H. Nicolaas van Tolentino

10 september – H. Nicolaas van Tolentino, belijder † 1305

De H. Nicolaas werd omstreeks 1245 geboren te Sant’ Angelo in Pontano, in Midden-Italië. Hij trad reeds jong in de Orde van de Eremieten van de H. Augustinus en werd priester. Bijna dertig jaar verbleef hij te Tolentino, waar hij uitblonk in strenge boetvaardigheid, voortdurend gebed en grote liefde voor armen en zondaars. Bijzonder was zijn zorg voor de zielen in het vagevuur, voor wie hij dikwijls het heilig Misoffer opdroeg. Beroemd om zijn heiligheid en wonderen stierf hij te Tolentino op 10 september 1305. Paus Eugenius IV schreef hem in 1446 onder de heiligen.

De H. Nicolaas van Tolentino door Luis de Carvajal
Luis de Carvajal, De H. Nicolaas van Tolentino, 1604. De heilige draagt het zwarte habijt van de Augustijnen. Op zijn borst schittert de grote ster die zijn voornaamste attribuut werd en herinnert aan de ster die hij volgens zijn oude levensbeschrijving herhaaldelijk boven het altaar te Tolentino zag. Ook zijn habijt is met sterren bezaaid. Nicolaas wendt zich in gebed tot de gekruisigde Christus. Op de tafel liggen een boek en een gesel, verwijzingen naar zijn gebedsleven en strenge boetedoening. Het schilderij was waarschijnlijk bestemd voor het Augustijner klooster van San Agustín Extramuros te Madrigal de las Altas Torres. Museo Nacional del Prado, Madrid.

Het leven van de H. Nicolaas van Tolentino

De H. Nicolaas werd geboren te Sant’ Angelo in Italie. Zijn moeder Amata had lange tijd geen kinderen en smeekte God, op voorspraak van de H. Nicolaas van Bari, haar een zoon te schenken, waarbij zij beloofde met haar man diens graf te bezoeken. In een droom werden beiden door een engel aangespoord naar Bari te gaan. Daar brachten zij de nacht door in de kerk bij het graf van de heilige, die hun verscheen en aankondigde dat hun een zoon geboren zou worden die zijn naam zou dragen, God als kloosterling en priester zou dienen en door tekenen en wonderen zou uitblinken. Na hun terugkeer werd de zoon geboren en bij het doopsel Nicolaas genoemd. Reeds als kind zocht hij graag de omgang met ouderen en geestelijken, ontving hij de armen in het huis van zijn vader en woonde hij met grote ijver de goddelijke diensten bij. Nicolaas vertelde later zelf dat hij eens tijdens de opheffing van het Allerheiligste Sacrament met zijn eigen ogen een wonderschoon Kind had gezien, stralend van gelaat en gekleed in een schitterend gewaad. Nog jong werd hij kanunnik van de kerk van San Salvatore. Toen hij op zekere dag een Augustijner eremiet hoorde prediken over de woorden van de H. Johannes: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; want de wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid, drongen deze woorden zo diep in zijn hart dat hij onmiddellijk na de prediking vroeg in het klooster te worden opgenomen. Met toestemming van zijn ouders trad hij in bij de Eremieten van de H. Augustinus en legde de geloften van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid af. Van toen af legde hij zich met grote gestrengheid toe op vasten, waken, gebed en boete.

Na zijn priesterwijding werd Nicolaas naar het klooster van Valmanente bij Pesaro gezonden en later verbleef hij te Recanati. Een verwant, die prior was van een ander klooster, zag zijn armoede en strenge levenswijze en trachtte hem over te halen zijn Orde te verlaten en bij hem een gemakkelijker kloosterleven te leiden. Nicolaas ging in de kerk op zijn knieën en bad met opgeheven handen: Heer, richt mijn weg voor Uw aanschijn. Daar verschenen hem jongelingen in witte gewaden, opgesteld als twee koren, die driemaal riepen: Naar Tolentino, naar Tolentino, naar Tolentino zal uw bestemming zijn. Blijf in de roeping waartoe gij geroepen zijt, want daarin zult gij uw heil vinden. Nicolaas begreep dat God hem zijn weg wees en begaf zich naar Tolentino, waar hij bijna dertig jaar zou blijven. Daar onthield hij zich van vlees, eieren, vis, kaas en andere voedzame spijzen. Op maandag, woensdag, vrijdag en zaterdag, deze laatste dag ter ere van de H. Maagd, gebruikte hij slechts eenmaal daags brood en water. Hij sliep enkele uren op wat stro en stond daarna op om te bidden. Van de Completen tot het hanengekraai, van de Metten tot de morgen, na de Mis tot de Terts en na de Noon tot de Vespers bracht hij, voor zover zijn gehoorzaamheid en het horen van biechten dit toelieten, zijn tijd in gebed door. In zijn cel had hij twee stenen gelegd: op de ene knielde hij en op de andere liet hij zijn armen rusten wanneer de lange duur van het gebed hem vermoeide.

De duivel trachtte hem dikwijls in zijn gebed te hinderen. Eens doofde en verbrijzelde hij de lamp in het oratorium, maakte op het dak het geluid van wilde dieren en wierp de dakpannen naar beneden. Nicolaas zette zijn gebed voort. Daarop werd hij zo hevig aangevallen en geslagen dat de sporen van de verwondingen nog dagenlang op zijn lichaam zichtbaar bleven. Een andere nacht werd hij met zoveel geweld tegen de grond geworpen dat de broeders, gewekt door het rumoer, hem moesten opnemen en naar zijn bed dragen. Zodra hij zich met een stok weer kon oprichten, hervatte hij zijn gewone gebeden en dankte en loofde Christus.

Nicolaas bezocht de zieken en werd zo door hun lijden bewogen dat hij voor hen bijeenbracht wat hun tot hulp kon zijn. Zelfs toen hij zelf door zijn verwondingen slechts met een stok kon lopen, liet hij zijn bezoeken aan de zieken niet na. Hij troostte hen met de woorden van de Heilige Schrift, bad en vastte voor de zondaars die bij hem kwamen biechten en vergoot tranen voor hen. Hij had de armen lief, verschafte hun voedsel en kleding en ontving reizende broeders alsof hij engelen ontving. Petrus noemt hem de vreugde van de bedroefden, de troost van de gekwelden, de vrede van hen die verdeeld waren, de verkwikking van de vermoeiden en de hulp van de armen.

Eens, nadat Nicolaas lange tijd in zijn cel had gebeden, zag hij in zijn slaap een grote schitterende ster. Zij kwam uit Sant’Angelo, zijn geboorteplaats, trok rechtstreeks naar Tolentino en bleef staan boven het altaar waarbij hij gewoonlijk de H. Mis opdroeg en bad. Een broeder aan wie hij het visioen vertelde, zei hem dat de ster zijn heiligheid aanduidde en dat zijn lichaam bij dat altaar zou rusten, waar later mensen uit vele streken zouden komen. Nicolaas wees deze woorden uit nederigheid van zich af. Enige dagen later verscheen de ster opnieuw, nu terwijl hij naar het oratorium ging. Zij ging hem langzaam voor en bleef boven hetzelfde altaar staan. Dit gebeurde daarna herhaaldelijk. Wanneer Nicolaas het oratorium binnenging, verscheen de ster en ging hem voor; wanneer hij na zijn gebed vertrok, verdween zij. Toen zijn dood naderde, vroeg hij daarom aan de broeders hem bij dat altaar te begraven.

In de laatste zes maanden van zijn leven hoorde Nicolaas vóór het morgenuur een buitengewoon lieflijk gezang. Het vervulde hem met zo grote vreugde dat hij zei: Ik verlang te sterven en met Christus te zijn. Toen zijn laatste ziekte verergerde en hij het bed niet meer kon verlaten, liet hij de broeders bij zich komen. Hij vroeg hun hem te vergeven indien hij iemand ooit beledigd of benadeeld had en verzocht zijn prior om de absolutie en de sacramenten van de heilige Moeder Kerk. Bovenal verlangde hij het Lichaam des Heren als Viaticum te ontvangen voor de reis van deze wereld naar het hemelse vaderland. Nadat hij de H. Communie had ontvangen, liet hij een zilveren kruis brengen waarin een reliek van het ware Kruis was geplaatst. Hij richtte zich zo goed hij kon in zijn bed op, kuste het kruis onder tranen en bad dat Christus hem door Zijn Kruis in het uur van zijn dood tegen de vijand zou beschermen. Toen de broeders hem vroegen waar zijn grote vreugde vandaan kwam, antwoordde hij: Het is God, mijn Heer Jezus Christus, Die met Zijn Moeder en onze vader Augustinus tot mij zegt: Sta op, goede en getrouwe dienaar; ga binnen in de vreugde van uw Heer. Met de handen ten hemel geheven en de ogen gericht op het kruis dat vóór hem stond, sprak hij: In Uw handen beveel ik mijn geest. Met een blij en vredig gelaat gaf hij zijn geest aan God. Hij stierf te Tolentino op 10 september 1305.

Petrus van Monterubbiano, Historia beati Nicolai de Tolentino, 1326, cap. I–V; Acta Sanctorum, 10 september.

De zielen in het vagevuur

De H. Nicolaas van Tolentino werd bijzonder vereerd als voorspreker voor de zielen in het vagevuur. Reeds in zijn vroege levensbeschrijving wordt verteld hoe een overleden medebroeder hem om het H. Misoffer vroeg.

Nadat Nicolaas priester was geworden en in een klooster nabij Pesaro verbleef, droeg hij uit grote godsvrucht dagelijks de H. Mis op.

In de nacht van zaterdag op zondag, terwijl hij sliep, hoorde hij een ziel luid en jammerend roepen: Broeder Nicolaas, man Gods, heb medelijden met mij. Nicolaas vroeg wie hij was. De ziel antwoordde: Ik ben de ziel van broeder Peregrinus uit Osimo, die gij tijdens mijn leven hebt gekend. Ik word in deze vlam gekweld. God heeft mijn berouw niet verworpen en heeft mij in Zijn barmhartigheid voor de eeuwige straf behoed. Om mijn zonden moet ik echter de tijdelijke straffen van het vagevuur ondergaan. Daarom smeek ik u ootmoedig de Mis voor de overledenen op te dragen, opdat ik uit deze vlammen bevrijd moge worden. Nicolaas antwoordde: Moge mijn Verlosser, door Wiens Bloed gij zijt vrijgekocht, u helpen. Maar ik ben aangewezen om de conventsmis te vieren en nu de zondag nadert, kan ik de Mis voor de overledenen niet opdragen. Daarop zei Peregrinus: Kom, eerwaardige vader, kom en zie de ellendige menigte die mij tot u heeft gezonden. Wijs haar smeekbede niet af. Hij voerde hem naar de andere zijde van het klooster en toonde hem een kleine vlakte bij Pesaro. Daar bevond zich een ontelbare menigte van mannen en vrouwen, van verschillende leeftijden, standen en orden. Zij riepen: Heb medelijden met ons, vader, heb medelijden met deze ellendige menigte die op uw hulp wacht. Indien gij voor ons de Mis opdraagt, zal een zeer groot deel van ons uit deze verschrikkelijke kwellingen worden bevrijd. Toen Nicolaas ontwaakte, was hij diep getroffen door hetgeen hij had gezien en begon hij onder overvloedige tranen voor allen tot de Verlosser te bidden. De volgende morgen ging hij naar zijn prior en vroeg toestemming om gedurende die week de Mis voor de overledenen op te dragen. De prior stemde toe en stelde een andere priester aan om zijn plaats in te nemen. Nicolaas droeg vervolgens gedurende de gehele week de Mis voor de overledenen op en bad dag en nacht onder tranen voor de menigte die hem was getoond. Na afloop van die week verscheen broeder Peregrinus opnieuw aan hem. Hij dankte Nicolaas en vertelde dat hijzelf en een groot deel van die menigte door Gods barmhartigheid, het H. Misoffer en de gebeden van Nicolaas uit hun straffen waren bevrijd en tot de heerlijkheid van God waren toegelaten.

Petrus van Monte Rubiano, Vita S. Nicolai de Tolentino, cap. II, in Acta Sanctorum, 10 september.

Wonderen van de H. Nicolaas

Reeds tijdens zijn leven werden talrijke wonderen aan de H. Nicolaas toegeschreven. Ook na zijn dood riepen de gelovigen hem in ziekten en gevaren aan en werden vele gebedsverhoringen en wonderbare genezingen op zijn voorspraak vermeld. De wonderen van de heilige werden eeuwenlang in kerken en kloosters afgebeeld.

De H. Nicolaas van Tolentino wekt de vogels tot leven
Garofalo, De H. Nicolaas van Tolentino wekt de vogels tot leven, ca. 1530. Toen de zieke Nicolaas gebraden patrijzen werden voorgezet, wilde hij zijn onthouding van vlees niet verbreken. Hij maakte het kruisteken over de vogels, waarop zij weer tot leven kwamen, van de schotel opvlogen en verdwenen. Nicolaas is afgebeeld in het zwarte habijt van de Augustijnen, met de ster op zijn borst. The Metropolitan Museum of Art, New York.
De H. Nicolaas van Tolentino wekt een gestorven kind op
Garofalo, De H. Nicolaas van Tolentino wekt een gestorven kind op, ca. 1530. Nicolaas buigt zich in gebed over een gestorven kind dat nog niet gedoopt was en brengt het weer tot leven. De moeder knielt naast het kind, terwijl omstanders getuige zijn van het wonder. Ook hier is de heilige herkenbaar aan het zwarte Augustijner habijt en de ster op zijn borst. The Metropolitan Museum of Art, New York.

De ex voto’s van Tolentino

Een ex voto is een wijgeschenk dat in een kerk of heiligdom wordt geplaatst of opgehangen, gewoonlijk uit dankbaarheid voor een verkregen genade of gebedsverhoring, of ter vervulling van een gelofte. De naam komt van het Latijnse ex voto suscepto, krachtens een gedane gelofte. Zulke wijgeschenken werden in kerken en heiligdommen opgehangen als blijvend teken van gebedsverhoring. Zij konden kostbaar zijn, maar ook heel eenvoudig. Vooral vanaf de late middeleeuwen werden kleine geschilderde panelen gebruikelijk waarop de ziekte, het ongeluk of het gevaar werd afgebeeld waarin de gelovige de hemelse hulp had ingeroepen.

In het heiligdom van de H. Nicolaas te Tolentino bevindt zich een uitzonderlijk grote verzameling van zulke geschilderde ex voto’s. Honderden zijn er bewaard gebleven, waarvan de oudste uit het einde van de vijftiende eeuw dateren. Men ziet er zieken en stervenden, kinderen in gevaar, valpartijen, ongelukken met paarden en andere noden. Zij werden geschonken door gelovigen die daarin de voorspraak van de H. Nicolaas hadden ingeroepen en voor de verkregen hulp hun dank wilden betuigen. Reeds kort na zijn dood werd zijn graf te Tolentino een bedevaartsoord en werden talrijke wonderen aan zijn voorspraak toegeschreven.

Opmerkelijk is de grote overeenkomst tussen deze schilderingen, hoewel zij uit verschillende eeuwen stammen. Telkens wordt de nood waarin de gelovige verkeerde eenvoudig voorgesteld en verschijnt de H. Nicolaas als hemelse voorspreker, herkenbaar aan zijn zwarte Augustijner habijt en de ster op zijn borst. Zo geven de ex voto’s door de eeuwen heen hetzelfde vertrouwen weer in zijn voorspraak bij God.

Ex voto van een geknielde bidder voor de H. Nicolaas van Tolentino
Een geknielde bidder dankt de H. Nicolaas van Tolentino. De heilige verschijnt met de ster op zijn borst. Tempera op paneel, laatste kwart van de vijftiende eeuw. Museo del Santuario di San Nicola, Tolentino.
Ex voto van een vrouw die door de voorspraak van de H. Nicolaas wordt gered
De H. Nicolaas redt een vrouw die in een vat is gevallen. Tempera op paneel, begin zestiende eeuw. Museo del Santuario di San Nicola, Tolentino.
Ex voto van een meisje dat door de voorspraak van de H. Nicolaas uit een put wordt gered
Een meisje dat in een put is gevallen, wordt door de voorspraak van de H. Nicolaas gered. De heilige verschijnt boven haar met de ster op zijn borst. Eind zeventiende eeuw. Museo del Santuario di San Nicola, Tolentino.
Ex voto van Orazio Gambuti voor de H. Nicolaas van Tolentino
Orazio Gambuti dankt de H. Nicolaas na een operatie wegens nierstenen. De verwijderde stenen liggen vóór hem uitgestald; boven hem verschijnt de heilige met lelie en ster. Olieverf op paneel, 1719. Museo del Santuario di San Nicola, Tolentino.
Ex voto voor de voorspraak van de H. Nicolaas bij een ongeluk met een paard
De H. Nicolaas wordt aangeroepen bij een ongeluk met een op hol geslagen paard. De heilige verschijnt boven het gebeuren met de ster op zijn borst. Olieverf op paneel, negentiende eeuw. Museo del Santuario di San Nicola, Tolentino.

Museo del Santuario di San Nicola, Tolentino. Verzameling ex voto’s, gedocumenteerd door het Istituto Centrale per il Catalogo e la Documentazione.

H. Nicolaas van Tolentino

Patroonheilige

De H. Nicolaas van Tolentino is patroonheilige van Tolentino en van de zielen in het vagevuur. Hij wordt van oudsher ook aangeroepen tegen pest en brand.

H. Nicolaas van Tolentino, O.P.N.