H. Stephanus, apostolische koning van Hongarije

Katholieke Klassieken

Het leven van de H. Stefanus, apostolische koning van Hongarije

Naar twee oude Vitae

De H. Stefanus van Hongarije

Dit leven van de H. Stefanus is samengesteld naar twee oude levensbeschrijvingen: de Legenda maior Sancti Regis Stephani en de Vita Sancti Stephani regis van bisschop Hartvik. De Legenda maior vormt de voornaamste bron voor zijn bekering van Hongarije, zijn koningschap, de stichting van de Kerk in het rijk en zijn laatste jaren. Bisschop Hartvik vult dit verhaal aan, onder meer met de verheffing van zijn relieken en de geschiedenis van de Heilige Rechterhand.

Geboorte, doop en opvolging van Stefanus

In die tijd was Géza vorst, de vierde na hem die als eerste aanvoerder de Hongaren Pannonië was binnengetrokken. Hij geloofde in Jezus en trad krachtig op tegen de zijnen, maar was barmhartig en vrijgevig jegens vreemdelingen en vooral jegens christenen. Hoewel hij nog door de gebruiken van het heidendom omgeven was, begon hij toch, toen de glans van de geestelijke genade naderde, met alle naburige volken van de omliggende gebieden aandachtig over vrede te onderhandelen, waarvan hij tevoren nooit een liefhebber was geweest, zodat reeds in hem kon worden herkend wiens zoon hij verlangde te worden, volgens het woord van onze Verlosser in het Evangelie: Zalig de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. Bovendien bepaalde hij dat aan andere christenen die zijn rijk wilden binnengaan gastvrijheid en veiligheid moesten worden verleend. Aan geestelijken en monniken gaf hij toestemming voor hem te verschijnen en hij verleende hun gewillig en gaarne gehoor, terwijl hij zich verheugde dat het zaad van het rechtzinnige geloof, geplant in de tuin van zijn hart, een kiem begon voort te brengen. Wat meer? De door de hemel bepaalde tijd was gekomen. Hij geloofde zelf met zijn huisgenoten en werd gedoopt, waarbij hij beloofde allen die aan zijn heerschappij onderworpen waren aan de christelijke naam dienstbaar te zullen maken. Toen hij zeer bezorgd was over het onderwerpen van de opstandigen, het vernietigen van de heiligschennende gebruiken en het instellen van bisdommen, naar zijn inzicht tot bevordering van de heilige Kerk, vertroostte de Heer hem des nachts door een wonderbaar visioen. Hij liet een jongeman van lieflijk voorkomen voor hem verschijnen, die tot hem sprak: Vrede zij u, uitverkorene. Ik beveel u van uw bezorgdheid bevrijd te zijn. U is niet vergund wat gij overweegt, omdat gij handen draagt die met mensenbloed bevlekt zijn. Uit u zal een zoon geboren worden, aan wie de Heer volgens het raadsbesluit van de goddelijke Voorzienigheid zal toevertrouwen dit alles te regelen. Hij zal een van de koningen zijn die door de Heer zijn uitverkoren en hij zal de vergankelijke kroon van dit leven verwisselen voor de eeuwige kroon des levens. Ontvang echter met eer de man die met een geestelijke zending tot u gezonden zal worden. Nadat gij hem ontvangen hebt, bewijs hem eer. Geschokt door de vrees voor het laatste verderf en meegesleept door de liefde tot de altijd blijvende hoop die niet beschaamt, geef aan zijn vermaningen de ongeveinsde instemming van een gelovig hart. Toen de vorst ontwaakte, overdacht hij het verbazingwekkende visioen eerst bij zichzelf en daarna met de gelovigen van Christus en de zijnen. Met uitgespreide handen ter aarde liggend dankte hij God nederig en onder tranen vertrouwde hij zichzelf, zijn vorstendom en zijn nog te geboren zoon toe aan de hoede van Hem die niet slaapt noch sluimert. Terwijl hij zich verwonderde over de man die hem van Godswege was voorzegd, werd hem bericht dat de zalige Adalbert, bisschop van de Kerk van Bohemen, naar hem toe zou komen omwille van zijn bekering en de voortgang van het ongeveinsde geloof, om aan de Heer God een offer van lof te brengen. Er ontstond een onuitsprekelijke vreugde onder de nieuwe krijgslieden van Christus. De vorst trok met de gelovigen de krijgsman van Christus tegemoet, ontving hem eervol en toonde hem, zoals hij in het visioen was vermaand, op alle wijzen dat hij uit vrees en liefde voor God jegens hem een zoon van gehoorzaamheid wilde zijn. Op bevel van de vorst werd daarop overal het ontembare volk bijeengebracht. Door de heilige bisschop werden voortdurend gebeden verricht. De kinderen van het land werden bekeerd en gedoopt en op vele plaatsen werden kerken gesticht. Want het Licht dat iedere mens verlicht, begon, nadat de duisternis verdreven was, in Hongarije te schitteren en de woorden van de profeet werden vervuld: Het volk der heidenen dat in de duisternis wandelde, heeft een groot licht gezien. Het Licht van het onzichtbare Licht is Christus. Hem mochten de volken toen aanschouwen, toen zij uit de duisternis waren teruggeroepen en geloofden dat Hij, het ware Licht, waarlijk God en waarlijk mens is. Intussen werd de door de Heer voorzegde zoon van de vorst geboren, die de Heer, volgens de profeet, reeds kende voordat hij in de moederschoot ontvangen was. De door God beminde bisschop Adalbert doopte hem overeenkomstig de waarheid van zijn geloof met de zalving van het chrisma en werd zijn doopgetuige. Hem werd de naam Stefanus gegeven. Wij geloven dat dit niet vreemd was aan Gods raadsbesluit, want Stefanus betekent in het Grieks wat in het Latijn gekroond betekent. God wilde immers dat hij in deze wereld de macht van het koningschap zou verkrijgen en besloot hem in de toekomstige wereld met de kroon van de altijd blijvende zaligheid te bekronen, opdat hij de voortdurende en nimmer eindigende heerlijkheid zou ontvangen. Het kind groeide op, met een koninklijke opvoeding grootgebracht. Nadat hij de kinderjaren achter zich had gelaten en de eerste trap van de jongelingsjaren was overgegaan, riep zijn vader de voornaamsten van Hongarije met de overige standen bijeen. Na gemeenschappelijk beraad stelde hij zijn zoon Stefanus aan om na hem over het volk te regeren en om dit te bevestigen eiste hij van ieder afzonderlijk een eed. Daarna, vol van dagen, verwisselde hij in het jaar van de menswording des Heren 997 de ellenden van deze boze wereld voor de hemelse vreugde. In hetzelfde jaar ging de zalige bisschop Adalbert Pruisen binnen om het woord Gods te prediken en werd daar met de palm van het martelaarschap gekroond. Toen vervolgens het rijk van Pannonië zich naar de wil van de zalige jongeling richtte, bevestigde hij getrouw de vrede die met de volken van de vreemde gebieden was gesloten, opdat hij daarin des te veiliger zou kunnen volbrengen hetgeen hij in zijn geest overdacht voor de jonge aanplant van het christendom. Maar de tegenstander van alle goedheid, de duivel, vol afgunst en boosheid, verwekte binnenlandse oorlogen tegen hem om het heilige voornemen van Christus’ krijgsman te verstoren. Want op zijn aansporing weigerde het heidense volk de nek onder het juk van het christelijk geloof te buigen en trachtte het zich met zijn vorsten aan zijn heerschappij te onttrekken. Onder de bescherming van het teken van het allerheerlijkste Kruis, bijgestaan door de verdiensten van Maria, de Moeder Gods en altijd Maagd, en onder de banier van de door God beminde bisschop Martinus en van de heilige martelaar Georgius, onderwierp hij hen allen, nadat hun leiders waren gedood, in korte tijd aan zijn heerschappij. Hij liet hen wassen in het water van het doopsel en dwong hen de ene God te vereren, terwijl door getrouwe priesters de vermaningen des heils werden uitgedeeld. Nadat aldus de vijanden overwonnen waren, besloot de krijgsman van Christus, vervuld van geestelijke vreugde, zijn gehele geest tot een ontvanger van het evangelische zaad te maken. Hij legde zich toe op aalmoezen en gebeden, wierp zich dikwijls ter aarde in het huis van de heilige Kerk en vertrouwde onder tranen de volvoering van zijn voornemen toe aan de wil van God, opdat hij, die zonder Hem niets vermocht te doen, door de hulp van Zijn beschikking het goede dat hij had bedacht en met het beoefenen van de deugden was begonnen, tot het einde zou kunnen brengen.

De stichting van het christelijke koninkrijk

Omdat hij voor het beginnen en voltooien hiervan de raad van de gelovigen van Christus noodzakelijk achtte, maakte hij door boden en brieven in alle richtingen zijn verlangen bekend. Vandaar kwamen vele priesters en geestelijken die, door de Geest de Trooster getroffen, hun eigen woonplaatsen verlieten en verkozen vreemdeling te worden. Abten en monniken, die niets als eigendom begeerden te bezitten, verlangden onder de bescherming van zo godvruchtige een vorst volgens hun regel te leven. Onder hen kwam de in het godgewijde leven eerbiedwaardige vader Astrik met zijn leerlingen. Een van hen, Bonifatius genaamd, werd in de plaats van zijn vader tot abt aangesteld. Toen hij door de zalige koning omwille van de prediking naar de lagere delen van Hongarije was gezonden, werd hij met een zwaard in de hals getroffen. Hoewel hij daarna bleef leven, werd hem het martelaarschap niet ontnomen. Ook kwamen er twee anderen uit het Poolse land, die omwille van de beschouwing het kluizenaarsleven hadden gekozen. Een van hen, Andreas genaamd, werd door de verdienste van zijn belijdenis met de engelenkoren verenigd, zoals blijkt uit de tekenen van wonderen die de Heer door hem verrichtte. De andere, Benedictus, werd door het vergieten van zijn bloed voor Christus wonderbaar met de lauwerkrans bekroond. Abt Astrik werd met de zijnen eervol ontvangen en bouwde aan de voet van de IJzeren Berg een klooster onder de titel van de heilige vader Benedictus, waar tot op de huidige dag een kloostergemeenschap, krachtig in de tucht van de regel en overvloedig voorzien van tijdelijke goederen tot haar onderhoud, aan niets gebrek heeft dan hieraan, dat zij overeenkomstig het Evangelie de voeten van de eigen broeders en van anderen wast. Met deze dienaren Gods hield de allerchristelijkste vorst nu eens gezamenlijk met allen, dan weer afzonderlijk met ieder van hen overleg. Hij verdeelde zijn gebieden in tien bisdommen en bepaalde, met instemming en bevestiging van degene die de Romeinse Apostolische Stoel bekleedde, dat de kerk van Esztergom de metropolitane kerk en meesteres van de overige zou zijn. Aan haar stelde hij de reeds genoemde eerbiedwaardige abt Astrik, bekleed met de tekenen van de bisschoppelijke waardigheid en canoniek gekozen, aan het hoofd. Op diens raad vertrouwde hij de overige zetels toe aan de zorg en voorzienigheid van de vaders. Overal werden de fundamenten van heilige gebouwen gelegd, kloostergangen van kanunniken verrezen en kloosters van gemeenschappen die volgens hun regel leefden kwamen tot bloei. Van alle kanten stroomden dienaren Gods toe, wier verlangen werd opgewekt door de troost van de welwillende ontvangst door zo vrijgevige een vorst. En omdat Pannonië zich beroemt op de geboorte van de zalige bisschop Martinus, door wiens beschermende verdiensten de aan Christus getrouwe koning, zoals reeds gezegd is, de overwinning op zijn vijanden had behaald, bouwde hij, na met godvruchtige mannen beraadslaagd te hebben, nabij de geboortegrond van de heilige bisschop, op de plaats die de Heilige Berg genoemd wordt, een klooster onder diens titel. Hij verrijkte het met bezittingen, inkomsten en al wat voor het onderhoud noodzakelijk was en maakte het door de toekenning van tienden gelijk aan de bisdommen. In het vijfde jaar na de dood van zijn vader werden, daar de goddelijke goedertierenheid het aldus wilde, de brieven met de apostolische zegen gebracht. Terwijl de bisschoppen met de geestelijkheid en de graven met het volk passende lofzangen aanhieven, werd de door God beminde Stefanus koning genoemd en, met de zalving van het chrisma gezalfd, gelukkig met het diadeem van de koninklijke waardigheid gekroond. Nadat hij het teken van de keizerlijke verhevenheid had ontvangen, maakte hij door het decreet dat hij met de bisschoppen en voornaamsten van Hongarije vaststelde duidelijk wat voor een man hij in levenswandel en onderscheidingsvermogen was. Daarin schreef hij namelijk tegen ieder kwaad zijn tegengif voor. En om te bewijzen dat hij een zoon was van de vrede waardoor Christus de wereld heeft verenigd, liet hij voor zijn nakomelingen door de bekrachtiging van een onvergankelijk verbond vaststellen dat niemand een ander vijandig zou aanvallen, niemand een vijand zonder onderzoek door het gerecht zou verwonden en niemand weduwen en wezen zou verdrukken. Om echter een deelgenote aan het koningschap te hebben, vooral met het oog op het voortbrengen van nageslacht, verbond hij zich in het huwelijk met Gisela, de zuster van Hendrik, bekleed met de Romeinse keizerlijke waardigheid, die wegens de zachtmoedigheid van zijn zeden de Vrome werd genoemd. Nadat zij met het chrisma gezalfd was, maakte hij door het dragen van de kroon bekend dat zij zijn deelgenote was. Hoezeer zij zich toelegde op de versiering van de eredienst van God en hoe dikwijls en mild zij zich betoonde jegens de gemeenschappen van hen die God dienden, daarvan getuigen tot op de huidige dag de kruisen, vaten en paramenten van vele kerken, die door wonderbaar handwerk vervaardigd of geweven zijn. Boven alle andere getuigt hiervan het bisdom Veszprém, waarvan zij de vanaf de fundamenten begonnen kerk met al het nodige voor de goddelijke dienst, met goud en zilver en met talrijke gewaden versierde. De koning zelf voorzag de pas gestichte bisdommen evenals de abdijen op koninklijke wijze van landgoederen en hoeven, dienaren en inkomsten, en versierde ze naar de behoefte van iedere plaats voldoende met kruisen, vaten en andere benodigdheden die tot de dienst van God behoren. Het leven en de levenswijze van de monniken onderzocht hij zorgvuldig, nu eens door anderen, dan weer zelf. De tragen berispte hij en de waakzamen omringde hij met zijn liefde. De bediening van de kanunniken vertrouwde hij onder het getuigenis van Christus en de Kerk toe aan de voorzienigheid van de bisschoppen en overeenkomstig de Apostel werd hij allen alles, opdat hij allen zou winnen.

De katholieke vorst

Deze man was gelovig en in al zijn handelingen volkomen aan God toegewijd. Door gelofte en offerande stelde hij zichzelf met zijn koninkrijk onder de bescherming van Maria, de Moeder Gods en altijd Maagd, aan wie hij zich door voortdurende gebeden toevertrouwde. Haar eer en heerlijkheid worden onder de Hongaren zozeer gevierd, dat zelfs het feest van de Tenhemelopneming van deze Maagd in hun taal, zonder toevoeging van haar eigen naam, de Dag van de Koningin wordt genoemd. En om des te overvloediger de barmhartigheid van haar bescherming te verkrijgen, begon hij in de stad van de koninklijke zetel die Alba genoemd wordt een beroemde en grote basiliek te bouwen onder de lof en titel van deze altijd Maagd. Zij was van wonderbaar werk, met beeldhouwwerk in de wand van het koor en een vloer die met marmeren platen was bedekt. Wie haar gezien heeft, legt getuigenis af van de waarheid van onze woorden: ontelbare soorten mantels, paramenten en andere versieringen bevonden zich daar, rondom de altaren verscheidene platen van het zuiverste goud, waarin rijen van de kostbaarste stenen waren gezet, boven de tafel van Christus een ciborium van wonderbaar kunstwerk en een schatkamer geheel gevuld met allerlei kristallen, gouden en zilveren vaatwerk. De dienaar Gods besloot reeds alles wat hij toen bezat en kon verwerven aan Christus te schenken, hetgeen hij door Diens gave had verworven, opdat Hij, Die hem de heerlijkheid en eer van deze tegenwoordige wereld waardig had gemaakt, zich zou verwaardigen hem genadig met de burgers van het hemelse vaderland te verenigen. Wij lezen in de profetie dat over de apostelen geschreven staat: Over heel de aarde is hun stem uitgegaan, en wat volgt. Dat dit niet alleen van de twaalf gezegd is, maar van allen die door God gezonden zijn om het Evangelie te verkondigen, wordt bewezen door hen door wier geloof, woorden en levenswandel de Kerk in wasdom toenam. Onder hen wordt deze allerchristelijkste koning niet tot de geringsten gerekend. De faam van zijn goede wil en van het werk dat hij binnen de uitgestrektheid van zijn eigen gebied bij het bouwen van kerken verrichtte, had zich tot verre en zeer beroemde landen verbreid. Want in Jeruzalem zelf, de stad waar Christus naar Zijn mensheid verkeerd had, bouwde hij een klooster voor monniken en verrijkte het met landgoederen en wijngaarden die overvloed voor het dagelijks levensonderhoud verschaften. Ook in Rome, het hoofd van de wereld, stichtte hij onder de titel van Stefanus, de eerste martelaar, een gemeenschap van twaalf kanunniken en voorzag haar overvloedig van al wat daarbij behoorde. Daaromheen liet hij een stenen muur bouwen met huizen en verblijven voor de Hongaren die omwille van het gebed de drempels van de zalige Petrus, de prins der apostelen, bezochten. Ook de keizerlijke stad Constantinopel onthield hij zijn weldaden niet, want hij schonk haar een kerk van wonderbaar werk met al wat zij nodig had. Terecht verwierf hij daarom binnen de grenzen van zijn heerschappij de naam van apostel, want hoewel hij zelf het ambt van evangelieverkondiging niet op zich nam, stelde hij zich niettemin aan als leider en meester van de predikers en verschafte hij hun de hulp van zijn bescherming en onderhoud. Onder alle weldaden van de hemelse barmhartigheid die van Godswege aan de zalige koning geschonken waren, moeten vóór alle andere die worden opgesomd en aan het schrift worden toevertrouwd, die worden vermeld welke de eerste plaats innemen om de vreugden van het eeuwige leven te verdienen. Want in al zijn goede werken hield hij datgene als beginsel voor ogen wat hij uit het Evangelie met de gelovige blik van zijn hart had beschouwd door het getuigenis van de Waarheid zelf, die zegt: Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen, en op een andere plaats: Geeft en u zal gegeven worden. Met zulke armen van barmhartigheid en liefde omhelsde hij de armen van Christus, ja Christus zelf in hen, dat nooit enige gast of vreemdeling bedroefd van hem heenging zonder enige vertroosting van zijn goedertierenheid. Voor de verkwikking van de behoeftigen liet hij onophoudelijk dagelijkse uitdelingen doen. Zijn nachtelijke waken placht hij door te brengen met het wassen van de voeten van Christus’ gelovigen en met het vaardig en blijmoedig verbergen van aalmoezen in de schoot van de armen. Hij besloot de behoeftige Christus tijdelijk in Zijn ledematen te vertroosten, opdat hijzelf de kamer van het hemelse leven, met alle vreugden gevuld, zou mogen vinden en zich eeuwig verheugen. Op zekere nacht echter, door een geestelijke aansporing bewogen, ging hij zonder dat iemand het wist alleen, met een beurs vol van Gods gave, zoals gewoonlijk de kleine kudde van Christus bezoeken. Zodra de armen het geld van de uit te delen hemelse schat begonnen weg te grissen, legden zij getuigenis af door haren uit de baard van de man Gods te trekken. Hierdoor met vreugde vervuld nam de krijgsman van Christus zijn toevlucht tot de allerzaligste Moeder van de Schepper van allen en, ter aarde neergeworpen en dankzeggend, riep hij aldus uit: Hemelse Koningin en mijn Koningin, uw krijgslieden hebben hem die gij tot koning hebt aangesteld aldus geëerd. Indien mij dit door enige tegenstander was aangedaan, zou ik met uw hulp mijn onrecht hebben gewroken. Daar ik echter weet, Vrouwe, dat ik hierdoor de eeuwige gelukzaligheid waardig word, verheug ik mij bovenmate en dank ik met de vertroostende woorden van onze Verlosser, waarmee Hij Zijn leerlingen vertroostte toen Hij zei: Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Na deze woorden bemerkte de man Gods dat hij door de hemelse genade bezocht en met een geestelijke gave overgoten was. Hij besloot de deuren van zijn hart nooit te sluiten voor hen die hulp zochten en liet voortaan door zichzelf en door anderen, maar vooral door de dienaren en vertrouwelingen van Christus, geestelijken en monniken, de hem uit de hemel geschonken goederen door de handen van de armen in de eeuwige schatkamers neerleggen. Hiervan legt de zalige Gunther getuigenis af, monnik uit wereldlijke adel en kluizenaar, die met hem voor eeuwig deelgenoot is van het hemelse leven en die, aangetrokken door de liefdevolle vrijgevigheid van de vorst, hem dikwijls vanuit het land der Bohemers placht te bezoeken. Want telkens wanneer hij door de luister van zijn komst het hof van de koning verlichtte, werd de schatkamer van de koning te zijner beschikking gesteld en was zij binnen korte tijd leeg, doordat hetgeen zij bevatte onder vreemde en inlandse behoeftigen, weduwen en wezen, kloosters en kerken was verdeeld. Ook begon de aan God toegewijde koning op aanwijzing van deze dienaar Gods het klooster dat Béli genoemd wordt en verrijkte het met alle goederen. Daar begon de uit Venetië gekomen monnik Gerardus een beschouwend leven te leiden. Deze werd door hemelse beschikking tot bisschop gekozen en werd na de dood van de heilige koning, toen de verstoring van het christendom dreigde, gestenigd en door de gave van de geestelijke genade waardig bevonden aan het martelaarschap deel te hebben. Ik meen ook niet te mogen voorbijgaan hetgeen de goddelijke kracht reeds tijdens het leven van de man Gods wilde tonen omtrent de grote verdienste die hij na zijn dood zou bezitten. Want telkens wanneer de ziekte van enig mens aan zijn oren gemeld werd, zond hij hem als geneesmiddel een stukje brood, een appel of een welriekend kruid, al naargelang hetgeen hij op dat ogenblik bij zich kon hebben, met het bevel gezond op te staan, en doordat Gods goedgunstigheid zijn woord vergezelde, ontving die terstond zijn gezondheid terug. Na de roemrijke hemelvaart en de wonderbare zeteling aan de zijde van de Vader wordt van onze Verlosser verhaald dat Hij aan weinigen lichamelijk verschenen is, maar velen door een verschijning heeft vertroost en hun voorkennis van toekomstige dingen heeft gegeven. Dit viel ook deze zalige ten deel. Op zekere nacht werd hij plotseling door een openbaring gewekt en beval een ijlbode binnen één dag en één nacht naar Alba in Transsylvanië te spoeden en allen die op het land verbleven zo snel mogelijk binnen de versterkingen van de steden bijeen te brengen. Hij voorspelde namelijk dat de vijanden van de christenen zouden komen, te weten de Bessi, die toen de Hongaren bedreigden, en hun bezittingen zouden plunderen. Nauwelijks had de bode de bevelen van de koning uitgevoerd, of zie, de onverwachte rampspoed der Bessi verwoestte alles met brandstichting en plundering, terwijl door de openbaring Gods, die om de verdiensten van de zalige man verleend was, de levens der mensen binnen de toevluchtsoorden van de versterkingen behouden bleven. Na deze gebeurtenissen stierf Hendrik de Vrome, die door de gemalin van de zalige koning met hem verwant was en de Romeinse keizerlijke waardigheid bezat, en werd Koenraad door de keuze van de Duitsers tot de keizerlijke macht verheven. Deze verbrak de rust van de vrede, verzamelde de strijdmacht van geheel Duitsland en trachtte de grenzen van Pannonië vijandig binnen te vallen. De koning hield daarover raad met de bisschoppen en vorsten en bracht de gewapende mannen van geheel Hongarije bijeen om het vaderland te verdedigen. Eerst echter bedacht hij dat hij zonder de hulp van Christus niets vermocht en, zijn handen en hart ten hemel heffend en het hem aangedane onrecht aanbevelend aan zijn Vrouwe, Maria, de Moeder Gods en altijd Maagd, barstte hij in deze woorden uit: Indien het u behaagt, Vrouwe van de wereld, dat uw erfdeel door de vijanden wordt verwoest en de jonge aanplant van het christendom wordt vernietigd, smeek ik u dat dit niet aan mijn nalatigheid wordt toegeschreven, maar veeleer aan de beschikking van uw wil. Indien de herder schuld heeft, laat hijzelf dan dragen wat hij verdient. Spaar, zo smeek ik u, de onschuldige schapen. Na deze woorden ging hij, als door haar vertroost, vol vertrouwen tegen de vijand op weg. Reeds de volgende dag kwam bij iedere aanvoerder van de Duitsers in het legerkamp een bode, als was hij door de keizer gezonden, die hun het bevel bracht terug te keren. Toen de tegenstanders terugkeerden en de heilige begreep dat hij door de barmhartigheid Gods bezocht was, wierp hij zich ter aarde en dankte Christus en Zijn Moeder, aan wier bescherming hij zichzelf en het bestuur van zijn rijk door voortdurende gebeden toevertrouwde. De keizer echter, verschrikt door de zo plotselinge terugkeer van zijn mannen, onderzocht hoe dit gebeurd was. Toen hij zag dat hun terugkeer waarlijk door Gods raadsbesluit tot versterking van de hoop van de zeer gelovige koning had plaatsgevonden, twijfelde hij daar niet aan en onthield hij zich voortaan, door vrees voor de eeuwige Rechter weerhouden, van een inval in diens rijk.

De H. Emmerik en de voorschriften aan zijn zoon

Ook in de zalige Stefanus blijkt het woord van de Apostel vervuld te zijn dat wij door vele verdrukkingen het Rijk Gods moeten binnengaan, en hetgeen in het Boek der Wijsheid staat: Die God liefheeft, kastijdt Hij, en een vader tuchtigt de zoon die hij aanneemt. Want op vele wijzen werd hij aan de goddelijke kastijding onderworpen en drie jaren lang leed hij aan een voortdurende ziekte. Nadat hij daarvan door het geneesmiddel van Gods ontferming hersteld was, voelde hij opnieuw door het verborgen raadsbesluit van de Eeuwige de slagen van een beproeving over zich komen door de dood van zijn zonen, die Hij, die hen gegeven had, terwijl zij nog onschuldig in de jaren van hun kindsheid waren, weer wegnam. De vader bedwong zijn droefheid over hun dood door de vertroosting van de liefde voor zijn overgebleven zoon, Emmerik, een man van heilige inborst. Omdat hij hem nu als zijn enige zoon beminde, beval hij hem dagelijks in zijn gebeden aan Christus en aan Zijn Moeder, de altijd Maagd. Hij verlangde met al zijn wensen dat deze hem zou overleven en aan het hoofd van hetzelfde rijk zou staan. En opdat hij bekwamer zou worden om de teugels van zo groot een bestuur te houden, liet hij hem door dagelijks lezen met beide oren luisteren naar het onderricht van rechtgelovige mannen. Ook stelde hijzelf, door de vurigheid van vaderlijke liefde bewogen, een boekje over de vorming der zeden samen, waarin hij hem getrouw en liefdevol met woorden van geestelijke vermaning toesprak en onderwees hoe hij vóór alles het katholieke geloof moest bewaren, de kerkelijke staat bevestigen, eer bewijzen aan de waardigheid van de bisschoppen, de vorsten en krijgslieden liefhebben, het recht onderhouden, in al zijn handelingen geduld bezitten, gasten welwillend ontvangen en nog welwillender onderhouden, niets zonder raad ondernemen, zijn voorouders steeds voor ogen houden en hen tot voorbeeld stellen, het gebed veelvuldig beoefenen en godsvrucht en barmhartigheid met de overige deugden bezitten. Door deze en dergelijke onderrichtingen gevormd, gehoorzaamde de voortreffelijke jongeling aan de eeuwige beschikking waaraan alles onderworpen is en verwisselde hij in het jaar van de menswording des Heren 1031 dit verderfelijke leven voor het eeuwige en werd hij opgenomen in het gezelschap van de hemelse burgers. O hoe groot was de rouw van allen, maar vooral van de vorsten, onder wie de verlaten vader zwaar zuchtte. Want toen hij zag dat hij alleen en zonder hoop op nageslacht was achtergebleven, leed hij uit vaderlijke liefde smart. Maar omdat hij wist dat geschreven staat: Er is geen verstand, geen wijsheid, geen raad tegen de Heer, en in de canones dat niemand wegens de dood van zijn dierbaren al te zeer bedroefd behoort te zijn, legde hij zijn rouw af en wijdde hij zich geheel aan het zoeken van de overvloed van Gods barmhartigheid. Hij vertroostte de dienaren van kloosters en kerken, monniken en geestelijken met verschillende gaven van aalmoezen en deelde al wat hij op dat ogenblik aan middelen kon bezitten uit aan pelgrims, weduwen en wezen. Ook de kloosters van vreemde landen bezocht hij dikwijls door middel van zijn gezanten met ontelbare gaven van koninklijke vrijgevigheid.

De laatste jaren en de dood van de H. Stefanus

De ernst van levenswandel die hij in zijn jeugd had aangenomen, behield hij tot het einde van zijn leven. Nauwelijks bewoog hij ooit zijn lippen tot lachen, indachtig hetgeen geschreven staat: Het lachen zal met droefheid vermengd worden en het einde van de vreugde wordt door rouw ingenomen. Hij verscheen steeds alsof hij voor de rechterstoel van Christus stond, terwijl hij met de innerlijke ogen Zijn tegenwoordigheid met eerbiedig gelaat aanschouwde, en toonde dat hij Christus in zijn mond, Christus in zijn hart en Christus in al zijn handelingen droeg. Hij hield de laatste dag steeds met het gehele verlangen van zijn hart voor de geest en verlangde reeds onder de burgers van het hemelse vaderland te wonen, als het ware bekleed met een zekere levenswijze der engelen. Versierd met alle soorten van deugden die God behagen, besloot hij al de dagen van zijn leven voor Hem in gerechtigheid en heiligheid te wandelen, zodat reeds een zekere voorafbeelding van zijn toekomstige verheerlijking in hem scheen te schitteren. Eindelijk, door de barmhartigheid Gods waardig bevonden het loon van een honderdvoudige vergelding te ontvangen, werd hij door koorts getroffen. Daar hij er niet aan twijfelde dat zijn overgang nabij was, liet hij de bisschoppen en de voornaamsten van het paleis, die zich op de naam van Christus beroemden, bij zich komen. Eerst overlegde hij met hen over degene die in zijn plaats als koning moest worden aangesteld, namelijk Petrus, de zoon van zijn zuster, die in Venetië geboren was, die hij reeds lang tevoren bij zich had laten komen en die hij als aanvoerder over zijn leger had aangesteld. Daarna vermaande hij hen vaderlijk het rechtzinnige geloof dat zij ontvangen hadden te bewaren, de gerechtigheid lief te hebben, de banden van de hemelse liefde te koesteren en zich op de liefde toe te leggen, met ijver over de nederigheid te waken, maar bovenal zorg te dragen voor de jonge aanplant van het christendom. Nadat hij dit gezegd had, hief hij zijn handen en ogen naar de hemel en riep aldus uit: Koningin des hemels, roemrijke herstelster van de wereld, aan uw bescherming vertrouw ik in mijn laatste gebeden de heilige Kerk met haar bisschoppen en geestelijkheid toe, het koninkrijk met zijn voornaamsten en volk, en terwijl ik hun mijn laatste vaarwel zeg, beveel ik mijn ziel in uw handen. Toen naderde het verheven feest, de bij engelen en mensen gevierde dag van de Tenhemelopneming van Maria, de altijd Maagd. In de hoop op grotere barmhartigheid bad hij met bijzondere gebeden dat de ontbinding van zijn lichaam op de vreugdevolle dag van dit feest zou plaatsvinden, en door zuchten en tranen verkreeg hij dit. Zo brak die gelukzalige dag aan, die weldra door zijn heengaan nog gelukzaliger zou worden. Rondom hem stonden de bisschoppen met de geestelijkheid en de voornaamste schare van de graven met een menigte dienaren. In hun midden lag de door God beminde koning. Nadat hij het sacrament van de geestelijke zalving had ontvangen en zijn heilige ziel door het Viaticum van het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus was gesterkt, gaf hij haar in de handen van de altijd Maagd en van de heilige engelen, opdat zij tot de rust van de eeuwige hemelse zaligheid zou worden gevoerd. Er ontstond grote rouw onder de zijnen en vreugde onder de engelen, maar deze rouw werd later veranderd in eeuwige vreugde, zowel voor de volken die nog geboren zouden worden als voor hen die reeds leefden. Uit alle streken van Pannonië stroomde men samen voor zijn uitvaart. Het lichaam werd naar de koninklijke zetel gebracht, namelijk naar de stad Alba. Omdat de kerk die hij zelf ter ere van de Allerheiligste Maagd had gebouwd nog niet gewijd was, besloten de bisschoppen na beraad eerst de basiliek te wijden en daarna het lichaam aan de aarde toe te vertrouwen. Nadat de plechtigheid van de kerkwijding voltooid was, werd het heilige lichaam midden in het godshuis in een sarcofaag van wit marmer gelegd. Daar bewees de Heer gedurende vele jaren door zijn verdiensten ontelbare weldaden aan velen die door ziekten en koortsen gekweld werden en in hun ellende en nood tot Hem riepen. Dikwijls werd gedurende de nacht door velen de melodie van engelenzang gehoord en nog vaker verspreidde zich de zoetheid van een allerliefelijkste geur door alle delen van de kerk.

De verheffing van zijn relieken en de Heilige Rechterhand

Zo rustte dan het zalige lichaam gedurende vijfenveertig jaren op dezelfde plaats, zonder door duidelijke tekenen van wonderen geopenbaard te worden, volgens het wonderbare geheim van de wil van Hem die in Zijn heiligen geprezen wordt en wonderbaar is, opdat zijn lichaam evenveel jaren, door het gewicht van de aarde gedrukt en tot stof vergaan, zou doorbrengen als zijn geest, met het vlees van zijn lichaam bekleed, door de gave van de geestelijke genade waardig bevonden was op aarde de kroon van het gezag te dragen, om op de vastgestelde tijd des te waardiger geopenbaard te worden en op de dag van de verrijzenis des te heerlijker te mogen opstaan. Het behaagt de geestelijke blik te onderzoeken wat hiervan de bedoeling en betekenis kan zijn, daar wij niet menen dat dit zonder de werking van de goddelijke voorbeschikking kon geschieden. Misschien was in hem nog iets van het aardse stof overgebleven dat door het vuur van de goddelijke beproeving gezuiverd moest worden, zonder welke zij die als krachtens enig gezag regeren dit tegenwoordige leven nauwelijks of in het geheel niet kunnen doorbrengen. Toen aldus vijfenveertig jaren verstreken waren en God eindelijk de verdiensten van Zijn heilige wilde openbaren, om door hem aan de stervelingen de weldaden van Zijn barmhartigheid te tonen, werd door een apostolische brief op bevel van de Romeinse Stoel bepaald dat de lichamen van hen die in Pannonië het zaad van het christelijk geloof hadden gezaaid en het door hun prediking of onderricht tot God hadden bekeerd, verheven moesten worden. Toen de tijd gekomen was om hem te openbaren en de lofwaardige genade die het Hongaarse volk door hem verkregen had in de wereld bekend te maken, werd koning Ladislaus, die toen het rijk bestuurde, vermaard om de volkomen rechtschapenheid van zijn zeden en schitterend door de glans van zijn deugden, geheel toegewijd aan de lof en de dienst van God, door de verlichting van de Heilige Geest, de Trooster, bewogen. Na overleg met de bisschoppen, de voornaamsten en de wijzen van geheel Pannonië schreef hij allen een vasten van drie dagen voor, opdat hetgeen door de gaven van de Heilige Geest, die het heil van zielen en lichamen bewerken, tot nut van de gehele gemeenschap der katholieken zou blijken te strekken, door de gemeenschappelijke smeekbede van allen, gesteund door vasten en aalmoezen, van Christus zou worden gevraagd en door de openbaring van tekenen bekendgemaakt. Maar om te tonen hoe groot de barmhartigheid was geweest die de heilige koning nog tijdens zijn leven in het sterfelijke lichaam had beoefend en die hij, nu met Christus regerend, boven zijn overige werken nog wilde doen blijken, geschiedde het dat zij gedurende drie dagen met al hun krachten trachtten zijn heilig lichaam te verheffen, maar het op geen enkele wijze van zijn plaats konden bewegen. In die tijd was wegens de zonden een ernstige tweedracht ontstaan tussen de genoemde koning Ladislaus en zijn verwant Salomon, ten gevolge waarvan Salomon gevangen was genomen en in de kerker werd vastgehouden. Toen zij dus vergeefs trachtten het lichaam te verheffen, was er bij de kerk van de Heilige Verlosser te Bökénysomlyó een zekere ingeslotene, Caritas genaamd, wier levenswandel in die tijd in grote roep stond. Nadat haar door een hemelse openbaring iets bekendgemaakt was, liet zij de koning weten dat zij zich vergeefs inspanden en dat de relieken van de heilige koning niet konden worden overgebracht voordat aan Salomon, na zijn bevrijding uit de kerker, volledige vergiffenis geschonken was. Nadat deze uit de gevangenis was gehaald en opnieuw een vasten van drie dagen was gehouden, kwam men op de derde dag om de heilige relieken over te brengen. De geweldige steen die op het graf lag, werd toen met zo groot gemak opgeheven alsof hij tevoren in het geheel geen gewicht had gehad. Nadat aldus de derde dag van het vasten en het avondofficie voltooid waren en allen door de verdiensten van de zalige man de weldaden van de goddelijke barmhartigheid verwachtten, bezocht Christus plotseling Zijn volk en werden door de gehele ruimte van het heilige gebouw vanuit de hemel tekenen van wonderen uitgestort. Omdat hun menigte diezelfde nacht iedere telling te boven ging, past het hier het woord van het Evangelie aan te halen dat de Verlosser van de wereld als antwoord liet brengen aan Johannes, toen deze door boden vroeg of Hij degene was die komen zou: blinden zien, kreupelen lopen, doven horen, melaatsen worden gereinigd, verminkten worden hersteld en verlamden worden genezen. Van deze wonderen zullen wij er echter enige bekendmaken, omdat wij ze niet alle kunnen verhalen. Toen de morgen was aangebroken van de vijfde dag na de Tenhemelopneming van de allerheiligste Moeder Gods Maria, kwamen de voornaamsten met de geestelijkheid en de prelaten samen met de koning in de kerk bijeen. Eerst werd de Mis voor de overledenen opgedragen. Daarna werd de marmeren plaat die boven de vloer uitstak opgeheven en bereikten zij het graf. Toen dit geopend werd, omhulde een zo krachtige zoetgeurende geur allen die daar aanwezig waren, dat zij meenden midden in het paradijs van de heerlijkheden des Heren te zijn opgenomen. Ook het graf zelf was vol water, enigszins roodachtig en als met olie vermengd, waarin de kostbare beenderen als in vloeibare balsem rustten. Nadat deze in een allerzuiverste linnen doek waren verzameld, zocht men zeer lange tijd in diezelfde vloeistof naar de ring die aan de rechterhand van de zalige man was geschoven. Toen deze niet gevonden werd, begonnen sommigen op bevel van de koning het water in zilveren ketels en vaten uit te gieten, opdat, wanneer de sarcofaag leeg was, de ring met meer zekerheid gevonden zou kunnen worden. Maar op wonderbare wijze werd het graf des te meer gevuld naarmate er meer vloeistof werd uitgegoten, doordat deze voortdurend toenam. Toen zij dit wonder zagen, goten zij het uitgeschepte water weer op zijn plaats terug, maar hoewel zij het teruggoten, werd het graf daardoor niet voller. Daarop bedekten zij het graf en keerden, terwijl zij lof en dank aan de goddelijke goedertierenheid brachten, met de gevonden schat terug naar het altaar van de allerzaligste Moeder Gods en altijd Maagd. Intussen maakte God, die wonderbaar is in Zijn heiligen, door de overvloedige weldaden van Zijn mildheid Zijn tegenwoordigheid door tekenen en wonderen bekend aan hen die zowel buiten als binnen de basiliek om genezing smeekten, en wel zozeer dat de tijd scheen te zijn teruggekeerd waarin de Heer onder de mensen verkeerde en waarvan geschreven staat dat allen die zieken hadden die door verschillende kwalen gekweld werden, hen tot Jezus brachten en zij genezen werden. De goddelijke kracht verwaardigde zich dit alles niet alleen op die dag te bewerken, maar ook nog lange tijd daarna door de verdiensten van Zijn dienaar, zodat ook uit andere landen, nadat de faam van Gods weldaden bekend was geworden, zij die door verschillende ziekten gekweld werden met groot verlangen naar de voorspraak van de zalige man toestroomden om hun gezondheid terug te verkrijgen. Een zekere gravin van aanzienlijke adel, Mathilde genaamd, die drie achtereenvolgende jaren door ingewandspijnen gekweld was en reeds de dood nabij was, werd door de haren op een draagbaar gebracht. Op dezelfde dag waarop zij het graf van de zalige man aanraakte, voelde zij zich terstond herstellen en nadat zij binnen korte tijd haar vroegere gezondheid had teruggekregen, maakte zij de grote werken Gods bekend die door de verdiensten van Zijn dienaar aan haar waren geschonken. De overige wondertekenen Gods die uit de hemel uit liefde tot Zijn dienaar werden getoond, heb ik onbeschreven gelaten, niet omdat ik ze gering zou achten, maar omdat de Heer niet alleen over mij regen laat vallen, Hij die Zijn zon doet schijnen over goeden en kwaden. De menigvuldigheid van Zijn weldaden, die tot nut van allen strekt, heb ik aan de talloze wijzen die Hongarije voedt en omvat overgelaten om met de pen bekend te maken. Slechts dit heb ik besloten aan het einde van het boek toe te voegen: hoe door een wonderbare gave van Gods goedertierenheid de ring die zo lang gezocht en niet gevonden was, drie jaren na de overbrenging van de zalige man samen met diens rechterhand geopenbaard werd. Een zekere monnik, Mercurius genaamd, die als geestelijke de bewaarder van de schat van de altijd Maagd was geweest en uit liefde tot het hemelse vaderland de wereld had verzaakt, was op het uur waarop het graf geopend werd op bevel van de koning ver van die plaats verwijderd, opdat hij niets van de heilige relieken zou wegnemen. Terwijl hij met bedroefd gelaat in het koor zat, gaf een jongeman, gekleed in witte gewaden, hem een opgerolde doek en sprak tot hem: Dit vertrouw ik u toe om te bewaren en, wanneer de tijd gekomen is, bekend te maken. Nadat het heilige officie voltooid was, ontvouwde de monnik in een hoek van het gebouw de doek. Toen hij daarin de ongeschonden hand van de man Gods zag, met de ring van wonderbaar werk, werd hij door vrees bevangen. Zonder dat iemand ervan wist, bracht hij haar naar het klooster dat aan zijn bestuur was toevertrouwd, om daar de tijd af te wachten die hem door Christus bij monde van de jongeman was voorzegd. Daar besloot hij lange tijd alleen de schat die in de akker verborgen was te bewaken en er de wacht over te houden. Later maakte hij de stichters van dat klooster ermee bekend en ten slotte, toen de tijd naderde waarop de zaak geopenbaard moest worden, bracht hij haar ter kennis van de koning. Deze riep terstond de bisschoppen en de voornaamsten van Hongarije bijeen en, nadat Christus daar vele weldaden door wonderen had geschonken, stelde hij een feestdag vast voor de verheffing van de rechterhand van de man Gods. Wat betekent het, broeders, dat, terwijl de overige ledematen waren vergaan en geheel uiteengevallen nadat het vlees tot stof was geworden, alleen de rechterhand, waarvan de huid met de pezen nog aan de beenderen gehecht was, de luister van haar ongeschondenheid heeft bewaard? Ik meen dat de diepte van het goddelijke raadsbesluit door de verhevenheid van dit feit niets anders heeft willen openbaren dan dat het werk van liefde en aalmoezen alle trappen van de deugden te boven gaat. Daarom zegt de Waarheid in het Evangelie: Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen. En wederom: Geeft en u zal gegeven worden. En op een andere plaats: Zoals water het vuur blust, zo blust de aalmoes de zonde. Terecht bleef de rechterhand van de zalige man vrij van het bederf, want zij bloeide steeds opnieuw met de bloem van de barmhartigheid en was bij het voeden van de armen nooit zonder gaven om uit te delen. Hij kwam immers hen te hulp die in nood verkeerden, bevrijdde de verdrukten van het juk van gevangenschap, verschafte kleding en gastvrijheid aan vreemdelingen, beschouwde de ellende en nood van weduwen en wezen als de zijne, hernieuwde dagelijks het avondmaal en het gebod des Heren door de voeten van de armen te wassen, liet zijn aalmoezen niet voortkomen uit roof of uit schade aan anderen, maar uit zijn eigen beurs, ontzegde zichzelf de wil om te bezitten opdat hij de huizen Gods rijk zou maken en, aldus in alles voortgaande overeenkomstig de wil van God, kruisigde hij zijn vlees met zijn ondeugden en begeerten. Daaruit komt hem de lieflijke en wonderbare verering van zijn lichaam en zijn rechterhand toe, daaruit de zoete en gelukzalige vergelding van het eeuwige leven, daaruit het begeerlijke samenwonen met de hemelse burgers, waar hem voortdurend de altijd stralende en nooit afnemende glans verlicht van de ene en allerhoogste Godheid, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, door de eindeloze eeuwen der eeuwen. Amen.

VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN

Embleem van Sint-Michaël met het motto Defende nos in praelio