Evangelie van de zondag (Johannes 16, 16–22)
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen Een korte tijd, en gij zult Mij niet meer zien, en weer een korte tijd, en gij zult Mij terugzien, want Ik ga heen naar den Vader. Sommigen van zijn leerlingen zeiden dan tot elkander Wat betekent dat toch, wat Hij ons zegt: Een korte tijd, en gij zult Mij niet meer zien, en weer een korte tijd, en gij zult Mij terugzien, en: Ik ga heen naar den Vader? Zij zeiden dan Wat bedoelt Hij toch met: een korte tijd? Wij begrijpen niet, wat Hij zegt. Jezus nu wist, dat zij Hem iets wilden vragen, en Hij sprak tot hen Gij raadpleegt elkander over mijn woorden, dat Ik gezegd heb: Een korte tijd, en gij zult Mij niet meer zien, en weer een korte tijd, en gij zult Mij terugzien? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult schreien en jammeren, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult wel bedroefd zijn, doch uw droefheid zal verkeren in vreugde. Als een vrouw moeder gaat worden, is zij bedroefd, omdat haar uur gekomen is; maar zodra zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar smart, van blijdschap, dat er een mens ter wereld is gekomen. Zo zijt ook gij nu wel bedroefd, maar Ik zal u weerzien, dan zal uw hart zich verblijden, en die blijdschap zal niemand u ontnemen.
Wat betekent dit, dat Hij zegt: Een korte tijd, en gij zult Mij niet zien, en wederom een korte tijd, en gij zult Mij zien? Dit korte tijdsverloop is de gehele tijd van de Kerk, totdat de Heer komt. Want wat de mensen lang lijkt, is kort bij God, en daarom wordt het een korte tijd genoemd. Deze droefheid is dus tijdelijk, maar de vreugde is eeuwig. (H. Augustinus)