gebied
Ziedaar, Eerbiedwaardige Broeders, wat Wij gemeend hebben U te moeten zeggen ten heil van al wie gelooft. De tegenstanders van de Kerk zullen zonder twijfel ervan gebruik maken om de oude lastering te doen vernemen, welke Haar aanduidt als de vijandin van de wetenschap en van den vooruitgang der mensheid. Teneinde tegenover deze beschuldiging — welke overigens door de geschiedenis van den Christengodsdienst met hare eeuwige getuigenissen wordt tenietgedaan — een antwoord te stellen dat tot hiertoe nog niet gegeven werd, hebben Wij het plan gevormd uit al Onze macht de stichting te bevorderen van een bijzondere instelling, welke de voornaamste vertegenwoordigers der wetenschap onder de katholieken zal verenigen en die tot doel zal hebben, met de katholieke waarheid als voorlichting en gids, den vooruitgang te bewerken van al wat men onder den naam van wetenschap en eruditie kan aanduiden.
Geve God dat Wij dit plan kunnen verwezenlijken met de medehulp van al degenen die de Kerk van Jezus Christus oprecht beminnen. Intussen, Eerbiedwaardige Broeders, vol van vertrouwen op Uw ijver en Uw toewijding, smeken Wij van ganser harte over U den rijkdom af der hemelse verlichtingen, opdat, ten overstaan van het gevaar dat de zielen bedreigt, temidden van dien algemenen springvloed van dwalingen, gij moogt zien welke Uw plichten zijn en die plichten moogt vervullen met alle kracht en met moed.
Dat de sterkte van Jezus Christus, den grondlegger en voltooier van ons geloof, met U zij. Dat de Onbevlekte Maagd, de Overwinnares van alle ketterijen, U ter zijde sta met hare bede! Wij, als onderpand van Onze liefde en als waarborg van goddelijke vertroosting in Uw beproevingen, verlenen van ganser harte aan U, aan Uw geestelijkheid en aan Uw volk de Apostolische Zegen.
Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, den 8sten September 1907, van ons Pausschap het vijfde jaar. Pius X, Paus.
Verantwoording van deze uitgave
Deze tekst is gebaseerd op de oorspronkelijke Nederlandse uitgave van Pascendi Dominici Gregis (1907).
De spelling is gemoderniseerd overeenkomstig de hedendaagse Nederlandse schrijfwijze, zonder wijziging van inhoud of strekking. Zinsbouw en theologische terminologie zijn behouden.
Het Derde Deel, voor zover het uitsluitend disciplinaire en administratieve maatregelen betreft die gebonden zijn aan de kerkelijke situatie van het begin der twintigste eeuw, is in deze uitgave niet integraal opgenomen, omdat het voor het leerstellige doel van deze publicatie geen onmiddellijk belang heeft.