Evangelie van de zondag (Lucas 14, 16-24)
In die tijd hield Jezus de farizeeën deze gelijkenis voor: Een zeker iemand richtte een groot gastmaal aan en nodigde velen uit. Tegen het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar om aan de genodigden te zeggen: Komt, want alles is gereed. Maar allen begonnen zich eenparig te verontschuldigen. De eerste zei hem: Ik heb een landgoed gekocht en ik moet het noodzakelijk gaan bezichtigen; wees zo goed mij te verontschuldigen. Een ander zei: Ik heb vijf koppel ossen gekocht en ik ga ze keuren; wees zo goed mij te verontschuldigen. En weer een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. De dienaar kwam terug en deelde dit mee aan zijn heer. Toen werd de heer des huizes vertoornd en hij zei tot zijn dienaar: Ga onmiddellijk naar de pleinen en straten van de stad, en breng de armen en gebrekkigen, de blinden en kreupelen hier binnen. En de dienaar zei: Heer, het is geschied zoals gij bevolen hebt, en nog is er plaats. Toen sprak de heer tot zijn dienaar: Ga naar de wegen en binnenpaden, en dwing hen binnen te komen; want mijn huis moet vol worden. Want ik zeg u: Niemand van deze mannen, die genodigd waren, zal van mijn gastmaal proeven.
H. Gregorius de Grote over het Evangelie van het grote gastmaal
Hij bereidde een groot gastmaal, omdat Hij voor ons de volle genieting van de eeuwige zoetheid heeft bereid. Velen werden uitgenodigd, maar slechts weinigen kwamen; want dikwijls zijn er velen die door het geloof tot God behoren, maar door hun levenswandel zich tegen zijn eeuwig gastmaal verzetten.
Gewoonlijk bestaat dit verschil tussen de genietingen van het lichaam en die van de ziel: lichamelijke genoegens wekken verlangen op zolang men ze niet bezit; maar zodra men ze bezit en ervan geniet, verandert het verlangen spoedig in afkeer. Geestelijke goederen daarentegen worden veracht zolang men ze niet bezit; maar wanneer men ze eenmaal bezit, worden zij des te vuriger begeerd.
Daarom roept de hemelse barmhartigheid ons terug tot die goederen die wij hebben veracht. Zij houdt ons het hemels gastmaal voor ogen en nodigt ons uit om te komen. Maar velen verontschuldigen zich. De een door zijn akker, een ander door zijn ossen, een derde door zijn huwelijk. Niet omdat deze dingen op zichzelf kwaad zijn, maar omdat het menselijk hart zich er zo aan kan hechten dat het geen verlangen meer heeft naar de hemelse goederen.
Wie zich geheel aan aardse zaken overgeeft, vergeet wat eeuwig is. Hij ziet wat voorbijgaat en verliest uit het oog wat blijft. Zo gebeurt het dat men door tijdelijke bezigheden verhinderd wordt om de vreugde van het hemelse gastmaal te smaken.
Toch blijft de Heer uitnodigen. Wanneer sommigen weigeren, worden anderen geroepen. Armen en gebrekkigen komen binnen, omdat zij hun nood erkennen. Vaak ontvangen zij die in de ogen van de wereld gering zijn de genade die door de machtigen wordt versmaad. Zo wordt het huis van de Heer gevuld, terwijl degenen die zich verontschuldigden buiten blijven.
H. Gregorius de Grote, Homiliae in Evangelia, Homilie 36 over Lucas 14, 16-24