Negentiende zondag na Pinksteren

Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Mattheüs, 22, 1–14

IN DIE TIJD richtte Jezus Zich in gelijkenissen tot de opperpriesters en farizeeën en sprak: Het rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsmaal aanrichtte voor zijn zoon. En hij zond zijn dienaren uit om de genodigden ter bruiloft te roepen, maar zij wilden niet komen. Opnieuw zond hij andere dienaren met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Ziet, mijn gastmaal staat gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht en alles is klaar. Komt nu ter bruiloft! Maar zij stoorden zich er niet aan en gingen heen, de een naar zijn landgoed, de ander naar zijn zaken. Weer anderen grepen zijn dienaren vast, mishandelden hen en brachten hen om het leven. Toen de koning dit hoorde, ontstak hij in toorn en zond zijn legers, verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand. Vervolgens zei hij tot zijn dienaren: Het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten van de wegen en roept allen ter bruiloft die gij daar vindt! En zijn dienaren gingen heen naar de wegen en brachten allen die zij vonden bijeen, slechten zowel als goeden. En de bruiloftszaal werd met gasten gevuld. Toen nu de koning binnentrad om de gasten te zien, bemerkte hij er één zonder bruiloftskleed aan. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe bent gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed aan? Maar de ander stond sprakeloos. Toen zei de koning tot zijn dienaren: Bindt hem handen en voeten en werpt hem naar buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

H. Alfonsus Maria de Liguori over het verlies van God

De H. Alfonsus Maria de Liguori behandelt in zijn preek voor de negentiende zondag na Pinksteren het slotwoord van het Evangelie over de uitwerping in de buitenste duisternis. Hij bepaalt de zwaarste straf van de verdoemden niet allereerst in de lichamelijke kwellingen van de hel, maar in het eeuwige verlies van God, het hoogste Goed.

De gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal, Jan Swart van Groningen
De gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal. Jan Swart van Groningen, ca. 1530 tot 1550. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. De koning staat rechts bij het bruiloftsmaal en richt zich tot de gast die zonder bruiloftskleed is binnengekomen. Rond de tafel zitten de overige gasten. Op de achtergrond is te zien hoe dienaren handelen overeenkomstig het bevel van de koning. De voorstelling legt daarmee vooral nadruk op het slot van de gelijkenis uit Mattheüs 22, waarin de onwaardige gast wordt afgezonderd en uitgeworpen.
Werp hem uit in de buitenste duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars. Mattheüs 22, 13
Volgens alle wetten, goddelijke zowel als menselijke, moet de straf van een misdaad evenredig zijn aan haar zwaarte. Naar de maat van de zonde zal ook de maat van de slagen zijn. Deut. 25, 2. Nu bestaat de voornaamste belediging die de zondaar God door de doodzonde aandoet hierin, dat hij zijn Schepper en zijn hoogste Goed de rug toekeert. De H. Thomas omschrijft de doodzonde als een afkeer van het onveranderlijke Goed. Over deze belediging klaagt de Heer met de woorden: Gij hebt Mij verlaten, zegt de Heer, gij zijt achterwaarts gegaan. Jer. 15, 6. Daar dus de grootste schuld van de zondaar hierin bestaat, dat hij vrijwillig toestemt God te verliezen, zal ook het verlies van God zijn grootste straf in de hel uitmaken. Daar zal geween zijn. In de hel wordt voortdurend geweend. Maar wat veroorzaakt de bitterste tranen van de ongelukkige verdoemden? De gedachte dat zij God door hun eigen schuld hebben verloren. Dit zal het onderwerp van deze prediking zijn. Luistert aandachtig, broeders.
1. Neen, geliefde christenen, de goederen van deze aarde zijn niet het doel waarvoor God u in de wereld heeft geplaatst. Het doel waarvoor Hij u geschapen heeft, is het verkrijgen van het eeuwige leven. En het einde is het eeuwige leven. Rom. 6, 22. Het eeuwige leven bestaat daarin God te beminnen en Hem voor eeuwig te bezitten. Wie dit doel bereikt, zal eeuwig gelukkig zijn. Maar wie het door eigen schuld niet bereikt, verliest God. Hij zal eeuwig ongelukkig zijn en eeuwig wenen, zeggende: Mijn einde is verloren. Klaagl. 3, 18.
2. De smart die door een verlies wordt veroorzaakt, is evenredig aan de waarde van hetgeen verloren is. Wanneer iemand een kostbaar juweel verliest, een diamant ter waarde van honderd kronen, ondervindt hij grote smart. Is de diamant tweehonderd kronen waard, dan is de smart groter. Is hij vierhonderd kronen waard, dan is zij nog groter. Nu vraag ik: welk goed heeft een verdoemde ziel verloren? Zij heeft God verloren. Zij heeft een oneindig Goed verloren. De smart die uit het verlies van God voortkomt, is dus een oneindige smart. De H. Thomas zegt dat de straf der verdoemden oneindig is, omdat zij bestaat in het verlies van een oneindig Goed. Ook de H. Bernardus leert dat de zwaarte van het verlies der verdoemden wordt afgemeten naar de oneindigheid van God, het hoogste Goed. De hel bestaat daarom niet allereerst in het verterende vuur, noch in haar ondraaglijke stank, noch in het onophoudelijke geschreeuw en gejammer der verdoemden, noch in de verschrikkelijke aanblik der duivelen, noch in de benauwdheid van die afgrond van kwellingen waarin de verdoemden op elkander zijn opeengepakt. De eigenlijke straf die de hel uitmaakt, is het verlies van God. Vergeleken met deze smart zijn alle andere kwellingen gering. De beloning van Gods trouwe dienaren in de hemel is, zoals Hij tot Abraham heeft gezegd, God zelf. Ik ben uw loon, buitengewoon groot. Gen. 15, 1. Zoals God dus de beloning der gelukzaligen in de hemel is, zo is het verlies van God de straf der verdoemden in de hel.
3. Daarom heeft de H. Bruno terecht gezegd dat, hoe groot de kwellingen ook mogen zijn die de verdoemden ondergaan, zij nooit kunnen opwegen tegen de grote smart van het beroofd zijn van God. Voeg kwellingen bij kwellingen, maar beroof hen niet van God. Volgens de H. Johannes Chrysostomus zijn duizend hellen niet gelijk aan deze smart. Over het verlies van God zegt hij: Al zoudt gij duizend hellen noemen, toch zoudt gij niets noemen dat aan deze smart gelijk is. God is zo beminnelijk dat Hij een oneindige liefde verdient. Hij is zozeer alle liefde waardig dat de heiligen in de hemel vervuld zijn van vreugde en zo geheel opgenomen zijn in de goddelijke liefde, dat zij niets anders verlangen dan God te beminnen en alleen daaraan denken Hem met al hun kracht lief te hebben. Thans sluiten de zondaars omwille van hun geringe genoegens de ogen. Zij kennen God niet, noch de liefde die Hij verdient. Maar in de hel zullen zij tot straf van hun zonden leren kennen dat God een oneindig Goed en oneindig beminnelijk is. De Heer zal gekend worden wanneer Hij het oordeel voltrekt. Ps. 9, 17. De zondaar, verzonken in zinnelijke genoegens, kent God nauwelijks. Hij ziet Hem slechts als in duisternis en bekommert zich daarom weinig om het verlies van God. Maar in de hel zal hij God kennen en eeuwig gekweld worden door de gedachte dat hij vrijwillig dit oneindige Goed heeft verloren. Van een geleerde uit Parijs wordt verhaald dat hij na zijn dood aan zijn bisschop verscheen en zei dat hij verdoemd was. De bisschop vroeg hem of hij zich nog de wetenschappen herinnerde waarin hij tijdens zijn leven zo geleerd was geweest. Hij antwoordde dat de verdoemden in de hel slechts aan één smart denken: dat zij God hebben verloren.
4. Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur. Matt. 25, 41. Gaat weg van Mij. Dit bevel vormt de hel der verdoemden. Gaat weg van Mij. Gij zult niet langer de Mijnen zijn en Ik zal niet langer de uwe zijn. Gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. Os. 1, 9. Thans, zegt de H. Augustinus, wordt deze straf alleen gevreesd door de heiligen. Het is een straf die de ziel welke God liefheeft, meer verschrikt dan alle kwellingen van de hel. Maar zij verschrikt de zondaars niet, omdat zij in de duisternis van de zonde verkeren. Bij hun dood zullen zij echter, tot vergroting van hun straf, begrijpen welk oneindig Goed zij door hun eigen schuld verloren hebben.
5. Men moet weten dat de mensen voor God geschapen zijn en dat hun natuur hen trekt Hem te beminnen. In dit leven verstikken de duisternis van de zonde en de aardse gehechtheden die in hun hart heersen hun natuurlijke neiging tot vereniging met God, hun hoogste Goed. Daarom veroorzaakt de gedachte van een scheiding van Hem thans weinig smart. Maar wanneer de ziel het lichaam verlaat en bevrijd is van de zinnen die haar in duisternis hielden, ziet zij duidelijk dat zij voor God geschapen is en dat Hij het enige Goed is dat haar gelukkig kan maken. De H. Antoninus zegt dat de van het lichaam gescheiden ziel begrijpt dat God haar hoogste Goed is en dat zij voor Hem geschapen is. Zodra zij dus van de banden van het lichaam is bevrijd, snelt zij naar haar hoogste Goed om Hem te omhelzen. Maar omdat zij in zonde verkeert en Gods vijandin is, stoot God haar van Zich. Hoewel zij wordt teruggedreven en verjaagd, behoudt zij haar onweerstaanbare neiging tot vereniging met God. Haar hel zal hierin bestaan dat zij zich steeds tot God getrokken ziet en steeds van Hem verwijderd blijft.
6. Wanneer een hond een haas ziet, welke moeite doet hij dan niet om zijn ketting te breken en zijn prooi te grijpen. Zo trekken bij de scheiding van het lichaam de natuurlijke neigingen van de ziel haar naar God, terwijl de zonde haar tegelijk van Hem afscheidt en haar met zich meesleurt naar de hel. De zonde, zegt de profeet, staat als een dikke muur tussen de ziel en God en scheidt haar van Hem. Uw ongerechtigheden hebben scheiding gemaakt tussen u en uw God. Is. 59, 2. Daarom zal de ongelukkige ziel, opgesloten in de gevangenis van de hel en ver van God verwijderd, eeuwig wenen en zeggen: Mijn God, ik zal niet langer de uwe zijn en Gij zult niet langer de mijne zijn. Ik zal U niet meer beminnen en Gij zult mij nooit meer beminnen. Deze scheiding van God vervulde David met vrees toen hij zei: Zal God dan voor eeuwig verstoten en nooit meer genadig zijn? Ps. 76, 8. Hoe groot, zegt hij, zou mijn ellende zijn wanneer God mij van Zich verstootte en mij nooit meer genadig zou zijn. Maar iedere verdoemde ziel ondergaat deze ellende en zal haar in eeuwigheid ondergaan. Zolang David in zonde verkeerde, verweet zijn geweten hem: Waar is uw God? David, waar is uw God die u eens liefhad? Gij hebt Hem verloren. Hij is niet meer de uwe. David was zo bedroefd over het verlies van zijn God dat hij dag en nacht weende. Mijn tranen zijn mij tot brood geworden dag en nacht, terwijl men mij dagelijks zegt: Waar is uw God? Ps. 41, 4. Zo zullen zelfs de duivelen tot de verdoemden zeggen: Waar is uw God? Door zijn tranen verzoende David God en verkreeg hij Hem terug. Maar de verdoemden zullen een zee van tranen vergieten en toch God nooit verzoenen of Hem terugkrijgen.
7. De H. Augustinus zegt dat, indien de verdoemden de schoonheid van God konden aanschouwen, zij geen smart zouden gevoelen en de hel zelf in een hemel zou veranderen. Maar de verdoemden zullen God nooit aanschouwen. Toen David zijn zoon Absalom verbood voor zijn aangezicht te verschijnen, was Absaloms smart zo groot dat hij Joab smeekte zijn vader te zeggen dat hij liever wilde sterven dan nooit meer zijn aangezicht te mogen zien. Laat mij toch het aangezicht van de koning zien. En indien hij mijn ongerechtigheid gedenkt, laat hij mij dan doden. 2 Sam. 14, 32. Tot een edelman die zich oneerbiedig in de kerk had gedragen, zei Filips II: Verschijn nooit meer voor mijn aangezicht. De smart van deze edelman was zo hevig dat hij, nadat hij naar huis was teruggekeerd, van verdriet stierf. Wat moeten dan de gevoelens van de verworpenen zijn in het uur van hun dood, wanneer God tot hen zal zeggen: Gaat weg. Laat Mij u nooit meer zien. Gij zult mijn aangezicht nooit meer aanschouwen. Ik zal mijn aangezicht voor hen verbergen. Alle rampen en ellenden zullen hen treffen. Deut. 31, 17. Welk medelijden zouden wij niet voelen wanneer wij een zoon zagen die altijd met zijn vader verenigd was geweest, met hem gegeten en geslapen had, en die nu wenend over die innig geliefde vader zei: Mijn vader, ik heb u verloren. Ik zal u nooit meer zien. Ach, indien wij een verdoemde ziel bitter zagen wenen en haar naar de oorzaak van haar gejammer vroegen, zou zij antwoorden: Ik ween omdat ik God verloren heb en Hem nooit meer zal zien.
8. De smart van de verworpenen zal nog worden vermeerderd door de kennis van de heerlijkheid die de heiligen in de hemel genieten en waarvan zij zichzelf voor eeuwig buitengesloten zien. Hoe groot zou de smart zijn van iemand die door zijn vorst naar diens eigen schouwburg was uitgenodigd om zang, dans en andere feestelijkheden bij te wonen, maar wegens een schuld van de toegang werd uitgesloten. Hoe bitter zouden zijn toorn en teleurstelling zijn wanneer hij buiten stond en binnen de vreugdekreten en het applaus hoorde. Thans verachten de zondaars de hemel en verliezen hem om nietige zaken, nadat Jezus Christus de laatste druppel van zijn bloed heeft vergoten om hen waardig te maken dat gelukzalige rijk binnen te gaan. Maar wanneer zij in de hel opgesloten zijn, zal de kennis van de heerlijkheid des hemels tot hun grootste kwellingen behoren. De H. Johannes Chrysostomus zegt dat het besef uit dat land van vreugde verbannen te zijn voor de verdoemden een kwelling zal zijn die tienduizendmaal groter is dan de hel die zij lijden. Dan zullen zij zeggen: Ach, had ik ten minste de hoop dat ik na duizend of zelfs een miljoen jaren de goddelijke genade kon terugkrijgen en waardig kon worden de hemel binnen te gaan om daar God te aanschouwen. Maar neen. Hun zal worden gezegd: Wanneer de goddeloze gestorven is, zal er geen hoop meer zijn. Spr. 11, 7. In dit leven had hij zijn ziel kunnen redden. Maar omdat hij in zonde gestorven is, is zijn verlies onherstelbaar. Daarom zal hij met tranen van wanhoop zeggen: Ik zal de Heer God niet aanschouwen in het land der levenden. Is. 38, 11.
9. De gedachte dat zij God en de hemel uitsluitend door hun eigen schuld hebben verloren, zal de kwelling der verdoemden vergroten. Iedere verdoemde ziel zal zeggen: Het stond in mijn macht op aarde een gelukkig leven te leiden door God te beminnen en een grenzeloos geluk voor de eeuwigheid te verwerven. Maar omdat ik mijn ondeugden heb bemind, moet ik in deze plaats van kwellingen blijven zolang God God zal zijn. Dan zal zij met de woorden van Job uitroepen: Wie zal mij geven dat ik weer was als in de voorbije maanden, als in de dagen waarin God mij bewaarde? Ach, mocht ik terugkeren naar de tijd waarin ik op aarde leefde, toen God over mij waakte opdat ik niet in dit vuur zou vallen. Ik leefde niet onder wilden of onder volken die de waarheid niet kenden. Ik was niet verstoken van de sacramenten, prediking of leraren die mij konden onderrichten. Ik ben geboren in de schoot van de ware Kerk. Ik ben goed onderwezen en dikwijls vermaand door predikers en biechtvaders. Naar deze gevangenis ben ik niet door de duivelen gesleept. Ik ben er uit eigen wil gekomen. De ketenen waarmee ik gebonden ben en op afstand van God gehouden word, heb ik met mijn eigen wil gesmeed. Hoe dikwijls heeft God tot mijn hart gesproken en mij gezegd: Beter u en keer tot Mij terug. Waak ervoor dat de tijd niet komt waarop gij uw ondergang niet meer zult kunnen voorkomen. Helaas, die tijd is gekomen. Het vonnis is reeds uitgesproken. Ik ben verdoemd en voor mijn verdoemenis bestaat geen geneesmiddel meer en zal er in alle eeuwigheid geen bestaan. Maar indien de verdoemde ziel God verloren heeft en Hem nooit meer zal zien, kan zij Hem dan ten minste nog beminnen? Neen. Zij is door de genade verlaten en zo tot slavin van haar zonden geworden. Zij wordt gedwongen Hem te haten. De verdoemden zien dat God hun tegenstander is wegens hun verachting van Hem tijdens hun leven en zij verkeren daarom voortdurend in wanhoop. Waarom hebt Gij mij tegenover U gesteld, zodat ik mijzelf tot last ben geworden? Job 7, 20. Omdat de verdoemden zien dat zij vijanden zijn van God, van Wie zij tegelijk weten dat Hij oneindige liefde verdient, worden zij voor zichzelf voorwerpen van de grootste afschuw. Een van de zwaarste straffen die God hun zal opleggen, zal hierin bestaan dat zij zien hoe beminnelijk God is en hoe mismaakt zijzelf zijn en hoezeer zij vijanden van deze God geworden zijn.
10. Bovenal zal de aanblik van alles wat God voor hen heeft gedaan hun kwelling vergroten. De goddeloze zal het zien en vertoornd worden. Ps. 111, 10. Zij zullen alle weldaden zien die God hun geschonken heeft, alle verlichtingen en roepstemmen die Hij hun gegeven heeft en het geduld waarmee Hij op hen gewacht heeft. Bovenal zullen zij zien hoeveel Jezus Christus hen heeft liefgehad en hoeveel Hij uit liefde tot hen heeft geleden. En na al die liefde en al dat lijden zullen zij zien dat zij niet meer het voorwerp van zijn liefde zijn. Volgens de H. Johannes Chrysostomus zijn duizend hellen niets vergeleken met de gedachte van Christus verworpen te zijn. Dan zal de verdoemde zeggen: Mijn Verlosser, die uit medelijden met mij bloed heeft gezweet, doodsangst in de hof heeft geleden en zonder enige vertroosting aan het kruis is gestorven, heeft nu geen medelijden meer met mij. Ik ween en ik roep, maar Hij hoort mij niet meer en ziet niet meer naar mij om. Hij heeft mij geheel verlaten. Eens beminde Hij mij. Maar nu ben ik van Hem verwijderd, en terecht, want ondankbaar heb ik geweigerd Hem te beminnen. David zegt dat de verworpenen in de kuil des doods worden neergestort. Gij zult hen doen afdalen in de kuil van het verderf. Ps. 54, 24. Daarom heeft de H. Augustinus gezegd: De kuil zal boven gesloten zijn en beneden geopend. Hij zal zich naar de diepte uitbreiden, en zij die God niet wilden kennen, zullen door God niet meer gekend worden.
11. Zo zien de verdoemden dat God oneindige liefde verdient en dat zij Hem niet meer kunnen beminnen. De H. Catharina van Genua werd eens door de duivel aangevallen en vroeg hem wie hij was. Hij antwoordde onder tranen: Ik ben die ongelukkige die van de liefde van God beroofd is. Ik ben dat ellendige wezen dat God nooit meer kan beminnen. De verdoemden kunnen God niet alleen niet beminnen. Verlaten in hun zonden worden zij gedwongen Hem te haten. Hun hel bestaat daarin dat zij God haten, terwijl zij tegelijk weten dat Hij oneindig beminnelijk is. Zij beminnen Hem krachtig als hun hoogste Goed en haten Hem als de Wreker van hun zonden. Een geleerd schrijver zegt: Het is de diepste ellende iemand hevig lief te hebben en tegelijk degene die men liefheeft te haten. Hun natuurlijke liefde trekt hen voortdurend naar God, maar hun haat trekt hen van Hem weg. Deze twee tegengestelde hartstochten verscheuren als twee woeste dieren onophoudelijk het hart der verdoemden en veroorzaken dat zij in een voortdurende dood leven en eeuwig zullen leven. De verworpenen zullen dan alle weldaden haten en vervloeken die God hun geschonken heeft. Zij zullen de weldaden van de schepping, de verlossing en de sacramenten haten. In het bijzonder zullen zij het sacrament van het Doopsel haten, waardoor zij wegens hun zonden des te schuldiger geworden zijn voor God. Zij zullen het sacrament van de Biecht haten, waardoor zij, indien zij gewild hadden, zo gemakkelijk hun ziel hadden kunnen redden. En bovenal zullen zij het allerheiligste Sacrament des Altaars haten, waarin God Zich geheel aan hen gegeven had. Daarom zullen zij ook alle andere middelen haten die hun tot hulp bij hun zaligheid waren gegeven. Zij zullen de engelen en heiligen haten en vervloeken. In het bijzonder zullen zij hun engelbewaarders en hun bijzondere voorsprekers vervloeken en bovenal de goddelijke Moeder Maria. Zij zullen de drie goddelijke Personen vervloeken, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, maar in het bijzonder Jezus Christus, het mensgeworden Woord, die zoveel geleden heeft en voor hun zaligheid gestorven is. Zij zullen de wonden van Jezus Christus vervloeken, het bloed van Jezus Christus en de dood van Jezus Christus. Ziedaar waartoe de vervloekte zonde de zielen voert die Jezus Christus zo duur heeft vrijgekocht.