Evangelie van de zondag (Mattheüs 5, 20-24)
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: Als uw gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan! Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan, en wie doodslag begaat, is strafbaar voor het gerecht. Maar Ik zeg u: ieder die toornig wordt op zijn broeder, is strafbaar voor het gerecht, en wie tot zijn broeder zegt: Gij dwaas, hij is strafbaar voor de hoge raad, en wie zegt: Gij goddeloze, hij is strafbaar met het vuur van de hel. Als gij dus uw offergave naar het altaar brengt, en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offergave daar bij het altaar achter, en ga u eerst met uw broeder verzoenen, en kom dan terug om uw gave te offeren.
H. Johannes Chrysostomus, Homilie XVI over het Evangelie volgens Mattheus
… Hier verstaat de Heer onder gerechtigheid de gehele deugd. Let toch op de overvloed van de genade. Hij wil dat zijn leerlingen, die pas tot Hem gekomen zijn, beter zullen zijn dan de leraars van het Oude Verbond. Met schriftgeleerden en farizeeën bedoelt Hij hier niet alleen de goddelozen, maar ook hen die de Wet nauwgezet onderhielden. Waren zij niet rechtvaardig geweest, dan zou Hij niet hebben gezegd dat zij een gerechtigheid bezaten, noch het werkelijke met het onwerkelijke hebben vergeleken.
Merk ook op hoe Hij hierdoor de oude Wet prijst, door haar met de nieuwe te vergelijken. Want meer en minder behoren tot dezelfde orde. Hij berispt de oude Wet niet, maar verlangt dat zij tot haar volheid wordt gebracht. Indien zij slecht was geweest, zou Hij haar niet volmaakter hebben gemaakt, maar afgeschaft.
Indien uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen geenszins binnengaan.
Daarna begint Hij de nieuwe geboden te geven, niet alsof Hij met de oude strijd voert, maar om te tonen dat zij daarmee volkomen overeenstemmen en dat het ogenblik gekomen is om haar tot haar volheid te brengen.
Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden. Maar Ik zeg u: al wie zonder reden vertoornd is op zijn broeder, zal schuldig zijn aan het oordeel.
Ziet gij de volheid van zijn gezag? Welke profeet heeft ooit zo gesproken? Welke rechtvaardige? Welke aartsvader? Geen van allen. Zij zeiden: Zo spreekt de Heer. Maar de Zoon spreekt anders. Zij verkondigden de geboden van hun Heer, Hij verkondigt die van zijn Vader. En wanneer ik zeg: van zijn Vader, bedoel ik tegelijk: de zijne.
Wie zich niet door de toorn laat meeslepen, zal nog veel minder tot doodslag komen. Wie zijn gramschap beteugelt, zal zijn handen des te gemakkelijker van geweld terughouden. Want de toorn is de wortel van de doodslag. Wie de wortel uitrukt, laat de takken niet eens opschieten.
Niet om de Wet af te schaffen gaf Hij deze geboden, maar om haar volkomen te doen onderhouden. Want waartoe diende de Wet anders dan om te beletten dat de ene mens de andere zou doden? Wie daarom de toorn wegneemt, bevestigt de bedoeling van de Wet des te krachtiger.
Indien gij uw gave naar het altaar brengt en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave vóór het altaar achter, ga eerst heen en verzoen u met uw broeder. en kom daarna terug en draag uw gave op.
O goedheid! O overgrote liefde tot de mens! Ter wille van onze liefde tot de naaste acht Hij zelfs de eer die Hemzelf toekomt van minder gewicht. Daarmee toont Hij dat Zijn vroegere bedreigingen niet uit gestrengheid zijn voortgekomen, maar uit de tederste liefde.
Want wat kan zachter zijn dan deze woorden?
Laat Mijn dienst onderbroken worden, zegt Hij, opdat uw liefde behouden blijve, want ook dit is een offer: dat gij met uw broeder verzoend wordt.
Daarom zegt Hij niet: na het offer of vóór het offer, maar terwijl de gave reeds vóór het altaar ligt en het offer begonnen is, zendt Hij u heen om u met uw broeder te verzoenen.
Vooreerst om te tonen hoe hoog Hij de liefde acht en dat Hij haar als het grootste offer beschouwt. Zonder haar neemt Hij zelfs het andere offer niet aan.
Vervolgens legt Hij een zodanige noodzaak tot verzoening op, dat niemand zich eraan kan onttrekken. Want wie het bevel ontvangt niet te offeren voordat hij met zijn broeder verzoend is, zal zich haasten. Al is het niet uit liefde voor zijn broeder, dan toch opdat zijn gave niet onopgedragen vóór het altaar blijve liggen.
Door dit alles maakt Hij duidelijk dat deze heilige tafel hen niet ontvangt die in vijandschap met elkander leven.
Wanneer gij dus zelfs uw gebed wilt opdragen terwijl gij in onenigheid leeft, dan is het beter uw gebed te onderbreken, u eerst met uw broeder te verzoenen en daarna uw gebed op te dragen. Want daartoe is alles geschied. Daarom is God mens geworden en heeft Hij alles beschikt: opdat Hij ons met elkander zou verzoenen.