Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Mattheüs, 22, 34–46
IN DIE TIJD kwamen de farizeeën bij Jezus en een van hen, een wetgeleerde, trachtte Hem op de proef te stellen door te vragen: Meester, wat is het grootste gebod in de Wet? Jezus antwoordde hem: Gij zult de Heer, uw God, beminnen uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk: gij zult uw naaste beminnen zoals uzelf. Op deze twee geboden berust de gehele Wet en de Profeten. Terwijl nu de farizeeën zo bij elkander stonden, stelde Jezus een vraag aan hen: Wat dunkt u van de Christus? Van wie is Hij de Zoon? Zij antwoordden Hem: Van David. Hij zeide hun: Hoe komt het dan, dat David in de Geest Hem Heer noemt, als hij zegt: De Heer zeide tot mijn Heer: zit neder aan mijn rechterhand, tot Ik uw vijanden neerleg als een voetbank voor uw voeten? Als nu David Hem Heer noemt, hoe is Hij dan zijn zoon? En niemand was in staat Hem daarop een antwoord te geven en van die dag af waagde het ook niemand meer om Hem nog vragen te stellen.

H. Augustinus over de liefde tot God en de naaste
In het eerste boek van De doctrina christiana onderzoekt de H. Augustinus hoe de liefde van de mens geordend moet zijn. Daarbij behandelt hij uitdrukkelijk de twee geboden die Christus in het Evangelie samenvoegt: God beminnen uit geheel het hart en met geheel de ziel en geheel het verstand, en de naaste beminnen als zichzelf. Augustinus stelt daarbij de vraag wat het eigenlijk betekent zichzelf en de naaste op de juiste wijze te beminnen. God alleen is het onveranderlijke Goed waarin de mens zijn uiteindelijke vreugde vindt. Vanuit die gedachte verklaart Augustinus de woorden als uzelf.
God beminnen met geheel uw hart
Niemand behoort echter in zichzelf zijn uiteindelijke vreugde te zoeken, als men dit goed beschouwt, want ook zichzelf behoort men niet om zichzelf te beminnen, maar omwille van Hem in wie men zijn vreugde moet vinden. De mens is immers dan op zijn best, wanneer zijn gehele leven zich richt op het onveranderlijke Leven en hij zich met zijn gehele liefde daaraan hecht. Indien hij echter zichzelf om zichzelf bemint, richt hij zichzelf niet op God, maar keert hij zich tot zichzelf en daarmee niet tot iets onveranderlijks. En daarom vindt hij reeds op gebrekkige wijze zijn vreugde in zichzelf, want hij is beter wanneer hij zich geheel hecht en vastbindt aan het onveranderlijke Goed dan wanneer hij zich daarvan zelfs maar naar zichzelf toe losmaakt. Indien gij dus uzelf niet om uzelf behoort te beminnen, maar omwille van Hem in wie het volkomen juiste einddoel van uw liefde gelegen is, laat dan ook een ander mens er geen aanstoot aan nemen wanneer gij ook hem omwille van God bemint.
Dit is immers de regel van de liefde die door God is vastgesteld: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. God echter met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, zodat gij al uw gedachten, uw gehele leven en uw gehele verstand richt op Hem van wie gij juist datgene hebt wat gij op Hem richt. Wanneer Hij echter zegt: met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, heeft Hij geen enkel deel van ons leven overgelaten dat daarvan vrij zou mogen blijven en als het ware ruimte zou mogen geven om in iets anders zijn uiteindelijke vreugde te zoeken. Maar al wat daarnaast in onze gedachten komt en bemind moet worden, moet daarheen worden meegevoerd waarheen de gehele aandrang van de liefde zich richt. Wie daarom zijn naaste op de juiste wijze bemint, moet er met hem naar streven dat ook hij God bemint met geheel zijn hart, geheel zijn ziel en geheel zijn verstand. Want door hem aldus te beminnen als zichzelf, richt hij de gehele liefde voor zichzelf en voor die ander op die liefde tot God, die niet duldt dat van haar enig stroompje naar buiten wordt afgeleid, waardoor zij door die afleiding verminderd zou worden.
Uw naaste beminnen als uzelf
Daar het dus niet nodig is dat iemand het gebod ontvangt zichzelf en zijn lichaam te beminnen, dat wil zeggen omdat wij datgene wat wij zijn en datgene wat beneden ons staat maar toch tot ons behoort, beminnen krachtens een onwrikbare natuurwet die zelfs aan de dieren gegeven is, want ook de dieren beminnen zichzelf en hun lichaam, bleef over dat wij geboden zouden ontvangen betreffende Hem die boven ons staat en hem die naast ons staat. Gij zult, zegt Hij, de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangen de gehele Wet en de Profeten. Het doel van het gebod is derhalve de liefde, en wel een tweevoudige: die tot God en die tot de naaste.
Wanneer gij onder uzelf uw gehele persoon verstaat, dat wil zeggen uw ziel en uw lichaam, en onder uw naaste eveneens zijn gehele persoon, dat wil zeggen zijn ziel en zijn lichaam, want de mens bestaat uit ziel en lichaam, dan is in deze twee geboden geen enkele soort van hetgeen bemind moet worden overgeslagen. Want aangezien de liefde tot God vooropgaat en de wijze waarop Hij bemind moet worden uitdrukkelijk is voorgeschreven, zodat al het overige daarin samenkomt, lijkt er niets gezegd te zijn over uw liefde tot uzelf. Maar wanneer gezegd wordt: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf, is daarmee tegelijk ook uw liefde tot uzelf niet overgeslagen.
De orde van de liefde
Rechtvaardig en heilig leeft hij die de dingen naar hun juiste waarde beoordeelt. Dat is degene die een geordende liefde bezit, zodat hij niet bemint wat niet bemind moet worden, niet nalaat te beminnen wat bemind moet worden, niet méér bemint wat minder bemind moet worden, niet in gelijke mate bemint wat minder of meer bemind moet worden, en niet minder of meer bemint wat in gelijke mate bemind moet worden. Iedere zondaar moet, voor zover hij zondaar is, niet worden bemind. Iedere mens moet echter, voor zover hij mens is, omwille van God worden bemind, maar God omwille van Hemzelf. En indien God méér dan iedere mens moet worden bemind, dan moet ieder God ook méér beminnen dan zichzelf. Evenzo moet een ander mens méér worden bemind dan ons eigen lichaam, omdat al deze dingen omwille van God moeten worden bemind en een ander mens samen met ons zijn vreugde in God kan vinden, hetgeen het lichaam niet kan, omdat het lichaam leeft door de ziel, waardoor wij onze vreugde in God vinden.
Bron: H. Augustinus, De doctrina christiana, boek I, 22 en 26–27.