H. Stefanus van Hongarije

2 september – H. Stefanus, koning en belijder † 1038

De H. Stefanus was de eerste koning van het christelijke Hongarije en wordt de apostel van zijn volk genoemd. Hij voerde het christelijk geloof in zijn rijk in en bevestigde het door de stichting van kerken en kloosters en de inrichting van de kerkelijke hiërarchie. Hij stichtte bisschopszetels en verhief Gran tot aartsbisdom. Hij stelde zijn rijk onder de bijzondere bescherming van de Allerheiligste Maagd. Hij stierf in 1038 op het feest van Maria-Tenhemelopneming. Zijn rechterhand wordt in Hongarije als kostbare reliek vereerd.

Beknopt leven van de H. Stefanus

De H. Stefanus van Hongarije op zijn troon
De H. Stefanus als koning van Hongarije, gekroond door engelen.

Geysa, de vierde hertog van Hongarije, werd samen met zijn vrouw tot het geloof bekeerd. In een visioen verscheen hem de martelaar H. Stefanus, die hem aankondigde dat hij een zoon zou krijgen die het begonnen werk zou voltooien. Deze zoon werd in het jaar 977 geboren en ontving de naam Stefanus. Hij kreeg een zeer zorgvuldige opvoeding en volgde zijn vader reeds op jonge leeftijd op. Hij begon de afgoderij uit te roeien, onderdrukte een opstand van zijn heidense onderdanen en stichtte overal in het land kloosters en kerken. Hij zond gezanten naar paus Silvester met het verzoek bisschoppen te benoemen voor de elf bisschopszetels die hij had gesticht en hem, opdat zijn werk des te meer vrucht zou dragen, de titel van koning te verlenen. De paus willigde zijn verzoeken in en zond hem een kruis dat voor hem uit gedragen moest worden, waarbij hij verklaarde hem als de ware apostel van zijn volk te beschouwen. Zijn godsvrucht was vurig. Hij stelde zijn rijk onder de bescherming van de Allerheiligste Maagd en vierde het feest van haar Tenhemelopneming met bijzondere liefde. Hij gaf goede wetten en waakte over de naleving ervan. Gedurende zijn gehele leven, zo wordt ons verhaald, had hij Christus op zijn lippen, Christus in zijn hart en Christus in alles wat hij deed. De enige oorlogen die hij voerde, waren verdedigingsoorlogen en daarin behaalde hij steeds de overwinning. God zond hem vele zware beproevingen. Zijn kinderen stierven een voor een, maar hij droeg dit alles in volkomen onderwerping aan de wil van God. Toen de H. Stefanus zijn dood voelde naderen, liet hij de bisschoppen en edelen bijeenkomen en gaf hun aanwijzingen voor de keuze van zijn opvolger. Vervolgens vermaande hij hen de katholieke Kerk, die in Hongarije nog als een jonge plant was, te verzorgen en te beschermen, gerechtigheid, nederigheid en naastenliefde te beoefenen, de wetten te gehoorzamen en steeds eerbiedige onderwerping aan de Heilige Stoel te betonen. Daarop sloeg hij zijn ogen ten hemel en bad tot de Koningin des hemels. O Koningin des hemels, verheven herstelster van een gevallen wereld, aan uw zorg vertrouw ik de heilige Kerk toe, mijn volk en mijn rijk, en mijn eigen scheidende ziel. Op zijn geliefde feest van Maria-Tenhemelopneming stierf hij in het jaar 1038 in vrede. (Butler)

De H. Stefanus en de H. Lodewijk IX als katholieke vorsten

De H. Stefanus van Hongarije en de H. Lodewijk IX van Frankrijk behoren tot de grote heilige koningen van de Christenheid. Stefanus regeerde in de elfde eeuw, toen het christendom in Hongarije nog gevestigd moest worden. Lodewijk regeerde ruim twee eeuwen later over het reeds eeuwenlang katholieke Frankrijk. Beiden verstonden het koningschap als een ambt onder de wet van God, met de plicht rechtvaardig te regeren en de Kerk te beschermen. De H. Stefanus stichtte bisdommen, kerken en kloosters en gaf de verkondigers van het geloof zijn bescherming. De heilige koning Lodewijk beschermde de rechten en goederen van de Kerk, stichtte en begunstigde kloosters en godshuizen en waakte persoonlijk over een rechtvaardige rechtsbedeling. Beiden verbonden hun koninklijke waardigheid met een streng persoonlijk godsdienstig leven, gebed, boete en werken van barmhartigheid.

Stefanus stichtte bisdommen, kerken en kloosters en gaf de verkondigers van het geloof zijn bescherming. Lodewijk beschermde de rechten en goederen van de Kerk, stichtte en begunstigde kloosters en godshuizen en waakte persoonlijk over een rechtvaardige rechtsbedeling. Beiden verbonden hun koninklijke waardigheid met een streng persoonlijk godsdienstig leven, gebed, boete en werken van barmhartigheid.

Stefanus en Lodewijk vertegenwoordigen daarmee twee verschillende tijdperken van hetzelfde katholieke koningschap. Stefanus staat aan het begin van het katholieke koninkrijk Hongarije. Lodewijk behoort tot de grootste vertegenwoordigers van het katholieke koningschap in het middeleeuwse Frankrijk.

Voorschriften voor een katholiek vorst: de H. Stefanus aan zijn zoon Emerik

De H. Stefanus stelde voor zijn zoon en beoogde opvolger Emerik een vorstenspiegel samen, het Libellus de institutione morum ad Emericum ducem. In tien voorschriften onderricht hij hem over het katholieke geloof, de Kerk, het koningschap en de deugden die een christelijke vorst behoren te kenmerken. De Legenda maior vermeldt dit geschrift uitdrukkelijk.

De H. Stefanus van Hongarije met zijn zoon, de H. Emerik
De H. Stefanus van Hongarije met zijn zoon, de H. Emerik. Aan hem richtte Stefanus zijn voorschriften voor het katholiek koningschap.

Voorrede

Daar ik begrijp dat alles wat door Gods voorzienigheid geschapen en gegeven is, niet alleen aan redeloze en redelijke schepselen, maar ook aan koninkrijken en vorstendommen, door wetten en instellingen leeft en in stand wordt gehouden, en daar ik zie dat alle delen van de wereld hun eigen koningen, vorsten, graven, provincies en staten hebben, die door goddelijke en menselijke wetten bestuurd, beschermd, verdeeld en verenigd worden, en daar ik weet dat alles wat ik in dit leven bezit, door Gods wil en beschikking mij overvloedig geschonken is, namelijk een rijk, een koningschap, ouders, verwanten, vorsten, graven, geestelijken en leken, zo breng ik dagelijks en zonder ophouden dank aan Christus, die mij dit alles waardig heeft gemaakt. Wanneer ik echter bedenk dat ik eens alles wat leeft en mij dierbaar is moet verlaten, en dat de laatste dag nabij kan zijn, opdat de dood mij niet aantreffe zonder zorg voor hetgeen na mij komt, heb ik besloten u, mijn zoon, zolang ik nog leef, onderricht, raad, voorschriften en geboden te geven waarmee gij zowel uw eigen leven als dat van uw onderdanen kunt besturen wanneer gij na mijn dood, indien de hoogste Majesteit dit toestaat, tot het koningschap wordt geroepen. Het past mij u niet alleen door woorden, maar ook door voorbeelden te onderrichten. Want gij zijt jong, rijk, teer en tot dusver onder zachte opvoeding grootgebracht, en daarom is het tijd dat niet steeds de zachtheid van kussens u wordt gegeven, die u traag en week maakt, hetgeen een verstrooiing van de deugden, een voedingsbodem van ondeugden en een verachting van de geboden is, maar dat u soms ook hardheid wordt gegeven, waardoor uw verstand aandachtig wordt voor hetgeen ik u voorschrijf. Na deze voorafgaande woorden keren wij terug tot ons onderwerp.

Eerste voorschrift. Over het bewaren van het katholieke geloof

Daar tot de rang van de koninklijke waardigheid slechts gelovigen behoren toe te treden die met het katholieke geloof zijn doordrongen, geven wij daarom in onze voorschriften de eerste plaats aan het heilige geloof. Vóór alles gebied, raad en spoor ik u aan, mijn zeer geliefde zoon, indien gij de koninklijke kroon wilt eren, het katholieke en apostolische geloof met zulk een ijver en waakzaamheid te bewaren, dat gij allen die God aan u heeft onderworpen tot voorbeeld zijt en alle mannen van de Kerk u terecht een waarlijk christelijk man kunnen noemen. Zonder dit geloof, weet dit met zekerheid, wordt gij geen christen genoemd en evenmin een zoon van de Kerk. Want zij die verkeerd geloven of het geloof niet door goede werken vervullen en versieren, omdat het geloof zonder werken dood is, zullen noch hier eervol regeren, noch deelhebben aan het eeuwige koninkrijk en de eeuwige kroon. Indien gij echter het schild van het geloof behoudt, bezit gij ook de helm des heils. Met deze wapenen zult gij wettig kunnen strijden tegen de zichtbare en onzichtbare vijanden. Want de Apostel zegt: Niemand wordt gekroond tenzij hij wettig gestreden heeft. Het geloof waarover ik spreek is dit: vast te geloven zonder te twijfelen dat God, de almachtige Vader, Schepper van alle schepselen, één eniggeboren Zoon heeft, onze Heer Jezus Christus, die door de engel werd aangekondigd en uit de Maagd Maria geboren is, voor het heil van de gehele wereld aan het hout van het kruis heeft geleden, en dat de Heilige Geest, die door de profeten en apostelen en evangelisten heeft gesproken, als één volmaakte, ondeelbare en onbevlekte Godheid eeuwig is en blijft, zonder einde. Dit is het katholieke geloof, zoals Athanasius zegt, dat ieder die behouden wil worden vóór alles geheel en ongeschonden moet bewaren. Indien iemand dit wil verminderen, vermeerderen of bezoedelen, dan is hij zonder twijfel een zoon van de ketterij en geen zoon van de katholieke Kerk. Mannen van zulk een soort moet gij niet voeden of beschermen, opdat gijzelf niet als hun medestander en begunstiger wordt beschouwd, want zulke mannen bederven de zonen van het heilige geloof geheel en verspreiden het ellendig onder dit jonge volk van de heilige Kerk. Wees daarom bijzonder waakzaam, opdat dit niet geschiedt.

Tweede voorschrift. Over de Kerk en het onderhouden van de kerkelijke staat

In het koninklijk paleis neemt na het geloof de Kerk, door Christus ons Hoofd geplant, vervolgens door Zijn ledematen, namelijk de apostelen en heilige vaders, overgeplant en stevig opgebouwd en over de gehele wereld verbreid, de tweede plaats in. Hoewel zij steeds nieuw nageslacht voortbrengt, wordt zij op sommige plaatsen toch als oud beschouwd. Maar, mijn zeer geliefde zoon, in ons koninkrijk wordt zij nog als jong en nieuw verkondigd en daarom heeft zij waakzamere en duidelijker beschermers nodig, opdat het goede dat ons door goddelijke goedertierenheid zonder onze verdiensten is geschonken, niet door uw traagheid, luiheid en nalatigheid wordt vernietigd en tenietgedaan. Want wie de waardigheid van de heilige Kerk vermindert of bezoedelt, tracht het Lichaam van Christus te verminken. De Heer zelf heeft immers tot Petrus, die Hij tot bewaarder en meester van de heilige Kerk heeft aangesteld, gezegd: Gij zijt Petrus en op deze steen zal Ik Mijn Kerk bouwen. Hij noemde Zichzelf weliswaar een steen, maar Hij heeft Zijn Kerk werkelijk gebouwd op Zijn leerling, die eveneens steen genoemd werd. Uit hem kwamen pausen voort en daarna bisschoppen, die hetzelfde ambt bekleden en dezelfde macht bezitten. Indien een ongelukkige de leden of kleinen van deze heilige Kerk tot ergernis brengt, is hij volgens het voorschrift van het Evangelie waardig dat een molensteen aan zijn hals wordt gehangen en hij in de diepte van de zee wordt geworpen, dat wil zeggen dat hij uit de waardigheid van zijn macht wordt gestoten en buiten de Kerk der rechtvaardigen blijft, in de ellende van deze wereld, als een heiden en tollenaar. Daarom, mijn zoon, moet gij met vurige ijver van dag tot dag over de heilige Kerk waken, opdat zij veeleer toeneme dan schade lijde. Ook daarom werden de koningen oudtijds augusti genoemd, omdat zij de Kerk vermeerderden. Doe ook gij dit, opdat uw kroon lofwaardiger en uw leven gelukzaliger en langer moge zijn.

De H. Stefanus en koningin Gisela bij de stichting van een kerk
De H. Stefanus en koningin Gisela bij de stichting van een kerk. Miniatuur uit de Képes Krónika, veertiende eeuw.

Derde voorschrift. Over de eer die aan de bisschoppen moet worden bewezen

De orde der bisschoppen siert de koninklijke troon. Daarom nemen de bisschoppen in de koninklijke waardigheid de derde plaats in. Mijn zeer geliefde zoon, laat de bisschoppen uw ouderen zijn en behoed hen als de pupillen van uw ogen. Indien gij hun welwillendheid bezit, zult gij geen van uw tegenstanders vrezen. Wanneer zij over u waken, zult gij in alles veilig zijn en hun gebed zal u aanbevelen bij de almachtige God. God heeft hen immers tot bewakers van het menselijk geslacht aangesteld, tot wachters over de zielen en over de gehele kerkelijke waardigheid gemaakt en tot bedienaars en uitdelers van het goddelijke sacrament. Zonder hen worden immers geen koningen en geen vorstendommen aangesteld. Door hun tussenkomst worden de zonden der mensen uitgewist. Indien gij hen volkomen liefhebt, geneest gij zonder twijfel uzelf en bestuurt gij uw koninkrijk eervol, want in hun handen is de macht gelegd ons in onze zonden te binden en ons van onze zonden te ontbinden. God heeft immers met hen een eeuwig verbond gesloten en hen van de mensen afgescheiden, hen deelgenoten gemaakt van Zijn eigen naam en heiligheid en hun verboden door mensen berispt te worden door de woorden: Raakt Mijn gezalfden niet aan. Wie dus tegen de goddelijke instelling strijdt, begaat een overtreding tegen God, wanneer hij de heilige orde van hen die God gewijd heeft bezoedelt. Ik verbied u dit vooral, mijn zoon, indien gij gelukkig wilt leven en uw koninkrijk wilt eren, want door dergelijke dingen wordt God vóór alles beledigd. Wanneer een van hen die ik hier noem wegens een vergrijp berisping verdient, berisp hem dan driemaal en viermaal afzonderlijk en in het geheim, overeenkomstig het Evangelie. Indien hij uw geheime vermaningen niet wil horen, moet hij openlijk volgens het Evangelie worden terechtgewezen. Want indien gij deze orde bewaart, zult gij uw heerlijke kroon geheel verheffen.

Vierde voorschrift. Over de eer van de vorsten en krijgslieden

Het vierde sieraad van het bestuur is de trouw, kracht, vaardigheid, welwillendheid en betrouwbaarheid van de vorsten, graven en krijgslieden. Want zij zijn de verdedigingsmuur van het rijk, de verdedigers van de zwakken, de bestrijders van de vijanden en de uitbreiders van de grenzen. Mijn zoon, laat hen uw vaders en broeders zijn. Heers over allen zonder hoogmoed, toorn en trots, vreedzaam, nederig en zachtmoedig, indachtig dat alle mensen dezelfde staat hebben en niets iemand verheft dan de nederigheid en niets hem vernedert dan hoogmoed en haat. Indien gij vreedzaam zijt, zult gij koning en zoon van een koning genoemd worden en door alle krijgslieden bemind worden. Indien gij toornig, hoogmoedig, twistziek en onvreedzaam zijt en uw hals boven de graven en vorsten verheft, zal de kracht van de krijgslieden zonder twijfel tot verzwakking van de koninklijke waardigheid strekken en zullen vreemdelingen uw rijk verkrijgen. Uit vrees hiervoor moet gij door de regel van de deugden het leven van de graven leiden, opdat zij, door uw liefde omgord, zonder vijandigheid aan de koninklijke waardigheid verbonden blijven en uw regering in alles vreedzaam zij.

Vijfde voorschrift. Over het bewaren van het oordeel en het geduld

Het beoefenen van het geduld en van een rechtvaardig oordeel vormt de vijfde versiering van de koninklijke kroon. David, de koning en profeet, zegt: God, geef Uw oordeel aan de koning. En elders: De eer van de koning bemint het oordeel. Over het geduld zegt de apostel Paulus: Weest geduldig jegens allen. En de Heer in het Evangelie: Door uw geduld zult gij uw zielen bezitten. Hiernaar, mijn zoon, moet gij handelen. Indien gij de eer van het koningschap wilt bezitten, bemin dan het oordeel. Indien gij uw ziel wilt bezitten, wees dan geduldig. Telkens wanneer een zaak die een oordeel verdient of iemand die een zware misdaad heeft begaan tot u komt, wees dan niet ongeduldig en bevestig niet met een eed dat gij hem zult straffen. Dit is wankel en zwak, omdat dwaze geloften verbroken moeten worden. Oordeel ook niet zelf, opdat uw koninklijke waardigheid niet door de behandeling van lagere zaken wordt bezoedeld, maar laat dergelijke zaken liever over aan de rechters aan wie zij zijn toevertrouwd, zodat zij overeenkomstig hun wet uitspraak doen. Vrees rechter te zijn, maar verheug u koning te zijn en genoemd te worden. Geduldige koningen regeren, ongeduldige tiranniseren. Wanneer echter iets wat met uw waardigheid overeenkomt aan u ter beoordeling wordt voorgelegd, oordeel dan met geduld en barmhartigheid, zonder eed, opdat uw kroon lofwaardig en versierd moge zijn.

Zesde voorschrift. Over het opnemen en onderhouden van gasten

In gasten en vreemdelingen ligt zo groot nut, dat zij terecht de zesde plaats van de koninklijke waardigheid kunnen verkrijgen. Vanwaar groeide immers aanvankelijk het Romeinse Rijk en werden de Romeinse koningen verheven en beroemd, tenzij doordat vele edelen en wijzen uit verschillende streken daarheen samenstroomden? Rome zou tot op heden een slavin zijn indien de nakomelingen van Aeneas haar niet vrij hadden gemaakt. Zoals gasten uit verschillende streken en landen komen, zo brengen zij verschillende talen en gebruiken, verschillende voorbeelden en wapenen met zich mee. Dit alles siert het rijk, verheft de pracht van het hof en verschrikt de aanmatiging van vreemde machten. Want een rijk van één taal en één gewoonte is zwak en broos. Daarom gebied ik u, mijn zoon, hen met goede wil te onderhouden en te eren, opdat zij liever bij u verblijven dan elders wonen. Indien gij echter hetgeen ik heb opgebouwd wilt vernietigen of hetgeen ik verzameld heb wilt verstrooien, zal uw rijk zonder twijfel zeer grote schade lijden. Opdat dit niet geschiedt, vermeerder dagelijks uw rijk, zodat uw kroon door de mensen verheerlijkt wordt.

Zevende voorschrift. Over de grootheid van de raad

Op de zetels van de koningen neemt de raad de zevende plaats in. Door de raad worden koningen aangesteld, koninkrijken bepaald, het vaderland verdedigd, veldslagen voorbereid, overwinningen behaald, vijanden verdreven, vrienden verkregen, steden gebouwd en vijandelijke legerkampen vernietigd. Omdat echter in de raad het grootste nut gelegen is, moet men daarin geen plaats geven aan dwaze, hoogmoedige of middelmatige mensen, maar aan ouderen die voortreffelijker en wijzer zijn en de hoogste eer genieten. Daarom, mijn zoon, beraadslaag niet met jongeren en minder wijzen en zoek geen raad bij hen, maar bij de ouderen, aan wie dit ambt wegens hun leeftijd en wijsheid toekomt. Want de raad van koningen behoort in de harten van wijzen te wonen en niet door de lichtzinnigheid van dwazen verbreid te worden. Indien gij met wijzen omgaat, zult gij wijs worden. Indien gij met dwazen verkeert, zult gij met hen verbonden worden. Paulus zegt: Wie met wijzen omgaat, zal wijs worden, en hij zal een vriend van dwazen worden wanneer hij zich met hen verbindt. Daarom moet ieder zijn leeftijd gebruiken voor hetgeen daarbij past, namelijk de jongeren voor de wapenen en de ouderen voor de raad. Toch moeten jongeren niet geheel uit de raad worden verdreven. Maar telkens wanneer gij met een jongere die geschikt is voor raad beraadslaagt, leg dan hetgeen hij zegt steeds voor aan de ouderen, opdat al uw handelingen worden afgemeten aan de maatstaf van de wijsheid.

Achtste voorschrift. Dat de zonen hun voorgangers moeten navolgen

Het navolgen van de voorgangers neemt in de koninklijke waardigheid de achtste plaats in. Gij weet dat het grootste koninklijke sieraad bestaat in het volgen van de vroegere koningen en het navolgen van de eerbare ouders. Wie immers de voorschriften van zijn voorgangers veracht, kan de goddelijke wetten evenmin bewaren. De vaders zijn immers daarom vaders, opdat zij hun zonen voeden, en de zonen zijn daarom zonen, opdat zij hun ouders gehoorzamen. Wie zijn vader weerstaat, weerstaat God. Want alle ongehoorzamen zijn tegenstanders van God. De geest van ongehoorzaamheid verstrooit de bloemen van de kroon. Ongehoorzaamheid is een pest voor het gehele koninkrijk. Daarom, mijn zeer geliefde zoon, moeten de voorschriften van uw vader, dat wil zeggen van mij, steeds voor u gereedstaan, opdat uw voorspoed overal door koninklijke teugels bestuurd wordt. Volg zonder enige aarzeling mijn gewoonten, die gij geschikt acht voor de koninklijke waardigheid. Het zal voor u moeilijk zijn dit rijk in deze landstreek te behouden indien gij geen navolger zijt van de gewoonten van de koningen die vóór u geregeerd hebben. Welke Griek regeerde immers de Latijnen volgens Griekse gebruiken, of welke Latijn de Grieken volgens Latijnse gebruiken? Geen enkele. Volg daarom mijn gewoonten, opdat gij onder de uwen voortreffelijk en onder vreemdelingen lofwaardig wordt geacht.

Negende voorschrift. Over het onderhouden van het gebed

De onderhouding van het gebed is de grootste verwerving van het heil van een koning. Voortdurend gebed is afwassing en vergeving van de zonden. Gij echter, mijn zoon, telkens wanneer gij u naar Gods tempel begeeft om God te aanbidden, zeg dan met Salomo, de zoon van een koning en zelf als koning steeds: Zend, Heer, de wijsheid van de troon van Uw grootheid, opdat zij met mij zij en met mij arbeide, zodat ik te allen tijde weet wat voor U welgevallig is. En wederom: Heer, Vader en God van mijn leven, verlaat mij niet in het overleg daarvan en laat mij niet vallen in de ogen van mijn tegenstanders. Laat de begeerte van het vlees en de begeerte van de ogen mij niet aangrijpen en geef mij niet over aan een onbeschaamde en dwaze ziel. Met dit gebed baden de oude koningen. Ook gij moet hiermee bidden, opdat God Zich verwaardigt alle ondeugden van u weg te nemen, zodat gij door allen een onoverwinnelijke koning genoemd wordt. Bid ook dat Hij de traagheid en onwetendheid van u verdrijve en u alle deugden schenke waardoor gij de zichtbare en onzichtbare vijanden kunt overwinnen, opdat gij, nadat de loop van het tegenwoordige leven voltooid is, met al uw onderdanen veilig de poort van het eeuwige leven moogt binnengaan.

Tiende voorschrift. Over godsvrucht en barmhartigheid en de overige deugden

De maat der deugden siert de kroon der koningen en wordt als tiende onder de voorschriften gesteld. Want de Heer der deugden is zelf de Koning der koningen. Zoals derhalve de volheid van Zijn hemelse heirleger uit tien koren bestaat, zo moet de levenswandel van uw leven in tien geboden volharden. Een koning behoort godvruchtig en barmhartig te zijn en met de overige deugden vervuld en versierd. Want een koning die door goddeloosheid en wreedheid bezoedeld is, eigent zich tevergeefs de naam van koning toe, omdat hij een tiran genoemd moet worden. Daarom, mijn allerliefste zoon, zoetheid van mijn hart, hoop van het toekomstige nageslacht, smeek en gebied ik u dat gij in alles en jegens allen door godsvrucht gedragen zijt en niet alleen welwillend jegens verwanten en bloedverwanten, vorsten, hertogen, rijken, buren en inwoners, maar ook jegens vreemdelingen en allen die tot u komen. Want het werk van godsvrucht voert u tot de hoogste gelukzaligheid. Wees barmhartig jegens allen die geweld lijden en draag steeds het voorbeeld van de Heer in uw binnenste: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande. Wees geduldig jegens allen, niet alleen jegens de machtigen, maar ook jegens hen die geen macht bezitten. Wees ten slotte sterk, opdat voorspoed u niet bovenmate verheffe en tegenspoed u niet terneerwerpe. Wees ook nederig, opdat God u hier en in de toekomst verheffe. Wees gematigd en straf of veroordeel niemand boven de maat. Wees zachtmoedig, opdat gij nooit tegen de gerechtigheid handelt. Wees eerbaar, opdat gij nooit iemand vrijwillig oneer aandoet. Wees kuis, opdat gij alle onreinheid van de wellust als de prikkel van de dood vermijdt. Al deze dingen die hierboven zijn aangeroerd, vormen tezamen de koninklijke kroon. Zonder deze kan niemand hier regeren, noch het eeuwige Koninkrijk bereiken.

De H. Stefanus van Hongarije biedt zijn kroon aan Onze-Lieve-Vrouw
De H. Stefanus van Hongarije biedt zijn kroon en daarmee zijn koninkrijk aan Onze-Lieve-Vrouw. Olieschets van Franz Anton Maulbertsch, 1772–1774, voor het hoogaltaar van de kerk te Écs. Magyar Nemzeti Galéria, Boedapest.

De Heilige Rechterhand van de H. Stefanus

Uit de Vita van de H. Stefanus door bisschop Hartvik kennen wij het verhaal van de verheffing van zijn relieken en van zijn ongeschonden rechterhand.

De Heilige Rechterhand van de H. Stefanus in een oude reliekhouder
De Heilige Rechterhand in een oudere reliekhouder.

Nadat het lichaam van de H. Stefanus vijfenveertig jaar in het graf had gerust, werd onder koning Ladislaus besloten zijn relieken te verheffen. Na drie dagen van vasten werd het graf geopend. Het was gevuld met een enigszins roodachtige vloeistof, als met olie vermengd, waarin de beenderen van de heilige lagen als in vloeibare balsem. De beenderen werden verzameld en in kostbaar linnen gewikkeld. Men zocht ook naar de ring die Stefanus aan zijn rechterhand had gedragen, maar deze werd niet gevonden. Drie jaar later zat de monnik Mercurius, die bij de opening van het graf was weggehouden, bedroefd in het koor. Daar verscheen hem een jongeman in witte kleding, die hem een opgerolde doek gaf met de opdracht deze te bewaren en eerst tevoorschijn te brengen wanneer de tijd gekomen was. Toen Mercurius na het koorgebed de doek opende, vond hij daarin de ongeschonden rechterhand van de H. Stefanus, met de ring nog aan de vinger. Hij verborg de reliek aanvankelijk in het klooster waarover hij de leiding had en maakte haar later bekend. De koning riep daarop de bisschoppen en voornaamste mannen van het rijk bijeen en stelde een feest in ter ere van de verheffing van de Heilige Rechterhand. Hartvik verklaart vervolgens waarom juist deze hand ongeschonden bleef: Stefanus had haar gedurende zijn leven voortdurend uitgestrekt tot de armen en behoeftigen. Hij ondersteunde de noodlijdenden, bevrijdde gevangenen, kleedde en herbergde pelgrims, waste de voeten van armen en gaf aalmoezen uit zijn eigen bezit.

De verering van de Heilige Rechterhand in Boedapest

De Heilige Rechterhand, in Hongarije de Szent Jobb genoemd, behoort tot de voornaamste relieken van de H. Stefanus. Na verschillende omzwervingen werd zij in 1771 op last van koningin Maria Theresia uit Ragusa, het huidige Dubrovnik, naar Hongarije teruggebracht en vervolgens in Boeda bewaard. Het huidige neogotische reliekschrijn werd in 1862 in opdracht van de Hongaarse bisschoppen vervaardigd naar ontwerp van József Lippert. Sinds 1971 wordt de Heilige Rechterhand bewaard in de Sint Stefanusbasiliek te Boedapest. In de Romeinse kalender wordt de H. Stefanus op 2 september gevierd. In Hongarije is echter 20 augustus van oudsher zijn voornaamste feestdag. Deze datum houdt verband met de plechtige verering van zijn relieken en werd tevens de nationale feestdag van Hongarije. Vanaf het einde van de negentiende eeuw kreeg de openbare processie met de Heilige Rechterhand op 20 augustus een vaste plaats. Het schrijn werd daarbij door Boedapest gedragen, begeleid door geestelijkheid, overheid en gelovigen. Onder het communistische bewind werd deze openbare processie vanaf 1948 verboden. In 1988, bij de 950ste sterfdag van de H. Stefanus, werd de reliek opnieuw plechtig door Hongarije gevoerd. Na het einde van het communistische bewind werd de jaarlijkse Szent Jobb-processie in Boedapest hersteld. Ook tegenwoordig wordt op 20 augustus een plechtige H. Mis gevierd en wordt het schrijn met de Heilige Rechterhand in processie door de straten van Boedapest gedragen.

Szent Jobb-processie in Boedapest in 1931
De Szent Jobb-processie in Boedapest in augustus 1931. Hongarije was vóór de communistische machtsovername een katholieke natie. Op 20 augustus, de nationale feestdag, werd de Heilige Rechterhand van de H. Stefanus plechtig vereerd. De jaarlijkse processie was een openbare uitdrukking van de katholieke ziel van het land. Na de communistische machtsovername werd dit katholieke openbare leven bruut onderdrukt en in 1948 werd ook de Szent Jobb-processie verboden.
De jaarlijkse Szent Jobb-processie in Boedapest
Vanaf 1988 keerde de openbare verering van de Heilige Rechterhand terug. Na de val van het communistische regime werd ook de jaarlijkse Szent Jobb-processie hersteld. Sindsdien wordt de reliek op 20 augustus, de nationale feestdag van Hongarije, weer met grote plechtigheid door Boedapest gedragen.



Lees het gehele leven van de H. Stefanus


H. Stefanus van Hongarije

Patroonheilige

De H. Stefanus is patroonheilige van Hongarije en van koningen. Vanwege de vele kerken en kloosters die hij liet bouwen, wordt hij tevens vereerd als patroon van metselaars, steenhouwers en andere steenbewerkers. Ook wordt zijn voorspraak ingeroepen tegen de dood van kinderen. Stefanus kende dit leed zelf: zijn kinderen stierven vóór hem en ten slotte verloor hij ook zijn enige overgebleven zoon en beoogde opvolger, de H. Emerik.

H. Stefanus, O.P.N.