Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Lucas, 17, 11-19
IN DIE TIJD trok Jezus op zijn reis naar Jeruzalem door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen Hij een dorp wilde binnengaan, kwamen tien melaatsen Hem tegemoet. Zij bleven op een afstand staan en riepen met luide stem: Jezus, Meester, heb medelijden met ons. Zodra Hij hen zag, sprak Hij: Gaat heen en vertoont u aan de priesters. En terwijl zij onderweg waren, werden zij gereinigd. Een van hen keerde terug, zodra hij bemerkte dat hij genezen was, en verheerlijkte God met luide stem. Hij wierp zich aan de voeten van Jezus neer en dankte Hem. En deze was een Samaritaan. Jezus nam het woord en sprak: Zijn er geen tien genezen? Waar zijn dan de negen anderen? Is er niemand gevonden die terugkeerde en eer gaf aan God, behalve deze vreemdeling? En Hij sprak tot hem: Sta op en ga heen, want uw geloof heeft u redding gebracht.

Van de tien genezen melaatsen keert alleen deze Samaritaan tot Christus terug. Christus noemt hem deze vreemdeling. In de traditionele uitleg vertegenwoordigt hij de heidenvolken die Christus erkennen en tot het heil worden geroepen. Ook in het Evangelie van de vorige zondag was het juist een Samaritaan die door Christus tot voorbeeld werd gesteld.
Dom Prosper Guéranger over de tien melaatsen
De Samaritaanse melaatse, die genezen werd van die afzichtelijke ziekte welke zo geschikt een beeld is van de zonde, stelt, te midden van de negen melaatsen van Joodse afkomst, het verachte heidenvolk voor. Dit volk werd aanvankelijk als het ware heimelijk en bij wijze van buitengewoon voorrecht toegelaten tot een aandeel in de genaden die bestemd waren voor de verloren schapen van het huis van Israël. Het gedrag van deze tien mannen bij hun wonderbare genezing stemt overeen met de houding die de twee volken welke zij voorafbeelden, hebben aangenomen tegenover het heil dat door de Zoon van God aan de wereld werd aangeboden. Het is opnieuw een bevestiging van hetgeen de Apostel zegt: Niet allen die uit Israël zijn, zijn Israëlieten, en niet allen die het zaad van Abraham zijn, zijn daarom kinderen. Maar, zo zegt de Schrift, in Isaak zal uw zaad genoemd worden. Dat wil zeggen: niet zij die kinderen zijn naar het vlees, zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte worden als het zaad gerekend. Zij zijn geboren uit het geloof van Abraham en zijn in de ogen des Heren zijn ware nakomelingen.
Onze heilige Moeder de Kerk wordt nooit moe van dit onderwerp, de vergelijking van de twee Testamenten en, in dit geval, de tegenstelling tussen de twee volken. Wij achten het daarom onze plicht, alvorens verder te gaan, uit te leggen waarom dit zo is. Er zijn immers velen die niet begrijpen welk nut het voor ons christenen kan hebben dit onderwerp telkens weer te horen verkondigen. De soort van geestelijk leven die tegenwoordig bij velen in de plaats is gekomen van het liturgische leven, dat door onze katholieke voorouders zo volledig werd geleefd en hun zo dierbaar was, heeft een zekere afkeer gewekt van de gedachten die de Kerk op zoveel van haar zondagen met zoveel volharding voorhoudt. Men is eraan gewend geraakt te leven in een zeer beperkte kring van waarheden. Alles is er subjectief en tevens klein geworden. Men acht het zelfs voortreffelijk al het overige onderricht te vergeten, behalve dat kleine deel dat men reeds bezit en waarbuiten men zich liever niet begeeft. Het is daarom niet verwonderlijk dat christenen van deze soort verlegen staan wanneer zij zien hoe de Kerk hen voortdurend aanspoort belang te stellen in een ver verleden dat zij voor zichzelf van geen praktisch nut achten. Maar het innerlijke leven dat deze naam werkelijk verdient, is niet wat zulke goedwillende mensen zich ervan voorstellen. Geen enkele school van geestelijk leven, noch tegenwoordig noch vroeger, heeft ooit het ideaal van de deugd gezocht in onverschilligheid tegenover die grote historische feiten die klaarblijkelijk zo kostbaar zijn in de ogen van de Kerk en van God zelf. En wat is gewoonlijk het gevolg wanneer zij zich aldus afzonderen van hetgeen hun Moeder zo dierbaar is? Doordat zij zich moedwillig opsluiten in hun persoonlijke gebeden, verliezen zij, als een rechtvaardige straf, het ware doel van het gebed uit het oog, namelijk de vereniging met God en de liefde tot Hem. Hun overweging wordt beroofd van dat element van vertrouwelijke en vruchtbare omgang met God dat alle meesters van het geestelijke leven eraan toekennen. Zij wordt weldra een onvruchtbare oefening van ontleding en redenering, waaruit slechts abstracte gevolgtrekkingen voortkomen.
Toen God in zijn barmhartigheid de mensen tot de goddelijke bruiloft uitnodigde door hun zijn Woord te openbaren, gaf Hij de Zoon van zijn eigen eeuwige Wezen niet op abstracte wijze aan onze aarde. In zijn godheid konden de mensen Hem in hun tegenwoordige toestand niet rechtstreeks aanschouwen. Indien God ons dan die eeuwige Zoon, in wie alle schoonheid, warmte en leven gevonden worden, slechts op abstracte wijze had getoond, zou dit onvolkomen en koud zijn geweest. Zo heeft Hij niet gehandeld. Zoals de H. Paulus ons leert, heeft Hij het grote geheim der godsvrucht geopenbaard in het vlees. Het Woord werd een levende ziel. De eeuwige Waarheid nam een lichaam aan, opdat zij met de mensen zou verkeren en onder hen zou opgroeien als een van hen. En toen dat Lichaam, dat de eeuwige Waarheid voor altijd als het zijne zou behouden, werd opgenomen in heerlijkheid, zette de Kerk, de Bruid van deze Godmens, been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees, deze openbaring van God in de wereld voort door de ledematen van Christus. Zij zette die historische ontwikkeling van het Woord voort die eerst zal eindigen wanneer de tijd niet meer bestaat. Deze openbaring en deze ontwikkeling gaan alle menselijke berekening te boven en ontvouwen zelfs voor de engelen steeds nieuwe aspecten van de wijsheid Gods.
Ongetwijfeld moet men waarde hechten aan de grondstellingen waarin grote geesten de beginselen van de wetenschap in een abstracte, logische orde hebben samengevat, onafhankelijk van geschiedenis en feiten. Maar noch bij God noch bij de mens bezit zulk versteend theoretiseren iets van het leven, de invloed en de werkzaamheid van de levende waarheid. In de Kerk, zoals in God, is de waarheid leven en licht. Haar grote Credo zou nooit zo zegevierend door onze kerken weerklinken en nooit zo onweerstaanbaar ten hemel opstijgen wanneer het slechts een kale reeks ware definities en formuleringen was. Zijn bovenmenselijke kracht komt hieruit voort dat bijna ieder artikel en bijna ieder woord ervan doortrokken is van het bloed van martelaren en voor Kerk en God schittert door de glans van de arbeid, het lijden en de strijd van duizenden heilige belijders en kerkleraren. Zij vormen als het ware de adel van de menselijke natuur, door het Doopsel verheven, wier leven ertoe dient het Lichaam van Christus hier op aarde tot zijn voltooiing te brengen.
Dit onderwerp is te rijk om hier verder te behandelen. Maar dit staat vast: na het grote feit van de Menswording van het Woord, dat op aarde kwam om God door de eeuwen heen te openbaren in Christus en zijn ledematen, is er geen feit van groter betekenis en geen dat God dierbaarder is geweest en nog is dan de roeping van de twee volken die achtereenvolgens geroepen werden tot de zegening van een verbond met Hem. De gaven en de roeping Gods zijn, zoals de Apostel het uitdrukt, zonder berouw van zijn kant. De Joden die thans zijn vijanden zijn omdat zij het Evangelie verwerpen, worden toch nog de zeer geliefden genoemd omwille van hun vaderen. Daarom zal ook de tijd komen, waarop de gehele wereld wacht, dat de verwerping door Juda zal zijn opgeheven en zijn ongerechtigheden zullen zijn uitgewist. Dan zullen de beloften aan Abraham, Isaak en Jakob letterlijk worden vervuld. De goddelijke eenheid van de twee Testamenten zal openbaar worden en de beide volken zullen één worden onder hun ene Hoofd, Christus Jezus. Wanneer Gods verbond met de mens dan geheel verwezenlijkt zal zijn zoals Hij het in zijn eeuwige wijsheid heeft ontworpen, wanneer de aarde haar vrucht zal hebben voortgebracht en de wereld haar taak zal hebben volbracht, zullen de graven hun doden teruggeven. Dan eindigt de geschiedenis hier op aarde en zal de verheerlijkte menselijke natuur zich in onbelemmerde volheid van leven ontplooien onder de welwillende blik van God.
De waarheden die het Evangelie van vandaag ons opnieuw voorhoudt, zijn dus allerminst dor of verouderd. Niets is grootser. En wij moeten eraan toevoegen, hoezeer oppervlakkige geesten zich daarover ook zullen verwonderen, dat niets in dit jaargetijde praktischer is, want dit is de tijd die gewijd is aan de geheimen van het verenigende leven. Waarin bestaat immers in de eerste plaats de vereniging tussen God en de mens anders dan in de eenstemmigheid van de goddelijke en de menselijke geest? Nu weten wij dat God zijn plannen heeft geopenbaard in de geschiedenis van de beide Testamenten en de beide volken. En het uiteindelijke resultaat waarin deze twee geschiedenissen hun voltooiing zullen vinden, is hetzelfde ene doel dat de oneindige Liefde vanaf het begin heeft willen verwezenlijken, thans verwezenlijkt en voor eeuwig zal willen verwezenlijken. Wanneer de Kerk dus voortdurend naar deze waarheden terugkeert, toont zij daarmee allerminst dat zij niet met haar tijd meegaat. Integendeel, zij bewijst daardoor dat zij de volkomen begrijpende Bruid van Jezus is en openbaart zij de onveranderlijke jeugd van een hart dat steeds in volkomen overeenstemming klopt met het hart van haar Bruidegom.
Laten wij nu terugkeren tot de letterlijke verklaring van ons Evangelie. Zoals wij bij een vroegere zondag opmerkten, wil onze Jezus ons hier opnieuw veeleer een nuttige onderrichting geven dan zijn goddelijke macht tonen. Daarom geneest Hij de tien melaatsen die Hem om erbarming smeken niet op dezelfde wijze als Hij bij een andere gelegenheid een man genas die door dezelfde ellende getroffen was. Aan deze laatste, die Hem smeekte, gaf Hij door enkele woorden de reinheid terug. Dit gebeurde aan het begin van zijn openbare leven. Hij sprak: Word rein. En terstond verdween de melaatsheid. Het voorval met de melaatsen uit het Evangelie van vandaag vond daarentegen plaats in het laatste gedeelte van het verblijf van onze Heer onder de mensen. Zij worden pas gereinigd terwijl zij onderweg zijn om zich aan de priesters te tonen. Jezus zendt hen naar de priesters, zoals Hij dat ook bij de vorige gelegenheid had gedaan. Aldus geeft Hij vanaf het begin tot aan het einde van zijn sterfelijk leven het voorbeeld van de eerbied die men aan de Oude Wet verschuldigd was zolang zij nog niet was afgeschaft.
Deze Wet gaf aan de zonen van Aäron niet de macht om melaatsheid te genezen, maar om haar te onderscheiden en om uitspraak te doen of zij al dan niet genezen was. Nu echter is de tijd gekomen voor een Wet die ver boven die van de Sinaï verheven zal zijn. Zij bezit een priesterschap waarvan de uitspraken niet de toestand van het lichaam betreffen, maar dat door het uitspreken van het vonnis der absolutie daadwerkelijk de melaatsheid van de zielen wegneemt. De genezing die de tien melaatsen over zich voelden komen nog voordat zij de priesters hadden bereikt, had voor hen voldoende moeten zijn om in Jezus de macht van het nieuwe priesterschap te herkennen, waarvan de profeten hadden gesproken. Die macht overtreft, doordat zij reeds vooraf ten gunste van deze mannen werkzaam is, het gezag van de oude bediening. Dit had voldoende bewijs moeten zijn voor de hogere waardigheid van Hem die deze macht uitoefent.
Indien zij slechts de juiste gesteltenis hadden gehad voor de heilige plechtigheden die bij hun reiniging zouden worden voltrokken, zou de Heilige Geest, die vroeger de profetische bijzonderheden van deze geheimvolle handeling had ingegeven, hun de betekenis hebben doen verstaan van de vogel die tot uitboeting werd geofferd. Zijn bloed werd vermengd met levend water en door middel van het hout werd de andere vogel in vrijheid gesteld. De eerste vogel beeldt onze Heer Jezus Christus af, die zichzelf in de psalm vergelijkt met de eenzame vogel. Zijn offer aan het Kruis, dat aan het water de kracht verleent de zielen te reinigen, deelt aan de andere vogels, zijn broeders, de reinheid van het goddelijk Bloed mede.
Maar de Jood is nog verre van bereid deze grote geheimen te verstaan. En toch was hem de Wet gegeven om hem als bij de hand naar Christus te leiden zonder hem aan dwaling bloot te stellen. Het was een buitengewone gunst die hem niet wegens eigen verdiensten geschonken was, maar omwille van zijn vaderen. Deze gunst was des te kostbaarder omdat zij verleend werd in een tijd waarin de overlevering aangaande een toekomstige Verlosser bij het grootste gedeelte van de mensheid bijna geheel verloren was gegaan. Dankbaarheid had daarom boven alles in het hart van Juda moeten wonen. Maar de hoogmoed nam haar plaats in. Hij ging zozeer op in de eer die hem te beurt was gevallen, dat hij ieder verlangen naar de Messias verloor. Hij kan de gedachte niet verdragen dat er een tijd zal komen waarin de Zon der gerechtigheid voor de gehele aarde is opgegaan en het beperkte voorrecht dat gedurende de nachtelijke uren aan enkelen was verleend, zal verdwijnen voor het stralende middaglicht waarin allen zich verheugen. Daarom verklaart hij de Oude Wet voor definitief, hoewel de Wet zelf getuigt dat zij slechts tijdelijk is. Daarom houdt hij vast aan de eeuwige voortduring van het rijk van voorafbeeldingen en schaduwen. Hij stelt als leerstuk dat geen goddelijke tussenkomst ooit die van de Sinaï kan evenaren, dat iedere toekomstige profeet en iedere gezondene Gods noodzakelijk beneden Mozes moet staan, dat alle mogelijke heil in de Wet ligt en dat uit haar alleen iedere genade voortvloeit.
Dit verklaart waarom van de tien mannen die door Jezus van de melaatsheid werden genezen, er negen zijn die zelfs niet op de gedachte komen naar hun Verlosser terug te keren om Hem te danken. Deze negen zijn Joden. In hun ogen is Jezus slechts een leerling van Mozes, slechts een werktuig van weldaden dat zijn opdracht van de Sinaï ontvangen heeft. Zodra zij de wettelijke formaliteit van hun reiniging hebben volbracht, menen zij aan al hun verplichtingen jegens God te hebben voldaan. De Samaritaan daarentegen, de verachte heiden, wiens lijden hem de nederigheid heeft geschonken die de blik van de zondaar helder maakt, is de enige die God aan zijn goddelijke werken herkent en Hem dankt voor zijn weldaden.
Hoeveel eeuwen van schijnbare verlatenheid, vernedering en lijden zullen ook over Juda moeten heengaan voordat het zijn God zal herkennen en aanbidden, zijn zonden voor Hem zal belijden en Hem zijn toegewijde liefde zal schenken. Dan zal het, evenals deze vreemdeling, Jezus zijn vergiffenis horen uitspreken: Sta op en ga heen. Uw geloof heeft u gered. Laten wij door onze vurige gebeden de tijd verhaasten die zo heerlijk zal zijn voor de beide volken. Dan zullen zij, verenigd in hetzelfde geloof en in het bewustzijn van dezelfde, eindelijk vervulde hoop, tot onze Verlosser de woorden van het Offertorium uitroepen: Op U, Heer, heb ik vertrouwd. Ik heb gezegd: Gij zijt mijn God. Mijn lot is in uw handen.