12 augustus – H. Clara, maagd † 1253
De heilige maagd Clara werd in 1194 te Assisi in Umbrië geboren. Zij werd door de heilige Franciscus naar het voorbeeld van de evangelische armoede gevormd. Onder zijn leiding wijdde zij zich met enkele andere zusters aan de dienst van de Heer in het klooster van de heilige Damianus. Zij stierf in 1253. Haar feest werd onmiddellijk daarop gevierd. (Romeins brevier)
Zegen van de heilige Clara
Het leven van de heilige Clara
De dertiende-eeuwse tavola

Zegen van de heilige Clara
Kort voor haar dood gaf de heilige Clara haar zegen aan haar zusters en aan allen die na hen dezelfde levenswijze zouden volgen. In deze bewaard gebleven tekst noemt zij zichzelf, zoals zij vaker deed, de kleine plant van de heilige Franciscus.
In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
De Heer zegene u en behoede u. Hij tone u Zijn aangezicht en ontferme Zich over u. Hij kere Zijn gelaat tot u en geve u vrede, mijn zusters en dochters, en aan allen die zullen komen en in deze onze gemeenschap zullen blijven, en aan alle anderen die in de gehele Orde tot het einde zullen volharden in deze heilige armoede.
Ik, Clara, dienares van Christus, kleine plant van onze heilige vader Franciscus, uw zuster en moeder en die van de andere Arme Zusters, hoewel onwaardig, bid onze Heer Jezus Christus door Zijn barmhartigheid en door de voorspraak van Zijn allerheiligste Moeder Maria, van de zalige aartsengel Michaël, van alle heilige engelen Gods en van al Zijn heilige mannen en vrouwen, dat de hemelse Vader u deze allerheiligste zegen schenke en bevestige in de hemel en op aarde. Op aarde vermeerdere Hij u in Zijn genade en deugden onder Zijn dienaren en dienaressen in Zijn strijdende Kerk. In de hemel verheffe en verheerlijke Hij u in Zijn triomferende Kerk onder al Zijn heilige mannen en vrouwen.
Ik zegen u tijdens mijn leven en na mijn dood, zoveel als ik kan en meer dan ik kan, met alle zegeningen waarmee de Vader der barmhartigheden Zijn zonen en dochters in de hemel en op aarde heeft gezegend en zal zegenen, en waarmee iedere geestelijke vader en moeder zijn geestelijke zonen en dochters heeft gezegend en zal zegenen. Amen.
Weest altijd minnaressen van God, van uw eigen zielen en van de zielen van al uw zusters, en weest altijd bezorgd te onderhouden wat gij de Heer hebt beloofd.
De Heer zij altijd met u, en moogt gij altijd met Hem zijn. Amen.
Het leven van de heilige Clara
Clara werd omstreeks 1193 of 1194 te Assisi geboren uit een aanzienlijke familie. Haar vader Favarone behoorde tot de ridderstand. Haar moeder Ortolana was een godvruchtige vrouw, die bedevaarten naar het Heilig Land, naar het heiligdom van de aartsengel Michaël en naar de graven van de Apostelen had ondernomen. Volgens de oude Legenda Sanctae Clarae bad Ortolana, toen de geboorte van haar kind naderde, voor het kruis en hoorde zij dat zij een licht ter wereld zou brengen dat de wereld zou verlichten. Het meisje ontving bij het doopsel de naam Clara. Reeds in het ouderlijk huis leidde zij een leven van gebed, versterving en liefde tot de armen. Het voedsel dat zij ontving, hield zij soms afzonderlijk om het heimelijk aan armen te laten geven. Onder haar kostbare kleding droeg zij een ruw boetekleed en omdat zij nog geen gebedssnoer bezat, telde zij haar gebeden met kleine steentjes. Haar familie wilde haar uithuwelijken, maar Clara verlangde haar maagdelijkheid aan God te wijden.
Toen Clara hoorde van Franciscus van Assisi en zijn leven van armoede en boete, verlangde zij hem te ontmoeten. Ook Franciscus had over haar godvruchtige levenswandel gehoord. Met behulp van vertrouwde metgezellinnen ontmoette zij hem heimelijk. Onder hen waren Pacifica en Bona de Guelfuccio, die later zelf over deze ontmoetingen zouden getuigen. Franciscus sprak Clara over Christus en over het verlaten van de wereld en sterkte haar in haar verlangen zich geheel aan God toe te wijden. Op Palmzondag ging Clara overeenkomstig zijn raad feestelijk gekleed naar de kerk. Toen de anderen naar voren gingen om hun palmtak te ontvangen, bleef zij uit schroom op haar plaats staan. De bisschop kwam daarop zelf naar haar toe en legde de palm in haar hand. In de daaropvolgende nacht verliet Clara het ouderlijk huis en begaf zij zich naar Santa Maria della Porziuncola, waar Franciscus en zijn broeders haar met brandende fakkels ontvingen. Voor het altaar legde zij haar wereldse kleding en versierselen af en Franciscus sneed haar het haar af.
Franciscus bracht haar eerst naar San Paolo. Toen haar verwanten ontdekten wat zij gedaan had, kwamen zij haar terughalen. Clara vluchtte naar het altaar, greep de altaarkleden vast en toonde hun haar afgeschoren hoofd. Zij liet zich door geen beloften of geweld bewegen naar huis terug te keren. Na een kort verblijf bij Sant Angelo di Panzo kwam zij naar San Damiano, waar zij de rest van haar leven zou blijven. Zestien dagen later volgde haar jongere zuster Agnes haar. De familie trachtte ook haar met geweld terug te halen. Agnes werd geslagen en aan haar haren voortgesleept, maar nadat Clara voor haar had gebeden, werd haar lichaam zo zwaar dat de mannen haar niet meer konden wegdragen. Haar oom Monaldo hief zijn arm op om haar te slaan, maar werd plotseling door hevige pijn getroffen. Uiteindelijk moesten de verwanten hun poging opgeven. Franciscus sneed ook Agnes het haar af en zij bleef bij haar zuster.
Rond Clara en Agnes verzamelde zich in San Damiano spoedig een gemeenschap van vrouwen. Clara wilde aanvankelijk niet aan het hoofd van de zusters staan, maar aanvaardde op aandringen van Franciscus het ambt van abdis. Zij bleef zich als de geringste van allen gedragen. Zij diende de zusters aan tafel, gaf hun water voor de handen, verzorgde zieken, waste de voeten van de zusters die van buiten terugkeerden en dekte hen in koude nachten zelf toe. Het kenmerkende van haar levenswijze was de armoede. Zij wilde niet alleen persoonlijk niets bezitten, maar verlangde dat ook haar gemeenschap zonder vaste bezittingen zou leven. Paus Gregorius IX trachtte haar ertoe te bewegen goederen voor het klooster aan te nemen, maar Clara weigerde. Ook toen hij haar aanbood haar van haar verplichting tot armoede te ontslaan, hield zij vast aan de navolging van de arme Christus. Voor haar gemeenschap verkreeg zij het bijzondere Privilegium Paupertatis.
Voor zichzelf beoefende Clara een buitengewoon strenge versterving. Onder haar kleding droeg zij ruwe boetekleren. Haar rustplaats bestond aanvankelijk uit de kale grond of uit wijnranken en een stuk hout diende haar als hoofdkussen. Tijdens de grote vasten en de vasten van Sint Maarten leefde zij op brood en water en op maandag, woensdag en vrijdag nam zij in die tijden zelfs geen voedsel. Deze gestrengheid verzwakte haar lichaam zozeer dat Franciscus en de bisschop van Assisi haar verboden nog langer dagen geheel zonder voedsel door te brengen. Clara gehoorzaamde. Ondanks haar strengheid tegenover zichzelf verlangde zij niet dat lichamelijk zwakkere zusters hetzelfde deden. Een groot deel van de nacht bracht zij in gebed door. Na de completen bleef zij dikwijls alleen bidden en later wekte zij de zusters voor de metten. Vooral het Lijden van Christus hield zij voortdurend voor ogen. Op Witte Donderdag raakte zij eens zo geheel in de overweging van het Lijden verzonken dat zij de gehele nacht en de daaropvolgende Goede Vrijdag vrijwel onbeweeglijk bleef en het verstrijken van de tijd niet bemerkte.
Bijzonder groot was haar eerbied voor het allerheiligste Sacrament. Zelfs gedurende haar langdurige ziekte wilde zij voor de kerken rondom Assisi blijven werken. Men richtte haar in haar bed op, zodat zij fijn linnen kon spinnen waarvan corporalen werden vervaardigd. Zuster Francesca verklaarde later dat zij er vijftig paar had geteld. Tijdens een aanval op San Damiano drongen Saraceense soldaten tot binnen de muren van het klooster door. Clara was ernstig ziek, maar liet zich naar de deur brengen en voor zich het kistje plaatsen waarin het Allerheiligste werd bewaard. Zij bad onder tranen om bescherming voor haar zusters. Volgens de vroege bronnen hoorde zij daarop een stem die haar bescherming beloofde en trokken de aanvallers zich terug. Niet lang daarna werd ook Assisi zelf bedreigd door het leger van Vitale van Aversa. Clara liet de zusters bijeenkomen, bestrooide haar hoofd met as en zond hen bidden om de bevrijding van de stad. De volgende dag brak het leger het beleg op.
Clara was gedurende vele jaren ernstig ziek en tenslotte vrijwel geheel aan haar legerstede gebonden. Tijdens een kerstnacht, toen de zusters naar de metten waren gegaan en zij alleen was achtergebleven, hoorde zij vanuit haar kamer de gezangen en plechtigheden die in de kerk van Sint Franciscus werden gevierd en zag zij de kribbe des Heren. Naarmate haar krachten afnamen, werd duidelijk dat haar einde naderde. Paus Innocentius IV kwam haar in San Damiano bezoeken en gaf haar zijn absolutie en zegen. In haar laatste dagen waren verschillende van de eerste gezellen van Franciscus bij haar, onder wie broeder Leo en broeder Juniperus. Clara beval haar zusters opnieuw de armoede des Heren aan en zegende ook de vrouwen die in de toekomst volgens dezelfde levenswijze zouden leven.
Kort voor haar dood sprak Clara zacht tot haar eigen ziel en spoorde haar aan zonder vrees heen te gaan, omdat Hij die haar geschapen had haar ook geheiligd en steeds behoed had. Daarna dankte zij God omdat Hij haar geschapen had. Bij haar sterfbed zag zuster Benvenuta van vrouwe Diambra volgens haar beëdigde verklaring een grote menigte maagden in witte gewaden verschijnen, allen met kronen op het hoofd. Onder hen bevond zich een Vrouwe die groter en schoner was dan de anderen en die zich over Clara heen boog. Clara stierf te San Damiano op 11 augustus 1253. De volgende dag kwam paus Innocentius IV met de kardinalen naar het klooster. Volgens de oude Legenda wilde de paus het officie van de maagden laten vieren in plaats van het dodenofficie, maar de bisschop van Ostia maande tot de vereiste kerkelijke voorzichtigheid. Haar lichaam werd daarna naar San Giorgio gebracht, dezelfde kerk waar ook het lichaam van Franciscus aanvankelijk had gerust. Twee jaar later, op 15 augustus 1255, werd Clara door paus Alexander IV plechtig onder de heiligen opgenomen.

De heilige Clara met acht taferelen uit haar leven, omstreeks 1283, basiliek van Santa Chiara te Assisi.
Deze grote beschilderde tavola werd omstreeks 1283 vervaardigd, ongeveer dertig jaar na de dood van de heilige Clara, en bevindt zich in de basiliek van Santa Chiara te Assisi. Het Italiaanse woord tavola betekent letterlijk tafel of paneel en wordt in de kunstgeschiedenis gebruikt voor een schildering op een houten paneel. In het midden staat Clara zelf, monumentaal weergegeven in het habijt van haar orde, met een boek in de hand. Rondom haar zijn acht gebeurtenissen uit haar leven geschilderd. De tavola vormt zo een vroeg geïllustreerd heiligenleven.
De vroege datering maakt deze beeldcyclus bijzonder belangrijk. Toen zij ontstond, lag Clara’s dood nog maar ongeveer dertig jaar achter haar. Het canonisatieproces, met de beëdigde verklaringen van haar zusters, verwanten en andere getuigen, en de vroege Legenda Sanctae Clarae Virginis waren toen reeds tot stand gekomen. De beschrijvingen bij de afzonderlijke taferelen hieronder zijn aan deze dertiende-eeuwse bronnen ontleend.







