Katholieke Klassieken
De Pastoor van Ars
Saint Jean Marie, Baptiste Vianney
Emile Erens
1937
I
Waar de heiligen voorbijgaan, gaat God mede voorbij, zei eens in zijn gevoelige beeldspraak de heilige, wiens levensverhaal hier zal volgen. Dit woord wordt op hemzelf toepasselijk geacht, als wijzend op het bezoek van een jonge heilige in het huis zijner geboorte lang voordat deze plaatsvond. In het geestelijke immers ziet men soms een geheimzinnig verband tussen gebeurtenissen, die wat tijd of plaats betreft, ver uit elkander liggen. Op korte afstand van de stad Lyon, in een vriendelijk en vruchtbaar landschap, waar de druiven ranken en geuren op de zonnige heuvelen en de lommerige weilanden tussen het geboomte fonkelen in de dalen, ligt het dorp Dardilly. Van de stad komend vindt men aan de ingang van het dorp een oude grijze boerderij, sinds vele geslachten van vader op zoon de hoeve der familie Vianney. Daar woonde in 1770 Pierre Vianney met vrouw en zeven kinderen, een vrome familie van boeren, waar in die tijd van afval en onverschilligheid het oude geloof nog levend was en zelfs uitging boven het alledaagse streven naar geld en goed. De hoeve der Vianneys noemde men in het dorp het tehuis der armen, omdat daar als bij afspraak samenkwamen alle bedelaars en zwervers uit het wijde land, om gevoed te worden en ’s nachts uit te rusten in het warme hooi. Uitgewezen als onbruikbaar uit verschillende kloosters, kwam daar ook in de zomer van 1770 op zijn tocht naar het zuiden de twintigjarige Benoît Labre, de eenzame die op al zijn wegen niets anders zocht dan God alleen. Les âmes du bon Dieu se reconnaissent partout. Benoît voelde het zuivere geloofsleven zijner weldoeners, hij at en dronk en sliep één nacht in het heerlijke huis, maar voordat hij verder trok, zonk hij neer in een diep gebed tot dank. Men zag hem bidden en toen hij verdwenen was, bleef de herinnering aan deze ene arme onder de honderden, die bleke man met de ernstige en zachte ogen, op de hoeve voortleven door de jaren als het beeld van een heilige. Het nu volgende geslacht der Vianneys beschouwde als een zegen van dit gebed de priesterroeping van de toekomstige pastoor van Ars. Acht jaren na het bezoek van de onvergetelijke pelgrim trouwde Matthieu, de zoon van Pierre Vianney, met Marie Beluse uit het naburige Ecully en op 8 mei 1786 werd uit dit huwelijk als vierde kind geboren Jean Marie. Reeds in zijn vroege kinderjaren toonde de kleine jongen een opvallende gevoeligheid voor alles wat hij van godsdienst in zijn omgeving gebeuren zag. Aan zijn moeder, een vrome maar ook geestelijk begaafde vrouw, schonk dit een grote vreugde en met bijzondere zorgen ontwikkelde en beschermde zij die aanleg. Jean Marie, nauwelijks vier jaren oud, was de eerste van de familie die neerknielde als het Angelus geluid werd in de dorpskerk. Evenzo deed hij geheel onbevangen als dit gebeurde terwijl hij met de grote mensen op het veld was. Eens vond de moeder hem geheel alleen in de halfdonkere koestal, geknield met gevouwen handjes voor het houten Mariabeeldje, dat zij hem als beloning voor een gebracht offer gegeven had. Toch was het kind even vrolijk en speels als andere kinderen. Ook had hij een heftig temperament, soms zelfs een plotselinge drift, maar toen reeds poogde hij deze te beheersen met zichtbare inspanning als iets kwaads, wat de godsdienst verbood. Inmiddels was in Parijs de Revolutie uitgebroken en had zich als een stormvlaag verspreid over het land. Toen Jean Marie zeven jaar was heerste de Terreur in al haar felheid. Evenzeer als tegen de adel vlamde op het diabolische vuur van de haat tegen priesters en kloosterlingen. Op het land vermomden zich de geestelijken als arbeiders of boeren en enkel ’s nachts oefenden zij hun ambt uit, mislezend, dopend en huwelijken inzegenend in afgelegen stallen en schuren, want alle kerken waren gesloten of tot puinhopen verbrand. Ook de kerk in Dardilly was gesloten, maar in Ecully hielden zich enige geestelijken verborgen, die overdag door de dorpen rondtrokken in hun vermomming en in de nacht hier en daar de samenkomsten der gelovigen belegden om de heilige geheimen te vieren en de sacramenten uit te delen. Voor Jean Marie werd het een tijd van grote ontroeringen. In de donkere avond trok de familie Vianney eropuit, Jean Marie met zijn ouders, de grotere kinderen weer een eind weegs achter hen. Zwijgend gingen ze langs afzijdse wegen door velden en bossen naar Ecully of verdere dorpen om de Heilige Mis bij te wonen. Eindelijk in diepe nacht binnenkomend in de schuur, vonden zij de priester reeds in gebed bij een klein lampje. In een der hoeken werd biecht gehoord, daarna las de priester op een armoedig tafeltje waarop de geconsacreerde altaarsteen lag, midden tussen de donkere volte der gelovigen, de Mis, deelde de Communie uit, sprak met gedempte stem woorden van troost en versterking in het geloof. Daar zat dan geknield naast zijn moeder Jean Marie, biddend en mee wenend, als hij de vrouwen rondom hoorde snikken in de stilte. Maar er gingen jaren voorbij en het schrikbewind duurde voort. Over de dorpen liepen de bloedige verhalen van de ontelbaren die vielen onder de bijl of verdronken werden in de rivieren, van de honderden priesters gemarteld en vermoord over geheel Frankrijk. Jean Marie moest nu zijn ouders helpen in het bedrijf. ’s Morgens vertrok hij met het vee, een paar koeien, schapen en een ezel, naar een vallei, Chant Merle genaamd. Zijn jongste zuster Gothon nam hij ook mee. In het groene dal zongen de vogels, ruiste de wind door de populieren, ruiste een heldere beek door het gras en de kinderen wisten niet meer van een revolutie of van het bloed dat op de guillotine droop in Lyon. Het werd een zorgeloos spel, doch meestal verlopend in een vrome kinderernst, want de kleine herder had zijn Mariabeeldje meegenomen, plaatste het op een boomstam die een holle plek had, versierde het met mos en groene twijgjes en, in het gras geknield, bad hij de rozenkrans. Soms verborg hij zich in de struiken om alleen te kunnen bidden, terwijl Gothon kousen moest herstellen bij het vee. Ook kwamen er andere dorpskinderen en gaf Jean Marie catechismusles met wijze raadgevingen, of deed wondervrome verhaaltjes die hij van zijn moeder had geleerd. Tot zijn negende jaar had hij nog geen school bezocht, maar zijn oudere zuster Catherine leerde hem de letters en hij kon spoedig een weinig lezen. Toen werd plotseling in het dorp een vrije school zonder godsdienst opgericht door de citoyen Dumas. Daar maakte hij goede vorderingen en de meester bewonderde de wijze jongen, die zich altijd onberispelijk gedroeg en om zijn geestig woord en beminnelijke manieren overal werd gezocht. Reeds op deze leeftijd toonde Jean Marie een oprechte liefde voor armen en gebrekkigen. In de winter bracht hij met zijn ezeltje regelmatig brandhout rond, waar kou geleden werd. Op de wegen zocht hij de hongerige landlopers op en voerde ze naar het ouderlijk huis. Arme kinderen leidde hij opgetogen naar zijn moeder, die zorgen moest voor hun versleten kleren, en van zijn eigen eten bewaarde hij heimelijk het beste om uit te delen waar nodig. Wanneer des avonds na de gemeenschappelijke maaltijd de vreemde gasten in lompen waren weggebracht naar de hooizolder, hing Jean Marie hun doorregende bovenkleren bij de haard om te drogen in de nacht en veegde ten slotte al het vuil weg wat achterbleef waar zij gezeten hadden. De meest vervuilde der vagebonden hadden gewoonlijk zijn grootste belangstelling en, alle weerzin overwinnend, hielp hij ze reinigen waar hij kon. Toen hij wat ouder werd, zag men hem meer in zichzelf gekeerd de eenzaamheid zoeken, maar kwam hij in gezelschap, dan sprankelde zijn geestige vrolijkheid en deelde zich aan allen mee. Soms, wanneer onpassende grappen of gewaagde dingen verteld werden, was zijn plotselinge komst voldoende om de sfeer te reinigen. Jean Marie was reeds dertien jaar geworden toen het eindelijk gelukte, in deze tijd van voortdurend levensgevaar voor alle priesters, om hem zijn eerste Communie te laten doen. Het geschiedde ’s morgens toen het licht werd, met meerdere andere kinderen op een buitenplaats bij Ecully waar een oude dame woonde. Om de aandacht af te leiden waren hoge wagens met hooi langs het huis geplaatst voor de ramen en arbeiders waren bezig dit te bergen. Zijn zuster Marguerite getuigde dat zij erbij was en dat haar broer zo gelukkig was, dat hij na afloop de kamer niet wilde verlaten. En men sprak van zijn ontroerend bidden, alsof hij een kleine heilige was. Dezelfde dag keerde hij met zijn ouders naar huis terug. Zijn schooltijd was nu afgelopen en hij moest meewerken in het boerenbedrijf, in de stallen, op de velden en in de wijnberg. Meestal was hij samen met zijn oudere broer François. Zwijgend arbeidden zij naast elkander, want onder het werk werd niet gepraat. Hij wist dat werken zijn eerste plicht was en hij deed het met de grootste ijver, maar in de stilte gingen zijn gedachten verloren in een simpele meditatie, of hij bad tot Maria en al de schone namen van haar litanie ontvonkten zijn levendige devotie. Toen reeds begon hij in de wijde natuur te zoeken naar symbolische betekenissen om uit de zware arbeid der aarde ook een geestelijke waarde te oogsten en gemakkelijk, als bij een dichter van Gods genade, vloeiden de verrassende woorden door zijn ziel. Wanneer de avond viel over het land, keerden van alle kanten de jonge arbeiders bij groepjes terug naar het dorp. Dan heerste opgewektheid hier en daar met luid gepraat en gelach. Maar Jean Marie bleef achter, liep alleen door de avond, zijn werktuig over de schouder en in de neerhangende vrije hand de rozenkrans. De vrolijke vrienden riepen François toe of hij niet bij zijn broer moest blijven om paternosters te murmelen. De jongen lachte een beetje verlegen, maar Jean Marie liet zich niet storen en zijn moed bracht de spotters tot zwijgen. Napoleon, eerste consul geworden door de machtsgreep van 18 Brumaire, jaar VIII, 1799, herstelde de inwendige vrede en maakte een eind aan de kerkvervolging. Het concordaat, door hem met de paus gesloten in 1801, werd tot wet op 5 april 1802. Op Paasdag, 18 april, dreunden de zware klokslagen van de Notre Dame over Parijs na een stilte van tien jaar. En het volk van Frankrijk vulde de oude kathedralen en kerken om het feest der Verrijzenis te vieren, ditmaal samengaand met de verrijzenis van de godsdienst uit de sombere chaos der Revolutie. Doch talloze kerken bleven doods en verlaten, want de herder was gevallen onder de bijl van de beul en grote massa’s van het volk dwaalden af in onverschilligheid en onwetendheid. In Dardilly echter was de pastoor teruggekeerd en had met oude luister de eredienst hersteld. Elke zondag in de vroege morgen trok Jean Marie verheugd naar de kerk en, opgesloten in zijn brandende devotie, vergat hij tijd en uur en al de omringende mensen. Ook na afloop van de diensten, als de banken leeg stonden, zag men hem nog in gebed, onbeweeglijk als een monnik in meditatie. Op werkdagen echter was hij ook de eerste bij de arbeid in veld en wijnberg, al was het met een hevig verlangen om weg te sluipen als in de morgennevel de kerkklok luidde voor Angelus of Mis. Met zijn oudere broer sliep hij in de stal bij het vee. Boven zijn bed had hij een plankje bevestigd tegen de muur en daarop stonden zijn boeken, kerkboeken, Nieuwe Testament en boeken over godsdienstleer. Overdag was er geen tijd, maar ’s avonds, al was de vermoeidheid groot, terwijl François reeds lag in diepe slaap, stak hij een kaars op en gebogen bij haar zwakke schijn, bad en las en studeerde hij in de stilte van het omringende donker. Eens zei hij tot zijn moeder dat hij, als hij priester was, veel zielen zou willen redden. Want Jean Marie wist van het grote gebrek aan geestelijken in het verwoeste land en van al de duizenden die hun geloof verloren in die woelige tijden. Het hoge ideaal scheen bijna onbereikbaar voor hem, de boerenarbeider van zeventien jaar. Immers niet veel meer dan lezen en schrijven had hij geleerd in de korte schooltijd. Maar de gedachte aan het priesterschap verliet hem niet meer. De vrome moeder had hem al lang begrepen, haar zoon priester was bij haar een onstilbare wens. Ook de biechtvader had Jean Marie de raad gegeven zo spoedig mogelijk zijn studie te beginnen. Maar toen hij het plan aan zijn vader mededeelde, stiet hij op onverzettelijke tegenstand. François Vianney had een laag nummer getrokken bij de loting en er was voor hem een plaatsvervanger gesteld tegen hoge prijs. Aan Catherine, die weldra zou trouwen, moest een bruidschat meegegeven worden. Nu was er eenvoudig geen geld voor studiekosten van een grote jongen van ruim zeventien jaar. Twee jaar bleef de vader weigeren. Jean Marie was geduldig en beminnelijk als gewoon, deed zijn plicht met grote ijver, doch leefde altijd in de vaste hoop dat God hem zou helpen tot zijn doel. Toen gebeurde het dat pastoor Balley, die al de jaren van het schrikbewind als een gejaagd wild rondzwervend zijn ambt had uitgeoefend, in Ecully een kleine priesterschool oprichtte. Maar in Ecully woonde ook een gehuwde tante van Jean Marie, de zuster zijner moeder, waar de jongen een tijdje in huis was geweest ter voorbereiding op zijn eerste Communie. Nu was de oplossing gevonden, meende moeder Vianney, en ging naar de strenge vader. De studie zou voorlopig niet veel kosten, de jongen kon gratis in de kost komen bij zijn tante en de lessen volgen bij de pastoor. De toestemming werd verkregen, maar bij het bezoek der moeder op de pastorie ontving zij een weigering. Er was geen plaats meer. Na een hernieuwde poging mocht Jean Marie zich gaan voorstellen aan de pastoor. Toen de boerenzoon, reeds negentien jaar oud, daar voor hem stond, was het alsof de priester een plotselinge intuïtie had. Hij wilde deze leerling onmiddellijk aannemen en verzekerde de jongen dat hij zich desnoods voor hem zou opofferen. Jean Marie had nog geen woord gesproken en dit eerste contact tussen twee gelijk strevenden was als een vreugde niet van deze wereld. In latere jaren noemde de pastoor van Ars zijn eerste leermeester de grootste heilige die hij ooit had ontmoet, en hij ontmoette er velen, zoals hij verzekerde. Een weg vol distels en doornen in de zonnebrand werd voor de jonge boer die studietijd. Hij wist zelfs niets van een Franse grammatica. Hoe zou hij dan die Latijnse spraakkunst kunnen leren? Gemakkelijker kon hij in het zweet zijns aanschijns zijn krachtige armen gebruiken om de harde kleigrond te spitten dan onophoudelijk het arme hoofd inspannen op de nieuwe woorden en klanken. En de wijde natuur, waar Gods goedheid open lag, voerde hem meer naar zijn liefde dan het duffe studeerkamertje op de boerderij. Rond hem in de banken zaten alleen jongens van twaalf tot veertien jaar, die spelend hun lessen leerden en onthielden. Dat was voor hem een vernedering, die hij gelaten droeg, ook met de onvermijdelijke plagerijen. Een van deze jongens, Mathias Loras, hielp Jean Marie en overhoorde zijn lessen. Eens echter werd Loras zo ongeduldig over zijn onwetendheid, dat hij hem klappen gaf. De arme Vianney, anders zelf ook opbruisend van aard, overwon zichzelf volkomen, zodat hij neerknielde en om vergiffenis vroeg. Maar onmiddellijk vol berouw over zijn daad, terwijl tranen in zijn ogen stonden, trok Loras met beide handen zijn grote vriend omhoog. Jean Marie werd hopeloos van verdriet, bleef urenlang bidden in de kerk om hulp en verlichting en zocht versterving zoveel hij kon. Hij vastte voor hetzelfde doel reeds meer dan zijn krachten konden verdragen en werd mager en bleek, zodat er een streng verbod kwam van de pastoor. Maar de beproeving duurde voort, met twijfel aan zijn roeping. Toen deed hij een grote gelofte: een bedevaart te voet naar het graf van de heilige François Régis, de nederige priester der Cevennen te La Louvesc, elfhonderd meter hoog in de bergen, een afstand van meer dan honderd kilometer, terwijl hij onderweg zijn brood moest bedelen. François de Régis, geboren uit een adellijk geslacht, offerde zijn nederig en bovenmatig verstorven leven uitsluitend voor armen, zieken, gevangenen en gevallen vrouwen. Aldus verrichtte hij missiewerk gedurende tien jaren in het eenzame en arme bergland. Vooral in de winter trok hij rond door sneeuw en ijs om ook de armste en meest afgelegen woningen te bezoeken, bittere ellende te verzachten en Gods liefde te brengen in zoveel donker leed. Hij was de beminde biechtvader der armen, zijn preken waren een onafgebroken bewondering en ontroering over de goddelijke liefde, bij uitstek gericht tot armen en lijdenden. Nauwelijks drieënveertig jaren oud, werd hij het slachtoffer van de biechtstoel, waar hij met Kerstmis in ijskoude winternacht, weerstandsloos geworden door versterving, een dodelijke kou opliep. Geen wonder dat de toekomstige pastoor van Ars om hulp ging vragen bij deze heilige, die zijn voorbeeld schijnt. Op een vroege zomermorgen van 1806 begaf hij zich op weg, de rozenkrans in de hand. Opgewekt in vast vertrouwen stapte hij voort, al biddende. Maar toen hij eindelijk uitgeput en zich moeizaam voortslepend op een stok aanklopte om brood en een dronk water, werd hij overal met een vloed van scheldwoorden weggejaagd, want niemand geloofde aan zijn verhaal van bedevaartganger. Ook zag hij er niet uit als een bedelaar in lompen, veeleer als een deserteur die de krijgsdienst wilde ontlopen in deze tijd van oorlogen en men dreigde hem te laten oppakken door de gendarmen. Tegen de avond waagde hij het de openstaande deur van een boerenhuis binnen te gaan, want hij voelde reeds duizelingen en vreesde in zwijm te vallen. Daar zat een vrouw alleen, bezig een kluwen garen af te wikkelen. De vrouw bleef rustig zitten, reikte hem de draad met het verzoek die uit te trekken, achteruit lopend. Jean Marie deed vriendelijk wat zij vroeg, doch toen hij met de draad buiten was gekomen, vloog zij op en sloeg de deur dicht. Eens werd hem zelfs een onderdak geweigerd voor de nacht en lag hij uitgeput te slapen langs de weg. Maar toen hij hoger kwam in de bergen, vond hij betere mensen en een stuk brood, gegeven om Gods wil. Als een volleerde asceet verdroeg hij in blijde moed alle vernederingen en ontberingen en bereikte eindelijk het eenzame dorpje, waar de verstorven heilige zijn dagen uitleefde in een alles verterende liefde. Jean Marie lag in lang gebed geknield voor het schrijn dat het lichaam van de heilige omsloot. Met grote piëteit bezichtigde hij het simpele en reeds bouwvallige kerkje, evenzo de zeer armelijke pastorie, als twee grote relikwieën van dit wonderbare leven nog ongeschonden bewaard, het voorbeeld van wat later in Ars zou gebeuren met zijn eigen kerk en pastorie. Voor zijn terugkeer ging Jean Marie biechten bij de jezuïetenpater der kerk en sprak daarna in het kort over de moeilijkheid en de ellende van het bedelen om zijn voedsel. Toen meende de pater zijn gelofte aldus te moeten wijzigen dat hij op de terugweg geen aalmoezen zou vragen, maar zelf uitdelen. Want voor het geval van absolute noodzaak had hij bij het vertrek wat geld meegenomen. Zo ging hij dan weder te voet huiswaarts, betaalde zijn sober onderhoud en gaf met vreugde aan de armen waar hij ze zag. Bij het hervatten zijner studie was er blijkbaar een verbetering gekomen. Langzaam en gestadig ging hij nu vooruit, de bijna ondraaglijke afkeer voor boeken en studie was geheel verdwenen en hij verloor nooit meer de moed. In de winter van 1807 werd hem het heilig Vormsel toegediend door kardinaal Fesch, de oom van Napoleon I, door diens tussenkomst benoemd tot aartsbisschop van Lyon. Duizenden, ook vele oude revolutiemannen teruggekeerd tot het geloof, stroomden samen in het dorpje Ecully om het sacrament te ontvangen. Verkleumd stonden de mensen uren te wachten in hoge sneeuw en toen de kardinaal kwam, knielden zij in de sneeuw om de zegen te ontvangen. Tot zijn patroon koos Jean Marie Johannes de Doper, de grote asceet, die in de wildernis trok om boete te doen. Hij noemde zich voortaan Jean Baptiste Marie en bewaarde voor de heilige een grote devotie. Later bouwde hij ter zijner ere een kapel aan het kerkje van Ars.
II
Ruim twee jaren kon hij rustig en tevreden zijn studie voortzetten, toen plotseling met daverend geweld die rust werd verstoord: in de herfst van 1809 bracht een gendarme uit Lyon op de hoeve der Vianneys te Dardilly een oproeping voor de militaire dienst ten name van Jean Marie Vianney. Gebrek aan soldaten op een ogenblik dat hij van verschillende kanten met een oorlog werd bedreigd, noopte Napoleon alle vrijstellingen voor seminaristen en priesterstudenten in te trekken. In het gezin van Vianney heerste grote verslagenheid, de vrouwen weenden, Jean Marie zelf, door overdreven verstervingen bij de inspanning van de studie reeds verslapt, kon de slag niet meer met voldoende kracht opvangen en zat moedeloos neer. Toen bracht Matthieu Vianney het grote offer en stelde een plaatsvervanger voor drieduizend franken. Dadelijk betaalde hij het overeengekomen voorschot, doch de volgende morgen lag het geld weer op de drempel zijner woning en de jongeman was onvindbaar. Jean Marie moest vertrekken naar de recrutenkazerne in Lyon. Daar werd hij twee dagen later ziek en de dokter gelastte overbrenging naar het stadsziekenhuis. Toen de troep verder trok, werd hij half hersteld op een wagen naar Roanne vervoerd en opnieuw tastte de ziekte hem aan met hoge koorts. Overgegeven in Gods wil, lag hij zes weken ziek en bad almaar door in stille devotie, tot grote bewondering der ziekenzusters, die zich niet konden verbeelden een soldaat voor zich te zien, bestemd om te gaan vechten in Spanje. Er kwamen daar ook mensen bij hem, die, wetend dat hij voor priester studeerde, aanboden hem verborgen te houden in hun huis zolang het nodig was, maar vastberaden weigerde Jean Marie elk aanbod, hoe verleidelijk ook. Nauwelijks hersteld, kreeg hij bericht om de volgende dag aan het wervingsbureau zijn paspoort te halen en van de kazerne uit met de troep te trekken naar de Spaanse grens. In de vroege morgen op weg naar het bureau kwam hij voorbij een kerk en, menend nog wat tijd te hebben, ging hij binnen. Daar, zei hij later, smolt mijn verdriet als sneeuw voor de zon. Maar ook de tijd smolt weg, zonder dat hij zich daarvan bewust was, en toen hij aan het bureau kwam, was het gesloten. Daarna in de kazerne komend, was de troep reeds lang vertrokken. De recrutenkapitein ontstak in woede, dreigde met gevangenis en boeien, toen een gendarme zijn verdediging opnam, betogend dat hij toch uit het ziekenhuis naar de kazerne was gekomen om zijn plicht te doen. Dadelijk werd hem nu zijn ransel op de rug gehangen met bevel zo spoedig mogelijk het regiment in te halen. Hij vertrok alleen in de aangewezen richting en marcheerde onafgebroken met snelle pas door de gure winterdag, bad intussen tot Maria om kracht in zijn eenzaam verdriet. Tegen de avond bereikte hij het Forezgebergte, een woest land van hoge toppen en diepe ravijnen, afwisselend met vruchtbare en bosrijke dalen en hellingen. Maar het stugge soldatenpak en de zware ransel op de rug hinderden zijn gang al meer, een zware vermoeidheid kwam over hem en hij werd genoodzaakt wat rust te nemen. Over een geploegd land bereikte hij een bosje, dat beschutting gaf tegen de snijdend koude wind, zijwaarts liep een voetpad de bergen in. Daar ging hij op zijn ransel zitten. De grote route, de weg naar het vreemde land en de oorlog lag verlaten voor hem in het late winterlicht en Jean Marie wist weer niet anders te doen dan bidden om de moed niet te verliezen. Wat er toen gebeurde verhaalde de heilige later aldus: plotseling kwam er een onbekende, die mij vroeg wat ik hier deed en zei dat ik met hem mee moest gaan. Hij nam mijn ransel, die zeer zwaar was, en zei dat ik hem volgen moest. Wij liepen lang in de nacht door de bomen van het gebergte. Ik was zo vermoeid dat ik haast niet volgen kon. Die onbekende was gekleed als een boer en noemde zich Guy, hij was de krijgsdienst ontvlucht in de bossen van het Forezgebergte, maar Jean Marie wist daarvan nog niets, voelde zich doodmoe en ziek van de koorts, verlangde alleen maar hevig naar een onderkomen voor de naderende nacht, toen hij met de vreemde meeging. Nog urenlang liepen de twee mannen door het donker, klimmend en dalend tussen steile toppen, door nauwe kronkelende ravijnen dicht met hout begroeid, een bergstreek tussen de Allier en de Loire, het Madeleinebos genoemd. Eindelijk bereikten zij een alleenstaande hut, de woning van de klompenmaker Gustin en zijn vrouw, dicht bij het in de bossen verscholen dorpje Les Noës. Guy kende deze mensen, zij werden er vriendelijk opgenomen en verzorgd. Toen had Jean Marie weldra begrepen waartoe Guy hem wilde verleiden, hij werkte nog een dag met Guy voor zijn kost, maar dan ging hij zich aanmelden bij de burgemeester van het dorp, de boer Paul Fayot, en verhaalde trouwhartig zijn geval. Door de onafgebroken oorlogen van Napoleon was er over het gehele Franse land een geest van verzet gekomen tegen de altijd weer nieuwe wervingen van soldaten, zodat er streken waren waar de desertie van recruten veel groter was dan de opkomst voor de dienst. Men beschouwde dit vergrijp niet meer als een misdaad en in de eenzaamste gedeelten van het land wemelde het van die verzetplegers. Evenzo was het in de grote bossen der Cevennen en van Le Forez, zelfs de burgemeester van Les Noës verborg er twee in zijn boerderij. Toen Jean Marie voor hem stond met zijn rouwmoedig gezicht, legde hij hem uit dat het al te laat was om in dienst te gaan, dat hij reeds opgeschreven was als deserteur. Hij bezorgde hem dadelijk een onderdak op de boerderij van zijn nicht, de weduwe Fayot, zijn buurvrouw in het hoger gelegen gehucht Les Robins, ook gaf hij hem de schuilnaam Jérôme Vincent om de politie op dwaalspoor te brengen en moest Jean Marie op de boerderij de taak van schoolmeester vervullen, niet alleen voor kinderen, ook voor veel volwassenen. s Avonds liep het huis weer vol van kinderen en grote mensen om te luisteren naar de boeiende verhalen van de meester, naar zijn voorlezingen van Bijbelstukken of heiligenlevens. Nederig zat hij dan als een hunner tussen al die eenvoudigen van het afgelegen dorpje, geheel vervuld van vrome ijver om toch nog iets goeds te doen in zijn ongeluk. En na korte tijd had hij de vriendschap gewonnen van allen, maar vooral van de armsten. In het begin hield Jean Marie zich verborgen in de stallen, want overdag was het te gewaagd om uit te gaan wegens de invallen van politie en militairen in het dorp. Daar zat hij uren alleen en bad als een kluizenaar. Mère Fayot, zoals ieder de zachte vrouw noemde, had hem herhaaldelijk gevonden biddend op de stenen vloer. Dikwijls gingen zijn gedachten naar het ouderlijk huis en het beeld der wenende moeder wilde hem niet uit de geest, bleef altijd verbonden met de gedachten aan zijn roeping tot priester en er leefde weer op de stille hoop dat na deze droefenis hij zijn studie kon hervatten. Na enige tijd werd hij veel moediger. Elke morgen in de vroegte, terwijl het nog geheel donker was, luidde helder en vriendelijk in de vrieslucht het klokje voor de Mis. Dan sloop Jean Marie vlug naar de kerk beneden in het dorp, zat daar in het schemerige lamplicht ingetogen te bidden, dikwijls zonder kerkboek, de handen samengevouwen, onbeweeglijk verloren in simpelheid van geloof en grote liefde, zodat de mensen hem aanstaarden in stilte. Toen het zomer werd, verliep zijn schooltje en hielp hij mee aan het boerenwerk, liefst op een land dicht bij het bos, om te kunnen ontkomen als er gevaar opdook. En dit gebeurde herhaaldelijk, maar altijd kon hij ontsnappen in het struikgewas. Op een zomermiddag echter verschenen de gendarmen zo plotseling bij de boerderij, dat vluchten niet mogelijk was, vlug kon hij zich nog verbergen onder het hooi op de zolder. Maar de gendarmen kwamen ook daar hun onderzoek doen, de arme deserteur stikte bijna van benauwdheid in het broeiende hooi, toen een der mannen bij een laatste stoot met zijn sabel hem met de punt verwondde. Hij beheerste zich en de man merkte het niet. Daarna verlieten de twee de zolder om bij de burgemeester, de buurman, een glaasje te gaan drinken. Op latere leeftijd erkende de pastoor dat hij nooit in zijn leven een zo vreselijk ogenblik beleefde en toen de belofte deed zich nooit over iets te beklagen, een aanwijzing hoe ver de jongeman reeds gevorderd was op de weg der volmaaktheid. Op de boerderij der Vianneys was grote onrust en verdriet. Sinds het vertrek waren vele maanden verlopen, men wist niet of de zoon levend was of dood. Dat hij niet mee was met de troep vernamen de ouders al spoedig, toen gendarmen en andere autoriteiten verschenen op zoek naar de deserteur. Zware boeten moest de vader betalen, kreeg inkwartiering van soldaten zonder vergoeding, men dreigde hem zelfs met gevangenis. De moeder kwijnde weg in haar leed. De wanhoop nabij liep zij naar pastoor Balley, die sprak als een ziener: Jean Marie was veilig, zei hij, en hij werd priester. Maar de ongelukkige leefde voort in haar angsten, toen omstreeks juli mère Fayot op de boerderij kwam. Zij was ziek geworden en de dokter had haar voorgeschreven de kuur der staalwaterbronnen van Charbonnières. Zij nam haar weg over Dardilly en bracht een brief vol berouw en aanhankelijkheid van de verloren zoon, doch zijn verblijfplaats werd er niet in genoemd. Moeder Vianney barstte in tranen uit en omarmde in blijdschap de vreemde vrouw. De vader echter, nog onder de indruk van de geleden schade en de altijd weer nieuwe bedreigingen, las de brief en eiste onmiddellijk dat zijn zoon zich zou aanmelden bij de militaire macht. En het werd een hevige strijd, doch mère Fayot bleef standvastig weigeren het verblijf van haar pleegzoon te noemen. Uw zoon, riep zij uit, is veel meer waard dan al wat gij bezit. Maar de redding kwam onverwachts korte tijd later. Na de overwinning van Napoleon op de Oostenrijkers werd eindelijk in Europa de vrede gesloten, de keizer huwde in hetzelfde jaar 1810, toen Jean Marie zich verborg in Les Noës, de aartshertogin Marie Louise van Oostenrijk en verleende bij die gelukkige gebeurtenis een volle amnestie aan allen die zich aan de krijgsdienst hadden onttrokken. Dezelfde kapitein der recruten uit Roanne, die gedreigd had Jean Marie in de gevangenis te zetten en daarna de vader onophoudelijk vervolgde, deelde nu het goede nieuws aan de familie Vianney mee, erbij voegend dat de zoon voorgoed vrij van de dienst zou zijn indien er een plaatsvervanger gesteld werd. En ook daartoe verleende hij zijn hulp door de jongste zoon François, genoemd Cadet, te bewegen die plaatsvervanger te zijn. Op een heldere wintermorgen in januari 1811 verliet Jean Marie het hoge dorpje in de bossen. Er was die dag groot verdriet om het vertrek van de heilige, zoals hij genoemd werd, doch allen hielden zich vast aan de kleine hoop hem later nog eens terug te zien als hun pastoor. En er was geen huisje zo arm in het dorp of er kwam een bijdrage van voor de uitzet van de toekomstige landpastoor, zelfs een soutane werd hem geschonken en hij moest ze even aantrekken om te tonen hoe hij eruit zou zien als priester. Onmiddellijk na zijn terugkeer hervatte de vijfentwintigjarige student de arbeid bij pastoor Balley in Ecully. Hij woonde nu bij zijn leermeester op de pastorie, deed ook dienst als huisknecht, spitte de tuin en s morgens in de kerk was hij koster. Zwijgend deed hij zijn werk, altijd met een opgewekt gezicht, bereid tot alles, ook het meest nederige of lastige. Bij pastoor Balley, zei hij later, heb ik nooit mijn eigen zin gedaan. Hij vergezelde de pastoor bij zijn huisbezoek in het dorp en buiten door veld en wei. Dan keken de mensen met verwondering de twee mannen na, de pastoor groot en rammelend mager en hoekig in zijn oude soutane, met diepe rimpels over het asgrauwe gelaat, naast hem die jongeman al even mager en bleek, bescheiden luisterend naar de ascetische pastoor. Het verstand van de leerling bleek nog altijd weinig ontvankelijk voor de studie van het Latijn, maar des te gevoeliger en begeriger was zijn ziel om te ontvangen de schat van deugden, van zelfontlediging en opofferende liefde, die in de dagelijkse omgang hem getoond werd door de man Gods. In oktober 1812 stuurde pastoor Balley zijn leerling naar het kleinseminarie van Verrières om de cursus der filosofie te volgen. Er waren daar tweehonderd studenten, verdeeld in twee klassen. Vianney was de oudste van allen, de meeste waren vele jaren jonger. Naar oud gebruik werd de filosofie gedoceerd in het Latijn, doch reeds de eerste keer dat hem een vraag werd gesteld, bleek hij niets van het Latijn te verstaan, hij kon dus ook niet antwoorden en spottend werd er gelachen hier en daar om de grote boerenjongen. Wel was het ontmoedigend en hard die voortdurende vernederingen zonder medelijden, doch hij aanvaardde eenvoudig het zware kruis en het gehele jaar door ging hij zonder klagen zijn moeilijke weg. In Verrières heb ik wel een beetje te lijden gehad, dat was alles wat hij er later van zei. Al spoedig werd aan hem en nog zes anderen de cursus in het Frans gegeven, maar aan het eind van het jaar bleek toch de verworven kennis ver beneden het middelmatige. Onder de vakantie bereidde de pastoor opnieuw zijn leerling voor en in oktober 1813 werd hij toegelaten in het grootseminarie van Lyon. Helaas ook daar was zijn gebrekkige kennis van het Latijn de grote struikelblok. Tot steun werd hem een knappe medeleerling toegevoegd als repetitor om in het Frans de theologie te verklaren, dan begreep hij en kon ook bevredigende antwoorden geven. Maar de professoren stelden hem geen vragen meer en na vijf maanden kreeg hij de mededeling dat hij zich had terug te trekken als niet in staat de noodzakelijke studie te voltooien. Vianney had gemeend al reeds het grote einddoel te naderen en met al meer verlangen had hij zich overgegeven aan gebed en versterving ter voorbereiding. Onwaardig moest hij wel zijn voor de heilige functie van het priesterschap en, berustend in Gods wil, offerde hij zijn hoge aspiratie. Vijftig jaar later getuigde zijn medestudent Donnat, intussen de bekende kardinaal geworden, die hem ontmoette kort na ontvangst der verpletterende boodschap, dat de herinnering aan zijn diepe nederigheid en de treffende woorden die hij tot hem sprak, altijd in zijn geheugen waren gebleven. Hij vertrok dan uit het seminarie en ging onmiddellijk naar het Petit Collège, een paar straten verder, om aan een broeder, die hij uit zijn jongenstijd kende, te vertellen dat hij ook broeder wilde worden, doch eerst nog voor een paar dagen naar huis moest gaan. Maar pastoor Balley wilde daarvan niet weten, verkreeg van de directeur van het grootseminarie een uitstel van enige maanden. Er werd opnieuw hard gewerkt door leermeester en leerling en drie maanden later was Vianney weer terug op het seminarie. Eindelijk voor de examencommissie gebracht, verloor de nederige Vianney de kalmte, raakte verward, gaf slechte antwoorden en werd afgewezen. Op dringend verzoek van zijn leermeester kwamen toen twee der professoren naar Ecully en ondervroegen meer dan een uur lang Vianney daar in de rust der pastorie. Nu waren de antwoorden zeer goed. Toen men voor een eindbesluit zich wendde tot de vicaris generaal van het bisdom, vroeg deze of die Vianney vroom was, of hij zijn rozenkrans kon bidden. Hij is een toonbeeld van vroomheid, werd hem gezegd. Dan neem ik hem aan, besloot de vicaris, God zal het overige doen.III
Wederom op de pastorie van Ecully deed Vianney in 1815, nu reeds diaken, zijn laatste examen in de moraaltheologie. Men was ook ditmaal tevreden over zijn antwoorden. Er werd besloten dat hij na een korte retraite tot priester gewijd zou worden in Grenoble. De aartsbisschop van Lyon, kardinaal Fesch, was afwezig. Voorlopig echter kreeg de jonge priester wegens onvoldoende kennis nog geen bevoegdheid tot biechthoren. Zo oordeelden de mensen over de man, die later het grootste deel van zijn leven in de biechtstoel gekluisterd zat. In de hete augustusdagen van 1815 vertrok hij naar Grenoble, te voet, honderd kilometer ver. Hij nam enkel een klein pakje mee met wat proviand en de albe, die hij moest gebruiken bij zijn eerste Mis. Reeds verzwakt door zijn ascetische leven, zwoegde hij langs de bergwegen der Dauphiné in de brandende zon. Doch de zon hinderde hem niet veel. Opgesloten in nederige meditatie over het verhevene dat gebeuren ging, verlichtte de geest de taak van het lichaam en als werktuiglijk ging zijn gelijkmatige stap. Soms echter kwam er ruwe stoornis in zijn meditatie. Na de slag van Waterloo, nu nog geen twee maanden geleden, werd Frankrijk overstroomd door vreemd krijgsvolk, dat zonder discipline woest langs alle wegen zwermde. Herhaaldelijk werd de stille man aangehouden door Oostenrijkse soldaten, die de boerse geestelijke met zijn proviand in de hand hielden voor een spion. Zij staken hun bajonetten tegen zijn borst onder wild geschreeuw in een taal met zware keelgeluiden, waarvan hij niets begreep. Soms ook voerden zij de angstige een eind mee als gevangene en lieten hem dan weer los. De derde dag eindelijk, op zaterdagavond, kwam hij aan in het grootseminarie van Grenoble. Zondags in de vroegte voerde men hem naar de kapel die voor de Revolutie de Minderbroederskerk was. Daar kwam Mgr. Simon, de oude bisschop, zonder enige statie van begeleidende geestelijken. Vianney was de enige wijdeling en de plechtigheid geschiedde in grote stilte, zonder luister als in de primitieve tijden. Geen enkel familielid, geen enkele vriend was getuige. De dageraad glansde in de lege kapel over de grijze bisschop en de bleke jonge priester. Pastoor Vianney sprak nooit over zijn priesterwijding. Voor hem stond die morgen in een hemels licht. Na een paar dagen keerde abbé Vianney terug, wederom te voet, wederom als spion geplaagd en aangehouden door de vreemde soldaten. Bij aankomst vernam hij zijn benoeming tot kapelaan in Ecully en enige maanden later kreeg hij ook de bevoegdheid om biecht te horen. Zijn eerste biechteling was pastoor Balley zelf. Aldus biechtte een heilige bij een heilige, naar het getuigenis van een tijdgenoot. En waarlijk, deze mannen leefden als heilige monniken in de strengste ascese. Hun maaltijden bestonden uit aardappelen en brood, geen wijn. Als er vlees werd opgediend, verdween het onaangeraakt en verscheen weer op de volgende dagen, zo lang dat het ten slotte geheel zwart werd. Beiden droegen zij een pijnlijke tuchtgordel op het blote lijf, beiden geselden zij hun lichaam geregeld. Zij vastten buitensporig, zij baden lange uren voor het altaar, de tijd vergetend. Zij maakten tezamen bedevaarten te voet in de verre omtrek, zij gaven verkwistend aan armen. Hier overtrof misschien zelfs de leerling de meester. Op een koude winterdag ontmoette de kapelaan, terugkomend uit Lyon, een verkleumde bedelaar op de landweg en ruilde onmiddellijk zijn mooie warme broek, een pas ontvangen geschenk, tegen het vieze vod van de arme. Het liep zo ver dat de bewoners van het dorp een klacht indienden bij de vicaris generaal over de al te grote verstervingen hunner geestelijken en ten slotte gingen de twee asceten elkaar beschuldigen van overdreven zelfkastijding, ieder buiten weten van de ander, oorzaak tot vrolijkheid voor de verwonderde vicaris. In de kapelaanstijd hoorde Vianney voor het eerst de naam van zijn petite sainte, de martelares Philomena, wier graf toen gevonden was in een catacombe van Rome. Dat gebeurde bij een bezoek samen met pastoor Balley aan een bevriende familie op haar oude landhuis. Als gewoonlijk zat de kapelaan aan het ondereind bij de jongeren van het gezelschap, die meer moesten luisteren dan zelf deelnemen aan de gesprekken. De kapelaan voorzag niet hoezeer dit jonge meisje, ter dood gemarteld om haar mystieke liefde, zich zou mengen in zijn geestelijk leven. In latere jaren sprak de pastoor van Ars herhaaldelijk van abbé Balley. Reeds oud geworden, zei hij tot de jonge Monnin, zijn bekende biograaf, dat niemand hem beter had getoond tot welk een hoogte de ziel zich kan losmaken van de zinnen dan hij, en dat om God te leren beminnen het voldoende was hem te horen zeggen: mijn God, ik bemin U van ganser harte. Onder de relikwieën op de pastorie van Ars vindt men de verschoten paraplu van Balley, waaronder de beide geestelijken samen liepen op hun bedevaarten. En op de kamer van pastoor Vianney hangt nog heden het kleine spiegeltje van Balley boven de schoorsteen. De heilige bewaarde dit alleen, omdat het het gelaat van een minnaar Gods had weerkaatst. In het derde jaar van hun samenzijn werd pastoor Balley ziek en stierf na een lange ziekte. Hem werden de laatste sacramenten toegediend door zijn kapelaan. Toen daarna alle aanwezigen uit de ziekenkamer verdwenen waren, bleef de kapelaan alleen bij zijn bed. De zieke vroeg hem zijn gebeden, nam daarna naast zich uit het bed gesel en tuchtband en overreikte deze de kapelaan met het verzoek die dingen weg te nemen en te verbergen. Als men ze na zijn dood mocht vinden, zouden de mensen denken dat hij genoeg gedaan had voor zijn zonden en men zou hem in het vagevuur laten tot aan het einde der wereld. Twee maanden na zijn dood volgde de benoeming van de kapelaan tot pastoor van Ars.
IV
In deze omgeving begon de pastoor zijn nieuwe leven van zware versterving en gebed in lange uren van eenzaamheid. De nu volgende negen jaren werden de periode der strengste boete van heel zijn leven, hij immers moest de zondebok zijn van zijn kudde. Bij zijn benoeming had de vicaris hem gezegd: er is niet veel liefde voor de goede God in deze parochie, gij moet ze er brengen. Hoe anders zou hij dat doen dan door zelf te boeten en te bidden? Reeds in het seminarie sprak strenge zelfverloochening uit zijn vermagerd jeugdig gelaat en als kapelaan in Ecully had hij zich gekastijd en gevast erger dan een trappist. Maar nu, alleen staande voor de nieuwe taak en zijn eigen meester, kende hij geen grenzen meer. Met een verschrikkelijke gesel, samengesteld uit scherpe stukjes ijzer en lood, sloeg hij zijn lichaam tot bloed. Soms hoorde een vrouw uit Lyon, die inwoonde bij de weduwe Renard, de naaste buurvrouw, hoe hij meer dan een uur lang in de nacht zich geeselde met geweld. Wel kwamen er korte verpozingen, maar dan vielen de slagen weer opnieuw, zodat de medelijdende vrouw uitriep: houdt hij dan nooit op! En vrouw Renard, die voor zijn was zorgde, vond dikwijls de linkerschouder van zijn hemden geheel doorhakt door de scherpe ijzertjes en bevlekt met bloed. Na zulke geselingen ging hij enige uren slapen, niet in een bed, maar op een hoopje houtkrullen beneden in een laag, vunzig, kelderachtig vertrek met een stenen vloer. Toen hij daar hevige aangezichtspijnen kreeg, naar hij meende van koude en vocht, trok hij naar de zolder, sliep op planken en gebruikte een stuk balk als kussen voor het pijnlijke hoofd. Maar ook deze manier moest hij opgeven en overnachtte toen op een strozak in het oude ledikant van pastoor Balley. Hierbij voegde hij nog de meest buitensporige verstervingen in eten en drinken. Want er was niets beters, zei hij, om de duivel te bestrijden dan de verstervingen in eten, drinken en slapen. Soms verliepen er twee of drie dagen dat hij volstrekt niet at. Reeds enkele dagen na zijn aankomst in Ars was vrouw Bibost maar weer vertrokken, want een vaste huishoudster voor deze pastoor was overbodig. Vooraf had zij haar taak aan de weduwe Renard overgedragen. In de eerste tijd kocht deze geregeld brood voor de pastoor, doch naar het voorbeeld van de H. Francisca Romana gaf hij dit verse brood aan de bedelaars bij de deur en ontving daarvoor in ruil of kocht zelfs van hen de oude vieze broodkorsten, die zij reeds dagen meedroegen in hun bedelzak. Vrouw Renard moest ook matefaims voor hem maken, dat was een echte boerenkost, wat rogge of tarwemeel met water gemengd tot brei en dan gebakken op de kachel tot harde koekjes. Dit gebak at hij ook nog als het heel oud en taai geworden was. Soms kookte zij aardappelen, zonder saus, doch het gebeurde dikwijls dat hij haar terugstuurde met de volle schaal. Als zij klopte om het eten binnen te brengen, riep hij met ruwe stem dat hij volstrekt niets nodig had en ze pas over twee of drie dagen mocht terugkomen. En vrouw Renard wist wel dat er niets aan zijn bevel te veranderen viel. Ook gebeurde het dat hij zelf voor zijn onderhoud zorgde. Dan kookte hij de marmiet van het kasteel vol aardappelen voor een hele week tegelijk en bewaarde ze in een ijzeren korfje, dat hij ophing aan de muur om ze te vrijwaren voor de muizen, die talrijk in het lege huis rondliepen. Als de honger te erg werd, nam hij van die aardappelen, soms reeds begroeid met dikke schimmel. Ook wel, als iets bijzonders, bakte hij zich een ei op het uitdovende vuur of van die onverteerbare matefaims. Vrouw Renard had toestemming gekregen haar koe te laten grazen in de verwilderde tuin van de pastorie. Daar vond zij eens de pastoor bezig wilde zuring te snijden tussen het hoog opgeschoten onkruid. U eet dus, vroeg zij, dit groene kruid zo alleen? Ja, moeder Renard, ik heb getracht daarvan te leven een tijd lang, doch het ging niet. Op een avond klopte de pastoor aan bij zijn buurvrouw Renard en met een opgewekte stem nodigde hij haar uit met haar dochter Anne en de bij haar wonende juffrouw Pignaut om bij hem te komen souperen. Reeds lang hadden de vrouwen op een uitnodiging bij hem aangedrongen ter beloning van al de diensten die zij hem bewezen. Binnenkomend vonden zij de tafel bereid: in het midden een grote korf gevuld met de broodkorsten der armen, rechts een zware foliant, de levens der heiligen, links een emmertje met water, eraan hangend een houten drinknap. Staande achter de tafel in zijn versleten soutane de magere pastoor, een glans van blijdschap op het gelaat. Vrouw Renard glimlachte begrijpend tegen de pastoor, de twee anderen schrokken bij de aanblik der zonderlinge feesttafel. De pastoor sprak luid het tafelgebed en daarna, zijn gasten bedienend van het gure brood, zei hij opgewekt: nu zullen we ons eens vergasten. Dit is het brood der armen, die de vrienden zijn van onze lieve Heer. Wij zullen drinken het water dat Hij ons gegeven heeft. Dat is voor het lichaam. Daarna zullen wij samen lezen uit de levens der heiligen, die allen zozeer in boete en versterving hebben geleefd. Dat is voor de ziel. Doch de maaltijd vorderde slecht. Met grote moeite verorberden de twee Renards haar aandeel en de andere juffrouw kreeg zulk een walging, dat ze niet verder kon eten. Aldus verliep de avond in de schemerige kamer, de opgetogen asceet woorden van vrome geestdrift sprekend, dan weer lezend uit het oude boek zijner geliefde heiligen, terwijl de drie vrouwen zwijgend, glimlachend, zaten aan de kale tafel. Korte tijd na zijn aankomst in Ars ontving hij in de vroege morgen bezoek van zijn zuster Marguerite uit Dardilly met vrouw Bibost. Na een zeer vriendelijke begroeting zei de pastoor: maar mijn kinderen, wat zal ik u te eten geven? Ik heb niets. Plotseling dacht hij aan zijn gewone voorraad en haalde het ijzeren korfje met de aardappelen tevoorschijn, die reeds met een licht dons van schimmel overdekt waren. Wij hadden niet de moed ervan te eten, vertelt zijn zuster, maar hij nam er twee of drie uit en al etende zei hij: ze zijn niet bedorven, ik vind ze nog goed. Doch men wacht mij in de kerk, ziet maar wat je klaarmaakt. Uit vrees dat ze niet te veel zouden vinden, hadden de twee vrouwen brood gekocht in Trévoux en, het huis doorzoekend, ontdekten zij in een kast wat meel, boter en eieren, hem door een boer gebracht, doch hij had dit geheel vergeten. Op de kleine binnenplaats zagen zij een paar jonge duiven, voedsel zoekend, rondlopen. Spoedig wisten zij ze te vangen en dan te braden. Toen de pastoor na het Angelus terugkwam, vond hij de maaltijd klaar op tafel. O, die arme vogels, riep hij verschrikt, hebt gij ze dus gedood? Hij wilde volstrekt niet ervan eten en nam enkel een meelkoekje. Het gebeurde dat hij, uitgeput door een vasten van drie lange dagen, zijn korfje opzocht en dit leeg vond, zodat hij genoodzaakt was op een boerderij dichtbij om eten te gaan vragen en daar wankelend en doodsbleek binnentrad. Ook kwam hij eens tegen het middaguur bij een boer, toen er een grote schotel dampend witte aardappelen op tafel stond. Wat zijn ze mooi, zei de pastoor en nam er een uit, beschouwde hem een ogenblik zwijgend en legde hem er weer in. De prikkel om te eten was overwonnen, een aardappel deed de hongerige watertanden. Bij de zware zelfkastijding en het vasten gaf de pastoor zich over aan een gebed, dat buiten de weinige uren van nachtrust en plichtsvervulling onafgebroken duurde. Hij wist het van zijn vrienden de heiligen, wanneer het lichaam volkomen tot zwijgen is gebracht in een lang vasten, straalt er een zuiver licht op in de geest. Urenlang was dit gebed, niet een mondeling gesproken of gelezen gebed maar een oraison, een mediterend of beschouwend gebed, dat hem, in de serene simpelheid van zijn ziel, voerde tot een stil geluk. Hoe meer men bidt, zei hij wel eens, hoe meer men zou willen blijven bidden. Heel vroeg in de morgen, meestal zelfs als het nog nacht was, ging hij, een lantaarntje meedragend, van de pastorie over het donkere plein naar de kerk. Daar knielde hij bij het kleine lichtje voor het altaar, hij alleen in de gloed van zijn geloof, alleen in de stilte der goddelijke nabijheid. Bij de morgenschemering, als het nog donker was daarbinnen, vonden de eerste kerkgangers hem nog op dezelfde plaats en met half luide stem, terwijl zijn blik ging naar de schemerglans van het tabernakel, hoorden zij hem die eerste tijd bidden: mijn God, bekeer mijn parochie. Laat mij lijden, mits zij zich maar bekeren. Maar ook gebeurde het dat hij dan op het koor bij de sacristie zat, brevier biddend bij een kleine lamp, het beenderige gelaat beschenen door de zwakke schijn in het omringende donker. De gehele morgen kwam hij dikwijls niet uit de kerk, tenzij hij geroepen werd bij een zieke. En er waren dagen dat hij pas na het Angelus in de avond terugging naar het eenzame lege huis. Doch dit was uitzondering, want dikwijls maakte hij des namiddags een wandeling, sprak een vriendelijk woordje hier en daar met de boeren op het veld en trok zich dan terug, de rozenkrans in de hand, langs holle paden in de bossen van de omtrek. Een boer, die door het bos La Papesse kwam, vond hem daar geknield in het kreupelhout en, zachtjes naderkomend, hoorde hij hem bidden, wederom voor de bekering der parochie, terwijl tranen over zijn wangen liepen. Mijn God, ik neem aan alle lijden wat Gij mij wilt opleggen gedurende heel mijn leven, gedurende honderd jaar en de vreselijkste pijnen, maar laat ze zich bekeren. Geheel ontroerd sloop de boer weg. Ook door de preek moest de pastoor het geestelijk leven in zijn parochie brengen. Vianney echter was volstrekt niet welsprekend in de gewone zin, ook niet in zijn ouderdom. Evenmin was hij een geleerde theoloog. Immers alleen een rein leven vanaf zijn eerste jeugd en vooral een alles offerende vroomheid, veel meer dan de door harde studie slechts matig verworven wetenschap, hadden de vicaris doen besluiten hem tot de wijdingen toe te laten. Waar het woord kwam van een man sterk in het gebed en vergeestelijkt in zelfverloochening, die in strenge afzondering gevonden had de klare bron der genade, moest dit wel als een bevruchtende weldaad doordringen in de duisternis van het profane bestaan zijner parochianen. Gehele dagen sloot hij zich op in de sacristie om zijn preken te bestuderen en op te schrijven. Zeven uren lang schreef hij soms, ijverig als in haast, zijn korte volzinnen dikwijls slechts half voltooiend, met een fijn handschrift vullend tien bladzijden groot formaat. En zo gebeurde het meer dan een avond in de week. Want zijn preken duurden in de eerste tijd een vol uur, tenminste als zijn geheugen hem niet in de steek liet en hij plotseling de preekstoel moest verlaten. Met veel moeite leerde hij ze uit het hoofd, sprak daarbij met luide stem als stond hij voor een volle kerk. Soms op zaterdagavonden hoorden late voorbijgangers hem nog ijverig preken in de nacht achter het verlichte raam der sacristie. Dit waren zeer harde uren voor de door ascese verzwakte man, het gebeurde dat hij van vermoeienis en uitputting neerzonk op de vloer en een poosje insliep, leunend tegen de tafellade waarin de misgewaden geborgen waren, tevens ook zijn schrijftafel. Daarna hervatte hij weer met uiterste inspanning zijn taak. Vooral in de eerste jaren waren zijn sermoenen dikwijls hevig en scherp, soms met duidelijke persoonlijke toespelingen, wanneer hij in vuur raakte over de misbruiken van zondagschending, van drinkgelagen en dans of over de verbijsterende onverschilligheid voor de godsdienst. Hij kende geen retorische vormen, geen lange ritmisch lopende volzinnen, zijn preek bestond enkel uit korte zinnen, zeer dikwijls wendingen en beelden der gewone boerentaal, kras en vol inslaande. Bij monde van een bezetene werd hem zelfs door de duivel de opmerking gemaakt: waarom zijn je preken zo simpel? Waarom niet in een grote stijl, zoals in de steden? Op de kansel stond hij onbeweeglijk en sprak bijna zonder handgebaar met een hoge kopstem, die scherp door de stilte sneed. Toen de freule van het kasteel hem eens vroeg waarom hij zo ruw schreeuwde op de preekstoel, terwijl hij toch zo zacht van toon was bij het bidden, antwoordde hij: wanneer ik preek, spreek ik tot de mensen en die zijn doof, wanneer ik bid, spreek ik tot God en God luistert altijd. Soms echter, wanneer de brand der liefde opsloeg in zijn gemoed als bij een bovennatuurlijke instorting, werd de stem week, bijna fluisterend zacht en had hij die mooie woordvondsten van een heel eigen ontroerende en bekoorlijke doorzichtigheid, dan was het of ineens voor hem openstond de geheime schatkamer zijner liefde, die hij zich opgebouwd had in de lange dagen en nachten van boete en gebed. Zo leefde de pastoor negen jaren, eenzaam en verstorven tot bekering zijner parochie, als een kluizenaar in zijn kerk en in zijn huis, dat volgens een tijdgenoot eer de woning scheen van een geest dan van een levend mens. Daarbij kwamen nog, reeds vanaf het zesde jaar dezer periode, de verschrikkelijke plagerijen des duivels, zijn enig gezelschap in het lege huis en die zijn korte nachtrust hardnekkig verstoorde. Ongeveer twintig jaar later door abbé Tailhades over deze tijd ondervraagd, liet de pastoor zich aldus uit: de duivel geeft niet veel om gesel of andere boetewerktuigen. Wat hem op de vlucht drijft, dat zijn de verstervingen in eten, drinken en slapen. Niets vreest hij meer dan dat en niets is dus aangenamer aan God. Wat heb ik dat ondervonden toen ik alleen was, en dat was ik gedurende acht of negen jaar. Toen kon ik me naar hartelust overgeven aan mijn drang en het gebeurde dat ik dagenlang niet at. Ik verkreeg van de goede God wat ik wilde voor mij en voor anderen. Bij de herinnering schoten tranen in zijn ogen en na een korte rust ging hij voort: nu is het niet meer zo. Ik kan zo lang niet zonder eten blijven, dan kom ik zo ver dat ik niet meer kan spreken. Maar wat was ik gelukkig toen ik alleen was. Ik kocht de broodkorsten van de armen, een groot gedeelte van de nacht bracht ik door in de kerk, ik had niet zoveel mensen te biechten en God schonk mij buitengewone genadegaven. Welke waren deze gaven der goddelijke liefde? Welke zaligheid doorstroomde de arme ziel na de kwellingen van de boze geest in de eenzame nachten, tot welke hoogte van geestelijk geluk of mystiek samenzijn voerde de Liefde de nachtelijke bezoeker der dorpskerk? De aangehaalde uiting ontglipte hem op een ogenblik dat de zoete herinnering aan die tijden zijn gemoed bewoog. Maar nooit heeft de pastoor bepaalde aanwijzingen gegeven over bovennatuurlijke gunsten, ontvangen in zijn leven van barre versterving, ook niet op latere leeftijd of in zijn ouderdom, toen hij meer boven het aardse leefde dan onder de mensen, die hem toch in drommen omringden. Men kan echter veilig aannemen dat in die eerste periode te Ars, toen het jeugdvuur van zijn karakter nog niet volledig was gedoofd in vergeestelijking, hij reeds gekomen was tot de bloei van een mystiek gebed.
V
Bij de komst van pastoor Vianney in Ars leefde daar een meisje van twaalf jaar, dat reeds in de eerste zomer door de zuivere uitstraling van zijn ziel getroffen werd en bekeerd tot een staat van bijzondere vroomheid. Zij was de dochter van een nog gelovig en godsdienstig gebleven boerenfamilie, die een kleine boerderij bezat, en heette Catherine Lassagne. Op een kermiszondag na de Vespers bad de pastoor de rozenkrans met enige meisjes, die in de kerk gebleven waren om te biechten. Ik voelde mij gelukkig, zo verhaalt zij de tere gebeurtenis, om te antwoorden terwijl de pastoor voorbad, en ik geloof dat hij die dag mijn hart heeft geraakt. Na het biechten nodigde hij de meisjes uit om vruchten te komen eten in zijn tuin. Maar hij kwam er eerst zelf niet bij. Ik had de durf, zo zegt zij, om de grotere meisjes te volgen, ofschoon ik veel jonger was. Later kwam hij enige ogenblikken bij ons en ik herinner me dat hij zei: zijt gij niet veel gelukkiger dan de anderen, die op het plein dansen? Dan deed hij ons binnengaan in de keuken, las ons het leven voor van mijn heilige patrones en sprak over vrome dingen. Toen Catherine enkele jaren ouder was, begon zij alles op te schrijven in een cahier, wat er met de pastoor gebeurde, wat hij zei en deed, ook alles wat zij zich herinnerde uit de allereerste tijd. En zo werd dit eenvoudige meisje, als ooggetuige, de eerste biograaf van de beroemde heilige in een tijd, toen Vianney niet anders was dan een onbekende boerenpastoor op een afgelegen dorpje. Haar werk, dat zij bescheiden noemde petit mémoire, blijft een der belangrijkste bronnen voor de kennis van dit heiligenleven der negentiende eeuw. Zij werd mededirectrice van de Providence, het huis voor verwaarloosde meisjes, dat de pastoor stichtte, waar hij later zijn middagmaal nam of dit zelf ging halen in een potje en waar hij lange tijd zijn beroemde catechismuslessen gaf. Catherine bleef tot zijn dood hem helpen in zijn levenswerk, ongeveer veertig jaren. En toch was haar verhouding tot de pastoor koel verstandelijk, groeide zelfs niet uit tot een gewone vriendschap. Ik durfde hem bijna niet aan te zien, zegt ze, noch tot hem te spreken. Ik heb hem gediend, geloof ik, alleen uit liefde tot God en zonder natuurlijke genegenheid. De bisschop van Belley noemde haar een levende relikwie van de pastoor van Ars, zozeer is haar leven opgegaan in dat van de heilige. Bij de komst van de pastoor, zo verklaart Catherine, bevond zich de parochie in de allergrootste armoede, bijna iedereen week af van het rechte pad en alle jonge mensen hadden niets anders in het hoofd dan pret maken. Ongeveer elke zondag verzamelde men zich op het kerkplein of in de kroegjes van het dorp om te dansen en te drinken. Zondags in de vroege morgen trokken de bewoners naar de akkers om te werken als op de werkdagen en in de stilte van het dorp weerklonken de hamerslagen van de smid, die de landbouwwerktuigen maakte of herstelde. Tegen de middag keerden zij terug met karren en paarden, trokken dan hun zondagse kleren aan en gingen naar de herbergen, terwijl de jeugd en ook vele oudere mannen en vrouwen onder de bomen op het plein dansten en dronken bij viool en fluit. Ook uit de verre omtrek kwamen de paartjes om te dansen en het werd een ruwe en luidruchtige drukte, die duurde tot laat in de nacht. Terwijl zat vlakbij, op het voorpleintje van de pastorie achter de groene haag, de arme pastoor, luisterend naar het vloeken en tieren als de kegelbal miste, of naar het akelig gelach over schuine moppen en dronkenmanstaal. In deze wildernis belandde de vrome asceet uit Ecully, die zijn oren gesloten had voor alle werelds geluid en gekomen was om de pure liefde te brengen, waarvan zijn ziel zo vol was. En hij kon niet anders doen dan wenen en bidden. Op werkdagen zag men s morgens slechts een paar vrouwen in de vroege Mis, daarna lag het kerkje, triest symbool van het wegstervend geloof, geheel verlaten, slechts kindergeschreeuw klonk door in de sombere ruimte. Op zondagen verscheen nog wel een troepje mannen, vrouwen en kinderen, maar de mannen zaten te gapen op de zitbanken, de vrouwen hadden alleen oog voor elkanders kleding of snoepten uit haar tassen, de kinderen praatten en giechelden ongestoord. Totdat eindelijk de Mis uit was en groot en klein, als op een elektrisch sein, naar de uitgang holde. Met de onstuimige ijver van zijn hevig temperament en de brandende haat der zonde aanvaardde de pastoor de strijd tegen de ingewortelde misbruiken. Telkens opnieuw klonken de verwijten en bedreigingen des zondags van de preekstoel. Daar stond hij als een boetgezant met de lange haren en zijn beenderig bleek gelaat, de diepe ogen vol tranen of fonkelend van verontwaardiging. Maar zijn snijdende kopstem dwong tot luisteren en verdreef alle wereldse verstrooidheid, al duurde het nog zo lang. Zijn preken duurden meer dan een uur, zegt een parochiaan, en telkens over de hel. Hij sloeg daarbij zijn handen tegen elkander, hopeloos herhalend: mijn kinderen, gij zijt verloren. Of hij sloeg zich op de borst, dat het klonk in de stilte, en riep: er zijn mensen die zeggen dat er geen hel bestaat. Christus weende over Jeruzalem, ik ween over u. Hoe zou ik niet wenen. De hel bestaat. Ik heb ze niet uitgevonden. En gij doet alles om erin te komen. Gij spreekt godslasteringen, gij vloekt, gij brengt uw avonden door in de herbergen, gij geeft u over aan het onzedelijk vermaak van de dans. Maar de hel bestaat. Ik smeek u, denkt aan de hel. Als het einde der wereld gekomen is, zal ieder parochiaan zich scharen om zijn herder en Christus zal hem zeggen: vervloek ze. O Heer, moet ik vervloeken de kinderen die ik voor U gedoopt heb. Ik zeg u, pastoor, vervloek ze. Moet ik de kinderen vervloeken die ik onderwezen heb, aan wie ik Uw heilig lichaam heb uitgereikt. De pastoor zal zeggen wat hij voor hen gedaan heeft. Maar Christus zal antwoorden: zij hebben niet genoeg naar u geluisterd. Vervloek ze. Het zal hard zijn voor de pastoor zijn kinderen te vervloeken. Gelooft gij mij niet? Ik zeg u, het zal gebeuren, het zal zo zijn. Maar ook over het hemelse geluk sprak hij bij het Evangelie van Jezus verheerlijking op de Thabor: Wij zullen God zien. Wij zullen Hem zien. Hebt gij er wel eens over nagedacht, mijn broeders? Wij zullen Hem werkelijk zien, wij zullen Hem zien, zoals Hij is. Hij sprak voor zich uit starend over de toehoorders heen, zonder gebaar, en volgens een getuige zo vervuld van het zaligend geloof, dat hij alles scheen vergeten te hebben en minutenlang niet anders deed dan herhalen met zachte stem: wij zullen Hem zien, wij zullen Hem zien. Onvermoeid trok de pastoor te velde tegen dronkaards en kroeghouders: de kroeg is het winkelzaakje van de duivel, de school waar de hel onderricht geeft, waar men zijn ziel verkoopt. De priester mag geen absolutie geven aan caféhouders, die s nachts of gedurende de kerkdiensten drank geven aan dronkaards. O, die kroeghouders. De duivel plaagt hen niet veel, hij veracht ze en spuwt op hen. Langzaam bleven de herbergen in het dorp leeg en na vijf jaren waren ze verdwenen. Tegen de zondagsarbeid moest hij acht jaar lang volhouden. Als hij daarover sprak, geraakte hij gewoonlijk in grote opwinding en schreeuwde dan met die scherpe kopstem, tot hij hees werd of zijn stem geheel verloor: Gij werkt, maar wat gij verdient, ruïneert uw ziel en uw lichaam. Wanneer men die zondagsschenners vroeg wat zij doen, zouden zij moeten antwoorden: ik verkoop mijn ziel aan de duivel en kruisig Onze Lieve Heer, ik ben voor de hel. Als ik er zie die op zondag rijden met karren, denk ik dat zij hun ziel naar de hel rijden. De dag die gij steelt aan God, zal u geen voordeel brengen. Ik ken twee manieren om beslist arm te worden: op zondag werken en het eigendom van een ander stelen. Het dorpje Ars was in de gehele streek bekend om zijn wilde danspartijen. In de zomer joelde de dansdrukte onder de notenbomen tot in de nacht, slechts verlicht door de zwakke schijn van een paar lantaarns. s Winters dienden schuren of vunzig warme stallen tot danslokaal. De pastoor zag in het dansen een naaste gelegenheid tot zonde, daarom was hij onverbiddelijk streng. Hij weigerde de absolutie drie weken lang aan een jong meisje dat op een dorpskermis was gaan kijken naar het dansen. Iemand die pas in het dorp was komen wonen, vroeg hem of hij met zijn dochter naar het bal mocht gaan om toe te zien. Neen, luidde het korte antwoord. Ik zal haar immers niet laten dansen. Maar haar hart zal dansen. In zijn ogen was de dans het koord waarmee de duivel de meeste zielen naar de hel sleept. Het duurde volle tien jaren alvorens de danspartijen bij de kerk geheel waren verdwenen, en hij kon niet beletten dat er bij kermis of ander feest toch nog elders wel eens gedanst werd, al ging het er niet meer zo wild toe. Maar niet zozeer door vreesaanjaging voor hel en duivel bestreed Vianney de zonde. In de ongelovige negentiende eeuw zou enkel dit middel zelfs bij een simpele boerenbevolking het doel niet bereiken. De man die zo hevig preekte, kon bidden met nog grotere vurigheid. Hij leefde voortdurend in zo volkomen verloochening van alle natuurlijke neigingen, dat daardoor een geestelijke kracht van hem uitging, die de mensen aangreep met een onverklaarbare vrees en toch ook weer sympathiek aantrok. Getuigde zelfs niet de zeer vrome Catherine, dat zij in de eerste jaren herhaaldelijk tot God had gebeden een zo strenge herder van Ars te verwijderen, terwijl zij toch in liefde alles deed wat hij van haar vroeg. De talrijke bekeringen waren het uitvloeisel van die genadegaven, waarover hij sprak met abbé Tailhade, als beloning voor de dagen van streng vasten, voor rusteloze nachten vol duivelskabaal of doorgebracht op de grond of harde brits. Zijn gehele persoonlijkheid droeg een zichtbaar stempel van dit ontzettende leven. Een pastoor uit een naburig dorp klaagde eens bij hem in latere jaren dat hij met al zijn preken niets bereikte in zijn parochie, waarop Vianney vroeg of hij ook gevast had, op de brits geslapen en zichzelf gekastijd. En toen het antwoord ontkennend was, zei hij eenvoudig: dan moet u ook niet klagen. In Ars echter had de nieuwe pastoor ook gevonden, als een oase in dorre woestijn, een kleine groep van mensen, die een dieper godsgevoel bewaard hadden. Het waren voornamelijk de burgemeester Mandy, de families Chaffangeon en Lassagne, buurvrouw Renard met haar kostjuffrouw en ook de freule Anne des Garets d’Ars. Reeds bij het eerste contact met de ascetische man, als gewekt door een plotselinge warmtestraal, ontbloeide hier het religieuze leven met nieuwe kracht. Als de avond viel en de mensen van hun werk terugkeerden in het dorp, zagen zij hun pastoor, de tricorne onder de arm, over het schemerige pleintje naar de kerk gaan om daar zijn avondgebed te bidden. Daar kwam ook geregeld een vrome, reeds bejaarde vrouw, die ingetogen en verborgen leefde als een kloosterzuster. Zij vond dan de pastoor biddend op het koor en als vanzelf werd het een gewoonte dat de pastoor met een zachte stem de rozenkrans voorbad en zij eveneens op fluistertoon antwoordde, terwijl het donker werd in de stille kerk. Toen kwamen er weldra nog een paar andere vromen en langzaam meerderen. Aldus was de oorsprong van het latere openbare avondgebed, waaraan de stem van de van liefde vervulde voorbidder een bijzondere wijding gaf, onvergetelijk voor de duizenden die ze hoorden. Anne des Garets, die lange tijd onder jansenistische invloed geleefd had, kwam nu niet alleen dagelijks in de Mis, zelfs als zij tot aan de knieën in de sneeuw moest stappen, maar zij verscheen ook weer bij het avondgebed. Weldra ging zij over tot de veelvuldige Communie. Zij begreep dat deze pastoor de luxe van haar meubelen hinderlijk was. En wanneer hij zo nu en dan bij haar kwam op het kasteel, keek zij vol bewondering naar de bleke boerse man in zijn versleten soutane, die daar zat met neergeslagen ogen, die alle aangeboden dranken en lekkernijen hardnekkig weigerde, maar op bijzondere wijze kon spreken over geestelijke en ook heel gewone dingen. Zodat zij telkens na zijn vertrek zichzelf vervuld vond van een grote opgetogenheid. De boer Chaffangeon was een eenvoudige mysticus. Herhaaldelijk vertelde Vianney het verhaal aan de kinderen bij de catechismus van elf uur in zijn Providence. Op weg naar zijn akker ging deze man elke morgen eerst naar de kerk, plaatste zijn schop buiten tegen de muur en ging binnen in de lege banken knielen om zijn gebed te doen. Daar zat hij dan onbeweeglijk, turend naar het tabernakel en vergat tijd en uur. Een andere boer, die hem daar ging zoeken, vroeg verwonderd wat hij toch zo lang daar deed. J’avise le bon Dieu et le bon Dieu m’avise, was het simpele antwoord. Bij dit verhaal werd de pastoor gewoonlijk tot tranen bewogen en zei dan nog eens: il regardait le bon Dieu et le bon Dieu le regardait. Tout est là, mes enfants. Tot hun grote verbazing zagen de inwoners van Ars zelfs talrijke vreemdelingen in hun kerk, die alleen kwamen om hun pastoor. Blijkbaar had hij, zoals de heiligen doen op hun levensgang, een onuitwisbaar spoor van geestelijke weldaden achter zich gelaten. Dertig kilometer en verder kwamen de mensen uit Dardilly, uit Ecully en andere dorpen naar Ars, alleen om te biechten. Zelfs van het verre Noës, waar Vianney als rekruut van Napoleons leger verscholen had geleefd in de bossen, zag men mensen op zondag in de kerk. Voor velen was dit een raadsel, maar bij de meeste parochianen rees Vianney hierdoor in hoog aanzien. Onbewust voelden zij de warmte van zijn alles verterende godsvrucht. Langzaam ontwikkelde zich aldus geloof en vrome liefde, waar niets anders was dan grofheid en lage driften. En de pastoor kon erin slagen nieuw leven te brengen in de oude confréries die enkel nog maar bestonden naar de naam. Het oude kerkje, dat geen betekenis meer had voor de omwonende mensen, was nu niet weer verlaten. Altijd vond men er nog wel iemand die, aangetrokken door een stil verlangen, biddend neergevallen was in de eenzaamheid van het tabernakel.VI
In het boek De beklimming van de berg Karmel zegt de H. Johannes van het Kruis dat de weg die opvoert naar de symbolische berg der volmaaktheid, de berg der samenwoning Gods, leidt door de donkere nacht der zinnen en door de duisternissen van de geest. Vooreerst is dit nog de weg der actieve zuivering die de ziel moet gaan in de donkere nacht der zinnen. Het zinnelijke leven vindt dan geen voedsel meer en moet afsterven. Reeds jaren was pastoor Vianney die donkere nacht ingegaan, hij veroorloofde zich geen enkele, ook niet de onschuldigste voldoening. Hij geselde nog steeds onbarmhartig zijn arm lichaam en droeg folterende boetegordels onder zijn kleren. Verwerping en vernedering zocht hij overal en in alles deed hij juist het tegenovergestelde van dat waartoe de menselijke natuur neigt. Hij had voor zichzelf een grote minachting, maar wenste dat ook anderen hem zouden minachten en altijd zocht hij de verborgenheid voor zover zijn herderlijke functie hem dit niet belette, want er brandde in hem een voortdurend verlangen naar de eenzaamheid met God. Deze man nu werd jarenlang bezoedeld en belasterd op de grofste manier. De onafgebroken strijd tegen het kwaad, door hem gevoerd in het vuur zijner liefde, had een heftige opstand doen losbreken. Eerst waren het enkel verwijten geweest van al te grote strengheid tegen de zondaars, gepaard met een hatelijke minachting voor de armelijke man. Maar het werd altijd erger. Alle slechte elementen in de gehele omtrek schenen aangeblazen door diabolische machten tot een storm van boosheid en haat. Men wilde hem wegjagen uit het dorp, een groepje afgevaardigden der bende waagde het de pastorie binnen te gaan en eiste van de bevende en uitgeputte man dat hij het dorp zou verlaten. In anonieme brieven werd hem geschreven dat zijn wasbleek gelaat, zijn vermagerd lichaam het sprekend bewijs waren van zedeloze uitspattingen. Vuile liederen werden op hem gemaakt en wanneer hij bij de lamp zat op zijn stille kamertje, werden deze in het donker buiten luidkeels gezongen. De pastorie werd beplakt met vuile tekeningen, waarop hij zelf was afgebeeld, tot grote ergernis voor zijn trouwe parochianen. ’s Nachts in de wijde rust van het eenzame dorpje klonk plotseling woeste ketelmuziek onder zijn raam, zodat de afgetobde asceet vol angst wakker schrok uit zijn korte slaap, of in een lange nachtwake van gebed als door duivelse machten werd besprongen. En toen het gebeurde dat een meisje in de nabijheid der pastorie moeder werd, kreeg hij de schuld en werd zijn deur met vuil besmeerd. Een vrouw van slechte zeden kwam anderhalf jaar lang, als werd zij door de duivel opgestookt, iedere avond onder het verlichte raampje de pastoor beschimpen en in gemene taal beschuldigen van de vreselijkste misdrijven. Brieven zonder ondertekening maar vol zware beschuldigingen werden aan de bisschop geschreven en de bisschop vond het nodig een deken te sturen voor een onderzoek naar de man, die in zijn lege huis leefde als een kartuizermonnik. Maar de pastoor zweeg en bleef zwijgen in droefheid over het kwaad dat gebeurde. Wel had hij een vluchtig ogenblik van angst dat de kracht hem zou begeven en hij niet langer een ergernis wilde zijn voor goddelozen, dat hij liever zou vluchten om in een verborgen hoekje zijn arm leven te bewenen. Als een donker wolkje gleed dan die weifeling voorbij en leidde hij voor iedereen zichtbaar zijn gewone leven, zonder bitterheid, zonder onrust, volkomen sereen en zacht zoals altijd, en al dat geraas kon niet opstijgen tot de stille hoogte waar hij verblijf hield in zijn gebed. Had hij dan niet van zijn heiligen geleerd welke zoetheid zij putten in navolging van het goddelijk voorbeeld, uit vernedering en smaad? Toen abbé Monnin hem later eens vroeg of al die kruisen hem niet de innerlijke vrede roofden, antwoordde hij dat die kruisen hem juist de vrede brachten, dat al onze ellende komt omdat wij ze niet beminnen en dat men de liefde tot het kruis moet vragen, dan wordt alle lijden zoet. Een andere maal zei hij tot hem dat de tegenkantingen der mensen ons aan de voet van het kruis brengen en het kruis aan de deur des hemels, dat het om daar te komen nodig is dat wij onder de voet gelopen worden in het slijk en dat alleen zij in dit leven gelukkig zijn die de kalmte der ziel bewaren midden in alle kruisen. Toen Monnin zei dat zulke verschrikkelijke dingen slechts van zeer slechte mensen konden komen en vroeg hoe men hem van een zedeloos leven kon beschuldigen, antwoordde hij dat zij niet zo slecht waren, dat zij hem beter kenden, dat hij tevreden was vertrapt te worden en dat zijn leven helaas altijd slecht geweest was en hij toen leefde zoals hij nu nog leefde. Nog waren deze uitbarstingen van diabolische haat niet afgelopen, toen er weer nieuwe aanvallen gedaan werden op de man die niet anders deed dan alle lijden opdragen aan Hem die leed op het kruis. Nu was het echter veel pijnlijker, want zij kwamen van de eigen confraters, de geestelijkheid van zijn diocees. De zuivere ziel van Vianney straalde al lichter over zijn omgeving en in plaats dat de met vuil bekladde priester in de ogen der mensen daalde tot een gehate schijnheilige, gebeurde het wonder dat hij hoe langer hoe meer mensen tot zich trok. Niet alleen de eigen parochianen maar ook talloze anderen uit verre plaatsen in de omtrek stroomden naar het in de velden verloren dorpje en verdrongen zich om de biechtstoel van de pastoor. Daar zat hij dan urenlang, geblokkeerd als in een cel, zijn maaltijd vergetend, totdat de laatste biechteling het kerkje had verlaten. De arme man, in zijn versleten soutane, had niets bijzonders wat oppervlakkige mensen trekken kon. Ook was hij in de biecht niet juist gemakkelijk, veeleer streng en onverbiddelijk, maar daar kon hij in het stille samenzijn ongestoord uitdelen al de rijkdom van licht en liefde, die onophoudelijk opborrelde als uit een verborgen bron. En wie eenmaal van deze mysterieuze weldaden had genoten, moest terugkeren en deed als vanzelf ook anderen zijn voorbeeld volgen. Reeds vanaf zijn studietijd stond de pastoor in de kring der geestelijken bekend om zijn domheid en bijgevolg geringe kennis van Latijn en theologie. Deze reputatie was hem ook later bijgebleven en daarvan droeg hij gedeeltelijk zelf de schuld. Waar het te pas kwam immers vertelde hij dat hij een onwetende was, dat pastoor Balley vijf of zes jaar lang getracht had hem wat Latijn bij te brengen, mais il y a perdu son latin et n’a rien pu loger dans ma pauvre tête. Of ook dat er in alle families een kind is dat minder met verstand bedeeld is dan zijn broers en zusters en dat hij bij hen dat kind was. In die zin gedroeg hij zich ook op de maandelijkse conferenties met de collega’s. Als ik met hen samen ben, zei hij, voel ik me altijd als Bordin, de naam van een halve idioot uit het dorp. Zijn armzalige kleding was een onuitputtelijk onderwerp van spot en hatelijke kritiek voor de confraters. Op de conferenties, zegt Catherine, de enige vergadering die hij bezocht, verscheen hij pauvre et méprisable, terwijl de geestelijken uit die streek juist bekend waren om hun onberispelijke kleding. Men schreef zijn armoede toe aan gierigheid, aan hoogmoed, aan eerzucht om de aandacht te trekken en allerlei hatelijkheden moest hij erover horen. Waar het uiterlijke dingen gold, bleef hij altijd zijn goed humeur bewaren, zelfs al was er een collega die niet naast hem wilde zitten om zijn versleten hoed. Wanneer de behandeling der theologische punten afgelopen was en het diner zou beginnen, verliet hij de vergadering en zag men hem geheel alleen door de velden huiswaarts gaan. Maar de geestelijken wisten nog niet dat die domme jongen vanaf de schoolbanken, vanaf het kleinseminarie gestadig opwaarts was gegaan de weg der volmaaktheid en vergeestelijking, dat hij in latere jaren ijle hoogten had bereikt waar hart en geest open lagen voor de doordringende stralen van het goddelijk Licht. Alleen de eenvoudige Catherine zag in haar omgang met de heilige die innerlijke verlichting en schreef mooie, simpele woorden in haar dagboekje. Mijnheer pastoor was zo klein, zo nietig in zijn ogen, dat de Heilige Geest er behagen in schepte dat van zichzelf ledige te vullen met een wonderlijke overvloed van licht. En elders verklaart zij vol bewondering dat zij hem dingen had horen zeggen die zij nooit ergens anders hoorde en nooit in een boek gelezen had. Onderwijl zagen anderen in hem slechts de man die in zijn domheid overmoedig was geworden en in de overmoed de meest gewaagde uitspraken deed, die over roepingen besliste en buitengewone raadgevingen uitdeelde, die hier de absolutie weigerde, daar weer blijk gaf van uiterste toegeeflijkheid, wat alles druk besproken werd op de pastorieën. Maar niet alleen uit zwak menselijke jaloersheid om de grote toeloop naar Ars of de steeds verder en luider klinkende roep van heiligheid kwam de geestelijkheid in opstand, meer nog door een ernstige onrust dat dit alles tot verkeerde dingen kon leiden, omdat men tenslotte toch wist dat Vianney een zwak theoloog geweest was in zijn studietijd. Er waren er die op straf van absolutieweigering hun parochianen verboden om naar Ars te gaan, anderen slingerden zelfs deze bedreiging op zondag van de preekstoel, anderen schreven zware waarschuwingen aan de bisschop. En Vianney zei verdrietig dat men zondags niet meer over het Evangelie preekte, maar over de pastoor van Ars. Een grote droefheid overmeesterde hem bij ontvangst van de eerste anonieme brief, die hij aan het handschrift terstond herkende als komende van een geestelijke collega. Men schreef hem dat men zei dat hij een heilige was, maar toch vele mensen van hem terugkeerden zonder bekeerd te zijn, dat hij er goed aan zou doen zijn slecht begrepen ijver wat te minderen, anders zou men zich genoodzaakt zien monseigneur ervan in kennis te stellen. Het vriendelijke antwoord luidde dat hij hem dankte voor zijn goede raad, zijn onwetendheid bekende en zeer bedroefd was indien er mensen uit andere parochies, die van hem de heilige sacramenten ontvingen, niet bekeerd waren. Indien hij het goed vond, moest hij aan monseigneur schrijven, die wel zo goed zou zijn hem op zijn plaats te zetten. Hij vroeg intussen te bidden dat hij minder kwaad en meer goed mocht doen. Daarop volgden diepe verontschuldigingen van de anonieme schrijver. Toen er in het naburige Ambérieux een nieuwe, nog jonge pastoor kwam, ontdekte hij dat er in zijn parochie een soort bond van vrome vrouwen bestond, die de pastoor van Ars als hun leider gekozen hadden en geregeld bij hem gingen biechten. Buiten zijn weten hadden zij hem zelfs een Mis laten lezen met de intentie in zijn plaats pastoor Vianney te krijgen. Ten zeerste gebelgd preekte hij op een zondag daarover en schreef een scherpe brief naar Ars, waarin ook deze uitroep dat wanneer men zo weinig theologische kennis bezat als hij, men het niet moest wagen een biechtstoel binnen te treden. Dat was wel een harde slag voor de stille man, die juist in de biecht het innigste contact vond om aan zondaars en vromen mee te delen de stroom der goddelijke genadegaven, die zijn boeteleven hem zo rijkelijk deed toevloeien. Terneergeslagen liet hij die brief lezen aan zijn trouwe vriend, de burgemeester. Die brief komt zeker van een onbeschaafd en grof mens, zei deze en vernam toen met verbazing dat hij van een geestelijke kwam. Op zijn kamer teruggekeerd antwoordde Vianney onmiddellijk dat hij zijn beste en zeer vereerde confrater dankbaar was, dat deze de enige was die hem goed kende en dat hij, daar hij zo goed en vol naastenliefde was om zich voor zijn arme ziel te interesseren, hem ook moest helpen om de genade te verwerven die hij reeds zo lang vroeg, dat hij vervangen mocht worden op een post die hij niet waardig was te vervullen om zijn onwetendheid en dat hij zich mocht terugtrekken op een afgelegen plekje om er zijn arme leven te bewenen. En tot slot schreef hij que de pénitences à faire, que d’expiations à offrir, que de larmes à répandre. Wel kon Catherine dus zeggen dat hij in eigen ogen si petit, si anéanti was, maar ook alleen de in nederigheid weggezonken heilige kon aldus al zijn eigenliefde afwerpen, geheel zijn eigen ik, terwijl reeds de rijke instorting van goddelijke gaven eer en liefde deed schitteren om zijn naam. Verschillende geestelijken maakten gezamenlijk een formele aanklacht op tegen de arme van Ars. Dit stuk werd hem ter lezing gestuurd door een van deze heren. Vianney wist niets beters te doen dan ook zelf het stuk te ondertekenen en daarna terug te zenden. Toen was het alsof er een opluchting over hem kwam. Nu hebben ze mijn handtekening, zei hij, en dus geen gebrek meer aan overtuigende bewijsstukken. Monseigneur Devie, bisschop van Belley, waartoe Ars behoorde, was een man met bijzondere geestelijke kwaliteiten, een fijn gevoel en groot psychologisch inzicht, daarbij een zeer vroom man, die als een heilige bisschop bekend stond. Reeds lang had hij begrepen dat de asceet van Ars niet meer streefde naar aardse dingen en in zijn nederig bestaan al een hoge volmaaktheid moest bereikt hebben. Om zijn oordeel kracht bij te zetten zond hij echter zijn vicaris op onderzoek naar de pastoor. Toen glansde de hoop op en de aangeklaagde verwachtte niet anders dan van zijn post ontslagen zich te kunnen terugtrekken in de reeds lokkende eenzaamheid. De vicaris viel echter van de ene verbazing in de andere toen hij in het dorpje kwam en de bleke man met zijn zachte blik in functie zag in de kerk, of opzocht in zijn leeg en eenzaam huis, terwijl voortdurend een drukke menigte van vreemdelingen zich bewoog in kerk en op straat en daaronder ook vele priesters en kloosterlingen. Daarop verzocht de bisschop de pastoor in een vriendelijk schrijven hem mee te delen alle voorkomende moeilijke gewetensvragen met de oplossingen die hij gegeven had. De pastoor zond tweehonderd punten in en daarbij werden slechts twee gevallen gevonden die bij een uiterst subtiel onderzoek door een uitmuntend theoloog anders opgelost konden worden. De wijze bisschop wilde op deze manier zijn oordeel in de ogen der geestelijkheid rechtvaardigen. Nu kon hij zeggen tot de heren dat die nederige pastoor een heilige was, een heilige die zij moesten bewonderen en navolgen. En toen op de jaarlijkse retraite van pastoors gesproken werd over de folie van de collega van Ars, zei de bisschop dat hij hun allen een beetje van die dwaasheid wenste en dat zij hun wijsheid niet zou schaden. Op de vraag of het waar was dat hij peu instruit was, antwoordde de bisschop je ne sais pas s’il est instruit, mais il est éclairé. Daarmee bevestigde hij wat de eenvoudige Catherine reeds lang tevoren in haar dagboek had opgetekend. Vianney, die reeds vele jaren leefde los van aardse strevingen en van alle zinnelijkheid, in de gloed van een zalig meditatief gebed dat zijn eenzaamheid vulde, voelde zelf wel vanwaar hem de mysterieuze hulp geboden werd. Op een gewone catechismusles zei hij tot de kinderen ceux qui sont conduits par le Saint Esprit ont des idées justes. Voilà pourquoi il y a tant d’ignorants qui en savent plus long que les savants. Maar naar zijn eigen diepe overtuiging bezat hij zelf niets, geen talent, geen kennis, geen deugd, niets wat uitblinken kan in de ogen der mensen. Had God, zoals hij zei, een onbeduidender, nietiger schepsel kunnen vinden voor de bekering der zondaars, dan zou Hij de domme pastoor van Ars zeker voorbij zijn gegaan. Door de invloed van de vrome bisschop, misschien meer nog door de onweerstaanbare bekoring van een alles overheersende liefde en kinderlijke zachtheid, steeds voller uitgaand van de nederige man zelf, verdween langzamerhand alle jaloezie onder de geestelijkheid en tevens alle vrees voor een mogelijke verwarring in de geest der bevolking. Toen stond hij weldra bij zijn collega’s in hoog aanzien en eerden zij hem als een heilige dienaar Gods.
VII
De pastoor van Ars gelijkt meer op een middeleeuwer dan op een heilige uit het midden der negentiende eeuw. Zijn wonderen doen denken aan legenden uit heel oude tijden, fantastische duivelsverschijningen brengen de menigte in grote beweging. Zieken worden genezen, bezetenen worden bevrijd. Er is grote verdeeldheid onder de mensen over de heiligheid of de dwaasheid van de eenvoudige man en voortdurend is het dorp vol mensen, die komen ter bedevaart of uit nieuwsgierigheid. En het schijnt een onafgebroken feest. Te midden der volksmassa’s van alle standen, van rijken en armen, van stedelingen en boeren, van vromen en spotters, van kloosterlingen in verschillend habijt, van gesluierde nonnen en werelds geklede vrouwen, gaat de bleke wonderdoener voort te leven alsof hij nooit iets bijzonders deed en wil hij ook niets anders zijn dan de simpele pastoor van een afgelegen dorp. Ongestoord echter ontplooit zich het geestelijk drama van zijn leven met altijd grotere intensiteit en brengt aan duizenden nieuw zielenleven en een ongekend geluk. De ongelovige van deze tijd, in het bewustzijn zijner kennis zich verheven voelend boven alle geopenbaard geloof, ziet ook hem reeds verbleekt en weggeschoven in een afgesloten tijdperk en beschouwt de man enkel als een psychisch verschijnsel, dat de toekomst wetenschappelijk zal verklaren, zodat al het wonderlijke dat door tijdgenoten en getuigen over hem werd opgetekend heel gewoon zal blijken of bedrog. Misschien ook stelt men zich tevreden met een oplossing als massasuggestie en hallucinaties, ontsprongen aan zieke hersenen. De literatuur over het satanisme is oud en zeer uitgebreid. Veelal vindt men er verhalen van een walgelijke zinnelijkheid. Zelfs daar waar door de duivel een soort namaak geleverd wordt van mystieke liefde, is deze nog doortrokken van een stuitende wellust. Bij pastoor Vianney zijn de kwellingen van geheel andere aard, daar zij enkel ten doel hadden de heilige man te storen in zijn levenstaak, het opvoeren der vromen tot hogere volmaaktheid en vooral de bekering der zondaars. Nooit deed de duivel zelfs een poging om hem te bekoren met zinnelijke lusten. Wel had hij veel te lijden van diabolische verlokkingen tot een vlucht in de eenzaamheid en aldus zijn roeping prijs te geven, maar de door harde verstervingen gelouterde geest bleef ongerept, ver verwijderd van alle lagere neigingen. In de winter van 1824 op 1825, het zevende jaar van zijn verblijf in Ars, begonnen de nachtelijke bezoeken van de duivel bij de pastoor op zijn kamertje in het eenzame huis. Dat was nog in de jaren zijner zware zelfkastijding en van zijn geweldig vasten, van zijn folies de jeunesse, zoals hij zei. Het was nog gedeeltelijk in de periode van zijn strijd tegen danswoede en dronkenschap, toen een brand van diabolische haat tegen hem oplaaide uit de meest bedorven kringen van het volk. De kleine pastorie, niet meer dan een boerenhuisje, lag aan het kerkplein buiten het dorp, slechts één huis stond op korte afstand. Achter de pastorie was de grote wijdte der akkerlanden. In die tijd leefde hij daar geheel voor zich, slechts zelden kwam er iemand bij hem aan huis en hij zocht nooit het gezelschap van collega’s in de omtrek. Alleen vrouw Renard kwam het nodige huiswerk doen en zij mocht er enkel werken als de pastoor in de kerk was. In de avond zagen de dorpelingen op de bovenverdieping in zijn zit- en slaapkamertje het lampenlicht schijnen. Daar stond in een hoek het lage ijzeren bed met de harde strozak en een boerenbonte deken. Tegen de geel gekalkte muur naast het raampje donkerden de zwarte oude folianten der Kerkvaders op het boekenrek, de erfenis van zijn vriend pastoor Balley. Een laag bruin kastje tegen de muur en daarboven in twee rijen bonte platen van heiligen in lijstjes, in het midden daarvan een oude verbleekte Madonna naar Murillo. Op de vermolmde vloer een paar rieten stoeltjes bij een tafel, waarop het dikke brevier en de lamp. Dit kamertje was in die tijd het enige van het huis wat hij bewoonde. Toen de duivel kwam, was de pastoor pas genezen van een zware ziekte, die de door ascese verzwakte man nog meer had ontredderd. Wanneer de pastoor na de lange stille avond zijn lamp had uitgeblazen en neerlag op de harde strozak, was het of er een troep ratten op en neer begon te lopen langs de gordijnen van zijn bed en hoorde hij hoe ze met lange halen het goed aan flarden scheurden. En als hij dan het licht weer opstak, zag hij niets en was alles stil. Om ze te verjagen plaatste hij eindelijk een hooivork bij zijn bed en toen het spel weer begon, sloeg hij met geweld tegen de gordijnen en over de vloer. Maar het hielp niet, telkens hoorde hij opnieuw dezelfde onverklaarbare geluiden, toch bleef hij bij zijn mening dat het ratten of muizen moesten zijn, die zich ’s nachts in het lege huis verzamelden. Toen, op een winteravond om negen uur, klonken plotseling harde slagen, als mokerslagen, tegen de voordeur en de deur beneden in het huis, en tegelijk hoorde hij ruwe onverstaanbare stemmen buiten in het donker. De pastoor sidderde over heel zijn lichaam. Hij dacht dat dieven de rijke kerksieraden, geschonken door de broer van freule des Garets, kwamen stelen. Hij opende het raam en riep wie daar was, maar hij kreeg geen antwoord en zag niets. Het bonken op de deuren herhaalde zich verschillende malen en werd steeds heviger. Wanhopig van angst vroeg de pastoor aan de wagenmaker van het dorp, André Verchère, een sterke man van achtentwintig jaar, of hij op de pastorie wilde komen slapen. Zeer gaarne, mijnheer pastoor, zo getuigde in het proces van onderzoek Verchère, dan ga ik mijn geweer laden. Toen het avond was geworden, ging ik naar de pastorie. Tot tien uur zaten wij, de pastoor en ik, ons warmend bij de kachel. Laat ons slapen gaan, zei hij dan. De pastoor stond mij zijn kamer af en ging slapen in het vertrek ernaast. Ik sliep niet in. Tegen één uur hoorde ik met geweld de klink van de buitendeur rammelen, dadelijk dreunden zware slagen tegen die deur en was er een lawaai in huis als het rollen van vele wagens. Ik nam mijn geweer en sprong naar het venster, dat ik openwierp. Ik keek, maar zag niets. Het huis schudde van het gedreun ongeveer een kwartier lang en ik stond bevend op mijn benen. Dadelijk toen het lawaai begon, had de pastoor zijn lamp aangestoken en kwam bij me. Heb je gehoord, vroeg hij. U ziet wel dat ik gehoord heb, want ik ben op en heb mijn geweer genomen. Het huis schudde of er een aardbeving was. Je bent dus bang, zei de pastoor. Neen, ik ben niet bang, maar mijn benen beven, de pastorie gaat instorten. Wat denk je dat het is. Ik geloof dat het de duivel is. Toen het gedreun was opgehouden, gingen we naar bed. De volgende avond vroeg de pastoor in zijn angst weer de wagenmaker dat hij hem gezelschap zou houden, want de eenzaamheid drukte hem zeer. Maar Verchère weigerde. Ik heb er genoeg van, mijnheer pastoor, zei hij ronduit. Toen vroeg Vianney de burgemeester om hulp en hij kreeg diens zoon en de tuinman van het kasteel, twee flinke jonge mannen, mee ter bewaking. Zij sliepen op de pastorie twaalf achtereenvolgende nachten en hoorden niets, de pastoor echter werd herhaaldelijk opgeschrikt door eenzelfde geraas. Dan riep hij vanuit zijn kamer les enfants, n’entendez-vous rien, maar zij hoorden niets. Slechts één keer, verklaarde de tuinman, hoorde ik een geluid alsof er met een mes in snel tempo geslagen werd op een waterkan. Elke nacht doorstond de afgetobde pastoor de vreselijkste angsten. Er kwam een ongewone somberheid over heel zijn wezen en zijn gelaat scheen nog meer ingevallen en beenderig. Maar hij sprak niet van duivelen of dieven, in zichzelf gekeerd vermeed hij alle vragen. Eindelijk wist hij het. In de avond was er veel sneeuw gevallen, een dikke laag gespreid over het stille dorp. Toen, tegen middernacht, klonken weer de mokerslagen tegen de buitendeur. Op de binnenplaats, zo vertelde hij aan Catherine Lassagne, rumoerde een bende als een leger van Oostenrijkers of Kozakken, die een onverstaanbare taal spraken. Ik sprong uit mijn bed en snelde naar beneden, opende de deur om hulp te roepen en de dieven te verdrijven. Voor hem lag de stille binnenplaats, niets bewoog in de schemerwitte ruimte, maar ook geen enkel spoor was er gebleven van mensen of dieren op het lichtende donzige sneeuwvlak. En plotseling viel over hem de ontzettende overtuiging, de duivel. Waarschijnlijk zal het beleven van dit moment door de simpele, nederige man voor velen meer overtuigend zijn dan de aangehaalde getuigenissen van boeren. Zo stond hij dan alleen in de nacht voor de aanval der boze geesten, een zware angst doortrilde zijn lichaam, maar onmiddellijk stelde hij zich in Gods hand, zijn diepe godsvertrouwen vloeide uit in een volledige overgave, hij sloot de deur van zijn huis en bleef met de duivel alleen. Toen dit gebeurde, was Vianney achtendertig jaar en reeds zeven jaar pastoor. Als in het begin was hij altijd gebleven de zondebok zijner kudde, al zijn streven was erop gericht te zijn een pastoor die zijn plicht doet, een eenvoudige werkman in de wijngaard van de Heer, zoals hij in zijn jeugd een goed werkman van zijn vader was. Zelf van boerenafkomst, sprak hij met de boeren als een hunner. Nooit zei hij iets wat hun vreemd in de oren klonk of getuigde van enige geleerdheid of overdrevenheid. Op de preekstoel zelfs gebruikte hij hun eigen uitdrukkingen en beelden, metaforisch in het geestelijke overgebracht. Zij kenden wel niet de onophoudelijke drang, die hun pastoor voortdreef op de weg naar de zuivere rust in God, zij zagen in hem enkel de vrome pastoor, onbewogen, altijd dezelfde zoals hij op bezoek kwam in hun huiskamer. Hij had geen omgang met meer intellectuele mensen buiten de verplichte conferenties met zijn collega’s, zij het dan korte ontmoetingen met de vijfenzestigjarige freule des Garets. Ook deze kleine, zeer scherpzinnige vrouw, die hem met grote belangstelling observeerde, vond nooit enige overdrijving of exaltatie in zijn woorden en daden. En de gevoelige Catherine, mededirectrice van zijn kinderhuis de Providence, die hem daar dagelijks zag en wel het diepste inzicht had in zijn geestelijk leven, kende hem als een altijd evenwichtig, verstandig mens. Toen men in het dorp reeds overtuigd was van de helse oorsprong der geluiden, zat Vianney ’s nachts nog in doodsangst voor dieven en moordenaars in zijn alleen gelegen huis. In de eerste tijd na die avond waren de hatelijke manifestaties een ware foltering van angst, maar nimmer konden zij de pastoor brengen tot gedachten dat die plaag een straf kon zijn voor begane fouten of tot twijfel aan de zuiverheid van zijn innig en nederig leven in de goddelijke liefde. De jarenlange kwellingen schonken hem juist het vertrouwen dat zijn werk rijke vruchten afwierp, want hij ondervond dat het duivelslawaai in de nacht het vinnigst was wanneer ’s morgens een grote zondaar in zijn biechtstoel kwam neerknielen. Ontelbare nachten, toch al zo kort door hem voor rust afgemeten, moest hij geheel of grotendeels slapeloos doorbrengen. Soms stak hij het licht op midden in het gruwelijk rumoer, dan lag hij op zijn bed, rondkijkend in het schemerlichte kamertje naar de rij van bonte heiligenplaten boven de commode, mijmerend over de welbekende vrienden en hun mooie leven en half luid zei hij in groot geduld dat hij God gaarne enige slapeloze uren offerde voor de bekering der zondaren. En dan plotseling was al het gespook verdwenen en heerste diepe rust in het hele huis. De diabolische verschijnselen wisselden veelvuldig in de loop der jaren. Zij werden door Catherine Lassagne trouw opgetekend in haar dagboek. Broeder Athanasius, die hem als hulp werd toegevoegd, deed dezelfde verhalen bij het proces van onderzoek voor de zaligverklaring. En buiten deze zijn er nog vele andere getuigenissen verzameld gedurende het leven van de pastoor. Gewoonlijk kondigden de zware hamerslagen in de nacht de komst van de boze geest aan. Verschrikt vloog de arme pastoor uit zijn slaap overeind. Er volgde groot rumoer beneden in huis, dan in de trap, tegelijk hoorde hij die hatelijke ruwe stem. Een ogenblik later, zonder dat de deur openging, was de duivel in zijn kamer. Ik vraag hem niet om binnen te komen, zei de pastoor tot Catherine, half lachend, half bedrukt, maar hij komt toch. Er was niets te zien, maar de stoelen werden omvergegooid, de grote meubelen op en neer geschud, dezelfde akelige stem klonk luid in zijn kamer. Vianney, Vianney, truffeleter, je bent nog niet dood, ik zal je wel krijgen. En met gehuil als van een woedende hond of brommend als een wild dier, schudde hij de gordijnen van het bed. Of hij sloeg met vinnigheid op tafel, op de schoorsteen of de waskan. Dan was het weer of hij met geweld spijkers sloeg in de vloer van het vertrek. Soms klonk er een schor gezang door het stille kamertje. De duivel heeft een lelijke stem, vertelde de pastoor. Een andere nacht werd de uitgeputte man wakker gehouden als door een eindeloos getrippel van een kudde schapen op de zolder boven zijn hoofd of wel door het gedaver van een springend paard, met zijn ijzers neerslaand op de stenen vloer in de benedenkamer. Eens vulde het gezoem van een zwerm bijen de nachtelijke stilte. De pastoor stak de lamp op, opende het raam om ze te verjagen, maar zag niets meer. Een andere maal echter, opgeschrikt door een sinister geruis, zag hij bij het lamplicht zijn kamer vol van zwarte vleermuizen, fladderend langs de zoldering en de gordijnen rond zijn bed. Vele nachten achter elkaar was er op de binnenplaats een hels tumult van onbeschrijfelijke stemmen, zo dreigend dat de pastoor lag te beven in zijn bed. De duivels hielden hun parlement op de binnenplaats, zei hij. Al deze manifestaties vervulden hem eerst met grote angst, maar hij leerde ze spoedig met kalmte verdragen. Wanneer hij bij het eerste lawaai het kruisteken maakte, riep de stem hem soms toe dat zijn teken haar niet kon verdrijven. En de pastoor bad verder. Eens, toen de woeste stem hem in de nacht weer uitschold, antwoordde hij rustig dat hij geen vrees had, omdat God hem beschermde. Toen werd het onmiddellijk stil. De pastoor kreeg zelfs een zekere vertrouwdheid met zijn onzichtbare vijand en gaf hem de bijnaam le grappin. Herhaaldelijk zei hij later dat de duivel hem dikwijls gewaarschuwd had voor de komst van grote zondaars, want hoe heviger het lawaai in de nacht, des te groter was gewoonlijk de overwinning van de genade op de volgende dag.
VIII
Verschillende malen werd hij wakker met het gevoel alsof er een hand zachtjes over zijn gezicht streek, soms alsof er ratten over zijn gezicht en handen liepen, soms weer of er een hond snuffelde en blies over zijn kussen en zijn hoofd. Op een avond, toen hij nauwelijks te bed lag, werd het harde bed heel donzig en zacht en hijzelf zonk in die zachtheid weg. Tegelijk hoorde hij een diep wellustig zuchten van voldaanheid en aanmoedigende woorden om zich te laten gaan: ha, ha, allons, allons. Toen schrok de arme asceet hevig en maakte een kruis en de begoocheling was verdwenen. De duivel verborg zich ook wel onder zijn bed, zelfs onder zijn hoofdkussen en liet dan urenlang een akelig gekerm horen, een zwak zuchten als van een stervende of een nijdig gegil, wat de slapeloze pijnlijk in de oren klonk. De pastoor vertelde dat alles graag, meestal op half humoristische toon. Niettemin betekenden die kwellingen voor hem niet enkel het gemis van een verkwikkende slaap na een uiterst zware dagtaak bij veel ontberingen en vasten, maar zij waren ook een voortdurende verstoring van de zo verlangend door hem gezochte eenzaamheid, een vertroebeling der zuivere stilte van alleen zijn in meditatie of gebed. En daardoor drukte hem de leegte van het huis des te meer. Eens had hij voor een nacht een missionaris van Pont d’Ain te logeren. Toen zij samen naar boven gingen naar hun slaapkamers, voelde de pastoor plotseling dit samenzijn als een vertroosting en, de missionaris latend voorgaan, zei hij opgelucht: O, mon ami, ce n’est pas comme hier: c’était le grappin qui montait devant moi, on aurait dit qu’il avait des bottes! Al deze gebeurtenissen en nog vele andere, door de Franse biografen aangehaald, werden enkel door hem waargenomen en aan Catherine of broeder Athanasius verteld. Spoedig had zich het vreemde gerucht in de verre omtrek verspreid en er kwamen nog meer bezoekers naar het afgelegen dorpje, vooral toen ook de dagbladen van Lyon uitgebreide berichten begonnen te brengen over de pastoor van Ars en het duivelsbezoek. Nu waren het niet meer enkel vrome mensen die de ascetische geestelijke leider zochten, de eenvoudige man in zijn groen versleten soutane, met de lange sluike haren langs de ingevallen slapen, met de diepe ogen die, evenals altijd, de zuiverheid van een onbewogen innerlijk licht weerspiegelden. Er kwamen velen enkel uit nieuwsgierigheid. Langs de weg voor de binnenplaats van het spookhuis stonden zij wachtend om de zonderlinge man te zien, als hij van het kerkje huiswaarts ging. Er waren grote meningsverschillen over die raadselachtige dingen en op straat hoorde men luid getwist, dat soms het hele dorpje in opschudding bracht. De meesten verklaarden natuurlijk alles door autosuggestie, ontstaan bij de bleke man door lectuur van fantastische duivelsverhalen in oude heiligenlevens. Zo oordeelden zelfs zijn eigen collega’s in het bisdom. Het was nog in de eerste jaren der vreemde verschijnselen, in de winter van 1826. De oude pastoor van Saint Trivier, een dorp op twaalf kilometer afstand, had met andere geestelijken ook Vianney gevraagd voor de viering van het grote Jubileum. In de vroege decembermorgen, nog lang voordat het licht werd, begaf de pastoor zich op weg. Zijn rozenkrans biddend ging hij langs de donkere veldwegen. Gekomen op een punt waar de weg daalde tussen twee begroeide bermen, zag hij plotseling over het struikgewas rondom een felle gloed als van een groot vuur en hij voelde de afstraling in zijn gezicht. Naarmate hij verder ging, liep de vuurglans langs de bermen over de struiken. Vianney dacht aan de zondaars die hem wachtten maar voelde geen vrees. Ongestoord ging hij verder en bad de rozenkrans. Hij bleef ongeveer drie weken in het dorp, preekte en moest bijna dagelijks vele uren in de biechtstoel doorbrengen. Op een avond zaten de geestelijken allen samen op de pastorie, ook Vianney. Nu waren het juist zijn collega’s van het bisdom die het minst geloof schonken aan de dwaze duivelsverhalen. Overal waar de pastoor met hen samenkwam, stond hij bloot aan hun uitgelaten spot, die hij met blijdschap om de vernedering opnam. Zo ook hier, al had hij volstrekt niet gesproken over het sinistere verschijnsel dat zijn gang naar Saint Trivier begeleidde. Abbé Monnin, nog altijd een der belangrijkste Franse biografen, verhaalt het verdere voorval. Die avond werden de verwijten der heren bijzonder hevig, hun spot brak uit in stromen van ware bitterheid. Men was het eens dat die helse mystiek niet anders was dan een waanzinnige fantasmagorie en men schold de pastoor uit voor visionair en maniak. Indien hij voldoende slaap en voedsel nam, zouden zijn hersenen zich niet bevolken met schimmen. Vianney antwoordde niet en trok zich terug in zijn kamer. Even later gingen ook de geestige lachers naar bed, in de luchtige stemming van geleerden die, al geloofden zij aan de duivel, toch slecht konden aannemen zijn inmenging in het leven van de pastoor van Ars. Maar omstreeks middernacht werden zij opgeschrikt door een geweldig lawaai. De hele pastorie was in beweging, de deuren sloegen open en dicht, de ruiten rinkelden, de muren schudden. Zij herinnerden zich dat Vianney gezegd had dat zij niet verwonderd moesten zijn indien zij die nacht leven hoorden. Zij drongen zijn kamer binnen. Hij lag rustig te bed. Vol angst schreeuwden ze allen tegelijk dat hij moest opstaan, omdat de pastorie in elkaar viel. Maar de pastoor antwoordde met een glimlach dat hij wel wist wat het was, dat zij maar weer moesten gaan slapen en er niets te vrezen was. Zij waren gerustgesteld en het gedruis hield op. Een uur later, in de diepe dorpsstilte van de nacht, klonk er een zacht belletje. Vianney stond op en vond aan de voordeur een man die uren ver gekomen was om te biechten. Onmiddellijk ging hij met hem naar de kerk en bleef er tot de dageraad om een groot aantal biechtelingen te horen. Zo ging het gewoonlijk: wanneer het duivelse geweld heviger werd, was het een teken dat de genade een grote zondaar tot hem voerde. Op een missie in het dorpje Montmerle werd Vianney reeds de eerste nacht met heel zijn ledikant door de kamer rondgesleurd. Toen zijn zuster Marguerite eens op de pastorie logeerde, hoorde zij haar broer om één uur ’s nachts naar de kerk gaan om biecht te horen. Even later klonk er vlak naast haar bed een geweldig lawaai, alsof er vele mannen met kracht op de tafel sloegen. Zij stak licht op maar zag niets, hoorde ook niets meer. Menend gedroomd te hebben, blies zij het licht uit om weer te slapen. Dan klonk opnieuw hetzelfde geraas. Vol angst kleedde zij zich aan en ging ook naar de kerk. De volgende morgen zei de pastoor dat zij niet bang moest zijn, dat het de grappin was, maar dat hij haar niets kon doen. Soms trok hij hem bij de voeten en sleepte hem door de kamer. Dat kwam omdat hij zondaars tot God bekeerde. Zo zijn er een groot aantal gevallen in de loop der lange jaren, maar nog bij het leven van Vianney opgetekend, waarin ook andere mensen de angstwekkende plagerijen meebeleefden. En dan is het vreemd dat de twee hulppriesters, abbé Raymond, die acht jaar, en Toccanier, die daarna zes jaar op de pastorie van Ars verblijf hielden, nooit een enkel ongewoon geluid hoorden. Dit kwam, zegt de Franse biograaf, omdat de vervolgingen enkel de pastoor golden. Andere priesters echter hoorden wel de duivel in het kleine kamertje van de pastoor. Abbé Renard, de zoon van de buurvrouw, logerend op de pastorie, hoorde meermalen de griezelige rauwe stem: une voix aigre et sauvage, qui imite le cri d’une bête fauve. Ik heb duidelijk gehoord, zegt hij, dat die stem riep: Vianney, Vianney, wat doe je daar. Ga weg, ga weg. Niet alleen in de nacht rumoerde de boze geest om de rust en de stilte te roven van de afgetobde heilige. In haar dagboek verhaalt Catherine een wonderlijk gebeuren, nog uit de eerste jaren. Op een avond kwam de pastoor bij ons in de Providence, het kinderhuis, een zieke bezoeken. Toen ik uit de kerk thuiskwam, zei hij mij dat ik van nieuwtjes hield en dat hij mij zou vertellen wat hem nog die morgen gebeurd was. Er lag iets op zijn tafel. Zij wist wat hij bedoelde. Het was zijn gesel. Dat ding begon plotseling te lopen als een slang. Het deed hem schrikken. Er zat bovenaan een koord. Hij had het koord gegrepen, het was stijf als hout. Hij legde het ding weer op de tafel. Maar tot driemaal toe begon het rond te lopen. Toen zei een onderwijzeres die erbij was dat hij misschien de tafel had doen kantelen. Neen, antwoordde de pastoor, ik raakte ze niet aan. Daarna sprak hij weer over gewone dingen. De jaren gaan voorbij. In onafgebroken regelmaat gaat de man met de diepe blik elke dag op gezette tijden zijn gang door de menigte. Want winter en zomer overstromen vreemdelingen en landgenoten het kleine dorp. Voor de ogen der mensen dezelfde, is Vianney toch een andere geworden. Niet in de zozeer begeerde eenzaamheid, maar midden in het gewoel, in de uitvoering zijner bovenmenselijke taak is hij al hoger gestegen boven de zwaarte der stoffelijke dingen. Hij ziet het verleden en de toekomst van die tot hem komen, van de goede en van de boze. Wonderen, ongelooflijk voor de mensen der negentiende eeuw, zijn geschied op zijn gebed. Hij spreekt woorden van sublieme simpelheid, die als iets kostbaars worden bewaard door velen in de onrust van de wereld. Mysterieuze hemelse verschijningen zijn hem nabij, als steun bij zijn somber werk in het donkere moeras der ondeugden. Maar nog altijd komt de duivel om door lichamelijke uitputting de man te beletten zijn onuitputtelijke geestelijke krachten uit te storten over de duizenden die hem omstuwen. Het duivelsbezoek is voor hem iets heel gewoons geworden, hij neemt het aan als een weldaad Gods voor de bekering der zondaars. Le diable et moi, nous sommes quasi camarades, zegt hij schertsend. In 1842 kwam er een vroeger militair, nu bij de gendarmerie, naar Ars. Laat aangekomen in de nachtelijke stilte, voegde hij zich bij de pelgrims die bij de kerkdeur de pastoor afwachtten. Maar de man had een groot verdriet te dragen, zocht weer de eenzaamheid en liep alleen wat rond over het plein en langs de pastorie. Hij wist niet of hij zou biechten, maar wilde in ieder geval de pastoor spreken. Plotseling schrok hij op uit zijn gemijmer. Een rauwe schreeuw hoorde hij klinken uit het raam der pastorie: Vianney, Vianney, kom dan, kom dan toch. Geheel ontdaan week hij enige passen terug. Een ogenblik later verscheen de pastoor met een lantaarn in de hand aan de voordeur en vond de bange man in het donker. De man zei in grote opwinding dat men hem wilde aanvallen, maar dat hij hem zou verdedigen. Het is niets, vriend, antwoordde de pastoor, het is de grappin. Hij nam de man bij de hand, nog bevend van emotie, en bracht hem naar de sacristie. Dan zei de pastoor, nog voordat de gendarme een woord had gesproken, dat hij een groot verdriet had, dat hij zijn vrouw bij de bevalling had verloren, maar dat God hem zou helpen. Eerst moest hij zijn geweten in orde brengen, dan zou hij gemakkelijker zijn zaken regelen. Vol verbazing viel de vreemde op zijn knieën om te biechten en andermaal openbaarde de pastoor hem daar in het schemerlicht der sacristie geheime dingen uit zijn leven die niemand weten kon. Volgens de eigen verklaring van de pastoor, toen reeds oud geworden, was het ook de grappin die de brand had ontstoken op zijn kamer, ’s morgens toen hij in de kerk was om de Mis te lezen. Het bed met de gordijnen verbrandde geheel, evenals alles binnen een rechte lijn die liep langs het reliekschrijn der heilige Philomena. Hoewel de lage houten zoldering en de verdere omgeving buitengewoon licht ontvlambaar waren, doofde de brand uit, even raadselachtig als hij ontstond. Onder de duizenden zieken die jaarlijks uit geheel Frankrijk en van over de grenzen gevoerd werden naar de wonderdoener in het afgelegen Ars, bevonden zich ook vele mensen verdacht van duivelsbezetenheid. Juist voor deze ongelukkigen zocht men redding bij de heilige, die het grootste deel van zijn leven gefolterd werd door de woeste razernijen van de onzichtbare medebewoner in zijn huis. Bij dit soort zieken waren zeer vele gewone zenuwpatiënten, wat aan het heldere oog van de pastoor niet ontging. Maar niet altijd was het zo. Daarom had de bisschop hem volmacht gegeven het exorcisme toe te passen zo dikwijls hij zulks nodig vond. Doch geen enkel geval wordt vermeld dat de nederige man van die volmacht gebruikmaakte. Hij was immers een gewone dorpspastoor en wilde niets weten wat hem onderscheidde van anderen. Er is veel rumoer van mensen op het plein onder de bomen. Te midden van een grote menigte danst en tiert met akelige geluiden een oude vrouw in armoedige kleding. Zij werd door haar zoon aangevoerd uit de omgeving van Clermont Ferrand. Reeds veertig jaren lang is zij lijdende aan razernij. Haar zoon tracht tevergeefs haar tot kalmte te brengen, angst en medelijden staan op de gezichten van het nieuwsgierige volk. Men laat haar wat gewijd water drinken, onmiddellijk barst zij uit in een nieuwe woede, werpt zich tegen de muur van het kerkje, knarst en bijt langs de ruwe stenen, zodat weldra mond en kin bemorst zijn met bloed. Maar het is de tijd waarop de stille heilige man van de pastorie naar de kerk zal gaan om zich voor lange uren op te sluiten in de biechtstoel. Er dringt een onbekende priester uit het volk en met behulp van de zoon weet hij de vrouw te brengen in de voorste rij langs de weg die de pastoor zal gaan, dwars door de dichte menigte. Plotseling wordt het stil op het plein, de pastoor in zijn wit superplie gaat langzaam kerkwaarts. Voor de vrouw met de woeste ogen en het bloedende gezicht blijft hij staan, hij ziet haar zwijgend aan, heft dan langzaam de arm omhoog en zegent haar met een groot kruis. De woestheid is gebroken. Gedwee en kalm, als ontwaakt uit diepe slaap, zit de vrouw in de kring der verwonderde menigte. Zij is voorgoed genezen. Een jonge onderwijzeres uit de stad Orange, begeleid door de overste van het klooster waar zij lesgeeft en een kapelaan uit Avignon, treedt in de vroege morgen de sacristie van Ars binnen op het ogenblik dat de pastoor zich wil gaan kleden om Mis te lezen. Zodra zij hem ziet, tracht zij met alle geweld te vluchten. Er zijn hier te veel mensen, roept ze. Te veel mensen, dan zullen ze weggaan. En hij blijft met haar alleen, terwijl de kapelaan in de kerk voor de gesloten deur staat. Eerst hoort men daar slechts vage, verre stemgeluiden. Dan opeens klinken de stemmen duidelijk en de kapelaan verstaat alles. Gij wilt dus beslist weg. Ja. Waarom. Omdat ik ben bij iemand van wie ik niet houd. Houd je werkelijk niet van me. Neen, een langgerekt neen, snijdend door de stille morgenkerk. Bijna onmiddellijk daarna gaat de deur open en verschijnt het jonge meisje in de kerk, ingetogen, met een glans van geluk op het gelaat. Plotseling echter verdwijnt die glans en met angstige ogen wendt zij zich zijwaarts tot de pastoor. Zij is bang dat hij kan terugkomen. Neen, mijn kind, ten minste niet zo gauw. Zij kon haar taak weer hervatten en bleef verder geheel normaal. Wat deed de pastoor om haar te bevrijden. Het lange rituaal van het exorcisme kon hij in die korte tussentijd niet hebben uitgesproken. Vermoedelijk waren zijn gebed en de zegenende hand weer voldoende om het wonder te bewerken. Nog een merkwaardig geval wordt door Catherine vermeld in haar dagboek en abbé Monnin, die hetzelfde verhaal doet, verklaart dat dit een reproduction littérale faite sous la dictée de M. Vianney is. Het gebeurde in de namiddag van 23 januari 1840. Bij de biechtstoel in de kapel van Sint Jan de Doper zitten enige vrouwen, waarbij ook een paar meisjes uit Ars, vriendinnen van Catherine, haar beurt af te wachten. Een eenvoudig geklede vrouw, van ver gekomen uit de omtrek van Puy en Velay, is al een poos geleden de biechtstoel ingegaan. Het is heel stil in het kleine kerkje, waar de vertrouwde heiligenbeelden bont kleuren in de bleke winterdag. De vrouw zit geknield voor de pastoor maar zegt niets, de pastoor vraagt haar eerst zacht en dan luider haar biecht te beginnen. Nu klinkt plotseling een scherpe harde stem door de stilte: ik ben onsterfelijk. De pastoor zegt dat zij dan de enige mens is die niet sterven zal. De vrouw antwoordt dat zij slechts één zonde gedaan heeft in haar leven en van deze mooie vrucht uitdeelt aan ieder die ervan verlangt. Hij moet zijn hand opheffen en haar de absolutie geven, want hij heft ze wel eens meer voor haar op. De pastoor vraagt: Tu quis es? De vrouw antwoordt: Magister caput, en weer in het Frans noemt zij hem een lelijke zwarte pad en zegt dat hij haar doet lijden, maar dat het toch gebeurt dat hij voor haar werkt. Waarom helpt hij de biechtelingen bij hun gewetensonderzoek. Is dat wat zij ze laat doen niet voldoende. De pastoor antwoordt dat zij zich toch tot God wenden alvorens hun geweten te onderzoeken. De vrouw zegt dat dit alleen met de lippen gebeurt, dat zij veel meer in de kapel is dan hij denkt, dat zij hun gewetensonderzoek doet, haar lichaam verdwijnt maar haar geest blijft, en noemt hem een gierigaard. De pastoor antwoordt dat dit moeilijk kan, omdat hij maar weinig heeft en dit weinige met een goed hart geeft. De vrouw zegt dat zij van die gierigheid niet spreekt, dat hij zielengierig is en haar zoveel zielen rooft als hij kan, en dat hij een leugenaar is, omdat hij altijd zegt dat hij zal heengaan en het niet doet. Dan vertelt de vrouw hoe zij hem de vorige zondag in het begin van de Mis gestoord en verontrust had, zoals gebeurd was, en gaat voort dat het paarse kleed, de bisschop, hem kort tevoren geschreven had, wat inderdaad zo was, maar dat zij gemaakt had dat hij een belangrijk punt vergeten had. De pastoor vraagt of Monseigneur hem zal laten vertrekken. De vrouw antwoordt dat hij te veel van hem houdt en dat hij zonder de Heilige Maagd reeds lang weg zou zijn. Zij hebben alles gedaan om hem eruit te werken, maar zijn niet geslaagd door haar. Het paarse kleed is even gierig als hij en doet haar ook veel lijden. Dan vraagt zij hem zijn hand over haar op te heffen zoals over zoveel anderen. De pastoor vraagt wat zij zegt van een priester van grote deugden. De vrouw antwoordt met een stem vol woede en haat dat zij niet van hem houdt. De pastoor noemt een andere. De vrouw zegt dat die hen laat doen wat zij willen en dat er zwarte padden zijn die hun minder doen lijden. De pastoor zegt dat hij aan Monseigneur zal schrijven om haar uit te drijven. De vrouw antwoordt dat zij zijn hand zal doen beven, zodat hij niet schrijven kan, dat zij hem wel zal krijgen, dat hij nog niet dood is en dat zij sterkeren heeft overwonnen. Waarom staat hij zo vroeg op. Hij is ongehoorzaam aan het paarse kleed. Waarom preekt hij op zo simpele manier. Dat doet hem doorgaan voor een onwetende. Waarom preekt hij niet in grote stijl zoals in de steden. Wat vindt zij het prettig bij die grote preken die niemand hinderen en de mensen laten leven zoals zij willen. En dan volgen weer nieuwe hatelijkheden voor de vrome bisschop van Belley en andere geestelijken. Vreemd is het echter dat geen enkele biograaf verhaalt hoe het geval eindigde. Is de vrouw weggelopen uit de biechtstoel, heeft de pastoor ook haar ten slotte kunnen bevrijden, wat heeft hij voor haar gedaan. In zijn laatste levensjaren verdween langzamerhand de duivel geheel uit de nabijheid van de heilige man. De mystieke liefde, opgestegen tot extase, doorstraalde bij afnemende lichaamskrachten zijn hele wezen, als was er een bovennatuurlijke zuiverheid over hem gekomen, zodat God niet meer gedogen kon de ongure diabolische bezoedeling van zijn omgeving.
IX
Toen pastoor Vianney in Ars kwam, was het kerkje niet veel meer dan een bouwval, zowel van binnen als van buiten. Maar onmiddellijk begon hij het huis van de goede God weer in ere te herstellen. Uit zijn vaderlijke erfenis liet hij een nieuw hoogaltaar bouwen met een rijk verguld tabernakel. Als een werkman hielp hij met alle kracht van zijn magere armen mee bij de plaatsing en toen hij de nieuwe gouden glans in de morgenzon op het uur van de Mis zag, was zijn hart tevreden. Maandenlang was hij als schilder bezig, gekleed in een lang schort, om de houten betimmering van koor en kerk opnieuw te schilderen. Wanneer een dorpeling soms de kerk binnenkwam, zag hij hem geheel in zichzelf gekeerd aan het werk, alsof hij een stil gebed deed. Zo immers, wist hij, had ook Franciscus het kerkje van San Damiano hersteld. Dertig kilometer ging de pastoor te voet naar Lyon om inkopen te doen bij de zilversmid en in winkels van kant en borduurwerk. De mensen daar staarden verwonderd naar de kleine, onaanzienlijke man in zijn versleten soutane, wanneer hij voor zijn kerk het mooiste uitzocht wat hij vinden kon en het uit eigen zak betaalde. In 1820 begon de restauratie van de kerk. Het wankele houten kloktorentje werd afgebroken en boven de begroeide hellingen verrees een bakstenen romaanse toren met sierlijke antieke zuiltjes in de galmgaten, afkomstig uit de middeleeuwse abdij van Salles, die de pastoor tot zijn grote blijdschap wist te verwerven. Twee nieuwe klokken werden erin opgehangen. Op de eerste stond de inscriptie j’ai été donné par Messire Jean Marie Vianney, gevolgd door de doopnaam van de klok. Zij werd de bekende rozenkransklok, die dagelijks in de vallende avond luidde voor het rozenkransgebed, dat door het eenvoudige voorbidden van de pastoor langzaam uitgroeide tot een levende devotie. In die jaren liet Vianney telkens een nieuwe zijkapel bouwen, want telkens opnieuw bleek de kerk te klein. De eerste, in 1820 voltooid, was een Mariakapel, met veel verguldsel en een gekleurd Madonnabeeld in het schemerlicht van een klein venster. Gedurende veertig jaren van groeiende liefde tot de Madonna, zijn moeder zoals hij haar gewoonlijk noemde, las de pastoor er iedere zaterdag de Mis. In de eerste tijd, toen het nog rustig was in Ars, zag men hem daar in een schemerige hoek, verzonken in eindeloze meditatie. Drie jaar later kwam de kapel van de H. Johannes de Doper. Dat was tijdens het hevigste van zijn strijd tegen de danswoede. In de boog die de kapel met het schip van de kerk verbond, liet hij met grote letters aanbrengen: Zijn hoofd was de prijs van een dans! De kapel werd ingewijd op het feest van de H. Johannes in 1823. Toen zou de H. Johannes aan de pastoor zijn verschenen en hem de eindeloze rijen zondaars en afgedwaalden hebben getoond die in de loop der jaren daar in zijn biechtstoel zouden komen neerknielen. Catherine vertelt het in haar dagboek. Op een zondag zei de pastoor in zijn preek: Indien gij wist wat er in deze kapel gebeurd is, zoudt gij er niet durven binnentreden! Ik zeg verder niets. Dit herhaalde hij verschillende malen, alsof hij er nog geheel van vervuld was. Het was de eerste maal dat de pastoor iets meedeelde over een contact met de bovenzinnelijke wereld. De indruk was groot, maar de uitleg die de parochianen aan zijn geheimzinnige woorden gaven, werd door hem nooit bevestigd. In latere jaren volgden nog drie andere kapellen, waaronder die van de H. Philomena in 1837, toen Ars reeds overstroomd werd door vreemdelingen. Aan de voet van het altaar zag men met bleke wangen de jonge martelares uit het oude Rome in een roodfluwelen mantel achter de glazen wand van haar schrijn en de muren van de kapel werden behangen met ex voto’s van zieken voor wie zij genezing verkreeg, wanneer de pastoor hen naar haar kapel verwees. Vianney bewaarde in het diepste van zijn wezen altijd iets van de klaarheid van een kinderziel. Hij voelde zich bijzonder aangetrokken tot het meisje dat haar ontluikende jeugd in de marteldood had geofferd. Zijn verering werd tot een mystieke vriendschap, als een geestelijke idylle die door zijn leven van geweldige ascese en lijden liep. Hij sprak over zijn chère petite sainte met woorden van lichte blijdschap, in de volle zekerheid van haar voortdurende bijstand en soms bijna van haar aanwezigheid. De pastoor versierde zijn kerkje ook met vele heiligenbeelden en platen langs de muren en overal waar hij maar een plaatsje kon vinden. Voor hem, die vanaf zijn jeugd bij geregelde lezing de levens van zoveel heiligen in een gloed van zuiverheid voor zijn geest had zien voorbijtrekken, leefden die heiligen in hun eenvoudige beelden met de intensiteit van geloof en liefde die zij op aarde hadden bereikt. In de vertrouwelijke eenvoud waarmee zij daar in het oude kerkje bijeen waren gebracht, meende hij, moesten zij ook alle bezoekers tot meditatie en een bewogen gebed brengen. Er was ook een mooi geschilderd portret van de arme zwerver Benedictus Jozef Labre, die in deze tijd zelfs nog niet door Pius IX zalig was verklaard. Dat gebeurde eerst twee maanden voor Vianneys dood. Maar de pastoor had, zoals reeds vermeld, al jarenlang een grote liefde voor deze vagebond, zoals de pelgrim zichzelf met diepe zelfverachting noemde. Zelfs in de smalle trap van zijn pastorie had hij een grote afbeelding van de jonge Benedictus opgehangen, naar een schilderij van een Franse kunstenaar dat in Rome was gemaakt. Grote steun bij zijn werk tot verfraaiing van de kerk ontving de pastoor van de broer van de bewoonster van het kasteel, burggraaf François des Garets uit Parijs. Herhaaldelijk kwamen vandaar grote kisten met een rijkdom aan schitterende voorwerpen, misgewaden, kazuifels en vaandels van fluweel en zijde, versierd met prachtige borduursels en wonderlijke heiligenfiguren. Wanneer de boeren van Ars de kisten op het kerkplein brachten, heerste er grote spanning en opgetogen drukte. De pastoor liepen de tranen van ontroering over de wangen wanneer de deksels werden weggenomen. Kom hier! riep hij tot een oud vrouwtje dat voorbij wilde gaan. Wil je nog iets moois zien voordat je sterft? En hij liet haar de overweldigende pracht zien die uit de kisten opglansde. Maar in de hemel is alles nog veel mooier! zei hij dan. Dat was weer die kinderziel, plotseling opengaand in het altijd brandende verlangen naar God.
X
In 1824 begon pastoor Vianney met de stichting van zijn Providence, het kinderhuis dat in zijn leven zulk een grote plaats zou innemen. Hij kocht daarvoor een huis dicht bij de kerk en bestemde het tot kosteloze school en toevlucht voor arme en verlaten meisjes. Catherine Lassagne, die reeds vanaf haar jeugd onder zijn leiding stond, werd met Benoîte Lardet belast met de zorg voor het huis. Later kwam Jeanne Marie Chanay haar helpen. Geen van deze vrouwen was kloosterzuster. Zij leefden eenvoudig en arm, zonder geloften, geheel gewijd aan de kinderen en aan het werk dat de pastoor hun had toevertrouwd. Aanvankelijk kwamen alleen meisjes uit Ars en de onmiddellijke omgeving naar de school, maar weldra begon Vianney ook arme en verlaten kinderen van elders op te nemen. Hij vroeg niet waar zij vandaan kwamen en evenmin of er geld voor hun onderhoud was. Als een kind hulp nodig had, moest het worden opgenomen. Soms bracht hij zelf een ongelukkig meisje mee dat hij langs de weg had gevonden. Neem dit kind op, zei hij dan tot Catherine, God zendt het je. Toen zij hem eens antwoordde dat er geen bed meer was, zei hij eenvoudig dat haar eigen bed er nog was. Catherine werd tot tranen bewogen, nam het kind in haar armen en kuste het. De pastoor had haar niets anders gevraagd dan wat hij zelf zou hebben gedaan. Op een vroege morgen vond een werkster van de Providence een pasgeboren kind naast de kerkdeur. Vianney liet het met grote tederheid verzorgen en zodra in het huis een uitzet voor het kind was klaargemaakt, werd het bij een voedster ondergebracht. Onder de opgenomen meisjes waren ook kinderen die hij zijn Madeleines noemde en die, zoals hij zei, meer steun nodig hadden dan de anderen. De Providence bleef altijd een huis van uiterste armoede. De bedden bestonden uit strozakken en gewoonlijk at men er alleen roggebrood. Geen enkel voorwerp, hoe onbeduidend ook, mocht iets anders zijn dan eenvoudig en noodzakelijk. Toen de pastoor het huis had gekocht, stond er een hoge klok, versierd met geschilderde landelijke voorstellingen. Zelfs dit onschuldige sieraad vond hij overbodig. Hij nam zelf een kwast en schilderde alles bruin. Ook de fijne vruchtbomen en sierplanten in de tuin moesten verdwijnen. Op hun plaats kwamen aardappelen en groenten voor het onderhoud van het huis. Geld was er bijna nooit. Vianney had voor de stichting zijn erfdeel gebruikt en gaf verder alles wat hij bezat. Aan de drie vrouwen die het huis bestuurden betaalde hij geen loon. Zij moesten evenals hij leven in vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid en aannemen wat gegeven werd. Wanneer er eens voldoende voorraad van enig voedsel was, liet hij daarvan nog uitdelen aan andere armen. Voor een toekomstige dag bewaren terwijl anderen honger leden, wilde hij niet. Daardoor gebeurde het meer dan eens dat er in het huis volstrekt niets meer te eten was. Catherine en haar helpsters wisten niet wat zij de kinderen moesten geven en de pastoor zelf had geen geld. Maar juist in deze uiterste nood gebeurden de merkwaardige voorvallen die later zo bekend werden. Op zekere dag was de zolder geheel leeg. Er was geen graan meer en geen mogelijkheid om brood te bakken voor de talrijke kinderen. Catherine ging naar de pastoor. Hij zei haar de laatste korrels die nog gevonden konden worden bijeen te zoeken en die in de graankist te leggen. Daarna moest zij de deur sluiten. Zelf ging hij bidden. Toen men later de zolder weer betrad, bleek de tevoren lege graankist gevuld te zijn met koren. Het graan lag zelfs zo hoog dat het tussen de planken van het deksel naar buiten kwam. Catherine en de andere vrouwen zagen het met eigen ogen. De pastoor wilde er nauwelijks over spreken en schreef alles toe aan de heilige Franciscus Regis, tot wie hij grote devotie had en die hij tot beschermer van de Providence had gekozen. Een andere maal was er geen meel meer. Een der meisjes werd naar de bakker gestuurd om brood te vragen, maar keerde met lege handen terug. De pastoor liet de kinderen bidden en niet lang daarna kwam onverwacht hulp. Zulke gebeurtenissen versterkten in het huis dat volkomen vertrouwen op de Voorzienigheid dat Vianney zelf bezat en dat hij ook aan de kinderen wilde leren. De Providence was echter niet alleen een toevlucht voor verlaten kinderen. Zij werd voor de pastoor een middelpunt van geestelijk leven. Dagelijks kwam hij er om catechismus te geven. Aanvankelijk waren alleen de kinderen aanwezig, maar spoedig kwamen ook volwassenen luisteren. De lessen werden gehouden in een eenvoudige kamer. De pastoor zat tussen de kinderen en sprak zonder geleerdheid of voorbereiding, in dezelfde eenvoudige taal die zij thuis hoorden. Hij verklaarde het geloof door beelden uit het boerenleven, uit de velden, de regen, het koren, het vuur en het dagelijkse werk. Soms begon hij rustig, maar wanneer hij sprak over de liefde van God, het gebed, de Eucharistie of het ongeluk van de zonde, veranderde zijn gehele gelaat. Zijn stem werd zachter, zijn ogen vulden zich met tranen en de woorden kwamen alsof hij zelf aanschouwde wat hij aan de kinderen trachtte uit te leggen. Dan kon hij een eenvoudige gedachte telkens opnieuw herhalen en juist daardoor een diepe indruk maken. Catherine schreef veel van deze woorden op. Ook spoorde hij enige grotere meisjes aan zijn lessen schriftelijk vast te leggen. Andere werden later door pelgrims opgeschreven. Zo zijn vele van de bekende catechismuslessen van de pastoor van Ars bewaard gebleven. Toen in 1845 de stroom van pelgrims het dorp overspoelde, stonden de mensen buiten voor de ramen van de Providence opeengedrongen om naar hem te luisteren. Daarom besloot de pastoor de catechismus voortaan in de kerk te geven, tot verdriet van velen, omdat zij hem daar niet meer van zo dichtbij konden zien. Het zaad dat hij uitstrooide, schoot rijk op onder de kinderen. Het gebed werd voor hen geen opgelegde oefening maar een behoefte. Hoe meer men bidt, had hun leermeester gezegd, hoe meer men zou willen bidden. Zelfs versterving werd door de meisjes vrijwillig beoefend. Op wandelingen door de velden plukten de grotere meisjes soms brandnetels en sloegen daarmee op hun handen en wangen om iets te lijden en te offeren voor de bekering der zondaars. Wanneer ergens een openbaar schandaal had plaatsgevonden of een wilde kermis met dans werd gehouden, baden zij en deden kleine boetewerken. Het leven in het huis kreeg daardoor soms het karakter van een eenvoudige kloostergemeenschap, hoewel de meisjes gewone kinderen bleven en de drie vrouwen die hen verzorgden geen religieuzen waren. Voor Vianney werd de Providence een geliefde plaats van rust te midden van zijn steeds zwaarder wordende arbeid. Daar vond hij de eenvoud en onschuld die hem verkwikten na de eindeloze uren in de biechtstoel. Hij kwam er voor zijn kleine middagmaal, dikwijls niet meer dan wat soep of chocolademelk in een potje, en bleef dan enige ogenblikken bij Catherine en de kinderen. Alles in dit arme huis droeg het stempel van zijn eigen leven, armoede, gebed, versterving en een kinderlijk vertrouwen op God. Jarenlang bleef de Providence zo bestaan, totdat de steeds grotere toestroom naar Ars en de moeilijkheden van het bestuur een verandering noodzakelijk maakten. Maar gedurende bijna vijfentwintig jaren was zij een der meest persoonlijke werken van de pastoor en een stille kern van zijn apostolaat.
XI
Veel is er geschreven over de houding van de pastoor tot de verschijning van de H. Maagd aan de twee arme kinderen op de Alpentop La Salette in de Dauphiné. Juist in dit bijzondere geval miste hij, de altijd zozeer door Maria begenadigde heilige, zijn wonderbare gave der intuïtie. Op 19 september 1846 in de namiddag zaten op deze bergtop twee kinderen ter bewaking van de koeien uit het lager gelegen dorpje Corps: Maximin Giraud, een jongen van elf jaar, en Mélanie Calvat, oud veertien jaar. Plotseling zagen de kinderen op korte afstand midden in een glanzend licht een schone Dame, zittend op een rotsblok dat in het grasland lag. Zij weende, het gelaat verborgen in de handen. Opgestaan riep zij met zachte stem de kinderen naderbij te komen. Dan sprak zij met grote droefheid over de zware godslasteringen en het vreselijke vloeken der mensen, over de schending der zondagsrust, over het bederf van de oogst en andere grote straffen die komen zouden als er geen boete werd gedaan. Wel een half uur, meenden de kinderen, bleef zij en sprak tot hen. Toen verhief zich de verschijning van de grond en terugwijkend loste zij zich op in het luchtblauw. Reeds in het volgende voorjaar klommen talrijke pelgrims langs het ruwe bergpad omhoog naar de eenzame top om te bidden waar de treurende Moeder Gods had gezeten en de kinderen werden het middelpunt van een grote belangstelling, die hun verre van aangenaam was. In de volgende jaren werd de toevloed altijd groter en onveranderlijk tot in de kleinste bijzonderheden herhaalden de kinderen hun verhaal. In hun gewone eenvoud bleven de kinderen hun verhaal doen en hun beider waarneming bleef volkomen met elkaar in overeenstemming. De bisschop van Grenoble had bevolen dat de kinderen hun gewone leven moesten blijven leiden en vooral hun dorp niet mochten verlaten. Inmiddels werd een nader onderzoek ingesteld, maar een bisschoppelijke uitspraak over de echtheid van de verschijning volgde eerst vijf jaar later, in 1851. Vanaf het begin had de pastoor met al zijn liefde aan de verschijning geloofd, maar altijd met enig voorbehoud, omdat hij zich wilde onderwerpen aan het kerkelijk gezag. Tegen het verbod van de bisschop in werd Maximin door drie invloedrijke mannen uit zijn dorp Corps naar Ars gebracht, onder voorwendsel dat zij de pastoor wilden raadplegen over zijn roeping, maar in werkelijkheid met een politiek doel, vermoedelijk het herstel van de Bourbons. De ziener van Ars zou het veelbesproken geheim, dat Maria volgens zeggen aan de kinderen had toevertrouwd, wel kennen en dit moest dienen om hun politieke streven te bevorderen. Op een septemberavond van 1850 kwamen zij in Ars aan. Reeds de volgende morgen werd Maximin alleen bij de pastoor toegelaten. Over dit onderhoud heeft de heilige nooit een woord gesproken. Maar de volgende dag viel het op dat hij geen medailles van La Salette meer wilde zegenen en evenmin zijn handtekening wilde zetten op prentjes van de verschijning. Maximin zei alleen dat de pastoor hem had aangeraden onmiddellijk naar Corps terug te keren. Daarmee waren de drie heren niet tevreden. Zij stuurden hem opnieuw naar de pastoor, omdat hij hem niet goed begrepen zou hebben. Wat er toen gebeurde, vertelde Maximin later aan een dame. Hij had de pastoor gezegd dat hij het verhaal van de verschijning had verzonnen en dat hij niets gezien had. De pastoor vroeg hem of hij dan gelogen had. Maximin antwoordde bevestigend. Vianney, die geen reden had om aan de oprechtheid van de jongen te twijfelen, werd hierdoor diep geschokt. Vanaf dat ogenblik begon voor hem een langdurige en pijnlijke twijfel omtrent La Salette. Juist hier, waar zijn liefde tot de Heilige Maagd zo diep bij betrokken was, scheen het licht dat hem anders zo helder doorstraalde, ditmaal niet te hebben geschenen. Uit heel zijn doen bleek dat een zware last op de bejaarde heilige drukte. Nog erger werd het toen in september 1851 de uitspraak kwam van de bisschop van Grenoble dat de twee herderskinderen niet waren bedrogen en zich niet hadden bedrogen. De bekentenis van Maximins leugen, al was zij buiten de biecht gedaan, bleef doorklinken in zijn arme hoofd, waar de serene rust vertroebeld was tot een grote droefheid, en de martelende twijfels bleven voortduren, ook na de stellige woorden van de bisschop. Dagelijks, wanneer hij over het plein ging, omringde hem de talloze menigte, maar niet alleen om genezing of zegening werd hem gevraagd. Telkens weer was er iemand die hem de pijnigende vraag toeriep wat hij van La Salette dacht of wat men van de verschijning te La Salette moest geloven. Met droeve stem antwoordde hij dan dat men de Moeder Gods zoveel mogelijk moest liefhebben. Soms ging hij ook zwijgend voorbij met gebogen hoofd. Vanaf zijn vroege jeugd was de liefde tot de Heilige Maagd als een zuiver geschenk door hem bewaard en verborgen in de eenzaamheid van gebed en meditatie. Hij had er nooit over gesproken, maar reeds jaren tevoren was zij gekomen, ook hem verschenen op zijn armzalige kamertje en had vol goedheid tot hem gesproken. Nu kwelde hem de vrees iets te hebben gedaan waardoor de ongereptheid van zijn gevoel was aangetast. Het liet hem niet los. Het was als een obsessie, verklaarde de hulpgeestelijke uit die tijd. Aan Catherine Lassagne deed hij de bekentenis: Ik heb gewetenswroegingen, ik vrees dat ik iets gedaan heb tegen de H. Maagd, ik wilde dat God mij hierover verlichtte. Maar ik zal veel bidden: als het zo is, zal ik het luid zeggen. Als het niet echt is, dan is het uit. Hij verwachtte vol vertrouwen de verhoring van zijn gebed, maar nog altijd bleef het donker, het innerlijke licht daagde niet in zijn verlatenheid. Ook de kapelaan van Saint Sulpice uit Parijs kwam hem ondervragen over La Salette. Driemaal deed hij hem dezelfde vraag met groeiende aandrang en telkens kwam daarop hetzelfde antwoord van zijn bleke mond, dat men Haar zeer moest beminnen. Acht jaren duurde dit geheimzinnige lijden van een heilige, tot ongeveer een jaar vóór zijn dood. Toen hervond hij de rust in een vast geloof aan de wenende Maagd van de bergtop. Hoe dit gebeurde, verhaalde de pastoor aan zijn kapelaan en vriend abbé Toccanier: veertien dagen achtereen was hij overgeleverd aan een onbedwingbare onrust, toen vond hij plotseling de kracht een akte van geloof te stellen aangaande de verschijning en onmiddellijk ontstond er een grote stilte, een ongekende klaarheid in zijn geest. Daarbij voegde zich het verlangen deze onverwachte omkeer mee te delen aan een priester uit Grenoble. De volgende morgen trad plotseling de pastoor van de kathedrale kerk van Grenoble zijn sacristie binnen en stelde hem onmiddellijk de vraag over La Salette. Nu luidde het eenvoudige antwoord: men kan eraan geloven. In diezelfde tijd ontving hij ook de bevestiging van zijn geloof. De pastoor wilde weer een missie stichten, maar had slechts een gedeelte van het nodige geld. Hij bad tot Notre Dame de la Salette. Bijna dadelijk werd hem van onverwachte zijde precies het ontbrekende bedrag geschonken. J’ai regardé ce fait comme miraculeux, eindigde hij blij zijn verhaal. Meermalen hebben heiligen historische gebeurtenissen in duidelijke vorm voorspeld. Aldus gebeurde zelfs de arme Benoît Labre, al luisterde niemand naar de stem van de man in vunzige lompen, trekkend langs de wegen. Hij stierf op 16 april 1783, maar driemaal in zijn korte leven beschreef hij de grote Revolutie, die vanuit Parijs haar bloedige loop zou nemen over geheel Frankrijk. Ook aan de pastoor van Ars worden vermaard geworden profetieën toegeschreven. Hij zou die gedaan hebben aan een broeder uit het lazaristenklooster van de rue de Sèvres te Parijs, broeder Gaben, de tuinman van het klooster, een eenvoudige ziel zonder de minste intellectuele ontwikkeling. Tweemaal in zijn leven had de broeder gebiecht bij de pastoor van Ars. Doch pas toen de oorlog van 1870 uitgebroken was, begon hij aan de paters te vertellen over de profetieën die de heilige hem gedaan zou hebben. Een paar paters maakten een relaas op van die verhalen, doch dit werd om de weifelende termen waarin het geschreven was, niet opgenomen in de annalen van het klooster. Hij stierf in 1881 en wanneer men in zijn ouderdom aan broeder Gaben voorlas wat hij zou hebben overgebracht van de profetische ziener, luisterde hij geduldig en besloot dan zeer onderdanig: oui, si vous voulez. Het eerste gedeelte der profetie handelt in bijzonderheden over de oorlog van 1870, het tweede over une guerre de revanche. En dit heeft men betrokken op de oorlog van 1914. Het bevat zeer verrassende dingen, tamelijk wel door de feiten bevestigd, maar daarnaast evenzeer grote afdwalingen. Wonderlijk is het intussen dat verschillende gezegden van de broeder reeds werden aangehaald in een anoniem geschrift met de titel Le Grand Pape et le Grand Roi, verschenen te Toulouse in 1872. Volledig werd de profetie opgenomen in de verzameling van Curicque, Voix prophétiques etc. Intussen blijft de oorsprong zo troebel dat men haar niet met voldoende zekerheid op naam van de heilige pastoor kan plaatsen.
XII
Na de grote wonderen der Providence, omstreeks 1829, was de stroom van pelgrims naar het kleine Ars spoedig sterk toegenomen. Maar toen verschenen daar ook veel zieken, kreupelen, lammen, blinden, bezetenen en lijders aan afzichtelijke kwalen, zodat het plein onder de bomen, vooral in lente en zomer, een jammerlijk aanzien bood en de lucht soms bezwangerd was met onbeschrijfelijke uitwasemingen. Veelvuldige genezingen hadden plaats op het gebed van de nederige pastoor, bang voor de grote aandrang van het volk dat hem als een heilige begon te vereren. Op de weg van de kerk naar de pastorie omstuwden hem de ongelukkigen, smekend om hulp met opgeheven handen, of men trok hem bij de soutane en hij moest blijven luisteren naar de klachten van wanhoop en smart. Het is zeer waarschijnlijk dat de pastoor toen reeds zijn toevlucht nam tot de heilige Philomena om lichamelijk lijden te genezen of te verlichten. Want de mystieke vriendschap tot de jonge heilige was reeds gegroeid tot een innige band nog vóór zijn aankomst in Ars. In Italië waren al enige jaren tevoren treffende wonderen van genezing geschied voor het schrijn dat haar gebeente bevatte. In de tijd toen de pastoor nog kapelaan was in Ecully bij zijn ascetische vriend Balley, kwamen deze beiden ’s zomers dikwijls bij de familie Jaricot uit Lyon, die bij Ecully een groot buitenverblijf bezat. Pauline, de enige dochter, was een meisje van zeventien jaar en bij die bezoeken moest zij zich voornamelijk onderhouden met de jonge kapelaan, boers van uiterlijk, doch in zijn uiterste bescheidenheid vol tact en fijne geest. De Jaricots hadden een grote verering voor de in Frankrijk nog onbekende heilige Philomena. Er waren Italiaanse broeders van Johannes de Deo bij hen in Lyon geweest, die verhaalden van de wonderlijke genezingen op voorspraak van deze heilige, geschied te Rome en in het stadje Mugnano bij Napels. De overste der congregatie had aan Pauline een relikwie geschonken, een heel klein stukje van haar gebeente, dat als een kostbaarheid door haar werd bewaard. Kapelaan Vianney leefde mee in de sfeer van vertrouwelijke verering van de jonge martelares en er ontstond een geestelijke vriendschap, een bovenaardse band tussen de glorieërende heilige uit het oude Rome, die haar jonge leven offerde voor haar Liefde, en de jonge priester, die de onschuld van het kind paarde aan diens simpele geloof en daarbij de heldhaftige kracht van een martelaar bezat, geheel zijn aardse leven weggevend in strenge zelfkastijding en versterving. De mystieke band bleef voortbestaan heel zijn lange leven, werd steeds intenser en transparanter tot aan zijn dood. Wie was dan Philomena, de veelbeminde? In 1802 werden in Rome de catacomben van de H. Priscilla blootgelegd. Bij deze ontgravingen vonden de arbeiders in een gang, naast andere loculi tegen de wand, drie ongeschonden aarden tegels naast elkander, hoewel niet in de juiste volgorde. Daarop stond in rode kleur als met menie geschreven: Pax te cum Filumina. En ten teken van het martelaarschap een palmtak, twee pijlen en twee ankers. Toen de tegels waren weggenomen, lag daar ineengevallen het gebeente van een jong meisje tussen dertien en vijftien jaren. Naast de kleine schedel een gebroken glazen vaasje, waarin bloed van de gemartelde was opgevangen. Dit gedeelte der catacomben diende als begraafplaats voor de christenen in de eerste eeuw en in de eerste helft der tweede, zodat men hieruit moet afleiden dat het meisje Philomena in die tijd moet hebben geleefd en de marteldood is gestorven. Van haar aardse leven is niets bekend, haar naam wijst op een Griekse afkomst. De rijke Romeinen dier dagen waren bijzonder gesteld op Griekse slaven voor hun bediening, zodat het vermoeden gewettigd is, ook in verband met het eenvoudige graf, dat zij tot een Griekse slavenfamilie behoorde. Drie jaar na de opgraving werd het gebeente ten geschenke gegeven aan een geestelijke, don Francesco de Lucia, voor zijn kerk in het afgelegen stadje Mugnano. En onmiddellijk reeds bij de overbrenging openbaarde de martelares haar wonderkracht door talrijke genezingen en andere verschijnselen. Mugnano werd een beroemd bedevaartsoord en de jonge heilige had weldra de liefde en het vertrouwen van heel het Italiaanse volk. Doch paus Gregorius XVI zette nog jarenlang een streng onderzoek voort naar al het wonderlijke gebeuren, alvorens een liturgische viering van het feest der heilige Philomena toe te staan. Dit gebeurde eindelijk in 1835, nadat ook Pauline Jaricot in het laatste stadium van een hartkwaal te Mugnano genezen was. Nu kon ook de pastoor van Ars de kapel bouwen ter ere van zijn petite sainte en van nu af werden door hem alle genezingen en vele moeilijke bekeringen op haar naam gesteld. Ik doe geen wonderen, zei hij gewoonlijk, ik ben slechts een arme onwetende, die het vee gehoed heeft. Wendt u tot St. Philomena. En zichzelf weer verradend: ik heb haar nog nooit iets gevraagd zonder het te verkrijgen. In het begin van de bedevaart reeds was St. Philomena zijn trouwe helpster, maar toen vroeg hij dringend aan de mensen om geheimhouding van alles wat geleek op iets wonderlijks en hij zweeg over zijn geheimzinnige vriendin uit verre tijden. Nu kon hij over haar spreken en hij deed het bijna als over een geliefd kind, een trouwe vriendin uit vroegere jaren, met een delicate gemeenzaamheid, maar vooral met de gloed van een grote toewijding, alsof zij zijn zwoegend leven omzweefde met zachtheid van troost en versterking. Telkens weer sprak hij over haar in catechismus, in preek en op zijn gang over het plein tussen de menigte, maar zweeg van de zelf ontvangen gunsten en dat zij hem verscheen in glorieërende schoonheid, als de nood ten top was gestegen. Hij sprak over de vele gaven, geestelijke en lichamelijke, van verlichting en genezing, die zijn petite sainte zo mild uitdeelde, als hij de mensen naar haar kapel stuurde om te bidden en novenen te houden, maar hij zei weer niet hoe hij zelf ook meewerkte door gebed en versterving. Hij noemde haar met vele vriendelijke namen als zijn zaakgelastigde in de hemel, zijn consul chez le bon Dieu. Soms echter ontglipte hem meer dan hij zeggen wilde. Eens kwam er een jong meisje uit Ligny sur Meuse bij hem biechten, een braaf schepsel dat niet veel op haar geweten had. Ma petite, zei de pastoor, ga liever bij de hulpgeestelijke, er zijn hier zo velen die meer haast hebben. Ik bid u, vader, laat me biechten. De pastoor zweeg in zijn donkere cel. Geef me dan een aandenken, een prentje van de H. Philomena. Maar in uw kerk in Ligny hangt een schilderij van de heilige. Laat daarvan afdrukken maken, het is het mooiste portret van haar die ik ken. Aldus maakte hij een vergelijking tussen het portret en het model. Hij was nooit in Ligny geweest. In zware nachten, als de rauwe stem van de duivel hatelijk klonk door zijn huis en urenlang de slaap verdreef van de uitgeputte man, stak hij de lamp op en staarde in stille overgave naar het prentje van Philomena aan de muur en vond een zoete vrede die ook zijn arme lichaam verkwikte. En toen de duivel het bed van de pastoor in brand had gezet op een morgen, terwijl hij in de kerk was, doofde het vuur op onverklaarbare wijze uit, in een rechte lijn vlak langs het reliekschrijn van zijn beschermster. Op 8 mei 1840 was Etiennette Durie, een kankerzieke juffrouw uit Moulins, die haar leven wijdde aan het missiewerk van de pastoor, getuige geweest van een verschijning van de H. Maagd op het grijze kamertje van de pastorie. Toen de verschijning voorbij was, bleef de pastoor met gevouwen handen roerloos staan, als in de verstijving van een extase. Vrezend dat hij dood was, trok de ontroerde Etiennette hem bij de soutane. Hij ontwaakte met een schrik. Bent u hier. De heilige man sprak staande, de ogen opgeheven en op zijn gelaat een glans van geluk bij de troostende herinnering. St. Philomena zei vertrouwelijk tes en niet vos oeuvres, aldus uitdrukkend haar innige verhouding tot de oude vriend. Verschillende biografieën brengen een lange reeks van wonderbare genezingen door St. Philomena en de pastoor samen. Bij vele zal de man van de wetenschap glimlachen of spreken van hypnotisme, suggestie en hallucinatie, bij vele andere zal hij niet anders kunnen doen dan ze bestempelen tot legenden. Maar het levensdrama van de heilige verheft zich ook hier soms tot een hoogte van bijbelse schoonheid in eenvoud en liefde. En zijn geloof schittert daarbij in een mysterieuze, levenbrengende straling, onnaspeurbaar voor de menselijke geest. Niettemin, zichzelf geheel wegcijferend, blijft hij de wonderen die de menigten in Ars opzwepen tot een vroom enthousiasme, alleen toeschrijven aan de H. Maagd en St. Philomena. Er kwam tot de reeds bejaarde heilige een eenvoudige man uit de Jura. De pastoor van zijn dorpje had hem opgedragen de pastoor van Ars te ondervragen over de vele buitengewone dingen die er in zijn parochie gebeurden. De man bleef aandringen met zijn ondervraging. O, vriendje, was eindelijk het antwoord, je moet niet alles geloven wat men zegt. Dan zal ik bij mijn thuiskomst de pastoor zeggen dat er hier niets bijzonders gebeurt. In dit geval zou je liegen, dat mag niet. Zeg mij dan, bid ik u, wat ik moet overbrengen. Je moet aan je pastoor zeggen dat alles hier gebeurt door bemiddeling van de H. Maagd en St. Philomena. Hier genezen doven, stommen, blinden, lammen, verlamden en bezetenen. Elke dag gebeuren er wonderen en bekeringen, soms verschillende op één dag. Maar alleen op voorspraak van de H. Maagd en St. Philomena. De meeste van de door biografen aangehaalde genezingen, gedocumenteerd in het proces van zaligverklaring, vallen in de laatste vijf of zes jaren van zijn leven, toen het lichaam reeds in een doorschijnende magerheid wegkwijnde en zijn geest al scheen opgeheven in de stilte van een bovenaards geluk. Op een heldere septembermorgen in 1857 gaf de pastoor zijn gewone catechismus in een kerk vol bedevaartgangers, allen staarden naar het witte hoofd van de heilige in zijn diepe stoel op het koor. Met korte onderbrekingen klonken de zachte woorden, die de toehoorders in spanning opvingen zonder te bewegen. Zoals geregeld gebeurde, hield plotseling de omnibus uit Lyon ratelend stil voor de kerk. Toen, met veel gedruis, ging de deur open. Daar stonden twee eenvoudige mensen van het land, man en vrouw, de man droeg een kleine jongen op de arm. Een ogenblik zweeg de pastoor, zijn diepe blik rustend op de nieuwgekomenen. Dan, met medelijden in de stem: arme mensen, waarom van zo ver hier komen zoeken wat gij bij u hebt? Wat is uw geloof groot! En hij ging weer door als tevoren. Om twaalf uur, toen hij het Angelus gebeden had, zei hij met een stemverheffing: brengt uw kind naar St. Philomena, daar links. De twee gingen en knielden voor het beeld van de heilige, glanzend in rijke vergulding. Kort daarop was er een hevig gestommel en bewegen van stoelen in de kleine kerk, waar nog veel mensen zaten. De man was flauwgevallen, men bracht hem buiten in de frisse lucht en spoedig kwam hij weer bij. Wij waren naar Ars gekomen, zei hij nog bevend, om de genezing te vragen van ons kind, dat zes jaar oud is en nog nooit had gesproken en ook niet gelopen. En opeens zei de kleine, naar het gouden beeld kijkend: mooi, vader, mooi! En de vrouw vertelde aan de omstanders: wat een novenen heb ik gehouden, dat God hem zou terugnemen, want de dokters waren het allen eens dat genezing onmogelijk was! En nu, zie het ventje, hij staat en hij praat! Wat een genade! riep ze telkens weer, wenend van blijdschap. Twee dagen later zagen de mensen de kleine lopen over het plein, aan de hand van zijn vader en de pastoor, die hem meenam op ziekenbezoek in het dorp. Zo deed hij ook met andere kleine jongens, genezen door zijn petite sainte. Het is opgevallen aan hoeveel kinderen de pastoor genezing bracht in hopeloze gevallen en men wil hiervoor verband zoeken in het feit dat hij, de weldoener der verwaarloosde jeugd, in zijn Providence aan talloze, ten ondergang opgeschreven meisjes een rein levensgeluk bracht. Een meisje van twintig jaar uit de omtrek van Parijs kwam op krukken naar Ars. Haar knie was verstijfd en vormloos dik door ankylose en haar been onbeweeglijk. Zij strompelde de kerk binnen gedurende het avondgebed tot vlak bij de preekstoel. Toen het gebed afgelopen was en de pastoor eraf kwam, strekte zij plotseling de arm uit en raakte met de vingers zijn superplie aan, uitroepend: Vader, ik kom u mijn genezing vragen! De pastoor wendde zich tot haar, zijn ogen begonnen te fonkelen. Ongelukkige, vraag eerst de genezing van uw ziel, daarna die van het lichaam. En verder gaande over het koor, hoorde men hem tot zichzelf zeggen: het is waar, de Kanaänitische vrouw stelde zich tevreden met de kruimels van des Meesters dis. Zeven dagen achtereen kwam het meisje tot hem in de biechtstoel om haar levensbiecht te spreken. De volgende morgen, in de Mis van de heilige, moest zij de heilige Communie ontvangen uit zijn hand. Bij het opstaan om naar de communiebank te gaan, vielen de krukken uit haar handen op de vloer en rechtop ging zij zonder wankelen of hinken. Men hoorde geroep: een wonder, een wonder! Stilte, mijn kinderen, zei de pastoor en zijn tranen rolden over het witglanzende kazuifel, toen hij haar de Communie reikte. Het hoofd diep gebogen, keerde zij terug en knielde, genezen, met beide knieën neer op de stenen vloer in de gang. Toen zij later bij de pastoor kwam, zei hij: mijn arme kind, gij zijt zo grote gunst wel zeer onwaardig, bedank St. Philomena, ik heb er part noch deel aan. Een vrouw uit Lyon kwam met een kind dat een groot vetgezwel had, uitpuilend naast een oog. Zij vroeg de pastoor te bidden voor een voorspoedige operatie, die spoedig zou gebeuren. Maar in een plotselinge opwelling greep zij de hand van de heilige en legde ze op het gezwel. En dit verdween onmiddellijk. Des avonds op zijn kamer zei hij tot abbé Toccanier, als om zijn nederigheid te redden: vandaag had ik iets grappigs, God doet toch nog altijd wonderen. Er was een vrouw die mijn hand legde op een dik gezwel dat haar kind had bij het oog. En toen smolt het gezwel geheel weg. Nu zult u toch niet zeggen dat St. Philomena dit deed. De pastoor was een ogenblik verlegen om een antwoord, dan zei hij: zij zou er toch nog voor een klein beetje bij betrokken kunnen zijn. Bij de meeste gevallen van genezing blijkt tevens diezelfde gave van intuïtie, die hem voortdurend zo wonderlijk werd geschonken in zijn ambt van biechtvader en geestelijk leider. Ook hier ziet hij klaar in het innerlijk der hulpzoekenden. En het wonder gebeurt wanneer hij vindt, niet enkel een vertrouwen uit verlangen naar genezing, maar een echt vertrouwen, zijn oorsprong nemend in een groot geloof, een levend geloof zoals het zijne. Niet juist bij de zieke is dit noodzakelijk, maar bij allen die zijn bijstand inroepen. Soms immers worden afwezigen genezen, zeer dikwijls ook kinderen, die niet beseffen wat er gaande is als ze bij de heilige gebracht worden. Zo toonde een vast geloof in het gebed van een heilige de ongelukkige gendarme, wiens vrouw was gestorven en die nu alleen stond met een kreupel jongetje van zes jaar. Het zieke been was dun en stijf als een houtje. Met het kind op de arm stond hij in Lyon te wachten op de omnibus voor Ars, toen er een paar vrienden voorbijkwamen en vroegen wat hij ging doen met zijn jongen. Ik ga naar de pastoor van Ars. Zij lachten een beetje: naar de kwakzalver! Breng hem liever naar het ziekenhuis voor ongeneeslijken. De man antwoordde niets, hij ging naar Ars, toonde de pastoor het arme kind en vertelde van de dood van zijn vrouw. Stil starend naar de man en het kind luisterde de pastoor naar het droeve verhaal, gaf een kus op het voorhoofd van het kind. Mijn goede vriend, zei hij dan, uw kind zal genezen! Toen hij die woorden had gezegd, begon het knaapje te lopen. De talrijke genezingen deden het aantal pelgrims en vooral dat van zieken en ongelukkigen soms aangroeien tot een benauwende massa. Er was dan in het dorpje een grote bewogenheid, als een golving van intense devotie. Maar stil rondgaand in zijn gewone leven, alsof er niets gebeurde, zagen de mensen de heilige nederig in zijn versleten soutane, in zichzelf gekeerd als in een afgeslotenheid van gebed. En, waar hij kon hun vrome en soms uitbundige verering ontvluchtend, bad hij tot zijn kleine vriendin voortaan in Ars enkel de zondaars te bekeren, de zieken echter pas na hun terugkeer thuis te genezen.
XIII
Als jongen reeds had de pastoor een voortdurend verlangen om alleen te zijn en in de stilte vond hij dan een geluk dat altijd groeide en hem geheel vervulde. Wanneer hij alleen mocht werken in veld of druivenland, zoals reeds werd verhaald, gaf hij zich over aan een bespiegelende vroomheid, bad hij met innigheid de rozenkrans en zong zelfs halfluid hymnen en gezangen uit de kerk. Dan weer verzonk hij in een vrome meditatie, terwijl hij zijn uiterste krachten inspande om de harde aardkluiten te breken met zijn schop. En wanneer in de hete middaguren de gehele familie zich uitstrekte in het gras om te slapen, ging hij ook liggen, maar biddend met gesloten ogen. Bidden en mediteren was hem van nature eigen. C’était l’eau du ruisseau, qui suit sa pente, zei hij later, sprekend van dit jeugdgebed. De schone beelden en symbolen die hij zo kwistig uitstrooide in zijn catechismus, begonnen reeds te ontluiken in die eenzame jongensjaren en de wereld die hem omringde bij het zware werk zijner handen, voerde hem telkens op tot een spontane beeldvorming en religieuze bloei van gedachten. De glanzende vlucht van witte duiven tegen het hemelblauw herinnerde aan de H. Geest, als een lichtstraal zijn genade schenkend aan een reine mensenziel. Het pure sap, neerdruppelend uit een overrijpe druif, was voor hem de zoetheid van een overvloedig en nederig gebed. Een ziel in de zuiverheid der goddelijke genade was een bloeiende druivenstok, geurend in de morgenzon. Vruchten, geel geworden door een steek van de kwade worm, schenen hem zinnebeeld van goede daden, bedorven door ijdelheid en hoogmoed. Aldus ontsprong in de stilte een streven omhoog, naar vergeestelijking van zijn dagelijks leven, boven de gewone verlangens en gedachten eigen aan zijn leeftijd. De neiging tot afzondering bleef hem bij, beheerste de eenzame ook na de priesterwijding, maar zij dreef hem niet naar het klooster, want reeds voor zijn studiejaren wist hij zich geroepen, als hij priester kon worden, zijn leven te offeren voor de bekering der zondaars. Aan zijn moeder deed hij meermalen deze bekentenis. Acht dagen na zijn komst in Ars verliet hem reeds de uit Ecully meegebrachte huishoudster en het was zijn grootste voldoening nu alleen te blijven in zijn lege huis. Hij vermeed elke omgang met vrienden en collega’s en bleef zich afzonderen waar zijn ambt hem niet dwong met de mensen te spreken. Er werd reeds vermeld hoe hij alleen terugkeerde naar zijn huis als de maandelijkse conferentie met de confraters afgelopen was en dezen gingen aanzitten aan een vrolijk en feestelijk maal. Maar die geestelijke neiging, bijna een hartstocht, offerde hij in strenge zelfbeheersing, met het nederige hart van een werkman, evenals hij alle kleine zinnelijke neigingen overwon, zoals het ruiken aan een bloem, het eten van een peer of van een kruimige aardappel, juist wanneer de trek het sterkste was. Wel bleef hij de zuivere contemplatief, in verborgenheid al hoger stijgende naar het enige doel, de rust in God. Doch de machtige trek naar de afzondering uitroeien vermocht hij zijn gehele leven niet. Naarmate het pastoorsleven voortging, werd de druk der omgeving zwaarder en de strijd heviger. Zijn uitgeput lichaam weigerde al meer de nodige fysieke steun aan de geest en te midden van de menigte die hem aanhoudend belegerde, moest hij zich innerlijk de cel bouwen voor contemplatie en gebed. En zo gebeurde het dat de mensen hem in het drukke gewoel, zelfs in de kerk, dikwijls zagen alsof hij aan de omgeving onttrokken was, alsof hij tijd en plaats vergeten had. De strijd bleef voortduren. De hantise der afzondering spookte ten slotte zo hevig in zijn vermoeide brein, dat hij die verlokkingen ging toeschrijven aan de duivel, zijn aanval richtend op de zwakste plek. Op een hete zomerdag moest hij zich door de benauwende menigte met inspanning een weg banen naar de kleine binnenplaats der pastorie. Daar, in de blakerende middagzon, vond hij enige kippen van de buurvrouw. De dieren hadden kuiltjes gemaakt in de mulle grond en daarin neergedoken lagen zij rustig te slapen, het kopje onder een vleugel verborgen. Dit beeld van rust en vrede, hoe onbeduidend in zichzelf, verwekte een uitbarsting van droefheid in zijn moe gestreden innerlijk en, Catherine ziende, riep hij uit: Gelukkige vogels. Hadden zij een ziel, hoe graag zou ik zo een vogel zijn. Reeds tweemaal smeekte hij zijn bisschop om ontslag en verlof om zich te verbergen in een klooster en ondertekende zijn brieven pauvre curé d’Ars of pauvre malheureux prêtre. Wanneer ik ’s nachts niet slapen kan, zei hij tot broeder Athanasius van de jongensschool, dan gaat mijn geest reizen, ik zoek een hoekje om mijn arme leven te bewenen en boete te doen voor mijn zonden. In een herfstnacht van 1840 werd hem de bekoring te machtig. Omstreeks twee uur sloop hij naar buiten, zoekend in het duister de weg naar Villefranche. Niet ver buiten het dorp stond een groot kruis in het veld. Daar aangekomen bleef hij plotseling staan, met schrik de donkere omtrek ervan tegen de lucht ziende. Hij keerde terug. Toen stuurde de bisschop hem als steun de pastoor van een naburig dorp, de jonge abbé Raymond, een ijverig geestelijke, maar ook zeer eerzuchtig, die sinds lang ernaar streefde de heilige als pastoor op te volgen en de bedevaart van Ars naar zijn inzichten te organiseren. Maar het onverwachte zou gebeuren. De pastoor was niet opgewassen tegen de jeugdige kracht van de abbé, de pastoor voelde zich weldra als de mindere, hij gehoorzaamde en de abbé gaf zijn bevelen. En de parochie in zo krachtige handen ziende, laaide de oude verzoeking om zich te verbergen weer op. Om te ontkomen aan een mogelijke vervolging van de talrijke pelgrims wilde hij weer in het geheim ontsnappen. In de nacht van 11 op 12 september zou hij zijn plan uitvoeren. Enkel aan Catherine en haar twee mededirectrices der Providence ging hij zijn vertrek meedelen onder strenge geheimhouding. Maar iemand die op dat ogenblik buiten de voordeur van het kinderhuis stond, hoorde zijn woorden en verraadde het geheim. Er kwam grote beweging in het dorp en toen het donker werd, stelden de mensen zich op om de pastorie te bewaken. Kort na één uur verscheen een klein lichtje aan de achterdeur der pastorie in de tuin. Men hoorde hoe de struiken der groene haag opzij geschoven werden. De pastoor kwam buiten in het schemerige licht, zijn brevier onder de arm en in de hand, als een boer, een pakje linnengoed gebonden in een grote zakdoek. Dit was wel de pauvre malheureux prêtre, uit de hoge gebedssfeer waar de geest vrij was van de materie neergezonken in arme menselijke zwakheid. En het wordt een aangrijpend drama. Een grote menigte mensen, die voor de kerk en onder de toren zijn komst afwachtten op het gewone uur, begint hard te rennen naar de pastorie. Zij trachten hem tegen te houden, smeken om nog te mogen biechten, bieden kruisen en medailles aan om te zegenen. Maar de pastoor luistert niet, versnelt de pas, hij bereikt het kleine brugje over de Fontblin en verdwijnt in het donker, de menigte keert in stilte terug. Alleen zijn vriend Pertinand, de schoolmeester, loopt hem achterna, vindt hem buiten het dorp, reeds verdwaald in de velden. Waarom toch zo weglopen, mijnheer pastoor? begint Pertinand. Ik heb de bisschop gevraagd mij te mogen terugtrekken en zal zijn antwoord afwachten in Dardilly. Pertinand drong er bij hem op aan terug te keren. Maar de pastoor wilde verder. Zij liepen samen voort door de donkere velden. Intussen waren ook anderen hen gevolgd en weldra bevond de vluchteling zich opnieuw omringd door mensen. Men smeekte hem, men weende, men trachtte hem duidelijk te maken wat zijn vertrek voor Ars zou betekenen. Hij bleef echter bij zijn besluit en bereikte ten slotte Dardilly, waar hij in zijn ouderlijk huis zijn toevlucht zocht. Maar de rust die hij daar gehoopt had te vinden, duurde nauwelijks enige uren. Het nieuws van zijn vlucht verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Uit Ars kwamen boodschappers en parochianen. De mensen van Dardilly zelf stroomden samen toen zij hoorden dat de heilige pastoor in zijn geboortedorp was teruggekeerd. De eenzaamheid waarvoor hij gevlucht was, bleek ook hier onmogelijk. Reeds de volgende dag kwamen de eerste pelgrims. Zijn broer François zag met verbazing hoe het huis werd belegerd door mensen die hem wilden spreken, biechten of eenvoudig zijn zegen ontvangen. De pastoor begreep dat hij ook hier niet verborgen kon blijven. Intussen had de bisschop geen toestemming gegeven om Ars te verlaten. De mensen uit zijn parochie bleven aandringen en ten slotte gaf hij toe. De vlucht was mislukt. Na slechts korte tijd keerde hij terug naar Ars. Toen hij het dorp naderde, kwamen de bewoners hem tegemoet. De klokken luidden en een grote menigte vergezelde hem naar de kerk. Voor hen was het een triomfantelijke terugkeer. Voor hemzelf was het de hervatting van het kruis waarvan hij had willen vluchten. Hij begreep nu nog duidelijker dat God hem niet de rust van de eenzaamheid wilde geven. Zijn plaats was daar, midden tussen de mensen die hem geen ogenblik met rust lieten. Hij nam zijn oude leven weer op alsof er niets gebeurd was. Nog vóór de dag voorbij was, zat hij opnieuw in zijn biechtstoel.
XIV
Wat is geloof? vroeg men de pastoor. C’est quand on parle à Dieu comme on parlerait à un homme. Dit rustige, eenvoudige, onbewogen geloof is de fundamentele kracht, de goddelijke gave, die vanaf de jeugd heel het leven van de heilige opwaarts stuwde naar God. Het is de diepe bron waaruit in altijd vollere stroming zijn door eindeloze verstervingen gelouterd gebed opwelde, ten slotte stijgend tot het geluk der extase. Hier ook vonden hun oorsprong de karakteristieke deugden en bijzondere gaven, die de volksmenigten in beweging brachten naar het eenzame dorpje in het land der vijvers en moerassen. De H. Theresia van Avila, klagend over de grofheid der menselijke woorden, ontoereikend om uit te drukken wat zij geestelijk doorleefde, tracht met grote helderheid de bezoeker in te leiden in haar kasteel der ziel, voert hem vanaf de laagste woonplaats naar de hoogste, die het dichtst is bij het goddelijk Licht. De H. Johannes van het Kruis tekende uit in de bovenaardse verlichting van zijn zuivere geest, de weg der ziel naar God, de weg die hij zelf was opgegaan tot het Einde. Tot hoever het de arme dorpspastoor gegeven was die weg te volgen of welk woonverblijf van gebed hem geopend werd in de onstilbare drang zijner liefde, openbaarde hij alleen in zijn dagelijks leven als nederig priester en pastoor. Men noemde zijn gebed une oraison de simplicité, een hoge kwalificatie, doch hij die dit schreef, studeerde de mystiek in boeken, zij het door heiligen geschreven, en hij had niet zelf beklommen de eenzame hoogte, die onbereikbaar is voor al wat nog enigszins materieel of zinnelijk is. Zelf schreef de pastoor alleen in de eerste jaren de gewone zondagspreken voor zijn kleine parochie van boeren, maar anderen verzamelden in schrift al de spontane bloei van liefde en zuiverheid, die als uit stille meditatie naar boven kwam in zijn catechismus. Toen hij geen tijd meer vond om zijn preken op te schrijven en van buiten te leren, kreeg zijn woord ook op de preekstoel de gloed ener bovennatuurlijke inspiratie en al die geestelijke schatten werden door de pelgrims verspreid over geheel Frankrijk en zeer ver daarbuiten, doch opgetekend voor latere tijden werden ze niet. Zeer dikwijls ook in zijn omgang met de mensen doorfonkelde een mysterieuze kracht zijn meest eenvoudige woorden, niet enkel zijn woorden, maar zijn hele wezen. Zo brandde in hem zonder ophouden de godslamp der liefde, dat talrijke pelgrims met begeestering verhalen van de onvergetelijke indruk, meegenomen van een bezoek bij de heilige. Het zuiver spirituele straalde zo hevig door het zwakke omhulsel, dat zondaars en ongelovigen tot inkeer kwamen door het vertoeven in zijn nabijheid. Enige jaren voor zijn dood preekte een geestelijke te Parijs in de kerk van St. Sulpice. Zichzelf onderbrekend zei hij plotseling met een inzinking van stem: ik heb eens een heilige gezien in mijn leven. Heel zijn welsprekendheid bestond in te zeggen: mes enfants, aimez bien le bon Dieu, il est si bon, aimez le Bien. En zich wendend tot de jonge seminaristen in de banken vlak voor hem: die heilige bekeerde meer zielen met deze eenvoudige woorden dan wij met lange preken. Ook kwam er een bekend dichter dier dagen in Ars. Hij hoorde de pastoor in de kerk en daarna bij hem staand tussen de andere mensen, riep hij uit: nooit heb ik God van zo nabij aanschouwd. Dat is waar, antwoordde de pastoor en wijzend op het uitgestelde Allerheiligste: God is niet ver. Maar de dichter wilde niet bedaren, ging maar door met zijn uitbundige lofspraak op de nederige man. Toen nam de goede heilige zijn beide handen en zei zachtjes: mijn vriend, als men ons kende, zou men meer kwaad dan goeds van ons zeggen, en hij gaf hem de zegen. Buiten gekomen, begon de dichter opnieuw: die man is veel groter dan zijn naam. Nooit zal ik die kop met zijn aureool vergeten, die blik van vuur en daarbij de simpelheid van een kind. Het innerlijke leven van geestelijke verlichting en liefde blijft wel bij alle heiligen een geheim tussen God en de ziel, evenzeer omdat ze in nederigheid hierover niet willen spreken, alsook omdat zij het volkomene daarvan niet onder begrijpelijke termen kunnen brengen. Grote mystici schrijven wel over hun extasen en gelukstoestanden in schijnbaar eenvoudige woordenreeksen, maar erkennen dan alleen tot een aangegeven grens hun doel te hebben bereikt. De diepzinnige heilige Catharina van Genua trachtte herhaaldelijk altijd weer met nieuwe woorden haar liefde uit te spreken om ten slotte enkel te verklaren dat haar liefde geest werd, een uitdrukking, misschien ook voor theologen moeilijk te analyseren. De heilige van Ars uitte zich nooit in diepe beschouwingen over de hoge toestanden der Godsliefde, bleef tot het einde altijd dezelfde eenvoudige man van het land, maar vele woorden, door hem gesproken in het gewone doen en opgetekend door tijdgenoten, werpen een brede schijn over de geestelijke hoogte waarop hij leefde. Zijn houding in het gebed was altijd dezelfde. De beeldhouwer Cabuchet heeft hem eenmaal biddend gezien en naar die herinnering later zijn bekende marmeren beeld vervaardigd. De heilige is voorgesteld knielend zonder bankje op de vloer van het priesterkoor, de handen samengevouwen op de borst, het smalle lichaam rechtop, het hoofd een weinig opgeheven en de diepe ogen gericht naar het tabernakel. Geen beweging, geen gewilde uitdrukking van vroomheid, alleen volkomen rust. Het beeld is niet gebonden aan enig bepaald moment waarop de heilige is genomen. Want zo zat hij daar in het vervallen kerkje reeds bij het begin van zijn verblijf in het dorp, gedurende de stille morgenuren, als de kerk geheel verlaten stond. Zo zag men hem daar zitten, uitgemergeld en eenzaam, toen de mensen hem vervolgden en bedreigden om zijn preken tegen dans en drank en zondagschending en toen hij zelfs door zijn confraters in de omtrek werd geminacht en bestreden. Een lange reeks van jaren bad hij aldus geknield zijn getijden en in de witte ouderdom staarden de samengedrongen koppen der pelgrims naar dit beeld van levend geloof, wanneer des morgens de pastoor daar neerzat in gebed ter voorbereiding voor zijn Heilige Mis. Is het wonder dat deze eenvoudige, met de blik voortdurend gericht op het geestelijke, volkomen ongevoelig was voor alle aardse eer? Dat hij zelfs in grote vrees en droefheid verzonk bij elke onderscheiding die hem te beurt viel van hooggeplaatste personen? Geheel onverwacht nadert de bisschop van het diocees de kerk van Ars, de pastoor wordt uit de biechtstoel geroepen en gaat hem tegemoet. Plotseling, nadat de pastoor hem het wijwater gereikt heeft bij de ingang, haalt de bisschop de rood glanzende camail van erekanunnik van het kathedraalkapittel tevoorschijn en tracht deze de pastoor om de schouders te bevestigen, maar de heilige wil zich verzetten en zegt: neen, monseigneur, geeft u dit liever aan mijn kapelaan. Hij zal haar beter dragen dan ik. Reeds de volgende dag bood hij de kostbare zwaar zijden camail met hermelijn omzoomd voor vijftien francs te koop aan een juffrouw uit het dorp. Het is veel meer waard, antwoordde de juffrouw en betaalde hem vijftig francs. Opgetogen schreef hij onmiddellijk aan de bisschop dat hij geld tekort had voor een stichting en daarom de camail voor vijftig francs had verkocht. Met die prijs was hij tevreden. Niet anders ging het toen de pastoor drie jaar later benoemd werd tot ridder van het Legioen van Eer. De burgemeester, graaf des Garets, kwam hem dadelijk gelukwensen en zei daarbij hoe trots het kleine Ars kon zijn weldra de hoge civiele en militaire ambtenaren van het departement te zien verschijnen. De pastoor antwoordde enkel maar: dat zijn lichamen en zielen. Toen hij het etui met het ereteken op zijn kamertje, in bijzijn van Catherine, van Jeanne Marie Chanay en van de broeders der school, had geopend, was hij zeer teleurgesteld. Mag ik u attent maken, mijnheer pastoor, dat het een kruis is, zei Toccanier, wilt u het zegenen. En met zijn groot gebaar zegende hij het schitterende sieraad. Daarop wilde de kapelaan het een ogenblik op zijn borst spelden, maar hij weigerde afwerend. Ten slotte reikte hij het aan de kapelaan: daar, mijn beste vriend, ik hoop dat u evenveel plezier zult hebben om het aan te nemen als ik om het u te geven. In het kleine Ars verschenen jarenlang de beroemde persoonlijkheden van die tijd, mannen en vrouwen, staatslieden, magistraten en letterkundigen, hoge wereldlijke geestelijken en kloosterlingen. Mgr. Dupanloup, de grote bisschop van Orléans, getuigde in het bijzonder van zijn diepe bewondering, evenzo kardinaal de Bonald en Lacordaire, de vermaarde prediker van de Notre Dame te Parijs, die op zijn verlangen om hem te eren een preek hield in het kleine kerkje van Ars. Zulke bezoeken waren voor de heilige telkens onaangename stoornissen, zelfs een ware pijniging om eer en ijdelheid van zich af te werpen en klein zich te verbergen in zijn gewone doen. Een bekoring tot hoogmoed waren ze niet. Aangenamer, zei hij tot Toccanier, was hem la visite d’une pauvresse, qui me demande l’aumône. Ik kreeg twee brieven met dezelfde post, zo vertelde hij eens. In de ene stond dat ik een grote heilige was, de andere noemde mij een schijnheilige en een kwakzalver. De eerste maakte mij niets beter, de tweede niets slechter. Men is wat men is voor God. Lang voor de ouderdom kwam, was de ziel van de heilige zuiver, onvermengd, eenzaam met God. Boven alle aardse gedruis handelde hij reeds niet meer naar menselijke invloeden.
XV
Nederigheid, niet enkel versterving, zocht de heilige ook in volkomen armoede naar het goddelijk voorbeeld. De Vianneys waren van vader op zoon altijd welgestelde boeren. Toen de pastoor zijn erfdeel ontving, gaf hij dadelijk meer dan zijn inkomen aan de armen en stichtte ten slotte met het overschot van zijn bezit het kinderhuis. Maar zelf bleef hij leven van aalmoezen, zoveel mogelijk van dag tot dag. Aan de drie directrices der Providence betaalde hij nooit enig geld, hij wilde dat ook zij in Godsvertrouwen zich zouden voeden en kleden met wat gegeven werd. Er werd reeds verhaald van zijn ontzettende verstervingen gedurende de eerste tien jaren in Ars, de tijd zijner _folies de jeunesse_. Maar ook daarna, toen zwakte hem tot enige verzachting noopte, bleef zijn levenswijze harder en ruwer dan die van een trappist. Ontbijten deed hij eigenlijk niet, des middags vond hij in het kinderhuis een potje met soep of chocolademelk. Tot aan zijn ziekte in 1843 at hij des avonds in het geheel niet. In zijn ouderdom moest hij op voorschrift van de dokter, bevestigd door de biechtvader, wat krachtiger en meer voedsel nemen. Hij at toen op het verfloze, uitgewoonde kamertje, met wanden gebruind door de rook van het houtvuur in de haard, met een raam zonder gordijnen. Zijn maaltijd werd hem gebracht door een vrouw uit de buurt, die hem ook de kleine diensten in huis bewees. Op tafel stond gewoonlijk niet meer dan een schotel groenten, wat aardappelen of een weinig vlees. Maar zelfs van dit geringe voedsel at hij nauwelijks genoeg om zijn krachten te onderhouden. Hij gaf dikwijls een gedeelte weg aan armen die aan zijn deur kwamen en vergat soms geheel te eten wanneer hij door de biechtelingen werd opgehouden. Zijn kleding was even armzalig. De soutane die hij jarenlang droeg, was verkleurd, versleten en herhaaldelijk versteld. Zijn schoenen waren zwaar en grof, zijn hoed oud en vormloos. Wanneer men hem nieuwe kleding schonk, vond zij spoedig haar weg naar iemand die haar volgens hem meer nodig had. Alles wat hem persoonlijk betrof, moest zo eenvoudig mogelijk zijn. Alleen voor de kerk kon niets te kostbaar of te schoon zijn. Daarvoor kocht hij zonder aarzelen rijke gewaden, kostbaar vaatwerk en sieraden. Voor zichzelf beschouwde hij iedere uitgave als een bijna onrechtmatige weelde. Geld kon hij nauwelijks in handen houden. Zodra hij iets ontving, dacht hij aan een arme, een stichting, een missie of een kerk die geholpen moest worden. In de laatste jaren, toen de pelgrims hem grote sommen toevertrouwden, gingen duizenden francs door zijn handen zonder dat hij er iets voor zichzelf van behield. Hij stichtte missen, ondersteunde missies en hielp arme parochies. Vooral voor de stichting van volksmissies had hij een grote liefde. Hij wilde dat na zijn dood het geloof zou blijven worden verkondigd op plaatsen waar het verzwakt of bijna verdwenen was. Wanneer hij voldoende geld bijeen had, stichtte hij ergens een missie en begon onmiddellijk voor een volgende te sparen. Zo werd de arme pastoor, die zelf nauwelijks iets bezat, de weldoener van vele parochies. Het geld dat hij ontving, noemde hij het geld van de goede God. Daarom moest het ook onmiddellijk voor Gods werk worden gebruikt. Soms bracht iemand hem een grote gift en vroeg later wat hij ermee gedaan had. Dan wist hij het nauwelijks meer. Hij had haar ontvangen en weggegeven. Voor hem had geld geen andere betekenis. Zijn handen stonden altijd open. Men heeft berekend dat in de laatste jaren van zijn leven enorme bedragen door zijn handen gingen. Zelf bleef hij wonen in hetzelfde kale huis, slapen in dezelfde armzalige kamer en eten van hetzelfde eenvoudige voedsel. Wanneer men hem erop wees dat hij toch iets voor zijn oude dag moest bewaren, glimlachte hij. Zijn oude dag was immers al gekomen en de Voorzienigheid had hem nog iedere dag gevoed. Waarom zou zij hem morgen verlaten? De armen kenden zijn goedheid en kwamen voortdurend naar de pastorie. Geen enkele ellende liet hem onverschillig. Soms gaf hij zijn laatste geld weg en moest daarna zelf lenen om een noodzakelijke uitgave te kunnen doen. Wanneer iemand hem daarvoor berispte, antwoordde hij dat de arme niet kon wachten. Hij verkocht wat hij bezat, zelfs geschenken die hem dierbaar waren. Alleen wanneer een voorwerp voor de eredienst bestemd was, beschouwde hij het als onaantastbaar. Alles wat van hemzelf was, behoorde in zijn ogen reeds aan de armen. Zijn liefde tot de armoede was niet de romantische liefde van iemand die haar van buitenaf beschouwt. Hij kende werkelijk gebrek, koude, honger en lichamelijke ontbering. Maar hij zocht daarin de vrijheid van iemand die niets meer voor zichzelf behoeft te bewaren. Hoe minder hij bezat, hoe minder er tussen hem en God stond. De kamer waarin hij woonde, werd daardoor steeds leger. Een bed, een tafel, enkele stoelen, wat boeken en heiligenprenten vormden bijna de gehele inrichting. Toch werd juist dit armelijke vertrek voor duizenden bezoekers een plaats die zij met ontroering betraden. Daar had de heilige gebeden, daar had hij de nachten doorgebracht onder de aanvallen van de _grappin_, daar had hij na eindeloze uren in de biechtstoel enkele ogenblikken rust gezocht. De voorwerpen waren zonder waarde, maar zij droegen het spoor van een leven dat zich geheel had verteerd. In de laatste jaren kwamen er zoveel aalmoezen binnen, dat de pastoor ze bijna onmiddellijk weer uitgaf voor zijn stichtingen. Hij kocht kerken en pastorieën, liet missies houden en zorgde ervoor dat deze ook na zijn dood zouden kunnen worden voortgezet. Vooral de bekering der zondaars bleef het doel waarvoor hij alles wilde besteden. Geld had voor hem alleen waarde wanneer het gebruikt kon worden voor het heil der zielen. Alleen het bedrag van zijn religieuze stichtingen in de laatste jaren bedroeg volgens de aantekeningen van de broeder der jongensschool tweehonderdduizend francs. Maar nederig, zoals altijd, zag de pastoor in dit alles alleen het middel dat hem door God geschonken was ter bestrijding van het kwaad. _De Grappin is woedend wanneer hij ziet dat wij met hetzelfde geld dat hij gebruikt om de zielen in het verderf te storten, hun redding bewerken._XVI
Zodra de ziel, in een hevig streven om zich los te maken van het zinnelijke, een hoge graad van zuiverheid bereikt, ziet men in het leven der heiligen dat zij door de goddelijke liefde wordt opgeheven tot een geluk waarin haar grote genadegaven, verlichtingen, intellectuele inzichten of visioenen ten deel vallen, die zij als een onuitsprekelijk geheim tussen God en haar in nederigheid blijft bewaren. Alsof het geestelijk oog nog moet wennen aan het bovenaardse licht, zijn deze toestanden aanvankelijk slechts voorbijgaand of vluchtig, maar toch is de ontroering van geluk zo sterk dat zij het leven van de heilige brengt in een hogere sfeer van gebed en vergeestelijking. Er zijn tekenen dat de heilige pastoor reeds in de eerste tijd daar in zijn eenzame dorpje zulke toestanden van geluk beleefde. Marianne, de dochter van zijn buurvrouw Claudine Renard, getuigt in het voorlopig proces van onderzoek van een dergelijke gebeurtenis uit de eerste jaren. Toen er nog maar weinig vreemdelingen kwamen, wilde een vrouw uit de omtrek in de vroege morgen bij de pastoor in de sacristie biechten. Bij de open deur gekomen zag zij hem staan in gesprek met een voorname, schitterend in het wit geklede vrouw, zodat zij niet naar binnen durfde te gaan. Na enige tijd kwam de pastoor naar haar toe en vroeg: Waarom komt u niet binnen? Toen zij vervolgens de sacristie binnenging, was daar niemand dan de pastoor en er was ook niemand door de deur naar buiten gekomen. In haar dagboek verhaalt Catherine hoe de pastoor op een morgen bij haar in de Providence kwam, zeer opgewonden en met de ogen stralend wijd geopend, en uitriep: Quelle grâce, quel bonheur, quelle chose extraordinaire! Catherine vroeg: Waar dan? In de kerk! Maar toen zij verder wilde doordringen in het overweldigende geheim, sloot hij zich af en gaf geen enkel antwoord. Ik heb haar gezien en tot haar gesproken. Maar nu zult u mij zeggen in welke toestand u verkeerde toen ik u voor dood hield. O neen, ik was al te blij dat ik mijn moeder zag. De pastoor zei haar ten slotte dat zij binnenkort van haar ziekte zou herstellen. Drie maanden later, op het Mariafeest van 15 augustus, genas de kankerwond terwijl zij op bedevaart was in Ars. In maart 1852 was een jonge zuster van de congregatie van het Kind Jezus getuige van een langdurige extase met lichtverschijnsel. Om half twee in de morgen was zij de eerste die de biechtstoel voor de vrouwen in de kapel van de H. Johannes binnenging. Er brandde daar slechts één kaars, die een flauwe schijn verspreidde over de aaneengesloten donkere vrouwenfiguren, geknield in de banken. Toen het gordijntje werd weggeschoven, zag de zuster de heilige zitten in een wit licht dat hem geheel omhulde, maar niet als een straal van boven neerdaalde. In grote ontroering sprak de zuster haar schuldbelijdenis, maar de pastoor verroerde zich niet. Mijn vader! zei ze dan met lichte stemverheffing. Spreek uw biecht. Opnieuw herhaalde de zuster haar bekentenis, maar de pastoor bleef onbeweeglijk in de geheimzinnige gloed en zweeg. Mijn vader! Spreek uw biecht. Maar ik heb niets meer te zeggen. Toen volgde een lange stilte. Onverminderd glinsterde het licht over de heilige man, over zijn zilverwitte haar en het bleke gelaat met de zacht starende ogen, over de beenderige oude handen en heel zijn magere gestalte. Eindelijk kwam er een lichte beweging in de verstarring en hij stelde haar een korte vraag: Mijn kind, hebt u uw boetedoeningen wel altijd zorgvuldig verricht? De zuster zag nu haar tekortkomingen op dit punt en beleed haar schuld. Toen gaf hij haar de absolutie en toen de zuster heenging, was het licht verdwenen. Ongeveer een uur had zij in de biechtstoel gezeten. Een Franse geestelijke getuigde dat hij bij de heilige het verschijnsel van levitatie had waargenomen. Tijdens het avondgebed was hij zo dicht mogelijk bij de stoel van de pastoor gaan zitten. Toen deze midden in het gebed de woorden van de akte van liefde uitsprak, zag hij duidelijk hoe het lichaam van de heilige zich langzaam verhief van het knielbankje en enige tijd zonder steun bleef zweven in de ruimte, terwijl een zwakke aureool van licht glansde boven zijn hoofd. De geestelijke wendde zich om naar de volle kerk, maar niemand gaf blijk van enige ontroering. Toen het gebed afgelopen was, vertelde hij op het kerkplein met geestdrift het wonderlijke gebeuren dat hij van zo nabij gezien had. Dit is het ogenblik om te denken aan het nederige begin van de pastoor, naar Ars gestuurd om wat liefde tot God te brengen waar zij niet meer werd gevonden. Een verlaten en vervallen kerkje en in de avondschemering voor het verfloze altaar de pastoor, de rozenkrans biddend op zachte toon, achter hem een enkele vrouw die antwoord geeft op zijn innige stem. En nu de oud geworden man, het lichaam verbleekt en verdord, het avondgebed verrichtend bij het schijnsel van talrijke kaarsen voor een ontelbare menigte, samengekomen uit dorpen en steden van heel Frankrijk. Bij het uitspreken van dezelfde woorden van de akte van liefde rijst het lichaam mee in het opwaarts stijgende verlangen, terwijl de goudglans van de naderende beloning glinstert om de ingevallen slapen. In zijn laatste levensjaren werden de ouderdomskwalen een ontzettende marteling van dag en nacht. Maar in volle overgave wist hij dat dit lijden niets anders was dan een heilzame boete, de mens opgelegd ter voorbereiding op de dood. Wel was hij nu bevrijd van het duivelsgeraas en zijn nachtelijk gebed kon ongestoord voortduren als de slaap hem werd onthouden door de aanhoudende hoestprikkel. Daar lag hij dan na de lange arbeidsdag op het dunne en harde strobed, bezweet en pijnlijk, zich heen en weer wentelend zonder een houding van rust te kunnen vinden. De uren verliepen en hij bereikte slechts nu en dan de korte slaap van de uitputting. Maar onverzettelijk hervatte hij zijn dagtaak iedere nacht om één uur, hoewel hij zelf bekende dat het vroege opstaan hem nu iedere keer een grote strijd kostte. Dit leven van werken en vasten ondermijnde het oude lichaam steeds meer en het gebeurde dat hij ’s nachts op de weg van de pastorie naar de kerk van zwakte en vermoeidheid viermaal neerviel en slechts met grote moeite weer kon opstaan. Het zal ervan komen, voorspelde hij, dat de zondaars de zondaar doden. Alsof de mensen het naderende einde voelden, werd de stroom van pelgrims in de laatste tijd nog groter en de afgetobde man moest met uiterste krachtsinspanning zelfs na het avondgebed nog biechthoren. Door zwakte was zijn stem nog slechts een fluistering geworden, telkens onderbroken door de hoest, die klonk als een korte gil van smart, zodat de mensen tranen in de ogen kregen, terwijl hij zelf alleen maar klaagde dat dit ongemak hem veel tijd deed verliezen. Maar al dat lijden vertroebelde geenszins het heldere licht van zijn innerlijk. Daar leefde de geest als reeds bevrijd van de donkere last van het lichaam, in het gelouterde verlangen naar God, in een gebed van rust. De beschouwingen van de catechismus in de doodstille kerk gingen over niets anders meer dan Gods liefde en de oude man, die daar voor de samengedrongen menigte zat, kon zijn ontroering niet meer beheersen en putte zich uit in eindeloze uitroepen en verheffingen van de ziel tot de verborgen Liefde in het tabernakel. Op 2 augustus, het feest van de H. Alfonsus de Liguori, ontving hij de laatste sacramenten. Toen het kleine klokje buiten begon te luiden om de komst van het Allerheiligste aan te kondigen, kwamen de tranen in zijn ogen. Ik geloof dat de goede God komt, zei hij zacht. De kerkklokken begonnen te luiden en buiten knielde de menigte neer. Abbé Toccanier bracht het Viaticum. Toen het Allerheiligste de kamer binnenkwam, richtte de stervende zich met inspanning op, vouwde de handen en ontving zijn Heer met een uitdrukking van diepe vrede. Daarna ontving hij het heilig Oliesel. Hij volgde de gebeden aandachtig en antwoordde zolang zijn krachten het toelieten. Zijn toestand werd intussen snel slechter. De hitte was drukkend en een hevig onweer naderde. De ramen van het kleine vertrek stonden open, terwijl buiten op het plein de mensen in stilte bleven wachten. Op 3 augustus kwam de bisschop van Belley naar Ars. Toen hij het bed naderde, opende de pastoor de ogen en herkende hem. De bisschop sprak enkele woorden tot hem en vroeg om zijn zegen. De stervende glimlachte zwak. Daarna zonk hij weer terug in de stilte die hem steeds meer omgaf. In de nacht van 3 op 4 augustus werd zijn ademhaling moeilijker. Catherine Lassagne, broeder Jérôme, abbé Toccanier en enige anderen waren in zijn nabijheid. De gebeden voor de stervenden werden begonnen. Buiten barstte het onweer los. Regen stroomde neer over het dorp dat wekenlang onder de zomerhitte had geleden. Tegen twee uur in de morgen werd het duidelijk dat het einde nabij was. Zonder doodsstrijd, zonder beweging en bijna zonder dat de aanwezigen het bemerkten, hield hij op te ademen. Het was donderdag 4 augustus 1859. De pastoor van Ars was drieënzeventig jaar oud.
HERUITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN