Oude homilie voor de heilige Sabbat.
WAT GEBEURT ER HEDEN. Een grote stilte heerst op aarde, een grote stilte en een grote eenzaamheid. Een grote stilte, omdat de Koning slaapt. De aarde beefde en werd stil, omdat God naar het vlees is ingeslapen en hen heeft opgewekt die sinds de eeuwen sliepen. God is naar het vlees gestorven, en de onderwereld siddert. Hij gaat onze eerste vader zoeken als het verloren schaap. Hij wil hen bezoeken die in duisternis en in de schaduw van de dood gezeten zijn. Hij gaat om Adam uit zijn smarten te bevrijden en Eva uit haar gevangenschap, Hij die tegelijk hun God en hun Zoon is. De Heer treedt bij hen binnen met het overwinningswapen van het kruis. Wanneer Adam Hem ziet, slaat hij zich op de borst van ontzetting en roept tot allen. Mijn Heer zij met u allen. En Christus antwoordt hem. En met uw geest. Hij grijpt hem bij de hand en wekt hem op, zeggende. Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal u verlichten. Ik ben uw God, die om uwentwil uw zoon geworden ben. Om uwentwil en voor hen die uit u zijn voortgekomen, spreek Ik met mijn macht. Sta op, gij die slaapt, want Ik heb u niet geschapen om geboeid in de onderwereld te blijven. Sta op uit de doden. Ik ben het leven van de doden. Sta op, werk van mijn handen. Sta op, gij die naar mijn beeld geschapen zijt. Sta op, laat ons heengaan, want gij in Mij en Ik in u zijn één en ongedeeld. Om uwentwil ben Ik uw zoon geworden. Om uwentwil heb Ik de gestalte van een dienstknecht aangenomen. Om uwentwil ben Ik op aarde neergedaald en onder de aarde. Om uwentwil ben Ik mens geworden zonder hulp. Zie de speekselen op mijn aangezicht, die Ik om uwentwil ontving om u te herstellen tot de eerste adem. Zie de slagen op mijn wangen, die Ik onderging om uw misvormde gelaat te herstellen. Zie de geseling van mijn rug, die Ik droeg om de last van uw zonden van uw rug af te nemen. Zie mijn handen, aan het hout genageld, om u te genezen, die eens uw hand onheilig naar de boom uitstrekte. Ik sliep aan het kruis, en een lans doorboorde mijn zijde om uwentwil, gij die in het paradijs waart ingeslapen en Eva uit uw zijde deed voortkomen. Mijn zijde genas de smart van uw zijde. Mijn slaap zal u uit de slaap van de onderwereld wekken. De lans die Mij trof, heeft de lans afgewend die tegen u was gericht. Sta op, laat ons heengaan. De vijand heeft u uit het aardse paradijs verdreven. Ik zal u niet in dat paradijs herstellen, maar op de troon van de hemel plaatsen. Ik ontzegde u de boom die slechts een voorafbeelding was. Zie, Ik die het leven ben, verenig Mij met u. Ik stelde cherubijnen aan om de weg te bewaken, nu laat Ik de cherubijnen u aanbidden als God. De troon van de cherubijnen is gereed, de dragers staan gereed, het bruiloftsmaal is bereid, de woningen zijn gereed, het rijk der hemelen is geopend, van alle eeuwen bereid.