H. Bernardus van Clairvaux

20 augustus – H. Bernardus van Clairvaux, abt en kerkleraar † 1153
De H.Bernardus werd in 1090 geboren te Fontaines, bij Dijon, uit een adellijke Bourgondische familie. Zijn ouders waren Tescelin en Aleth. Hij ontving zijn opleiding bij de kanunniken van Saint-Vorles te Châtillon-sur-Seine. Na de dood van zijn moeder besloot hij de wereld te verlaten. In 1113 trad hij met ongeveer dertig verwanten en vrienden in bij de cisterciënzers van Cîteaux, waar de H. Stephanus Harding abt was. Reeds in 1115 werd Bernardus uitgezonden om een nieuwe abdij te stichten in een afgelegen dal in Champagne. Daar ontstond Clairvaux, waarvan hij tot zijn dood abt bleef. Onder zijn leiding kende de cisterciënzerorde een buitengewone uitbreiding en vanuit Clairvaux werden talrijke nieuwe kloosters gesticht. Bernardus werd een van de invloedrijkste kerkelijke mannen van zijn eeuw. Tijdens het schisma van 1130 verdedigde hij paus Innocentius II en reisde hij door Europa om diens erkenning te bevorderen. Op het concilie van Sens in 1140 trad hij op tegen de leer van Petrus Abelard. In opdracht van paus Eugenius III, die zelf cisterciënzer was geweest, predikte Bernardus in 1146 de Tweede Kruistocht. Hij ondernam daarvoor predikreizen door Frankrijk en Duitsland. Daarnaast liet hij een omvangrijk geestelijk en theologisch werk na. Tot zijn bekendste geschriften behoren De diligendo Deo, over de liefde tot God, zijn verhandeling De consideratione voor paus Eugenius III en zijn preken over het Hooglied. Zijn geschriften getuigen tevens van zijn grote godsvrucht tot de H. Maagd. Om zijn plaats in de katholieke traditie wordt Bernardus wel de laatste der Kerkvaders genoemd. Bernardus stierf op 20 augustus 1153 in de abdij van Clairvaux. Paus Alexander III verklaarde hem in 1174 heilig. In 1830 verleende paus Pius VIII hem de titel van kerkleraar.
De H. Bernardus van Clairvaux onderricht zijn monniken
De H. Bernardus van Clairvaux onderricht zijn monniken
Onder: Bernardus in zijn strijd met de duivel. Jean Fouquet, Getijdenboek van Étienne Chevalier, ca. 1452–1460, Musée Condé, Chantilly.

Bernardus als monnik

De H. Bernardus van Clairvaux

Bernardus trad in 1113 in bij Cîteaux en werd twee jaar later uitgezonden naar Clairvaux. Daar bleef hij tot zijn dood abt. Zijn brieven laten duidelijk zien wat hij onder het monnikenleven verstond. Arbeid, afzondering en vrijwillige armoede, dat zijn de tekenen van de monnik. Zij maken het monastieke leven voortreffelijk. Aan abt Suger van Saint-Denis beschreef Bernardus het klooster nadat de wereldse drukte er was teruggedrongen. Nu is er tijd voor de dienst van God, voor zelfbeheersing en gehoorzaamheid en voor aandachtige lezing van de Heilige Schrift. Stilte en voortdurende rust van alle wereldse beroering maken de ziel geschikt voor de overweging van de hemelse dingen. De moeizame oefening van het kloosterleven en de gestrengheid van de onthouding worden verlicht door de zoetheid van psalmen en hymnen. Ook over de gehoorzaamheid spreekt Bernardus uit eigen ervaring. Ik heb zelf ervaren dat het veel gemakkelijker en veiliger is vele anderen te besturen dan mijzelf alleen. De monnik behoort zich daarom niet aan zijn eigen oordeel over te laten. Aan een voormalige abt schrijft Bernardus dat deze eenvoudig tussen zijn broeders moet leven, aan God toegewijd, onderworpen aan zijn overste, eerbiedig jegens de ouderen en dienstvaardig jegens de jongeren. In een andere brief zegt Bernardus nog scherper wat hij als de eigenlijke roeping van de monnik beschouwde. Het is niet de taak van een monnik, die ik schijn te zijn, om te onderrichten, maar om zijn zonden te bewenen. Daarom ben ik uit de wereld gevlucht en verblijf ik in de afzondering.

Bernardus en Clairvaux

De H. Bernardus neemt bezit van de abdij van Clairvaux


De H. Bernardus neemt bezit van de abdij van Clairvaux
Miniatuur uit de Chroniques abrégées des Anciens Rois et Ducs de Bourgogne.

Cluny was sinds de tiende eeuw het grote centrum van een hervormde benedictijnse kloosterbeweging, die zich over een groot deel van Europa had verbreid. Cîteaux werd in 1098 gesticht als een nieuwe hervorming binnen de benedictijnse traditie, met een strengere terugkeer tot de Regel van de H. Benedictus en een eenvoudiger kloosterleven. De geest die de nieuwe gemeenschap van Cîteaux bezielde, verschilde zoveel mogelijk van die welke de monniken van Cluny beheerste. Zij kenmerkte zich door volstrekte zelfverloochening, strenge eenvoud in alles wat de uiterlijke eredienst betrof, volledige en onvoorwaardelijke onderwerping aan het gezag van de bisschop van het diocees en een volkomen verzaking aan alle wereldlijke aangelegenheden. Alles aan hen, tot zelfs het witte habijt dat in de plaats van het zwarte was gekomen, maakte dit onderscheid des te duidelijker. Na de dood van Robert werd de orde in 1119 in een vaste vorm gebracht en haar inrichting voltooid door de aanneming van het Handvest der Liefde, de Charta Caritatis, dat bepaalde dat iedere handeling van haar leden door de wet der liefde moest worden bestuurd. De regel was zo streng dat drie abten elkaar opvolgden voordat er ook maar één toetreding tot de aanvankelijk kleine gemeenschap plaatsvond en sommigen zelfs door haar gestrengheid werden afgeschrikt. Toch herkenden tijdgenoten in het leven van de monniken van Cîteaux het volmaakte beeld van het apostolische tijdperk. Toen de H. Bernardus in 1113 een van hen werd, verwierf de orde een aanzien dat haar spoedig verhief boven de beroemdste kloostergemeenschappen van die tijd. Bernardus trad met ongeveer dertig jonge mannen, die hij uit zijn verwanten en vrienden om zich heen had verzameld, in het klooster van Cîteaux. Bijna drie jaar later stichtte hij een nieuw klooster van dezelfde orde in een woest en eenzaam dal, door bergen omsloten, in het bisdom Langres. Dit dal, dat vroeger een toevluchtsoord voor rovers was geweest, droeg de naam Vallis Absintialis, het Dal van Alsem. Nadat het ontgonnen was, ontving het de naam Clara Vallis, het Heldere Dal, en het nieuwe klooster werd dienovereenkomstig Clairvaux genoemd. Bernardus was toen slechts vijfentwintig jaar oud. Het klooster van Clairvaux werd een voorbeeld van het monastieke leven. Zo groot was het gezag en de invloed die de orde door de naam van Bernardus verwierf, dat haar leden Bernardijnen werden genoemd. Reeds vóór zijn dood had de orde zich over ieder land van Europa verspreid en telde zij tweeduizend kloosters. Uit alle streken, uit Frankrijk, Italië en Spanje, uit Duitsland en Zwitserland, uit Engeland en Ierland, uit Denemarken en Zweden, kwamen leerlingen van de in Clairvaux gevormde monniken om in verre landen kloosters te stichten naar het voorbeeld dat Bernardus hun had nagelaten. In dat verlaten dal, aan de voet van eenzame bergen, verstomde het gewoel der wereld. In de stille cellen vonden talloze zielen vrede en rust en menig gebroken hart troost en verademing. Een monnik van Cîteaux schreef hoe veel gelukkiger hij daar was, in een van hun nederige woningen en in de beoefening der wijsheid, dan wanneer hij met zijn vriend te midden van de pracht der grote steden zou leven. De kronieken van de orde zijn vervuld van de levens van heiligen. Uit haar kwamen grote staatslieden en bestuurders der Kerk voort. Ook de landbouw had veel aan haar te danken en de lagere standen niet weinig van de verbetering van hun toestand. Haar invloed werd overal gevoeld. Zelfs andere kloosterorden, die gewoonlijk met grote gehechtheid over hun eigen regel en overleveringen waakten, hervormden soms hun kloosters naar het voorbeeld van Clairvaux. Bron: Johann Baptist Alzog, Manual of Universal Church History, vol. II.

Bernardus en de cisterciënzer abdij

De hervorming van Cîteaux kreeg ook gestalte in de bouw van haar kloosters. De cisterciënzers bouwden grote en machtige abdijen, maar hun schoonheid moest voortkomen uit orde, maat en eenvoud en niet uit kostbare versiering. De kloosterkerk was vóór alles de plaats van het koorgebed. Niets mocht de monnik afleiden van het doel waarvoor hij de wereld had verlaten. Bernardus heeft deze opvatting met grote kracht verdedigd. In zijn Apologia ad Guillelmum, geschreven voor Willem van Saint-Thierry, keerde hij zich tegen de rijkdom en overdaad die hij in sommige kloosterkerken aantrof. Hij noemt de buitensporige hoogte en lengte van kerken, kostbare beschilderingen en allerlei gebeeldhouwde voorstellingen. Vooral in een klooster achtte hij zulke pracht ongepast. Wat voor de gelovigen in een kerk nog een plaats kon hebben, kon voor monniken een verstrooiing worden tijdens lezing, gebed en overweging. Zijn kritiek richtte zich niet tegen schoonheid zelf. Zij vloeide voort uit hetzelfde ideaal van zelfverloochening en eenvoud dat het leven van Cîteaux bepaalde. Wanneer monniken vrijwillig de armoede hadden gekozen, behoorde ook hun kerk daarvan te getuigen. Bernardus stelde daarom de vraag waarom voor hen goud en kostbare versiering nodig zouden zijn en waarom het oog door een veelheid van voorstellingen moest worden beziggehouden waar de geest zich op God behoorde te richten. Onder het grote gezag van Bernardus verbreidde dit kloosterideaal zich vanuit Clairvaux over Europa. De cisterciënzer abdijen kregen daardoor een eigen en indrukwekkend karakter. Zij konden monumentaal van omvang zijn, maar bleven streng van vorm. Muren, pijlers, bogen en gewelven bepaalden de ruimte. Het licht viel op vrijwel onversierde steen. Juist de vereniging van grote bouwkracht met deze ingetogenheid gaf de cisterciënzer abdijen hun uitzonderlijke schoonheid. Fontenay werd in 1119 vanuit Clairvaux gesticht en behoort tot de oudste en gaafst bewaarde voorbeelden van deze vroege cisterciënzer bouwkunst.

De kloostergang van de cisterciënzerabdij van Fontenay


De cisterciënzerabdij van Fontenay
Gesticht in 1119 vanuit Clairvaux. De kloostergang toont de strenge eenvoud van de vroege cisterciënzer bouwkunst.


Doctor Mellifluus
Ter gelegenheid van de achthonderdste sterfdag van de H. Bernardus wijdde paus Pius XII op 24 mei 1953 de encycliek Doctor Mellifluus aan de abt van Clairvaux. Mellifluus betekent honingvloeiend. Pius XII noemt Bernardus de laatste der Kerkvaders en prijst zijn leer, zijn liefde tot de Kerk en zijn godsvrucht tot Jezus en Maria.

Er zijn mensen die kennis verlangen alleen om te weten, en dat is ongepaste nieuwsgierigheid. Er zijn er die kennis zoeken om anderen op te bouwen, en dat is liefde. En er zijn er die kennis zoeken om zelf opgebouwd te worden, en dat is voorzichtigheid.

Ik beschouw geen enkele zaak van God als iets dat mij niet aangaat. Wij, zonen van de Kerk, kunnen geenszins werkeloos toezien bij de beledigingen die onze Moeder worden aangedaan.

Wanneer gij schrijft, heeft uw geschrift voor mij geen bekoring, tenzij ik daarin de naam Jezus lees. Wanneer gij spreekt, vind ik geen behagen in uw woorden, tenzij ik daarin de naam Jezus hoor. Jezus is honing op de lippen, melodie in het oor, vreugde in het hart.

Wanneer de stormen der bekoring over u losbreken en gij op de rotsen der beproeving wordt gedreven, zie op naar de ster, roep Maria aan. In gevaren, in twijfel, in moeilijkheden, denk aan Maria, roep Maria aan. Laat haar naam niet van uw lippen wijken en nooit uit uw hart verdwijnen. Met haar als leidsvrouw zult gij niet verdwalen. Onder haar bescherming hebt gij niets te vrezen. Wanneer zij voor u uitgaat, zult gij niet vermoeid raken. Wanneer zij u genadig is, zult gij het doel bereiken.


De H. Bernardus en het Salve Regina

De H. Bernardus voor het beeld van de H. Maagd in de dom van Speyer


Urs Graf, de H. Bernardus voor het beeld van de H. Maagd in de dom van Speyer, ca. 1519.

Met Kerstmis 1146 verbleef de H. Bernardus in Speyer, waar hij in de dom de Tweede Kruistocht predikte. Toen hij de dom binnenging, werd de antifoon Salve Regina gezongen. Bernardus knielde voor het genadebeeld van de H. Maagd en sprak O clemens, o pia, o dulcis Virgo Maria. Bij iedere aanroeping maakte Bernardus een knieval en naderde zo het altaar. Deze woorden werden aan de antifoon toegevoegd en vormen haar geliefde slot. In het middenschip van de dom van Speyer zijn de woorden O clemens, O pia, O dulcis, Virgo Maria in de vloer aangebracht.


Patroonheilige

De H. Bernardus als Doctor Mellifluus

De heilige Bernardus geldt van oudsher als patroon van predikers, imkers en wasbewerkers. Zijn eretitel Doctor Mellifluus, de honingvloeiende leraar, verwijst naar de bijzondere zoetheid en welsprekendheid van zijn prediking en geschriften. Ook in de traditionele iconografie werd daarom de bijenkorf een van zijn attributen. Een oude levensbeschrijving vergelijkt zelfs zijn schrijven op wastafeltjes met het teruggeven van honing aan de was waaruit de bijen haar hadden voortgebracht.

H. Bernardus, O.P.N.