29 juni — Heilige Apostelen Petrus en Paulus, martelaren † 67
Vandaag viert de Kerk de natalis van de heilige Apostelen Petrus en Paulus. In Rome hebben zij hun bloed voor Christus vergoten. Daardoor werd Rome de stad van Petrus, de zetel van de apostolische Stoel en het middelpunt van de katholieke eenheid.
Petrus ontving van de Heer de sleutels van het Koninkrijk der hemelen en de opdracht zijn broeders te bevestigen in het geloof. Paulus werd uitverkoren om de naam van Christus te dragen voor de volkeren. Hun roeping was onderscheiden, maar hun getuigenis werd in Rome verenigd door het martelaarschap.
Petrus werd op de Vaticaanse heuvel gekruisigd, met het hoofd naar beneden uit nederigheid jegens zijn Meester. Paulus, als Romeins burger, werd aan de Via Ostiensis door het zwaard gedood. Hun graven werden reeds in de eerste eeuwen de kostbaarste heiligdommen van het christelijke Rome.
Het martelaarschap van de H. Petrus
Het martelaarschap van de H. Paulus
Hymne Aurea luce et decore roseo
Heden heeft Simon Petrus het kruishout bestegen; heden is de sleuteldrager van het rijk blijde naar Christus gegaan. Heden heeft de apostel Paulus, het licht der wereld, het hoofd gebogen en voor Christus de martelaarskroon verworven.

God, die deze dag hebt geheiligd door de marteldood van Uw heilige Apostelen Petrus en Paulus, geef dat Uw Kerk in alles de leer volge van hen door wie zij het begin van het geloof heeft ontvangen. Door onze Heer Jezus Christus, Uw Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid van de Heilige Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Het martelaarschap van de heilige Petrus
Op de negenentwintigste juni van het jaar zevenenzestig werd Petrus eindelijk uit zijn kerker gehaald om ter dood te worden gebracht. Volgens het Romeinse recht moest hij eerst gegeseld worden, zoals gebruikelijk was vóór de voltrekking van een doodvonnis. Daarna voerde een detachement soldaten de Apostel naar de plaats van zijn marteldood buiten de stadsmuren, zoals de wet voorschreef. Een grote menigte gelovigen volgde hem, gedreven door liefde voor hun herder en bereid om voor zijnentwil ieder gevaar te trotseren.
Aan de overzijde van de Tiber strekt zich, tegenover het Marsveld, een uitgestrekte vlakte uit. Zij is bereikbaar via de Triomfbrug, die de stad verbindt met de Via Triumphalis en de Via Cornelia, twee wegen die naar het noorden voeren. Aan de linkerzijde wordt deze vlakte begrensd door de Janiculumheuvel, terwijl daarachter de Vaticaanse heuvels zich als een halfrond verheffen. Langs de oever van de Tiber lagen de uitgestrekte tuinen van Nero, waar drie jaar tevoren in dezelfde tijd van het jaar de eerste grote christenvervolging had gewoed.
Ten westen van de Vaticaanse vlakte, achter Nero’s tuinen, lag het grote circus dat gewoonlijk zijn naam droeg, hoewel het in werkelijkheid door Caligula was aangelegd. Midden daarin stond de obelisk die hij uit Egypte had laten overbrengen. Aan het uiteinde van het circus verhief zich een tempel van Apollo, de beschermer van de spelen.
Halverwege de helling van de Vaticaanse heuvel stond, tegenover de obelisk, een oude terpentijnboom die bij het volk algemeen bekend was. Dicht daarbij was de plaats aangewezen waar Petrus gekruisigd zou worden, en daar was ook reeds zijn graf gereedgemaakt. Geen plaats in heel Rome kon waardiger zijn voor zo verheven een bestemming.
Van de vroegste tijden af hing er iets geheimzinnigs over de Vaticaanse heuvel. Oude overleveringen spraken van een eik die ouder zou zijn geweest dan de stichting van Rome en daar in grote eerbied werd gehouden. Ook werd verteld dat op deze plaats orakels werden vernomen. Waar had de oude Apostel, die Rome voor Christus had overwonnen, een waardiger rustplaats kunnen vinden dan op deze gewijde grond, uitziend over de Via Triumphalis en de Via Cornelia, waar de roem van het oude Rome voorgoed verbonden zou worden met de naam van Petrus? (Dom Prosper Guéranger)
Er ligt iets verhevens in het bezit van deze plaats door de Plaatsbekleder van de Godmens. Toen de Apostel de plaats van zijn terechtstelling had bereikt, smeekte hij zijn beulen hem niet op de gebruikelijke wijze, maar met het hoofd naar beneden te kruisigen, omdat een dienaar niet waardig was in dezelfde houding te sterven als zijn Meester.
Zijn verzoek werd ingewilligd. De christelijke overlevering heeft dit altijd bevestigd en ziet daarin een nieuw bewijs van de diepe nederigheid van de Prins der Apostelen. Met uitgestrekte armen bad Petrus voor de stad en voor de gehele wereld, terwijl zijn bloed neerdaalde op de Romeinse bodem die hij zojuist voor Christus had gewonnen.
Op dat ogenblik werd Rome voorgoed het nieuwe Jeruzalem. Toen de Apostel al zijn smarten had doorstaan, gaf hij de geest. Toch zou hij voortleven in ieder van zijn opvolgers, tot aan het einde der tijden.

Het martelaarschap van de heilige Paulus
In plaats van in de gevangenis de dag af te wachten waarop zijn zaak behandeld zou worden, stond het Paulus vrij in de stad een verblijfplaats te kiezen. Hij moest echter dag en nacht vergezeld worden door een soldaat, aan wie hij volgens gewoonte geketend was, maar slechts zó dat zijn vlucht verhinderd werd. Overigens bleef hem alle bewegingsvrijheid gelaten, zodat hij gemakkelijk kon voortgaan het woord Gods te verkondigen.
Tegen het einde van het jaar 57 werd de Apostel, krachtens zijn beroep op Caesar, eindelijk voor het praetorium geroepen. De gelukkige verdediging van zijn zaak had zijn vrijspraak tot gevolg. Nu hij vrij was, bezocht Paulus opnieuw het Oosten en versterkte hij op zijn evangelische weg de kerken die hij vroeger had gesticht. Zo mochten Efeze en Kreta nogmaals zijn tegenwoordigheid genieten. In de ene plaats liet hij zijn leerling Timotheüs als bisschop achter, in de andere Titus.
Maar Paulus had Rome niet voorgoed verlaten. De Romeinse Kerk, reeds zo wonderbaar verlicht door zijn prediking, moest nog verguld worden door zijn laatste stralen en purper gekleurd door zijn bloed. Een hemelse waarschuwing, evenals bij Petrus, beval ook hem naar Rome terug te keren, waar het martelaarschap hem wachtte. Dit feit wordt door de heilige Athanasius bevestigd. Hetzelfde vernemen wij ook van de heilige Asterius van Amasia, die hierbij opmerkt dat de Apostel Rome opnieuw binnenging om de meesters der wereld zelf te onderrichten, hen tot zijn leerlingen te maken en door hen met het gehele menselijk geslacht te worstelen. Daar vindt Paulus Petrus, bezig met hetzelfde werk. Terstond spant hij zich met hem voor dezelfde goddelijke wagen en begint hij de kinderen der Wet in de synagogen te onderrichten en de heidenen daarbuiten.
Eindelijk bezit Rome haar twee vorsten gezamenlijk. De een gezeten op de eeuwige zetel, met in zijn handen de sleutels van het rijk der hemelen. De ander omringd door de schoven die hij uit de velden van de heidenwereld heeft verzameld. Zij zullen nu niet meer gescheiden worden. Zelfs in de dood, zo zingt de Kerk, zullen zij niet worden gescheiden.
De tijd waarin zij samen waren, moest noodzakelijk kort zijn. Zij moesten aan hun Meester het getuigenis van hun bloed geven voordat de Romeinse wereld bevrijd zou worden van de afschuwelijke tirannie waaronder zij zuchtte. Hun dood zou Nero’s laatste misdaad zijn. Daarna zou hij uit het gezicht verdwijnen en de wereld verschrikt achterlaten door zijn einde, even schandelijk als tragisch.
In het jaar 65 keerde Paulus naar Rome terug en tekende hij zijn aanwezigheid daar opnieuw door de vele werken van zijn apostolaat. Reeds bij zijn eerste arbeid daar had hij bekeerlingen gemaakt tot in het paleis van de Caesars zelf. Nu hij naar dit vroegere toneel van zijn ijver was teruggekeerd, vond hij opnieuw toegang tot de keizerlijke woning. Een vrouw die in zondige omgang met Nero leefde, en eveneens een van zijn schenkers, werden beiden gevangen in het apostolische net. Het was immers moeilijk weerstand te bieden aan de kracht van dat machtige woord.
Nero, woedend over de invloed van deze vreemdeling in zijn eigen huis, was vastbesloten Paulus te vernietigen. Eerst werd hij in de gevangenis geworpen. Maar zijn ijver verkoelde niet. Integendeel, hij volhardde des te meer in het prediken van Jezus Christus.
Toen de twee bekeerlingen uit het keizerlijk paleis met het heidendom ook de levenswijze hadden afgezworen die zij tot dan toe hadden geleid, verhaastte hun dubbele bekering slechts Paulus’ martelaarschap. Hij wist zeer goed dat het zo zou zijn, zoals blijkt uit deze regels aan Timotheüs:
Ik lijd zelfs tot boeien toe, als een boosdoener. Maar het woord Gods is niet geboeid. Daarom verdraag ik alles omwille van de uitverkorenen. Want ik word reeds geofferd, als een slachtoffer dat reeds met het reinigingswater besprenkeld is, en de tijd van mijn ontbinding is nabij. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop voleindigd, ik heb het geloof bewaard. Wat nu nog rest, is voor mij weggelegd: de kroon der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag zal geven.
Op de negenentwintigste juni van het jaar 67, terwijl Petrus de Tiber was overgestoken over de Triomfbrug en naderde tot het kruis dat voor hem op de Vaticaanse vlakte was bereid, voltrok zich een ander martelaarschap op de linkeroever van dezelfde rivier.
Paulus werd langs de Via Ostiensis geleid en ook hij werd gevolgd door een groep gelovigen, die zich mengden onder de wacht van de veroordeelde. Zijn vonnis luidde dat hij bij de Salviaanse Wateren onthoofd moest worden. Een tocht van twee mijlen bracht de soldaten bij een weg die oostwaarts leidde. Langs die weg voerden zij hun gevangene naar de plaats die was aangewezen voor het martelaarschap van deze Leraar der heidenen.
Paulus viel op zijn knieën en richtte zijn laatste gebed tot God. Daarna verbond hij zijn ogen en wachtte hij de dodelijke slag af. Een soldaat hief zijn zwaard op, en het hoofd van de Apostel, toen het van de romp werd gescheiden, maakte drie sprongen over de grond. Terstond ontsprongen drie bronnen op die onderscheiden plaatsen. Zo luidt de plaatselijke overlevering. Tot op heden worden op de plaats van zijn martelaarschap de drie bronnen van Tre Fontane vereerd. (Dom Prosper Guéranger)

Hymne
Aurea luce et decore roseo
De oude hymne Aurea luce et decore roseo behoort tot de mooiste gezangen van de Romeinse liturgie voor het hoogfeest van de heilige Apostelen Petrus en Paulus. Zij bezingt de martelaarskroon van de twee Apostelen en verheerlijkt Rome, dat door hun kostbaar bloed voor altijd met hun naam is verbonden. De beroemde strofe O felix Roma behoort al eeuwenlang tot de meest geliefde verzen van dit feest.
Aurea luce et decore roseo,
Lux lucis, omne perfudisti saeculum,
decorans caelos inclito martyrio,
hac sacra die, quae dat reis veniam.
Door gouden licht en rozenrode glans,
o Licht uit Licht, hebt Gij heel de wereld vervuld,
terwijl Gij de hemelen hebt gesierd
door het roemrijk martelaarschap
op deze heilige dag, die vergiffenis schenkt aan schuldigen.
Janitor caeli, doctor orbis pariter,
judices saecli, vera mundi lumina,
per crucem alter, alter ense triumphans,
vitae senatum laureati possident.
De wachter van de hemelpoort
en de leraar van de wereld,
rechters der eeuwen, ware lichten der wereld.
De een zegevierend door het kruis,
de ander door het zwaard,
bezitten zij, met lauweren gekroond,
de raadsvergadering van het leven.
O felix Roma, quae tantorum principum
es purpurata pretioso sanguine,
non laude tua, sed ipsorum meritis
excellis omnem mundi pulchritudinem.
O gelukkig Rome,
door het kostbaar bloed van zulke vorsten
zijt gij purperrood gekleurd.
Niet door uw eigen roem,
maar door hun verdiensten
overtreft gij alle schoonheid der wereld.
Iam bone pastor, Petre, clemens accipe
vota precantum, et peccati vincula
resolve, tibi potestate tradita,
qua cunctis caelum verbo claudis, aperis.
Nu, goede herder Petrus,
neem goedgunstig de gebeden aan
van hen die tot u smeken.
Ontbind de boeien der zonde
door de macht die u is overgeleverd,
waardoor gij met uw woord
de hemel voor allen sluit en opent.
Doctor egregie, Paule, mores instrue,
et mente polum nos transferre satage,
donec perfectum largiatur plenius,
evacuato quod ex parte gerimus.
Uitnemende leraar Paulus,
onderricht onze zeden
en beijver u ons met de geest
naar de hemel over te brengen,
totdat het volmaakte ons overvloediger geschonken wordt,
wanneer wordt weggenomen
wat wij hier slechts ten dele bezitten.
Sit Trinitati sempiterna gloria,
honor, potestas atque jubilatio,
in unitate, cui manet imperium
ex tunc et modo per aeterna saecula.
Aan de Drie-eenheid zij eeuwige heerlijkheid,
eer, macht en jubelzang,
in de eenheid aan Wie de heerschappij blijft,
van eeuwigheid tot in alle eeuwigheid.
