Feest Onze Lieve Vrouw Visitatie

2 juli — Onze Lieve Vrouw Visitatie

De gebeurtenis die de H. Kerk vandaag viert, is wel een van de roerendste uit het Evangelie. In al haar nederigheid begeeft Maria, de Moeder van God, zich op weg om haar nicht Elisabeth te gaan helpen bij de geboorte van haar kind Johannes. Door Elisabeth wordt zij begroet als de gezegende onder de vrouwen, als de Moeder van de Heer. Dit ogenblik heeft Maria zo aangegrepen, dat haar hart aan het zingen slaat en het heerlijke Magnificat van haar lippen komt. De gehele misliturgie wordt gedragen door deze gedachten.

De Visitatie, Rogier van der Weyden
Rogier van der Weyden, De Visitatie, ca. 1445.
Maria en Elisabeth ontmoeten elkaar in een van de meest ontroerende voorstellingen uit de Vlaamse schilderkunst.

En waarom valt mij dit te beurt, dat de Moeder van de Heer tot mij komt?

Evangelie van de dag (Lucas 1, 39–47)

In die tijd stond Maria op en ging ijlings naar het gebergte, naar een stad van Juda, en zij trad het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabeth. En opeens, toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Toen werd Elisabeth vervuld van de Heilige Geest en zij riep met luide stem en zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. En waarom valt mij dit te beurt, dat de Moeder van de Heer tot mij komt? Want werkelijk, zodra uw begroeting mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En zalig gij, dat gij geloofd hebt; want hetgeen u door de Heer is aangekondigd, zal in vervulling gaan. Toen sprak Maria: Mijn ziel verheft de Heer en mijn geest is verblijd in God, mijn heil.

De Visitatie

In onderstaande prachtige overweging beziet Dom Prosper Guéranger de Visitatie in het licht van het Hooglied en de profeten. Maria draagt de Verlosser naar Elisabeth en wordt zo de levende Ark van het Nieuwe Verbond.

Wie is zij die daar oprijst, schoon als de dageraad, ontzagwekkend als een in slagorde geschaard leger? O Maria, dit is de dag waarop uw heerlijke glans voor het eerst onze aarde verblijdt. Gij draagt in uw schoot de Zon der gerechtigheid; en zijn eerste stralen, die het eerst de bergtoppen treffen terwijl de dalen nog in duisternis zijn gehuld, verlichten terstond de Voorloper, dan wie geen grotere uit vrouwen geboren is. Weldra zal dit goddelijk Licht, op zijn snelle opgang, ook de nederige dalen baden in zijn stralende gloed. Maar hoe vol genade en schoonheid zijn reeds deze eerste lichtstralen, die door de sluier van de wolk heen breken. Want gij, o Maria, zijt de lichte wolk, de hoop der aarde, de schrik der hel. Reeds van verre aanschouwden Elias, de vader der profeten, en Isaias, hun vorst, door haar hemelse doorschijnendheid het mysterie van deze dag en zij beschreven de Heer. Zij zagen u over de bergen snellen en zij loofden God, want, zo spreekt de Heilige Geest, toen de winter de wateren tot kristal had verstijfd, de dalen verdord en als door vuur verteerd waren, verscheen boven de groene bergen als een geneesmiddel voor allen de snelle komst van een wolk.

Haast u dan, o Maria. Kom tot ons allen, en laat niet alleen de bergen delen in uw weldadige invloed. Buig u neer tot die lage en onaanzienlijke streken, waar het grootste deel van de mensheid slechts voortleeft, niet in staat de verheven hoogten daarboven te beklimmen. Ja, laat uw liefdevol bezoek afdalen tot in de diepste afgrond van menselijke verdorvenheid, die reeds bijna grenst aan de poel der hel. Laat ook daar de stralen van het heil doordringen. O, mochten wij uit de slavernij van de zonde, uit de vlakte waar de gewone menigte rusteloos heen en weer dwaalt, worden weggetrokken om u te volgen. Hoe schoon zijn uw voetstappen op onze nederige paden, hoe welriekend de geuren waarmee gij op deze dag de aarde vervult. Tot nu toe waart gij geheel verborgen. Ja, gij waart zelfs een geheim voor uzelf, o schoonste onder de dochters van Adam, totdat deze eerste tocht u naar onze arme woningen voerde en uw macht openbaarde. De woestijn, die plotseling met hemelse geur is vervuld, begroet uw voorbijgang, niet meer van de voorafbeeldende Ark, maar van de ware draagstoel van Salomo, in deze dagen van de verheven Bruiloft die Hij heeft willen sluiten. Wat wonder dan, dat gij u met snelle schreden over de bergen spoedt, nu gij de Bruidegom draagt, die als een held van bergtop tot bergtop voortsnelt.

Hoe geheel anders zijt gij, o Maria, dan zij die in het Hooglied wordt beschreven, aarzelend om gehoor te geven aan de stem uit de hemel en zich te begeven tot de werken van de liefde, dwaas geboeid door de zoetheid van de mystieke rust, alsof zij die ergens anders zou kunnen vinden dan in het volmaakte welbehagen van de Geliefde. Geliefde. Gij zijt niet als degene die bij de stem van de Bruidegom bezwaren maakt tegen het opnieuw omgorden met het kleed van de arbeid of tegen het blootstellen van haar voeten, hoe weinig ook, aan het stof van de wegen der aarde. Integendeel. Nauwelijks heeft Hij Zichzelf op onuitsprekelijke wijze aan u geschonken, zoals niemand anders het ooit kan kennen, of gij waakt er reeds voor niet geheel op te gaan in de zelfzuchtige genieting van zijn liefde, en nodigt Hem uit onmiddellijk het grote Werk te beginnen dat Hem uit de hemel op aarde heeft gebracht.

Kom, mijn Geliefde, laat ons uitgaan naar de velden. Laat ons vroeg opstaan om te zien of de wijngaard bloeit, om de eerste vruchten van het heil in de zielen te doen ontluiken. Daar, juist daar, wil Ik geheel de Uwe zijn.

En terwijl gij op Hem leunt, niet minder dan Hij op u, zonder daardoor ook maar iets van de hemelse verrukkingen te verliezen, doorkruist gij onze woestijn. De allerheiligste Drie-eenheid aanschouwt tussen deze Moeder en haar Zoon een innige overeenstemming en wederzijdse liefde, die tot dan toe zelfs voor haar verborgen waren. Ook de vrienden van de Bruidegom horen uw zoete stem, begrijpen op hun beurt zijn liefde en delen in uw vreugde. Met Hem, en met u, o Maria, zullen door alle eeuwen heen ontelbare zielen, snel als de ree en het jonge hert, de dalen ontvluchten en de bergtoppen bereiken, waar in de warme zonneschijn de welriekende specerijen des hemels hun geur verspreiden.

Zegen, o Maria, hen die zo zoet worden aangetrokken door het betere deel. Bescherm die Orde wier roem het is uw Visitatie op bijzondere wijze te vereren. Getrouw aan de geest van haar roemrijke stichters blijft zij haar schone naam waardig, doordat zij de Kerk op aarde vervult met de geur van die nederigheid, zachtmoedigheid en verborgen gebed, die dit mysterie, achttien eeuwen geleden, de engelen zo dierbaar maakte. Ten slotte, o Vrouwe, vergeet niet de dichte scharen van hen die, meer dan ooit in onze dagen, door de genade worden gedrongen uw voetstappen te volgen, door barmhartig iedere nood op te zoeken. Leer hun de enige weg waarop zij zich geheel aan hun naaste kunnen wijden zonder God ooit te verlaten, tot meerdere eer van God en tot heil van de mensen. Vermenigvuldig zulke getrouwe afbeeldingen van uzelf.

Mogen wij allen, nadat wij de maat hebben vervuld die Hij, die zijn gaven uitdeelt aan ieder zoals het Hem behaagt, aan ieder van ons heeft toegemeten, elkaar eenmaal ontmoeten in ons hemels Vaderhuis, om met u uit één mond een eeuwig Magnificat te zingen.

Magnificat anima mea Dominum.

Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo.

Quia respexit humilitatem ancillae suae: ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes.

Quia fecit mihi magna qui potens est: et sanctum nomen ejus.

Et misericordia ejus a progenie in progenies timentibus eum.

Fecit potentiam in brachio suo: dispersit superbos mente cordis sui.

Deposuit potentes de sede, et exaltavit humiles.

Esurientes implevit bonis: et divites dimisit inanes.

Suscepit Israël puerum suum, recordatus misericordiae suae.

Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini ejus in saecula.

Hoog verheft nu mijn ziel de Heer.

Verrukt is mijn geest om God, mijn Verlosser.

Zijn keus viel op zijn eenvoudige dienstmaagd; van nu af prijst ieder geslacht mij zalig.

Wonderbaar is het wat Hij mij deed, de Machtige, groot is zijn Naam.

Barmhartig is Hij tot in lengte van dagen voor ieder die Hem erkent.

Hij doet zich gelden met krachtige arm, vermetelen drijft Hij uiteen.

Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien.

Behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken gaan heen met lege handen.

Hij trekt zich zijn dienaar Israël aan, zijn milde erbarming indachtig.

Zoals Hij de vaderen heeft beloofd, voor Abraham en zijn geslacht voor altijd.