De Katharen en de Albigenzische ketterij

Katholieke Klassieken

De Albigenzische aanval

HOOFDSTUK V

uit: The Great Heresies, Hilaire Belloc

Over de Albigenzische ketterij

In het hart van de Middeleeuwen, juist toen deze zich ontwikkelden naar hun schitterendste periode, de grote dertiende eeuw, ontstond een merkwaardige en krachtige aanval op de katholieke Kerk en op de gehele beschaving waarvoor zij stond. Deze aanval werd voor het ogenblik volledig verslagen. Het was niet alleen een aanval op de godsdienst die onze beschaving had gevormd, maar op die beschaving zelf. In de geschiedenis staat deze aanval in het algemeen bekend als de Albigenzische ketterij. Bij deze grote strijd moeten wij te werk gaan zoals bij al onze andere voorbeelden, door eerst de aard te onderzoeken van de leer die tegenover het geheel van de waarheid werd gesteld zoals die door de katholieke Kerk wordt geleerd. De dwaalleer waarvan de Albigenzen een belangrijk voorbeeld waren, is in verschillende vormen altijd latent onder de mensen aanwezig geweest, niet alleen binnen de beschaving van de christenheid, maar overal en altijd waar mensen zich met de fundamentele vraagstukken van het leven hebben moeten bezighouden, dat wil zeggen in iedere tijd en op iedere plaats. Op dit ogenblik in de geschiedenis nam zij echter een bijzonder geconcentreerde vorm aan. Toen traden de dwaalleringen die wij nu gaan onderzoeken het duidelijkst naar voren en kunnen zij het best worden beoordeeld. Aan de gevolgen die zij hadden toen zij het hoogtepunt van hun kracht bereikten, kunnen wij afmeten welk kwaad soortgelijke leringen aanrichten telkens wanneer zij verschijnen. Deze voortdurende dwaling van de menselijke geest is gedurende de christelijke tijd tot drie grote golven aangezwollen, waarvan de Albigenzische episode slechts de middelste was. De eerste grote golf was de manicheïsche neiging van de eerste christelijke eeuwen. De derde was de puriteinse beweging in Europa die met de Reformatie gepaard ging, met als uitloper van die ziekte het jansenisme. De eerste krachtige beweging van deze aard was vóór het einde van de achtste eeuw uitgeput. De tweede werd vernietigd toen de eigenlijke Albigenzische beweging in de dertiende eeuw werd uitgeroeid. De derde, de puriteinse golf, is eerst nu aan het afnemen, nadat zij alle mogelijke kwaad heeft aangericht.

Wat is nu deze algemene neiging of geesteshouding, die naar haar oudste naam manicheïsch werd genoemd, die in haar scherpst omlijnde vorm, waarmee wij ons nu zullen bezighouden, Albigenzisch heet en die wij uit de moderne geschiedenis als puritanisme kennen? Wat is de onderliggende drijfkracht die ketterijen van deze aard voortbrengt? Om deze hoofdvraag te beantwoorden moeten wij een fundamentele waarheid van de katholieke Kerk zelf beschouwen, die kort in deze vorm is uitgedrukt: De katholieke Kerk is gegrondvest op de erkenning van lijden en dood. In vollediger vorm zou de zin veeleer moeten luiden: De katholieke Kerk is geworteld in de erkenning van lijden en sterfelijkheid en in haar aanspraak een oplossing te hebben geboden voor het probleem dat zij stellen. Dit probleem staat gewoonlijk bekend als het probleem van het kwaad. Hoe kunnen wij de bestemming van de mens heerlijk noemen, de hemel zijn doel en zijn Schepper zowel algoed als almachtig, wanneer wij onderworpen blijken te zijn aan lijden en dood? Bijna alle jonge en onschuldige mensen zijn zich van dit probleem slechts in geringe mate bewust. Hoe sterk zij zich ervan bewust zijn, hangt af van hetgeen hun in het leven ten deel valt, hoe vroeg zij door de dood met verlies worden geconfronteerd en hoe vroeg zij groot lichamelijk of zelfs geestelijk lijden ondergaan. Maar vroeg of laat wordt ieder mens die ook maar enigszins nadenkt, ieder die geen dwaas is, geconfronteerd met dit probleem van het kwaad. En wanneer wij zien hoe het menselijk geslacht zelf de betekenis van het heelal tracht te doorgronden, de Openbaring daarover aanvaardt of verwrongen en gedeeltelijk onware godsdiensten en wijsgerige stelsels volgt, dan zien wij dat het zich in wezen steeds met die dringende vraag bezighoudt: Waarom moeten wij lijden? Waarom moeten wij sterven?

Er zijn verschillende uitwegen uit dit kwellende raadsel voorgesteld. De eenvoudigste en laagste is het probleem in het geheel niet onder ogen te zien, de ogen van lijden en dood af te wenden, te doen alsof zij niet bestaan of, wanneer zij zich zo onweerstaanbaar aan ons opdringen dat wij die schijn niet langer kunnen volhouden, onze gevoelens te verbergen. Tot deze slechtste wijze om met het probleem om te gaan behoort ook het vermijden van iedere vermelding van kwaad en lijden en de poging ze zoveel mogelijk te vergeten. Een andere weg, minder laag maar verstandelijk even verachtelijk, bestaat erin te zeggen dat er geen probleem is omdat wij allen deel uitmaken van een betekenisloos, dood ding waarachter geen scheppende God staat, en dat goed en kwaad en de begrippen gelukzaligheid en ellende geen werkelijke betekenis hebben. Een andere en edeler weg, die de geliefde weg was van de hoge heidense beschaving waaruit wij zijn voortgekomen, de weg van de grote Romeinen en de grote Grieken, is die van het stoïcisme. Men zou deze in gewone taal de wijsbegeerte van verdragen en volhouden kunnen noemen. Een of andere geleerde heeft haar de blijvende godsdienst van de mensheid genoemd, maar zij is dat in werkelijkheid geenszins, want zij is helemaal geen godsdienst. Zij bezit ten minste de adel de feiten onder ogen te zien, maar zij biedt geen oplossing. Zij is volkomen negatief. Een andere weg is de diepe maar wanhopige weg van Azië, waarvan het boeddhisme het grootste voorbeeld is: de wijsbegeerte die het individu een illusie noemt, ons gebiedt het verlangen naar onsterfelijkheid af te leggen en uit te zien naar het opgaan in het onpersoonlijke leven van het heelal. Wat de katholieke oplossing is, weten wij allen. Niet dat de katholieke Kerk een volledige oplossing van het mysterie van het kwaad heeft voorgesteld, want het is nooit de aanspraak of de taak van de Kerk geweest de gehele natuur van alle dingen te verklaren, maar veeleer de zielen te redden. Op dit bijzondere probleem heeft de katholieke Kerk echter, binnen het terrein van haar eigen werkzaamheid, een zeer bepaald antwoord. Zij leert ten eerste dat de menselijke natuur onsterfelijk is en voor de gelukzaligheid geschapen. Vervolgens leert zij dat sterfelijkheid en lijden het gevolg zijn van de val van de mens, dat wil zeggen van zijn opstand tegen de wil van God. Zij leert dat sinds de zondeval ons sterfelijk leven een beproeving is waarin wij, overeenkomstig ons gedrag en door de verdiensten van onze Verlosser, die onsterfelijke gelukzaligheid herwinnen die wij verloren hadden.

De manicheeër was zo overweldigd door de ervaring of het vooruitzicht van het lijden en door het ontstellende feit dat zijn natuur aan de sterfelijkheid onderworpen was, dat hij zijn toevlucht nam tot de ontkenning van de almachtige goedheid van een Schepper. Hij stelde dat het kwaad in het heelal evenzeer werkzaam was als het goede en dat beide beginselen voortdurend als gelijken tegenover elkaar streden. De mens was evenzeer aan het ene als aan het andere onderworpen. Voor zover hij überhaupt kon strijden, moest hij trachten zich bij het goede beginsel aan te sluiten en de macht van het kwade beginsel te vermijden, maar hij moest het kwaad als een almachtige macht beschouwen. De manicheeër erkende naast een goede God ook een kwade god en richtte zijn geest naar deze ontstellende voorstelling. Een dergelijke geesteshouding bracht allerlei verdere gevolgen voort. Bij sommigen leidde zij tot duivelsverering, bij veel meer mensen tot magie, dat wil zeggen tot afhankelijkheid van iets anders dan de eigen vrije wil, tot kunstgrepen waarmee men de kwade macht trachtte af te weren of te misleiden. Paradoxaal genoeg leidde zij er ook toe dat veel kwaad opzettelijk werd bedreven, waarbij men zei dat het niet anders kon of dat het er niet toe deed, omdat men hoe dan ook onderworpen was aan iets dat even machtig was als de macht van het goede en men dus evengoed daarnaar kon handelen. Eén ding heeft de manicheeër in al zijn schakeringen echter altijd gemeen gehad: de stof behoort tot de kwade zijde der dingen. Hoewel er ook veel geestelijk kwaad kan bestaan, moet het goede geheel geestelijk zijn. Dit vindt men niet alleen bij de oude manicheeërs en niet alleen bij de Albigenzen van de Middeleeuwen, maar zelfs bij de modernste overblijfselen van het puritanisme. Het schijnt in iedere vorm onverbrekelijk met de manicheïsche geesteshouding verbonden te zijn. De stof is aan verval onderworpen en is daarom kwaad. Onze lichamen zijn kwaad. Hun begeerten zijn kwaad. Deze gedachte vertakt zich in allerlei dwaze bijzonderheden. Wijn is kwaad. Vrijwel ieder lichamelijk of half lichamelijk genoegen is kwaad. Vreugde is kwaad. Schoonheid is kwaad. Vermaken zijn kwaad, enzovoort. Wie de bijzonderheden van de geschiedenis der Albigenzen leest, zal telkens opnieuw getroffen worden door de merkwaardig moderne houding van deze oude ketters, omdat zij dezelfde wortel hadden als de puriteinen die helaas nog altijd onder ons voortleven.

Hieruit komen de hoofdlijnen voort die, naarmate de Albigenzische beweging zich verbreidde, tot in bijzonderheden werden uitgewerkt. Onze lichamen zijn stoffelijk, zij vergaan en sterven. Daarom zou de kwade god het menselijk lichaam hebben gemaakt, terwijl de goede God de ziel schiep. Daarom ook zou onze Heer slechts schijnbaar met een menselijk lichaam bekleed zijn geweest. Hij zou slechts schijnbaar hebben geleden. Hieruit volgde eveneens de ontkenning van de Verrijzenis. Omdat de katholieke Kerk lijnrecht tegenover een dergelijke opvatting stond, heeft er altijd een onverzoenlijke strijd bestaan tussen haar en de manicheeër of puritein. Nooit was deze strijd heviger dan in de vorm die hij aannam tussen de Albigenzen en de georganiseerde katholieke Kerk van hun tijd, in de elfde en twaalfde eeuw in West Europa. Het pausdom, de hiërarchie, het gehele katholieke geloof en de gevestigde katholieke sacramenten waren het doelwit van de Albigenzische aanval. Het manicheïsme verschijnt in de geschiedenis op dezelfde wijze als bepaalde epidemische ziekten van het menselijk lichaam. Het komt op, zonder dat men goed weet waarvandaan. Het duikt op verschillende plaatsen op, neemt in kracht toe en wordt ten slotte een soort verwoestende plaag. Zo was het ook met de grote Albigenzische razernij van achthonderd of negenhonderd jaar geleden. Haar oorsprong is daarom duister, maar wij kunnen haar ontwikkeling volgen.

De elfde eeuw, de jaren tussen 1000 en 1100, kan het ontwaken van Europa worden genoemd. Onze beschaving had juist verschrikkelijke beproevingen doorstaan. Het Westen was geteisterd en op sommige plaatsen was de christenheid bijna vernietigd door zwermen heidense zeerovers uit het Noorden, de aanvankelijk onbekeerde en later slechts half bekeerde Scandinaviërs. Het was geschokt door Mongoolse invallers uit het Oosten, heidenen die in horden vanuit de vlakten van Noord Azië tegen Europa oprukten. Bovendien had het de grote mohammedaanse aanval op het Middellandse Zeegebied doorstaan. Deze had bijna geheel Spanje in bezit genomen, Noord Afrika en Syrië blijvend onderworpen en bedreigde Klein Azië en Constantinopel. Europa was belegerd geweest, maar begon zijn vijanden terug te dringen. De noordelijke zeerovers werden verslagen en bedwongen. De pas beschaafde Duitsers vielen de Mongolen aan en redden de Boven Donau en een grensgebied in het Oosten. Nog verder naar het Oosten begonnen de christelijke Slaven zich te organiseren. Het koninkrijk Polen begon gestalte te krijgen. Het voornaamste strijdtoneel was echter Spanje. Daar werd gedurende de elfde eeuw de mohammedaanse macht van de ene wisselende grens naar een volgende, verder zuidelijk gelegen grens teruggedrongen, totdat lang vóór het einde van de eeuw het grootste gedeelte van het schiereiland voor de christelijke heerschappij was heroverd. Met dit stoffelijke succes ging een krachtig ontwaken van het verstand gepaard, zowel in wijsgerige disputen als in nieuwe beschouwingen over de natuurwetenschappen. Dit ontwaken was zowel oorzaak als gevolg van die ontwikkeling. Een van die perioden was aangebroken die van tijd tot tijd in de geschiedenis van ons geslacht voorkomen, waarin er als het ware lente in de lucht hangt. De wijsbegeerte kwam krachtig tot ontwikkeling, de bouwkunst nam grotere vormen aan, de samenleving werd beter georganiseerd en zowel het wereldlijk als het kerkelijk gezag begon zijn bevoegdheden uit te breiden en vast te leggen.

Al deze nieuwe levenskracht schonk zowel de ketterij als de rechtzinnigheid nieuwe kracht. Vanuit het Oosten begonnen, nu eens hier en dan weer daar, maar over het algemeen langs wegen die westwaarts liepen, personen of kleine gemeenschappen te verschijnen die een nieuwe en, zoals zij het zelf noemden, gezuiverde vorm van godsdienst voorstonden en verbreidden. Deze gemeenschappen bezaten blijkbaar reeds enige kracht op de Balkan voordat zij in Italië verschenen. Zij schijnen in Noord Italië reeds enige invloed te hebben verworven voordat zij in Frankrijk optraden, hoewel de laatste grote strijd in Frankrijk zou plaatsvinden. Zij stonden onder verschillende namen bekend, bijvoorbeeld als Paulicianen, of onder een naam die naar een Bulgaarse oorsprong verwees. Zeer algemeen stonden zij bekend als de Reinen. Zelf namen zij die benaming gaarne aan, gebruikten daarvoor de Griekse vorm en noemden zich Katharen. De gehele geschiedenis van deze duistere opmars van het gevaar vanuit het oosten van Europa is zozeer verloren gegaan in de daaropvolgende schittering, toen de christenheid in de dertiende eeuw het hoogtepunt van haar beschaving bereikte, dat de oorsprong van de Albigenzen vergeten is en de duisternis daaromheen nog wordt versterkt door de schaduw die deze latere heerlijkheid erop werpt. Toch was hun invloed zowel wijdverbreid als gevaarlijk en er is een ogenblik geweest waarop het erop leek dat zij onze beschaving geheel zouden ondermijnen. Kerkvergaderingen waren zich al vroeg bewust van hetgeen gaande was, maar het verschijnsel was zeer moeilijk nauwkeurig te omschrijven en aan te pakken. Reeds in 1025 veroordeelde een concilie te Atrecht in Vlaanderen bepaalde ketterse stellingen van deze aard. Omstreeks het midden van de eeuw, in 1049, volgde een nieuwe en algemenere veroordeling door een concilie te Reims in Champagne. De gehele invloed hing als een miasma of giftige nevel over het land, zoals een nevel die over een brede vallei trekt en zich nu eens hier en dan weer daar neerzet. In Zuid Frankrijk begon hij zich te concentreren en een krachtige vorm aan te nemen. Daar zou de laatste en beslissende botsing plaatsvinden tussen deze beweging en de georganiseerde macht van het katholieke Europa.

De ketterij werd in haar ontwikkeling tot een duidelijk omschreven en krachtige beweging bevorderd door de gevolgen van de eerste grote kruistocht, die geheel Europa in beroering bracht, een stroom van nieuwe invloeden uit het Oosten binnenliet en tegelijkertijd iedere vorm van werkzaamheid in het Westen stimuleerde. Zoals wij eerder hebben gezien, vond deze kruistocht geheel aan het einde van de elfde eeuw plaats. Jeruzalem werd in 1099 ingenomen. In de daaropvolgende twaalfde eeuw, van 1100 tot 1200, werden de gevolgen ervan duidelijk zichtbaar. Het was een tijd die reeds ver boven de voorafgaande eeuwen was uitgegroeid. De universiteiten begonnen te ontstaan, evenals de vertegenwoordigende lichamen die parlementen werden genoemd, en de eerste spitsbogen, de gotiek, verrezen. De eigenlijke Middeleeuwen begonnen overal zichtbaar te worden. In deze atmosfeer van kracht en groei werden ook de Katharen sterker, evenals alle andere krachten om hen heen. In het begin van deze twaalfde eeuw begon de beweging verontrustende vormen aan te nemen en reeds vóór het midden van de eeuw drongen de Noord Fransen er bij het pausdom op aan handelend op te treden. Paus Eugenius zond een legaat naar Zuid Frankrijk om te onderzoeken wat er gedaan kon worden, en de heilige Bernardus, de grote rechtzinnige prediker van die krachtige tijd, predikte tegen hen. Maar er werd geen geweld gebruikt. Er was nog geen werkelijke organisatie tot stand gebracht om de ketters het hoofd te bieden, hoewel vooruitziende mannen reeds aandrongen op krachtig optreden indien de samenleving gered wilde worden. Ten slotte werd het gevaar verontrustend. In 1163 gaf een groot kerkelijk concilie te Tours aan de beweging een vaste naam waaronder zij voortaan bekend zou staan. Die naam was Albigenzen en hij is sindsdien behouden gebleven.

Het is een misleidende benaming. Het gebied der Albigenzen, in het Frans Albigeois genoemd, komt vrijwel overeen met het huidige departement Tarn in het bergachtige midden van Frankrijk, waarvan Albi de hoofdstad is. Ongetwijfeld waren enkele ketterse predikers uit die streek afkomstig en heeft dit aanleiding gegeven tot de naam. De kracht van de beweging lag echter niet daar, in de dunbevolkte heuvels, maar verder zuidwaarts in de rijke vlakten aan de Middellandse Zee, in het gebied dat de Langue d’Oc werd genoemd en waarvan Toulouse de grote hoofdstad was. Reeds ongeveer twintig jaar voordat het concilie van Tours de inmiddels ondermijnende beweging van een vaste naam voorzag, had Petrus van Bruys de nieuwe leer in de Langue d’Oc verkondigd. Met hem trok een metgezel, Hendrik genaamd, rond om deze leer te prediken, eerst te Lausanne in het huidige Zwitserland en later te Le Mans in Noord Frankrijk. Het verdient vermelding dat de bevolking zozeer tegen de eerste van deze mannen in woede ontstak, dat zij hem greep en levend verbrandde. Maar ook toen werd nog niet officieel tegen de Albigenzen opgetreden. Jarenlang werd hun toegestaan hun kracht snel te ontwikkelen, in de hoop dat geestelijke wapenen voldoende zouden zijn om hen te bestrijden. Het pausdom bleef tegen beter weten in hopen op een vreedzame oplossing. In 1167 kwam een keerpunt. De Albigenzen, inmiddels volledig georganiseerd als een tegenkerk, ongeveer zoals het calvinisme vier eeuwen later als tegenkerk werd georganiseerd, hielden te Toulouse een algemeen concilie van hun eigen beweging. Tegelijk werd een onheilspellend politiek feit zichtbaar. Het merendeel van de kleine edelen, die de voornaamste strijdmacht in Midden en Zuid Frankrijk vormden en vaak slechts over één dorp heersten, stond aan de zijde van de nieuwe beweging.

West Europa was in die tijd niet georganiseerd zoals tegenwoordig in grote gecentraliseerde staten. Het was feodaal ingericht. Heren van kleine gebieden stonden onder hogere leenheren, die op hun beurt onder zeer machtige plaatselijke vorsten stonden, hoofden van los met elkaar verbonden maar niettemin samenhangende gewesten. Een hertog van Normandië, een graaf van Toulouse of een graaf van Provence was in werkelijkheid een plaatselijk vorst. Hij was de koning van Frankrijk eerbied en leenplicht verschuldigd, maar niet veel meer. Het merendeel van de kleinere heren in het zuiden steunde de beweging, zoals dezelfde klasse van mannen sindsdien menige andere ketterse beweging heeft gesteund, omdat zij een mogelijkheid zag zich ten koste van de landgoederen der Kerk te verrijken. Dat was bij dergelijke opstanden steeds een voornaam motief geweest. Er was echter nog een tweede motief: de toenemende afkeer die in Zuid Frankrijk werd gevoeld tegen de geest en het karakter van Noord Frankrijk. Tussen de twee helften van wat in naam één Franse monarchie was, bestonden verschillen in taal en volksaard. De Noord Fransen begonnen opnieuw luid aan te dringen op onderdrukking van de zuidelijke ketterij en wakkerden daarmee het vuur verder aan. Ten slotte kwam de zaak in 1194 tot een hoogtepunt. Jeruzalem was verloren gegaan en de Derde Kruistocht was er niet in geslaagd de stad te heroveren. In dat jaar koos de graaf van Toulouse, de plaatselijke vorst, de zijde van de ketters. De grote paus Innocentius III begon eindelijk handelend op te treden. Het was hoog tijd, ja bijna te laat. Het pausdom had tot uitstel aangeraden uit de hardnekkige hoop door prediking en voorbeeld tot geestelijke vrede te komen. Het enige gevolg van dat uitstel was echter dat het kwaad de gelegenheid kreeg zulke afmetingen aan te nemen dat het onze gehele beschaving in gevaar bracht.

Hoezeer die beschaving in gevaar verkeerde, blijkt uit de voornaamste leerstellingen die openlijk werden verkondigd en in praktijk gebracht. Alle sacramenten werden afgeschaft. In hun plaats kwam een vreemde ritus, vermengd met vuurdienst, die het Consolamentum werd genoemd en waarbij men beweerde dat de ziel werd gereinigd. De voortplanting van het menselijk geslacht werd bestreden, het huwelijk veroordeeld, en de leiders van de sekte verbreidden al die buitensporigheden die men overal rond het manicheïsme of het puritanisme aantreft waar deze verschijnen. Wijn was kwaad, vlees was kwaad, oorlog was altijd volstrekt verkeerd, evenals de doodstraf. Maar de ene onvergeeflijke zonde was de verzoening met de katholieke Kerk. Ook daarin bleven de Albigenzen trouw aan hun aard. Alle ketterijen maken daarvan hun voornaamste punt. Het was duidelijk dat de zaak uiteindelijk met de wapenen beslist zou moeten worden, want nu het plaatselijke bestuur van het zuiden deze nieuwe, sterk georganiseerde tegenkerk steunde, zou onze gehele beschaving bezwijken indien die tegenkerk nog iets sterker werd. De eenvoud van de leer, met haar tweedeling tussen goed en kwaad, haar ontkenning van de Menswording en van de voornaamste christelijke geloofsgeheimen, haar afwijzing van de sacramenten, haar aanklacht tegen de rijkdom van de geestelijkheid en haar plaatselijke vaderlandsliefde, dit alles begon zowel de bevolking van de steden als de adel aan te spreken. Toch aarzelde Innocentius, hoe groot een paus hij ook was, zoals ieder staatsman geneigd is te aarzelen voordat werkelijk tot de wapenen wordt gegrepen. Maar zelfs hij liet kort vóór het einde van de eeuw doorschemeren dat een kruistocht noodzakelijk kon worden.

Wanneer de strijd eenmaal begon, zou deze noodzakelijk het karakter krijgen van een verovering door de noordelijke baronnen van het zuidelijke, of juister het zuidoostelijke, deel van Frankrijk tussen de Rhône en de bergen, met Toulouse als hoofdstad. Toch bleef de kruistocht nog uit. De eeuwwisseling was reeds voorbij toen Raymond, graaf van Toulouse, Raymond VI, bevreesd voor de dreiging uit het noorden, beloofde zijn houding te veranderen en zijn bescherming aan de ondermijnende beweging te onttrekken. Hij beloofde zelfs de leiders van de inmiddels sterk georganiseerde ketterse tegenkerk te verbannen. Maar hij was niet oprecht. Zijn sympathieën lagen bij zijn eigen stand in het zuiden, bij de grote massa strijders die hem steunden, de kleine heren van de Langue d’Oc, die diep in de nieuwe leerstellingen waren verstrikt. De heilige Dominicus, die uit Spanje kwam, werd door de kracht van zijn karakter en de vastberadenheid van zijn bedoeling de bezielende kracht van de naderende tegenbeweging. In 1207 verzocht de paus de koning van Frankrijk, als soeverein en leenheer van Toulouse, geweld te gebruiken. Bijna alle steden van het zuidoosten waren reeds aangetast. Vele waren geheel in handen van de ketters. Toen de pauselijke legaat Castelnau werd vermoord, vermoedelijk met medeweten van de graaf van Toulouse, werd de oproep tot een kruistocht herhaald en met grotere nadruk gedaan. Kort na deze moord begon de strijd.

De man die zich als de grootste leider van de veldtocht zou onderscheiden, was een zekere, niet bijzonder aanzienlijke en tamelijk arme heer van een noordelijk landgoed, een kleine maar versterkte plaats Montfort genaamd, op een lange dagreis van Parijs in de richting van Normandië. De ruïnes van de plaats zijn nog altijd te zien in het dicht beboste land eromheen. Zij liggen iets ten noorden van de hoofdweg tussen Parijs en Chartres, op een steile, tamelijk afgezonderde kleine heuvel in een golvend landschap. Aan deze kleine, afzonderlijke en versterkte hoogte was de naam de sterke berg, mont fort, gegeven, en Simon ontleende zijn naam aan deze oude heerlijkheid. Toen de strijd begon, wist Raymond van Toulouse nauwelijks wat hij moest doen. De koning van Frankrijk was machtiger geworden dan tevoren. Kort daarvoor had hij de landgoederen en alle leenrechten van de Plantagenets in Noord Frankrijk geconfisqueerd. Jan, de Plantagenet koning van Engeland, die Frans sprak zoals de gehele Engelse bovenlaag van die tijd, was tevens, onder de koning van Frankrijk, heer van Normandië, Maine en Anjou en, door de erfenis van zijn moeder, van de helft van het gebied ten zuiden van de Loire, Aquitanië. Het gehele noordelijke deel van dit enorme bezit, van het Kanaal tot aan de centrale berggebieden, was in één slag aan de koning van Frankrijk toegevallen toen de gelijken van Jan van Engeland hem tot verbeurdverklaring hadden veroordeeld. Raymond van Toulouse vreesde hetzelfde lot. Maar hij bleef weifelend. Hoewel hij met de kruisvaarders optrok tegen bepaalde van zijn eigen steden die tegen de Kerk in opstand waren, wenste hij in zijn hart dat de noordelingen verslagen zouden worden. Hij was reeds eenmaal geëxcommuniceerd. In 1209, het eerste jaar van de grote strijd, werd hij te Avignon opnieuw geëxcommuniceerd.

Die strijd was zeer hevig geweest. Er hadden verschrikkelijke slachtingen en plunderingen van steden plaatsgevonden en reeds was datgene zichtbaar geworden wat de paus het meest vreesde, namelijk het gevaar dat financiële belangen de toch al verschrikkelijke zaak nog bitterder zouden maken. De heren uit het noorden zouden vanzelfsprekend eisen dat de landgoederen van de overwonnen ketters onder hen werden verdeeld. Er werd nog een poging tot verzoening gedaan, maar Raymond van Toulouse, die waarschijnlijk de hoop had opgegeven ooit met rust gelaten te worden, bereidde zich voor op verzet. In 1207 werd hij buiten de bescherming van de Kerk verklaard en werden, evenals bij Jan, zijn bezittingen volgens het feodale recht verbeurd verklaard. Het beslissende ogenblik van de gehele veldtocht kwam in 1213. Waarschijnlijk zouden de strijdkrachten van de Noord Franse baronnen te sterk zijn geweest voor de zuiderlingen indien Raymond van Toulouse geen bondgenoten had kunnen vinden. Maar twee jaar na zijn definitieve excommunicatie en verbeurdverklaring verschenen plotseling zeer machtige bondgenoten aan zijn zijde op het slagveld. Het leek zeker dat het tij zou keren en dat de Albigenzische zaak zou overwinnen. Met die overwinning zou het koninkrijk Frankrijk uiteenvallen en daarmee ook de katholieke zaak in West Europa. Die korte reeks jaren was daarom beslissend voor de toekomst. In die jaren trok een grote coalitie, geleid door de inmiddels van zijn bezittingen beroofde Jan en gesteund door de Duitsers, in het noorden op tegen de koning van Frankrijk en zij faalde. Tegen grote overmacht in wist de koning van Frankrijk op 27 juli 1214 bij Bouvines, nabij Rijsel, de overwinning te behalen. Maar reeds het jaar tevoren had een andere beslissende overwinning van de noordelijke heren in het zuiden op de Albigenzen de weg bereid. De nieuwe bondgenoten die de graaf van Toulouse te hulp kwamen, waren de Spanjaarden van de zuidzijde van de Pyreneeën, de mannen van Aragón. Het was een enorme strijdmacht onder leiding van hun koning, de jonge Peter van Aragón, zwager van Raymond van Toulouse. Hij was een dronkaard, maar een man van geweldige energie en op sommige ogenblikken zeker niet onbekwaam als veldheer. Alles bij elkaar voerde hij ongeveer honderdduizend man over de bergen rechtstreeks ter ontzetting van Toulouse, een getal waarin ook de kampvolgers zijn meegerekend.

Muret is een kleine stad ten zuidwesten van de hoofdstad van Raymond, aan de Garonne stroomopwaarts gelegen, op een dagmars van Toulouse. Het enorme Spaanse leger, dat geen rechtstreeks belang had bij de ketterij zelf maar wel een groot belang bij de verzwakking van de Franse macht, lag gelegerd in het vlakke land ten zuiden van de stad Muret. Daartegenover stond als enige beschikbare strijdmacht een leger van duizend man onder Simon de Montfort. De verhoudingen leken belachelijk: één tegen honderd. In werkelijkheid waren zij natuurlijk lang niet zo ongunstig, want die duizend mannen waren uitgelezen, gewapende en bereden edelen. De bereden strijdmacht binnen het Spaanse leger was waarschijnlijk niet meer dan drie of vier maal zo groot. De rest van het Spaanse leger bestond uit voetvolk, waarvan velen ongeorganiseerd waren. Maar zelfs dan waren de krachtsverhoudingen nog zodanig dat de uitkomst tot de verbazingwekkendste gebeurtenissen uit de geschiedenis behoort. Het was de ochtend van 13 september 1213. De duizend mannen aan katholieke zijde stonden in slagorde opgesteld met Simon aan het hoofd en hoorden te paard de Mis. De Mis werd door de heilige Dominicus zelf gezongen. Uiteraard konden alleen de aanvoerders en enkele rijen in de kerk zelf aanwezig zijn, waar allen te paard bleven, maar door de geopende deuren kon de rest van de kleine strijdmacht het Offer aanschouwen. Toen de Mis geëindigd was, reed Simon aan het hoofd van zijn kleine troep uit, maakte een omtrekkende beweging naar het westen en wierp zich vervolgens met een plotselinge aanval op het leger van Peter, dat nog niet behoorlijk in slagorde stond en slecht op de schok was voorbereid. De duizend noordelijke ridders van Simon vernietigden hun tegenstanders geheel. Het Aragonese leger veranderde in een wolk van vluchtende mannen, viel volledig uiteen en hield als strijdmacht op te bestaan. Peter zelf werd gedood.

Muret is een naam die altijd herdacht zou moeten worden als die van een van de beslissende veldslagen van de wereld. Indien de slag verloren was gegaan, zou de gehele veldtocht zijn mislukt. Bouvines zou waarschijnlijk nooit zijn uitgevochten en naar alle waarschijnlijkheid zou de Franse monarchie zelf zijn ingestort en uiteengevallen in feodale machten die van geen enkele centrale heer meer afhankelijk waren. Het behoort tot de vele betreurenswaardige zaken in het geschiedenisonderwijs dat het buitengewone belang van deze plaats en van de daar geleverde slag nog altijd nauwelijks wordt erkend. Eén Amerikaanse schrijver heeft haar ten volle recht gedaan in een zeer bekwaam boek. Ik doel op het werk van de heer Hoffman Nickerson, The Inquisition. Ik ken geen andere Engelse monografie over dit onderwerp, hoewel het een vooraanstaande plaats in het geschiedenisonderwijs zou moeten innemen. Indien Muret verloren was gegaan in plaats van op wonderbaarlijke wijze gewonnen, zou niet alleen de Franse monarchie zijn verzwakt en Bouvines nooit zijn gewonnen, maar zou vrijwel zeker ook de nieuwe ketterij hebben gezegevierd. Daarmee zou onze westerse beschaving, met doorgesneden pezen, ter aarde zijn gestort. Want het gebied waarover de Albigenzen macht uitoefenden was het rijkste en best georganiseerde van het Westen. Het bezat de hoogste beschaving, beheerste met de grote haven van Narbonne de handel in het westelijke Middellandse Zeegebied en versperde iedere noordelijke poging naar het zuiden door te dringen. Zijn voorbeeld zou onvermijdelijk navolging hebben gevonden. Zoals de zaken echter verliepen, stortte het Albigenzische verzet ineen. De noordelingen hadden hun veldtocht gewonnen en het zuiden was voor een groot deel van zijn rijkdom beroofd en verzwakt in zijn vermogen om tegen de inmiddels machtige centrale monarchie te Parijs in opstand te komen. Daarom behoort Muret samen met Bouvines te worden beschouwd als een grondslag van die monarchie en daarmee van de hoge Middeleeuwen. Muret opent en bezegelt de dertiende eeuw, de eeuw van de heilige Lodewijk, van Eduard van Engeland en van de gehele ontplooiing van de westerse beschaving.

Wat de Albigenzische ketterij zelf betreft, zij werd behalve met de wapenen ook politiek bestreden door zowel wereldlijke als kerkelijke instellingen. De eerste Inquisitie ontstond uit de noodzaak de overblijfselen van de ziekte uit te roeien. Het is veelbetekenend dat iemand die zijn onschuld bepleitte slechts hoefde aan te tonen dat hij gehuwd was om van de beschuldiging van ketterij te worden vrijgesproken. Dat toont aan van welke aard deze ketterij was. Onder de drievoudige slag van verlies van rijkdom, verlies van militaire organisatie en een grondig georganiseerde politieke uitroeiing scheen deze manicheïsche beweging binnen een eeuw verdwenen te zijn. Maar haar wortels bleven ondergronds voortleven. Door de geheime overlevering van de vervolgden of door de aard van de manicheïsche neiging zelf, moest zij noodzakelijk in andere vormen opnieuw verschijnen. Zij bleef schuilen in de centrale bergstreken van Frankrijk zelf en verwante vormen bleven bestaan in de dalen van de Alpen. Er kan een zekere vage continuïteit worden gevolgd tussen de Albigenzen en latere puriteinse groepen, zoals de Waldenzen, evenals er enig verband kan worden gevolgd tussen de Albigenzen en de vroegere manicheïsche ketterijen. Maar de hoofdzaak, datgene wat de naam Albigenzen droeg, het gevaar dat Europa bijna dodelijk had getroffen, was vernietigd.

Het was vernietigd tegen een verschrikkelijke prijs. Een hoog ontwikkelde materiële beschaving was voor de helft verwoest en er waren herinneringen aan haat ontstaan die generaties zouden voortleven. Maar voor Europa was die prijs het waard, want Europa was gered. Het geslacht van Toulouse werd opnieuw in zijn titulair gezag hersteld en zijn bezittingen vielen pas veel later aan de Franse kroon toe. Maar zijn oude onafhankelijkheid was verdwenen en daarmee ook de bedreiging voor onze beschaving die zo dicht bij de overwinning was geweest.

Noot 1. Geheel Zuid Duitsland was in zekere mate door de Romeinse beschaving beïnvloed, en het Rijndal het sterkst. Maar de uiteindelijke beschaving van de Duitsers als geheel, met inbegrip van het noorden en de bewoners van het Elbegebied, was het werk van de katholieke missionarissen in de vroege Middeleeuwen, voornamelijk Engelsen en Ieren.

VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN

Embleem van Sint-Michaël met het motto Defende nos in praelio