Katholieke Klassieken
De antimodernisteneed
van Z.H. Pius X
Uit het motu proprio Sacrorum Antistitum · 1 september 1910
In 1907 veroordeelde de H. paus Pius X het modernisme uitvoerig in de encycliek Pascendi Dominici Gregis. Omdat de modernistische dwalingen zich daarna bleven verspreiden, vaardigde hij op 1 september 1910 het motu proprio Sacrorum Antistitum uit, waarin hij nieuwe maatregelen voorschreef ter bescherming van het katholieke geloof en van de kerkelijke opleiding. De antimodernisteneed maakte daarvan deel uit.
Naast de voorgeschreven geloofsbelijdenis moest de eed worden afgelegd door hen die tot de hogere wijdingen zouden worden toegelaten, priesters die bevoegdheid kregen om biecht te horen of te prediken, pastoors, kanunniken en beneficianten vóór de aanvaarding van hun beneficie, functionarissen van bisschoppelijke curies en kerkelijke rechtbanken, priesters die voor de vastenprediking werden aangesteld, functionarissen van de Romeinse Congregaties en rechtbanken, en oversten en leraren van religieuze orden en congregaties vóór de aanvaarding van hun ambt.
Formule van de eed
Ik, N.N., omarm en aanvaard vast en zonder voorbehoud alles en ieder afzonderlijk wat door het onfeilbare leergezag van de Kerk is bepaald, bevestigd en verklaard, in het bijzonder die leerstukken welke rechtstreeks tegenover de dwalingen van deze tijd staan.
Ten eerste belijd ik dat God, oorsprong en einddoel van alle dingen, door het natuurlijke licht van de rede met zekerheid gekend en derhalve ook bewezen kan worden uit hetgeen geschapen is, dat wil zeggen uit de zichtbare werken der schepping, zoals de oorzaak uit haar gevolgen.
Ten tweede aanvaard en erken ik de uitwendige bewijzen van de Openbaring, dat wil zeggen goddelijke feiten, en vooral wonderen en profetieën, als volkomen zekere tekenen van de goddelijke oorsprong van de christelijke godsdienst. Tevens houd ik eraan vast dat deze voor het verstand van alle tijden en van alle mensen, ook van onze tijd, ten zeerste geschikt zijn.
Ten derde geloof ik eveneens met vast geloof dat de Kerk, de bewaarster en leermeesteres van het geopenbaarde woord, rechtstreeks en onmiddellijk is gesticht door de ware en historische Christus zelf, toen Hij onder ons verbleef, en dat zij gebouwd is op Petrus, het hoofd van de apostolische hiërarchie, en op zijn opvolgers tot het einde der tijden.
Ten vierde aanvaard ik oprecht de geloofsleer die van de Apostelen door de rechtgelovige Vaders tot ons is overgeleverd, in dezelfde zin en steeds met dezelfde betekenis. Daarom verwerp ik volstrekt het ketterse verzinsel van een ontwikkeling der dogma’s waarbij deze van de ene betekenis overgaan in een andere, verschillend van die welke de Kerk vroeger heeft gehouden. Eveneens veroordeel ik iedere dwaling waardoor in de plaats van het goddelijke geloofsgoed, dat aan de Bruid van Christus is toevertrouwd en door haar getrouw moet worden bewaard, een wijsgerige uitvinding of een schepping van het menselijk bewustzijn wordt gesteld, die geleidelijk door menselijke inspanning is gevormd en in de toekomst door een onbeperkte ontwikkeling vervolmaakt zou moeten worden.
Ten vijfde houd ik met volkomen zekerheid vast en belijd ik oprecht dat het geloof geen blind godsdienstig gevoel is dat uit de verborgen diepten van het bewustzijn opkomt onder de druk van het hart en de neiging van een zedelijk gevormde wil, maar een werkelijke instemming van het verstand met de van buitenaf door het gehoor ontvangen waarheid, waardoor wij voor waar houden wat door de persoonlijke God, onze Schepper en Heer, is gezegd, betuigd en geopenbaard, op grond van het gezag van God, die de hoogste Waarheid is.
Ik onderwerp mij bovendien met de verschuldigde eerbied aan alle veroordelingen, verklaringen en voorschriften die vervat zijn in de encycliek Pascendi en in het decreet Lamentabili, en ik stem daarmee van ganser harte in, in het bijzonder waar het betreft hetgeen men de geschiedenis der dogma’s noemt.
Eveneens verwerp ik de dwaling van hen die beweren dat het door de Kerk voorgehouden geloof in strijd kan zijn met de geschiedenis en dat de katholieke dogma’s, in de betekenis waarin zij thans worden verstaan, niet verenigbaar zouden zijn met de waarachtiger oorsprong van de christelijke godsdienst.
Ook veroordeel en verwerp ik de mening van hen die zeggen dat de meer ontwikkelde christen een dubbele persoonlijkheid aanneemt, de ene van de gelovige en de andere van de geschiedkundige, alsof het de geschiedkundige geoorloofd zou zijn opvattingen te behouden die in strijd zijn met het geloof van de gelovige, of uitgangspunten te aanvaarden waaruit volgt dat de dogma’s vals of twijfelachtig zijn, zolang zij maar niet rechtstreeks worden ontkend.
Eveneens verwerp ik die wijze van beoordelen en uitleggen van de Heilige Schrift die, met voorbijgaan aan de Overlevering van de Kerk, de analogie van het geloof en de normen van de Apostolische Stoel, de verzinsels van de rationalisten volgt en de tekstkritiek even willekeurig als vermetel als de enige en hoogste regel aanvaardt.
Verder verwerp ik de mening van hen die stellen dat een leraar in de historische of theologische wetenschappen, of iemand die over deze zaken schrijft, vooraf iedere overtuiging terzijde moet stellen omtrent de bovennatuurlijke oorsprong van de katholieke Overlevering en omtrent de door God beloofde bijstand tot de voortdurende bewaring van iedere geopenbaarde waarheid. Volgens hen zouden vervolgens de geschriften van iedere afzonderlijke Vader uitsluitend volgens wetenschappelijke beginselen moeten worden uitgelegd, met uitsluiting van ieder heilig gezag en met dezelfde vrijheid van oordeel waarmee men alle profane historische bronnen pleegt te onderzoeken.
Ten slotte verklaar ik mij geheel vreemd aan de dwaling van de modernisten dat er in de heilige Overlevering niets goddelijks aanwezig zou zijn, of, wat veel erger is, dat zij het goddelijke daarin in pantheïstische zin erkennen. Daardoor zou niets anders overblijven dan een louter en eenvoudig feit, gelijk te stellen met de gewone feiten van de geschiedenis, namelijk dat mensen door eigen werkzaamheid, bekwaamheid en vernuft de door Christus en zijn Apostelen begonnen school door de opeenvolgende eeuwen hebben voortgezet.
Daarom houd ik zeer vast aan het geloof van de Vaders en zal ik daaraan vasthouden tot mijn laatste levensadem, betreffende het zekere charisma van de waarheid dat aanwezig is, aanwezig was en altijd aanwezig zal zijn in de opvolging van het episcopaat vanaf de Apostelen. Dit is niet opdat zou worden vastgehouden aan hetgeen overeenkomstig de beschaving van iedere tijd beter en geschikter zou kunnen schijnen, maar opdat de absolute en onveranderlijke waarheid, die vanaf het begin door de Apostelen is verkondigd, nooit anders geloofd en nooit anders verstaan wordt.
Dit alles beloof ik getrouw, volledig en oprecht te zullen onderhouden en ongeschonden te zullen bewaren, zonder er ooit van af te wijken, noch bij het onderrichten, noch op enige andere wijze in woord of geschrift.
Zo beloof ik, zo zweer ik, zo helpe mij God.
VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN